Trollo is een knap ventje
Koning Goedhart zit nog altijd te kaarten in de grote zaal. Als Wipneus en Pim binnenkomen, zegt hij: „ Z o , jullie zijn gauw terug van je wandeling." Dan zwijgt de koning en kijkt de twee vrienden heel goed aan. Er komen diepe rimpels in zijn voorhoofd en langzaam klinkt het:
„Ik geloof . . . , ik geloof, dat er iets is gebeurd. Heb ik gelijk of niet?"
„U heeft gelijk, vader," zegt Wipneus zachtjes. „Er is inderdaad iets gebeurd. Zouden wij u even kunnen spreken?" De wijze koning lacht. Zijn gevoel heeft hem voor de zoveelste keer niet bedrogen.
„Ja, ik zag het aan jullie gezichten. Goed, laten wij ginds gaan zitten. Dan kun je mij uitleggen, wat er aan de hand is." Kabouter Pietske zal de plaats van de koning aan de kaarttafel innemen, zodat het spel kan doorgaan.
,,In een hoekje van de grote zaal vertelt het prinsje aan zijn vader, wie er op bezoek is gekomen. „Ja, en die Trollo wil hier vannacht ook graag blijven slapen," voegt Pim erbij. „Het kereltje is een wereldreis aan het maken!"
„Ik loop even met jullie mee naar het kamertje, waar Trollo wacht," zegt Goedhart, nadat de vrienden zijn uitgepraat. Samen verlaat het drietal de grote zaal, nagestaard door een groot aantal nieuwsgierige kabouters, dat niets te horen krijgt.
Als de kabouterkoning in het kamertje komt, springt Trollo meteen op, maakt een klein dansje en zegt natuurlijk weer een versje op. „Goede avond, heer koning, ik groet u in uw woning. Wipneus en Pim hebben zeker verhaald, dat ik in het bos ben gedaald." Dan wijst het dwergje op zijn krans van klimop en gaat verder: „Dit is mijn geheime wapen. Och, mag ik hier alsjeblieft blijven slapen? Zoals u ziet, is een trol heus zo kwaad nog niet."
Goedhart moet hartelijk lachen om de grappige woorden van de gast en al heel gauw krijgt deze verlof om te blijven overnachten. „Trollo, je bent hier hartelijk welkom. Wipneus en Pim zullen je een kamer wijzen en ervoor zorgen, dat je niets te kort komt. Als je niet te moe bent, moet je dadelijk in onze grote zaal komen, dan kun je ook kennis maken met de andere bewoners van dit paleis."
Zo gezegd, zo gedaan! De reiziger uit Noordland krijgt een kamertje aan de achterkant van het paleis. Nadat Trollo zich eens lekker heeft gewassen en drie borden soep naar binnen heeft gewerkt, gaat hij mee naar de grote zaal.
Iedereen krijgt een hand en spoedig is hij het middel-punt van een grote kring. De kabouters, en niet op de laatste plaats koning Goedhart, willen wel eens precies weten, wat trollen en nissen zijn. Daar worden de gekste dingen over verteld. Maar wat is daar nu allemaal van waar. . .?
Malle Trollo wil op de vragen graag een antwoord geven. Als het stil is, begint hij te vertellen. „Beste kabouters, ik kom uit het verre noorden, waar een heel groot deel van het jaar alles is bedekt met sneeuw en ijs. In mijn land zijn veel hoge bergen en duizenden meren,
's Zomers is dat een prachtig gezicht, maar in de winter is het er heel somber. De dagen duren maar kort en de mensen komen bijna hun huizen niet uit. Juist in die lange wintertijd gaan de trollen en nissen op pad."
„En nu is het volop zomer," onderbreekt kabouter Langspeelplaat de verteller. „Ik zou zo denken, dat jullie dan wel een soort zomerslaap houden; net zoals hier sommige dieren onze winter slapend doorbrengen."
„Verkeerd! Je hebt je lesje niet goed geleerd," rijmt Trollo. „Wij zijn geen dieren, maar hebben goede manie-ren. Ik vervolg nu mijn verhaal; dus heel goed luisteren allemaal . . .!"
Iedereen moet lachen en hier en daar wordt er zelfs geklapt. Het dwergje knikt dankbaar; wacht, totdat het weer stil is en praat dan verder.
„Het laatst heb ik gezegd, dat trollen en nissen op pad gaan. Wat is nu eigenlijk een trol? Wel, dat is een wezen, dat zich onzichtbaar kan maken. Vaak is hij reusachtig groot, dom, gemeen en vooral heel lelijk. Wij trollen schrikken er niet voor terug om de mensen eens flink te plagen en te sarren, vooral als zij onvriendelijk tegen ons doen.
Wie echter goed voor ons is, heeft niets te vrezen. Dus, lieve kabouters, jullie hoeven niet bang te zijn. Van het eerste ogenblik af was ik hier welkom. Dat gaf mij een heerlijk gevoel.