apen," scheldt Vidar. Dan verdwijnt hij met Wiglaf. De deur wordt
met een smak dichtgegooid.
„Het wordt steeds erger," zegt de zoon van koning Goedhart zachtjes en het huilen staat hem nader dan het lachen. „Hoe komen wij hieruit . . .? Wat een akelige kerels zijn die zeerovers toch."
„Pim is er ook nog," troost Trollo zijn vriendje. „Hij zal voor de oplossing moeten zorgen. Zo dadelijk is de betovering . . ." Verder komt de dwerg niet, want wat gebeurt er? Heel, heel langzaam gaat de deur open en eventjes later weer dicht. Een zware sleutelbos zweeft door de lucht in de richting van het slot. Krik! Krak!
„Goede middag samen," zegt een onzichtbaar wezen.
„Ik geloof, dat ik net op tijd kom. Wacht, eerst de touwen eens even losmaken. Wij hoeven op het ogenblik nergens bang voor te zijn, want ik heb de deur aan de binnenkant gesloten."
„Pim! Pimmie!" roept Wipneus blij. En Trollo maakt weer gauw een rijmpje: „Vreemd je niet te zien, maar zo dadelijk misschien. Begin snel met je verhaal; wat zag je allemaal?"
Nadat de onzichtbare handen de touwen hebben losgeknoopt, gaat het drietal bij elkaar zitten. Vijf minuten later begint Pim weer zichtbaar te worden; de betovering is voorbij. De kabouter rekt zich eens stevig uit en dan gaat hij verslag uitbrengen van zijn snuffeltocht door de boot.
„Toen jullie eenmaal goed en wel aan het dweilen waren, ben ik naar beneden gegaan," begint Pim zijn verhaal. „Al gauw had ik de kajuit ontdekt. Ik sloop naar binnen en je kunt niet begrijpen, hoe blij ik was, toen daar op tafel zomaar een bos sleutels lag. Kapitein Vidar moet een echte sloddervos zijn, anders doe je zoiets toch niet.
Omdat ik zeker wist, dat de drie rovers boven waren, ben ik in alle kamertjes eens rond gaan kijken. Hier en daar staan heel mooie spulletjes en die hebben die Vikingen beslist niet in een winkel gekocht. Allemaal gestolen, hoor!
Mijn tocht ging verder naar het ruim van het schip. Wat hier zoal ligt opgestapeld, is niet een-twee-drie op te noemen. Ik heb het voornaamste opgeschreven, maar er ligt nog veel meer."
Pim haalt zijn opschrijfboekje te voorschijn en begint voor te lezen: „Tafels, stoelen, kasten, bedden, dekens, kussens, gordijnen, vloerkleden, kapstokken, spiegels en paraplubakken.''
De vriend van Wipneus haalt even diep adem en gaat dan verder: „Zilveren messen, lepels en vorken; potten en pannen en ander keukengerei. Een stel fietsen en een paar kinderwagens; kisten met gereedschap en een aantal autobanden. En tot slot wil ik noemen een stel tonnetjes, waarop met kalk is gekladderd: voorzichtig!
Buskruit!" De kabouter zwijgt en bergt zijn opschrijfboekje op.
„Nou, dat is niet mis," zegt Wipneus. „Daar zou je een hele winkel mee kunnen beginnen. Maar die tonnetjes buskruit vind ik niet zo plezierig. Dat is ontplofbaar spul. Even onvoorzichtig zijn met vuur en er gebeurt een ramp!"
„Is dat alles?" wil Trollo weten. „ O , nee," verzekert Pim. „Na mijn bezoek aan het ruim ben ik naar de machinekamer gegaan. Jullie waren net klaar met dweilen, toen ik binnensloop. Loki stond met Vidar te praten en ik hoorde nog juist, dat de kapitein het plan had om vannacht verder te varen."
„En waar gaat hij naar toe? Weet je dat misschien ook?"
vraagt de zoon van koning Goedhart. „Nee, dat weet ik niet," moet Pim bekennen, „maar dat is ook niet zo erg, want zij krijgen de motor toch niet aan de gang." Na deze woorden komt er een geheimzinnige glimlach op zijn gezicht.
Trollo heeft dat direkt in de gaten en snel vraagt hij:
„Ik zie aan je gezicht, dat jij daar meer van weet. Vertel eens op; wat is er aan de hand?"
„Wie niet sterk is, moet slim zijn e n . . . je kopje gebruiken. Ik heb de motor onklaar gemaakt door een paar onderdelen los te schroeven en eruit te halen. Kijk, hier zijn ze!"
Tot grote verbazing van de twee anderen haalt Pim drie koperen wieltjes uit zijn zak. „Hier, voor ieder eentje.
Dat is een leuke herinnering voor later, als wij aan dit avontuur terugdenken. Alsjeblieft, pak aan en veel plezier ermee!"