Langzaam loopt het hele ruim onder water en ook de onderste treden van het trapje zijn al niet meer te zien.

„Het gaat zonder meer uitstekend," knikt Trollo tevreden. „Alleen jammer van al die mooie spulletjes, die ook naar de bodem van de fjord zullen verdwijnen. Maar ja, daar is nu eenmaal niets aan te doen."

Door het vele water, dat naar binnen stroomt, begint de boot steeds dieper te zakken. Het schip wordt al maar zwaarder, totdat het ogenblik komt, dat het niet meer kan blijven drijven. Niemand weet te zeggen, hoe lang dat nog zal duren. Daarom stelt Trollo voor om de klimophoepels alvast klaar te leggen, zodat het schip op het juiste ogenblik kan worden verlaten. Ondertussen is het weer helemaal licht geworden. De vrienden speuren in alle richtingen de fjord af, maar van Vidar, Loki en Wiglaf valt geen spoor te ontdekken.

Na anderhalf uur begint het vikingschip gevaarlijk schuin te hangen. Het achterste deel komt spoedig onder water te staan en de rest zal weldra volgen. „Hoepels om en opstijgen," beveelt Trollo. „Het kan nu elk ogenblik gebeuren!"

Even later hangt het drietal in de lucht. Zij draaien in grote cirkels om het zinkende schip heen. Dan opeens gebeurt het. Met donderend geweld slaat een aantal golven toe en drukt de boot omlaag. Het topje van de mast is het laatste, dat Wipneus, Pim en Trollo zien verdwijnen. Dan wordt het weer stil op het water. Het schip zakt steeds dieper weg.