„Maar dan zijn wij in de verte nog familie van elkaar,''
juicht Trollo en aan zijn dansen schijnt nu helemaal geen eind te komen. Het kereltje is dolgelukkig en schaterend roept hij uit: „Ik was op zoek naar een plaatsje voor de nacht. En laat ik nu bij kabouters terecht zijn gekomen.
Hoera! Hoera! Het had niet mooier gekund."
„Weet jij wel zeker, dat je hier welkom bent," zegt Wipneus en hij kijkt heel ernstig. „Onze koning Goedhart is goed, maar streng," verzekert Pim. „En dan hebben wij ook nog een zekere schildwacht Spinazie. Daar moet je beslist voor oppassen. Het valt mij eigenlijk een beetje tegen, dat hij jou nog niet heeft gezien."
„Al ben ik niet lang, toch ben ik niet bang," zingt Trollo, terwijl hij met zijn muts zwaait. „Waar is de woning van jullie koning? Ik zal voor hem zingen en ook een poosje springen. Al ben ik wat vuil, toch ben ik geen uil. Ik weet heel goed, hoe ik mij gedragen moet."
Opnieuw kijken Wipneus en Pim heel verbaasd. Wie kan er zo gemakkelijk een vers uit zijn mouw schudden.
Die Trollo moet een bijzonder iemand zijn. Het prinsje en zijn vriendje mogen hem wel en het tweetal is dan ook vast besloten om de vreemde gast, die uit de lucht is komen vallen, te helpen.
„Ga je mee naar ons paleis?" stelt Wipneus voor. „Ik zal je dan aan mijn vader voorstellen. Er komen bij ons niet zo dikwijls gasten uit een vreemd land." „Laten wij aanstonds gaan, want ik neem jouw voorstel aan," grapt Trollo en maakt weer enige malle bewegingen.