Toch nog op bezoek bij Roodjasje
Nadat er helemaal niets meer te zien is, besluiten het prinsje, zijn vriendje en Trollo verder te reizen. „Over een minuut of twintig kunnen wij bij mijn tweelingbroer Roodjasje zijn," verzekert de trol. „Hij is de baas van een groot hotel en daar kunnen wij eens lekker gaan uit-rusten. Wij hebben vannacht niet geslapen en dat ga ik nu merken."
„Ja, ja, allemaal goed en wel," antwoordt Wipneus zachtjes, „maar Pim en ik zijn eigenlijk al veel te lang van huis. Ik weet zeker, dat mijn vader ongerust is. Zou ik bij jouw broer naar ons paleis kunnen opbellen . . .?"
„Dat zal best lukken," verzekert Trollo. „Roodjasje is een van de weinigen hier in de streek, die telefoon heeft.
Wel zal hij de verbinding met Kabouterland moeten aanvragen en dat kan eventjes duren. Maar op een paar minuten kijken we niet."
De drie vrienden vliegen verder en werkelijk, na twintig minuten komen zij bij een groot hotel, dat op een prachtig plekje tegen een helling ligt. Er wordt geland op het terras en van hier heb je een schitterend uitzicht op de fjord. De vroege ochtendzon schijnt over het heldere water, dat hierdoor een goudkleur krijgt. Wipneus en Pim vergeten alles om zich heen en genieten van de geweldige natuur.