Lelijk in de val gelopen
Door het bluswerk zijn de drie helpers er niet schoner op geworden. Hun kleren zijn hier en daar nat van het gemorste water en op de gezichten zitten vuile, vieze, zwarte roetstrepen van de rook.
Als Trollo genoeg van het gesprek begint te krijgen, loopt hij op de lange Vidar toe. Deze schijnt de baas van het schip te zijn. „Zeg, zouden mijn vrienden en ik ons niet een beetje kunnen opknappen? Kijk eens, hoe vuil wij zijn."
Weer praten de mannen even met elkaar en dan maakt Wiglaf een beweging, dat het drietal hem moet volgen.
Hij gaat een trapje af, loopt een smal gangetje door, dan weer een trapje af en doet dan de deur van een klein kamertje open. In het vertrek staat iets, dat op een badkuip lijkt met een kraan erboven. Op een bankje ligt een stuk zeep.
Verder is het een echt rommelkamertje. Je kunt er zo van alles vinden: een stel laarzen, een visnet, een rol touw en een stel lege tonnen. Wiglaf geeft een teken, dat de drie naar binnen moeten gaan. Nauwelijks is dat gebeurd, of vliegensvlug wordt de deur dichtgetrokken en de reizigers horen heel goed, dat het slot wordt omgedraaid.
Als dank voor hun hulp zijn Wipneus, Pim en Trollo opgesloten.
Van verbazing kunnen zij geen woord uitbrengen.
Wipneus is de eerste, die de stilte verbreekt. Langzaam zegt hij: „Wat krijgen we nou . . .? Waarom worden wij opgesloten . . .? Wat hebben wij gedaan . . .?"
Trollo legt een vinger op zijn mond en fluistert: „Wij zijn lelijk in de val gelopen. Ik zal jullie iets meer vertellen. Maar wel moeten wij zachtjes praten, want er bestaat alle kans, dat aan de andere kant van de deur iemand ons afluistert."
Wipneus en Pim gaan op een omgekeerd tonnetje zitten en hun vriend komt vlak bij hen staan. Dan krijgen de kabouters te horen, wat de trol zoal te weten is gekomen.
„Wij zijn op een Vikingschip terechtgekomen. Dat is niet zo mooi, want Vikingen zijn echte zeerovers. In ons land is men doodsbang voor deze mensen. Niets en niemand is veilig. In de fjorden worden de scheepjes aangevallen en als je je probeert te verdedigen, dan schrikken zij er niet voor terug om een onschuldige te doden.
Jullie hebt allang gemerkt aan hun norse gezichten, dat wij als helpers niet welkom waren. De rovers willen ons graag kwijt, maar weten niet hoe. Pottekijkers kunnen zij beslist niet gebruiken. Voorlopig zijn wij in dit kamertje opgesloten en ik weet niet, wat ons te wachten staat."
„Kunnen wij dan helemaal niets doen?" vraagt Pim.
De vriend van Wipneus is niet van plan om stil te blijven zitten. „Ik stel voor, dat wij heel gewoon doen en niet laten merken, dat wij op een zeeroversschip zitten," praat Trollo verder. „Laten wij ons eerst eens lekker gaan wassen en opknappen. Ondertussen zal ik eens goed nadenken.
Ik ben en blijf een echte trol en als die wordt geplaagd, dan kun je op een tegenaanval rekenen." De dwerg kijkt zo boos, dat de jongens van koning Goedhart er bang van worden. Toch hebben zij van hem niets te vrezen.
Wipneus draait de kraan open en laat de bak half vol water lopen. Om de beurt krijgt ieder een kans om zich te wassen. Na twintig minuten ziet het drietal er heel anders uit. Weg zijn de zwarte handen en weg zijn de vuile strepen op hun gezicht.
In het kamertje zit ook een rond raampje en Pim probeert, of het open kan. Alle moeite is echter tever-geefs. Er is geen enkele beweging in te krijgen. „Wij zitten hier als muizen in een val," mompelt hij teleurgesteld.
Het prinsje kijkt ook niet bepaald vrolijk. De reis was zo prettig begonnen en nu zit de kabouter opgesloten onder in een schip, waarop een stel boeven heer en meester is. Hoelang zal dit duren . . . ? Een paar uur . . .?
Een paar dagen of misschien nog langer? Koning Goedhart kan niet worden gewaarschuwd en die zal zeker ongerust worden, als zijn zoon en zijn vriendje wat langer wegblijven.
Malle Trollo zit met de handen onder zijn hoofd. Hij heeft nu geen zin om te dansen en leuke versjes te maken.
Lange tijd blijft het stil, maar dan schijnt de trol iets te hebben bedacht. Zachtjes fluistert hij: „ K o m vlak bij mij zitten en luister naar mijn plan. Ik weet vantevoren niet, of het lukt. Maar als wij niets proberen, dan komen wij geen stap verder."
Het drietal gaat op de grond tegen de deur van het kamertje zitten. Zou er onverwacht iemand komen, dan kunnen zij direkt opspringen en zich zo nodig verdedigen.
„Voordat wij op het schip zouden landen, heb ik jullie gevraagd om een klimopblaadje in je zak te steken,"
begint het ventje, dat nog altijd kwaad kijkt. „Is dat ook gebeurd . . . ? " Wipneus en Pim steken een hand in de zak van hun jasje en laten het gevraagde blaadje zien.
„Mooi zo," knikt Trollo tevreden. „Hiermee kun je heel wat doen. Bijvoorbeeld dit: knip er een klein stukje af, steek het in je mond, kauw er even stevig op en slik het dan vlug door. Binnen vijftien tellen ben je onzichtbaar en die betovering duurt een uur of twee. Na die tijd kun je opnieuw een stukje klimop inslikken en dan ben je weer enkele uren voor niemand te zien."
„Maar dat is geweldig!" roept Pim uit, die heel goed heeft geluisterd. „Een van ons moet zich onzichtbaar maken en zo gauw de deur hier wordt geopend, vlug ont-snappen. Hij kan eens rustig gaan snuffelen op het schip."
„Jij slaat de spijker precies op z'n kop, Pimmie," prijst Trollo de vriend van Wipneus. „Jouw plan is ook het mijne. Ik stel voor, dat jij je het eerst onzichtbaar maakt.
Voel je daar iets voor?"
„Ik wel," lacht Pim. „En ergens rondsnuffelen doe ik ook heel graag. Ik hoop erachter te komen, wat er allemaal op dit schip verborgen wordt gehouden."
„Mooi zo, dat is voorlopig prettig geregeld," stelt het prinsje vast. „Vergeet je klimopblad niet mee te nemen, Pim. En let op de tijd, zodat je niet wordt gesnapt." „Ik zal proberen om aan alles te denken," belooft Pim.
„Dan maar niet getreuzeld," meent malle Trollo. „Heb je een schaartje bij je?" Pim steekt een hand in zijn rechter broekzak. „Alsjeblieft, hier is het." De trol wijst nauwkeurig de grootte aan van het stukje, dat van het klimopblad moet worden afgeknipt. Pim volgt de raad op en nu is er voor iedereen een spannend ogenblik aangebroken. Zal het tovermiddel van de trollen en nissen ook bij gewone kabouters werken?