Dat was op het nippertje
Na een paar uur vliegen roept Trollo opeens: „In de verte zie ik de eerste bergen. Nu wordt het opletten, beste dwergen. Voorlopig ben ik tevreden. Wij gaan nu langzaam naar beneden. Pim zal wel iets willen eten; dat was ik bijna vergeten!"
Als de kust eenmaal is bereikt, zien het prinsje en zijn vriendje, dat verschillende grote rivieren in zee stromen.
Zij kronkelen zich tussen de hoge, kale bergen door en gaan heel diep het binnenland in. „Wat een prachtig gezicht!" roept Wipneus uit.
„Dat is nog pas het begin," schept malle Trollo op.
„Zie je ginds dat eilandje? Ik stel voor om daar een poosje te gaan rusten." „Een uitstekend idee," lacht Pim en langzaam stuurt hij zijn klimop-gordel omlaag. De twee anderen volgen en keurig netjes landt het drietal op een vlak stukje grond.
Het eilandje is niet groot en er woont niemand. Wel staat er een houten hutje, dat bij slecht weer gebruikt kan worden door mensen, die aan het varen of aan het vissen zijn en graag willen schuilen.
„Ik geef je nu een hand als welkom in mijn mooie land," zegt Trollo, die het rijmen maar niet kan laten.
Dan zoekt de dwerg een mooie, ronde steen, die als hoofd-kussen dienst kan doen. „Ligt dat niet een beetje hard?"
wil Wipneus weten. „ O , dat valt best mee. Bovendien kunnen trollen en nissen wel tegen een stootje. Ik zou zeggen: maak het je ook gemakkelijk. Er is hier plaats genoeg."
De jongens van koning Goedhart vinden een plekje in het zachte mos, dat op en tussen de stenen groeit. Er wordt wat gegeten en dan gaan die twee ook een dutje doen. Van die vliegtocht zijn zij toch wel een beetje moe geworden. Overal is het doodstil en het lijkt wel, of hier nog nooit iemand is geweest. Niets dan stilte, stilte, stilte!
Laat in de middag worden de reizigers wakker en het is de hoogste tijd om op te stappen. „Wij gaan nog een eindje verder landinwaarts," beslist Trollo, die precies weet, wat hij wil. „Bij mijn broer Roodjasje kunnen wij altijd logeren. Hij woont in een groot huis aan een fjord en midden tussen de bergen."
„ Z o u je ons misschien even willen uitleggen, wat een fjord is?" vraagt Pim. „Daar hebben wij nog nooit van gehoord." „Dom, erg dom," antwoordt Trollo, terwijl hij met zijn hand tegen zijn voorhoofd slaat. „Dat ik daar niet aan heb gedacht. Wel, wij noemen hier een fjord het diepe, brede water, dat in veel bochten tussen de steile bergen stroomt. In de buurt van de zee zijn de fjorden breed, maar hoe dieper je het land in gaat, hoe smaller zij worden."
„Begrepen, meester," zegt het prinsje een beetje spottend. „Laten wij nu verder reizen. Ik wil ook wel eens kennis maken met jouw broer Roodjasje."
De hoepels worden omgedaan en even later zweeft het drietal weer in de lucht. „Wij zullen niet te hoog en niet te snel vliegen," stelt Trollo voor, „dan hebben jullie volop kans om eens goed rond te kijken. Er is hier heel wat te zien!"
Wipneus en Pim genieten van de tocht door de fjord.
Tegen de bergen liggen soms uitgestrekte bossen, maar het kan ook gebeuren, dat je opeens midden tussen de kale rotsen zit. Aan watervallen is hier ook geen gebrek.
Met donderend geweld valt het water vele tientallen meters omlaag.
Dorpjes kom je helemaal niet tegen. Wel staat er hier en daar op een rustig plekje een huisje. Die zijn allemaal van hout gemaakt en op de daken groeit gras met bloemen ertussen. Er moeten mensen in wonen, want uit een paar schoorstenen stijgen rookslierten omhoog.
Naast de meeste huisjes ligt onder een afdakje een klein roeibootje. Dat heb je hier wel nodig. Men leeft in deze streek van de visvangst en omdat er bijna geen wegen zijn, komt zo'n bootje ook goed van pas, als je ergens naar toe moet.
Langzaam gaat de reis verder, en het zal niet zo lang meer duren, of de drie vrienden zullen bij de tweelingbroer van Trollo zijn.
Maar dan gebeurt er iets, waarop niemand heeft gerekend. Na de zoveelste bocht zien de kabouters en de dwerg heel in de verte een tamelijk grote boot. Dat is op zich niets bijzonders, want die varen hier wel meer.
Meestal zijn het vrachtboten, die allerlei spulletjes ver-kopen aan de mensen, die langs het water wonen.