„Naar de roeiboot en vlug een beetje," schreeuwt Vidar. „Ik wil geen kwartier langer hier blijven!" Loki en Wiglaf laten zich dat geen twee keer zeggen. Zij volgen hun baas op de voet. Het roeibootje dobbert aan een lang touw op het water aan de achterkant van het grote schip.

Vliegensvlug laten de zeerovers zich langs dat touw omlaagglijden. Met een plof komen zij in het bootje terecht. Dat doet zeer, maar het drietal heeft geen tijd om zich daar druk over te maken. Och, och, wat hebben die Vikingen een haast. Het lijkt wel, of zij door een leeuw achterna worden gezeten.

Wiglaf en Loki pakken ieder een roeispaan en Vidar maakt het touw los. „Klaar . . .?" roept de baas. De mannen knikken. „Dan zo snel mogelijk naar de oever.

Daar vinden wij in de rotsen wel een grot of misschien staat er een hutje, waar wij voorlopig veilig zijn!" Het prinsje, zijn vriendje en Trollo zien de mannen in het schemerdonker verdwijnen. „Ziezo, die zijn wij kwijt,"

zucht Wipneus. „Voor de zoveelste keer hebben wij weer een avontuur achter de rug. Ik ben blij, dat alles goed is afgelopen."

„Ho, ho! Niet zo haastig," waarschuwt Trollo. „Wij zijn nog lang niet klaar. Of dacht je, dat ik dit schip zomaar midden in de fjord laat liggen. De zeerovers zijn weg en ook hun boot zal ik voorgoed laten verdwijnen. Als een echte trol uit het Noordland neem ik wraak!"

„Moet de motor hersteld worden?" vraagt Pim. „Geef mij dan de wieltjes maar terug en het zaakje komt piekfijn voor elkaar." „Helemaal niet nodig," legt de tweelingbroer van Roodjasje uit. Nauwelijks heeft hij die zin gezegd, of het ventje begint weer uit het niet te voorschijn te komen. Zijn betovering is uitgewerkt. De zoon van koning Goedhart en Pim volgen een minuut of vijf later.

„Ziezo, nu kunnen wij tenminste zien, wat wij zeggen,"

grapt Wipneus. „Het is toch wel een beetje griezelig om als spoken rond te lopen." En dan Pim: „Zeg Trollo, jij sprak daarstraks over verdwijnen. Ik ben benieuwd, hoe je dat voor elkaar krijgt. Een schip kan moeilijk een klimopblaadje inslikken. Is er misschien nog een ander tovermiddel . . .?"

„Ik heb helemaal geen tovermiddel nodig," wordt er geantwoord. „Wat ik wel nodig heb, dat is jullie hulp. Kan ik daar op rekenen?" „Wat mij betreft wel," verzekert het prinsje. „Ik sluit mij graag bij de vorige spreker aan,"

lacht Pim.

„Mooi zo! Dan zal ik mijn plan verklappen en uitleggen, wat er allemaal moet gebeuren." Men gaat bij elkaar zitten op het voorschip, vlakbij het zeil, waar-onder nog altijd de klimophoepels verborgen liggen. De rovers hebben die niet ontdekt.

„Ik heb gezegd," begint Trollo, „dat dit schip voorgoed zal verdwijnen. Dat kan het gemakkelijkst gebeuren door het te laten zinken. De fjord is op deze plaats zeker tweehonderd meter diep. Ik weet niet, of jullie het hebben gezien, maar in het ruim zitten ook verschillende kleine raampjes net als in ons kamertje. Deze raampjes liggen allemaal onder de waterspiegel."

„Ik snap je al! Ik snap je al!" juicht Pim en van plezier begint hij te dansen. „Wat snap jij?" wil malle Trollo weten. „Wel, de raampjes zet je wagenwijd open en het water stroomt vanzelf naar binnen. Langzaam maar zeker loopt de boot vol water en op een gegeven ogenblik zal hij zinken. Het kan gewoon niet eenvoudiger!"

„Uitstekend, Pim," prijst de trol zijn vriend. „Ik heb altijd al gedacht, dat jij een heel slimme kabouter bent.

Wat jij denkt, is juist."

„Mij dunkt, dat het wel een paar uur zal duren, voordat het vikingschip is volgelopen," meent Wipneus. „Dat is prettig, want dan hebben wij ruim de tijd om rustig te vertrekken. Misschien ligt er in het ruim wel een rubber opblaasbootje, dat wij voor onze tocht kunnen gebruiken."

„Ha, ha! Die is goed!" lacht Trollo. „Mijn beste Wipneus, wij hebben helemaal geen bootje nodig. Wij hebben onze hoepels toch. Kom, laten wij niet te lang blijven praten, maar aan het werk gaan."

Het drietal gaat naar het ruim van het schip en Pim moet aanwijzen, waar hij de kisten met gereedschappen heeft gezien. „Een hamer of een flinke, ijzeren staaf zullen wij wel nodig hebben," meent Trollo. „Net als boven zullen de raampjes ook hier niet open kunnen.

Dat geeft niets, hoor. Wij slaan dan gewoon de ruiten kapot!"