26
OPNIEUW LEREN KIJKEN
De enige manier om automatische denkpatronen te onderscheiden van wat werkelijk waar is, is goed te leren kijken. Goed kijken is waarnemen zonder te oordelen, zonder vast te zitten aan een theoretisch kader. Maar eigenlijk kijken we altijd vanuit een theoretisch kader naar de werkelijkheid. Het feit dat we in staat zijn om bloemen te onderscheiden van gras, dat we überhaupt bloemen zien en gras, komt omdat we geleerd hebben die verschijnselen te herkennen. We hebben daar heel onbewust een ‘theorie’ over. Het is haast niet voor te stellen, maar zonder zo’n theorie zouden we niets zinvols kunnen waarnemen.
De beroemde antropologe Margaret Mead heeft eens een interessant experiment gedaan. In de binnenlanden van Nieuw-Guinea heeft ze een volwassen man uitgenodigd om met haar mee te gaan naar Singapore. Deze man was nog nooit in aanraking geweest met wat wij doorgaans de ‘moderne beschaving’ noemen; hij kwam uit een cultuur waar zelfs het wiel nog niet uitgevonden was. Het was ongetwijfeld ook een moedig man, en hij liet zich geblinddoekt meevoeren naar een vliegveld, en zo verder naar de moderne wereldstad Singapore. In het hartje van de stad werd zijn blinddoek afgedaan, en onder begeleiding van de antropologe en enkele medewerkers werd een wandeling van een halfuur gemaakt. Daarna gingen ze in een rustige hotelkamer zitten en werd aan de man gevraagd om te beschrijven wat hij gezien had. Hij wist helemaal niets te vertellen. Na enig aandringen wist hij te melden dat hij zijn begeleiders gezien had, en een heleboel mensen die op die begeleiders leken. Verder had hij niets gezien. Na zeer lang aandringen wist hij zich ineens te herinneren dat hij een man had gezien met bananen op zijn rug, alleen begreep hij niet dat één man zoveel bananen kan dragen. Een van de begeleiders wist zich te herinneren dat er een vrachtwagen met bananen gepasseerd was. Wolkenkrabbers, auto’s, bussen, verkeerslichten en ander straatmeubilair, hij had niets gezien. Omdat hij geen enkel theoretisch aanknopingspunt had.
Op dezelfde manier kan een schaapherder elk schaap uit zijn kudde herkennen, terwijl voor ons bijna alle schapen hetzelfde zijn. En ziet een elektrotechnicus meteen waar de printplaat beschadigd is, terwijl wij alleen maar mooie zilveren lijntjes op een groen plaatje zien. Helemaal onthullend is het voorbeeld van een man die vanaf zijn geboorte blind was. Hij leefde in onze westerse samenleving en wist zich prima te redden als blinde. Op een dag werd ontdekt dat zijn soort blindheid te genezen is. Hij onderging een operatie aan zijn ogen. Na enkele dagen werd het verband van zijn ogen gehaald. Wij zijn geneigd te verwachten dat deze man met verbazing om zich heen kijkt naar zijn huis, zijn bloemen, zijn vrienden, en juichend uitroept: ‘Dus zo ziet alles eruit!’ Maar niets daarvan. De man was verrukt omdat de sensatie van licht in zijn ogen al iets heel bijzonders was. Maar verder zag hij niets. Na enkele uren kon hij een vage tweedimensionale lappendeken van kleuren en vlakken zien. Niets van wat hij zag was herkenbaar. Door maandenlang te oefenen kon hij uiteindelijk zijn omgeving leren waarnemen zoals wij dat ongeveer doen. Deze man moest helemaal opnieuw zijn theoretisch waarnemingskader opbouwen, voordat hij zijn ogen kon gebruiken om te zien.
Wat wij zien is dus bepaald door wat we geleerd hebben te zien. Dat is overigens geen enkel probleem als het gaat om bloemen, het plukken van bloemen, of het geven van bloemen aan je geliefde. Bij onze dagelijkse waarnemingen van de werkelijkheid levert het vooral gemak op. Maar dat wordt anders als we naar onszelf kijken, naar ons gedrag en vooral naar onze gedachten. Ons theoretisch kader is daarbij volledig bepaald door ons negatieve geloof. Pas als we dit geloof hebben ontmaskerd, kunnen we beginnen met het oefenen in kijken naar de werkelijkheid van het hier en nu. En de kern van die werkelijkheid ligt in onze gedachten. De volgende oefening is dus een oefening in het kijken naar je eigen gedachten, zonder een oordeel over die gedachten.
Ga op een plek zitten waar je niet gestoord kunt worden en waar je op je gemak bent. Als je wat geoefender bent in deze methode kun je hem overal toepassen, maar vermijd in het begin zoveel mogelijk afleiding. Je kunt als je dat wilt in een hele of halve lotushouding gaan zitten, of in de kleermakerszit, dus met gekruiste benen op de grond of op een kussen, maar nodig is dit niet. Je kunt ook gewoon op een stoel gaan zitten. Heel belangrijk is wel dat je rechtop zit, met een rechte rug, je hoofd rechtop zodat je kruin het hoogste punt is. Je zult merken dat je kin daardoor iets naar binnen komt. Je schouders laat je ontspannen hangen, en je legt je handen op je knieën of dijen, met de handpalmen omlaag. Tijdens de hele oefening houd je je ogen open of half open. Je hoeft je blik niet op een voorwerp te fixeren, je kijkt gewoon zonder inspanning naar wat er voor je is.
Richt in het begin van de oefening je aandacht op je ademhaling. Adem op een natuurlijke manier, je doet helemaal niets bijzonders met je adem. Als je eenmaal ontspannen en lekker zit, ga je aandachtig kijken naar elke gedachte die in je opkomt. Je zult merken dat je automatisch door een opkomende gedachte wordt meegevoerd, soms enkele seconden, soms minutenlang. Dat is normaal. Het enige wat je doet als je merkt dat je met je gedachten bent meegestroomd, is je aandacht terugbrengen naar je ademhaling en het hier en nu. En je kijkt weer naar je gedachten. Let goed op: het is niet de bedoeling je gedachten te laten stoppen! Waarom zou je? Het is volstrekt normaal om gedachten te hebben. Je oordeelt niet, en brengt alleen telkens weer je aandacht terug naar het hier en nu, om het ontstaan van de volgende gedachte waar te nemen.
Tijdens de hele oefening ben je doordrongen van het besef dat je helemaal niets hoeft, dat alles goed is zoals het is. En terwijl je kijkt, zie je telkens weer een nieuwe gedachte opkomen; hij vliegt voorbij als een zwaluw of een ronkende vrachtwagen. Soms vlieg je een klein eindje mee, soms een heel stuk. Maar telkens als je je dat realiseert, ben je weer in het hier en nu, breng je je aandacht terug bij je ademhaling en kijk je weer naar je gedachten.
Het kan zijn dat er tussen twee gedachten even een pauze valt. Je kijkt dan heel even zonder te denken en je ziet de werkelijkheid zoals die is. Maar probeer niet de volgende gedachte tegen te houden! Oordeel niet, alle gedachten en ook de pauzes ertussen zijn waardevol zoals ze zijn.
Je zult merken dat je gedachten soms geheel vanzelf wat kalmer worden. Geniet daarvan. Maar jaag deze kalmte niet na, probeer hem niet te forceren door gedachten te onderdrukken, want het effect zal omgekeerd zijn. Door te kijken naar je gedachten zonder oordeel, door vervelende gedachten niet weg te willen drukken, door aantrekkelijke gedachten niet vast te willen houden, door niet te oordelen als je meegevoerd bent door je gedachtestroom, maar wel telkens weer je aandacht terug te brengen naar het hier en nu, daardoor en alleen daardoor kan er soms rust ontstaan in je denken. Als dat gebeurt is dat heel prettig. Als dat niet gebeurt omdat je te druk bent in je hoofd, oordeel dan niet. Zeg niet dat je oefening mislukt is, want het is een oefening, en als zodanig al succesvol. Laat het idee los dat je met deze oefening iets moet bereiken. In het hier en nu hoef je niets te bereiken, je bent er al. Drukke gedachten of kalmte, veel of weinig springende sprinkhanen, in je opmerkzame aandacht voor het hier en nu is alles goed zoals het is.
Je hoeft deze oefening niet lang te doen. Regelmaat is veel belangrijker dan duur. Beter elke dag een minuut dan eens per week een uur. Wil je echt serieus aan het werk, begin dan met elke dag vijf minuten, telkens op hetzelfde tijdstip, dus na het opstaan, voor het slapengaan, of op een ander vast moment.
Toen ik met deze oefening begon, werd ik heel onrustig van dat niets doen. En ik keek om de dertig seconden op mijn horloge of het niet al haast voorbij was. Ik was zo verbaasd dat iets wat zo gemakkelijk klinkt – vijf minuten lang niets doen en kijken naar alles wat er gebeurt – zo moeilijk kon zijn.
Toen heb ik een kookwekkertje gekocht, zodat ik niet langer telkens op mijn horloge hoefde te kijken. En heel geleidelijk aan begon ik te genieten van het gevoel dat ik in elk geval vijf minuten lang helemaal niets hoefde, er voor niemand hoefde te zijn, niets hoefde te presteren, en ging ik steeds beter kijken.
Na enkele maanden veranderde ik de vijf minuten in tien minuten, en later in vijftien minuten. Niet uit prestatiedrang, maar gewoon omdat ik het prettig vond.
Verwacht overigens niet dat je binnen enkele weken heel anders naar de werkelijkheid gaat kijken. Deze oefening werkt langzaam. Maar wel zeker! Na anderhalf jaar merk ik wel degelijk verschil in hoe ik reageer op automatische negatieve gedachten. Ik schiet niet meer zo gauw in de stress bij de gedachte dat ik iets in het openbaar moet doen, ik kan veel gemakkelijker alleen zijn zonder mezelf zielig te vinden, en in het algemeen voel ik me al veel minder bekneld door die automatische gedachtepatronen dan eerst. Verbazend dat zo’n simpele oefening zo’n invloed kan hebben.
Een tweede oefening heeft ook te maken met goed leren kijken, maar bovendien met het leren erkennen wat je ziet. Ons negatieve geloof zegt ons op diverse momenten tijdens de dag geheel automatisch dat we iets niet goed genoeg doen, dat we stom zijn, of slap, of dat anderen ons waarschijnlijk niet aardig zullen vinden, of dat we tekortschieten, of dat bepaalde gedachten toch echt heel egoïstisch of oppervlakkig zijn. Daardoor zien we niet dat we de dingen eigenlijk heel vaak prima aanpakken, heel aardig zijn voor sommige mensen, slimme oplossingen bedenken in onverwachte situaties, moedig zijn als het nodig is, angst overwinnen als we echt graag iets willen, en noem maar op.
Wij zien die dingen niet van onszelf, en als we ze al zouden zien, dan erkennen we ze niet. We hebben immers tegelijk met ons negatief geloof aangeleerd dat iets positief vinden van jezelf verwaand of arrogant is. Jezelf een compliment geven is vanuit het negatieve geloof zo ongeveer een doodzonde. Dus gaat daar de volgende oefening over.
Ook bij deze oefening is een vaste regelmaat erg belangrijk. Vandaar dat je hem het beste kunt combineren met het tandenpoetsen voordat je gaat slapen. Tijdens het poetsen (of vlak ervoor of erna) bedenk je drie dingen die je de afgelopen dag gedaan hebt, en die je positief vindt van jezelf. En dan geef je jezelf daarvoor een compliment. Dat doe je hardop als je alleen bent, of anders in gedachten. Vervult dit idee alleen al je met scepsis en een licht gevoel van walging? Goed zo, dan kun je aan deze oefening heel veel hebben.
Nu kan het gebeuren dat je daar staat voor de spiegel en dat je werkelijk niets kunt bedenken. Veroordeel jezelf dan niet. Erken alleen dat je die dag kennelijk niet goed naar jezelf hebt gekeken. Want stel je eens voor dat je met een heel goede vriend of vriendin een hele dag op stap zou zijn geweest, vanaf ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat: samen gewerkt, samen gegeten, samen uit geweest enzovoort. Dan zou je toch zeker drie momenten hebben meegemaakt waarop je die vriend aardig vond, waarop hij of zij iets leuks vertelde, grappig reageerde of een geïnteresseerde vraag stelde. Dus als je een hele dag met jezelf op stap bent geweest en je kunt je niets positiefs herinneren, dan heb je gewoon niet goed genoeg gekeken. Maak jezelf geen verwijt, zeg alleen tegen jezelf dat je de volgende dag wat meer aandacht voor jezelf zult hebben. En erken dat dit voornemen op zich al iets heel vriendelijks is. Ha, kun je toch nog één ding opnoemen dat positief is die dag!
Voor beide bovenstaande oefeningen geldt dat regelmaat een positief effect heeft. Maar dat betekent niet dat je jezelf om de oren moet slaan als je eens een paar keer hebt overgeslagen. Wij zijn vanuit ons negatieve geloof geneigd om een voornemen meteen te interpreteren als een verplichting. Als je daar dan niet aan voldoet, ben je meteen een slappeling. Deze oefeningen zijn echter niet bedoeld om je negatieve geloof te versterken, maar juist om ervan los te komen. Dat betekent dat je geen oordeel over jezelf hoeft te hebben als je de regelmaat af en toe doorbreekt. Regelmaat is niet een verplichting om een slappeling in het gareel te houden, zoals je negatieve geloof je probeert wijs te maken. Regelmaat is een hulpmiddel om een negatieve gewoonte te veranderen in een positieve. Zodra regelmaat een last wordt in plaats van een gemak, schiet hij zijn doel voorbij en moet je hem juist weer doorbreken.
Een van de meest desastreuze dingen die ons negatieve geloof doet, is het blokkeren van emoties. Het spontaan uiten van je gevoelens was immers tijdens je jongste jaren de directe aanleiding tot ouderlijke afwijzing, en dus tot het ontstaan van je negatieve geloof. Hoe sterker toen de afwijzing was, hoe sterker het negatieve geloof is, en hoe sterker emoties geblokkeerd worden.
Bij verschillende mensen kan die blokkade betrekking hebben op verschillende emoties. Sommige mensen zijn geblokkeerd in het tonen van boosheid, andere in het tonen van liefde, en heel veel mensen in het tonen van allebei.
Een eerste stap in het loskomen van deze blokkades is accepteren dat ze er zijn. Want meestal ben je niet alleen geremd in je spontaniteit, maar ben je daar bovendien ook nog eens kwaad of gefrustreerd over. Je vindt het stom of slap van jezelf dat je niet gewoon durft te zeggen wat je van een ander vindt. Door dit verzet tegen de blokkade wordt deze in stand gehouden en zelfs versterkt. Met een gevoel van acceptatie en humor naar je eigen geremdheid kijken, is een eerste en grote stap in het loskomen ervan.
Er zijn tegenwoordig een heleboel mogelijkheden om aan deze blokkades te werken. Hieronder staat een oefening in het loslaten van een veel voorkomende blokkade, namelijk op het hebben en uiten van verdriet.
Als klein kind huil je als je verdriet of pijn hebt. Je doet dat onmiddellijk, je bent immers in je natuurlijke staat van zijn, dus in het hier en nu, dus zonder remming, en je schreeuwt het uit. Na enkele minuten is het over en ga je door met spelen. Ouders hebben – vanuit hun eigen opvoeding – een negatief gevoel over het hebben van verdriet, en voelen zich dan ook vaak ongerust, schuldig of geïrriteerd als hun kind huilt. Zelfs al wordt het kind getroost, dan gebeurt dat vaak op een manier die duidelijk maakt dat dat huilen zo snel mogelijk afgelopen moet zijn, dat het huilen wordt afgewezen. Tijdens die jongste jaren leer je dus dat huilen verkeerd is. Huilen heeft als gevolg dat je afgewezen wordt. En dus leer je om jezelf stom te vinden als je huilt, of slap, of compleet mislukt. Natuurlijk ga je het huilen daardoor onderdrukken. Het hoort bij je identiteit dat je flink bent en geen slappeling, het hoort bij je imago dat het goed met je gaat, dat je succesvol bent, en dus verberg je of verdring je je verdriet.
Verdriet is echter een normale menselijke emotie, net als vreugde, en er is in een normaal mensenleven genoeg aanleiding om af en toe verdrietig te zijn. Als je dit normale verdriet telkens wegstopt, stapelt het zich op. Het is alsof je ergens vanbinnen een kast hebt die steeds hoger volgestapeld raakt met weggestopt verdriet. Sommige mensen krijgen daardoor zelfs een extra angst voor huilen: ze durven niet te huilen omdat ze bang zijn dat ze dan nooit meer zullen ophouden.
En dan gebeurt het op een dag: iemand doet heel vervelend tegen je, of iemand gaat dood, of je verliest je baan, of wat dan ook. Heel even is het veilige tapijt onder je voeten weggetrokken, en ben je niet in staat om die kastdeur tegen te houden: al het opgestapelde verdriet dondert met volle kracht over je heen. Je voelt je machteloos, slap, een zielige mislukking, en zodra je kunt duw je de kastdeur weer dicht. En denk je: ‘Zie je wel dat je verdriet beter kunt wegstoppen.’ Zo zorgt het verbod op huilen voor een onbeheersbare heftigheid van je zeldzame huilbuien, en vormen die weer het argument om huilen te verbieden.
Hetzelfde verschijnsel zie je ook bij boosheid. Door de blokkade op je boosheid wordt deze steeds sterker. Dan, op een dag, lukt het je niet om je boosheid tegen te houden: je explodeert, je voelt je machteloos, mislukt, en schuldig omdat je anderen ermee kwetst. En je hebt weer een reden om je boosheid te blokkeren. Het leren uiten van je boosheid is iets dat je moeilijk alleen kunt doen, maar je kunt wel beginnen met je blokkade met enige humor en acceptatie te bekijken. In plaats van je woede te uiten, kun je dan beginnen met te praten over je boosheid. Verdriet is iets waar je wel alleen mee aan de slag kunt, en daarvoor is de volgende oefening bedoeld.
Je zorgt dat je alleen bent, op een plek waar je je veilig voelt en waar je niet gestoord kunt worden. In welke stemming je ook bent, of je nu eenzaam bent of chagrijnig, of juist vrolijk en in een opperbest humeur, je gaat je verdriet opwekken. Vooral als je hoofd er helemaal niet naar staat, werkt deze oefening heel goed.
Je gaat zitten en probeert verdrietig te worden en zo mogelijk te huilen. Je mag elke truc uit de kast halen, zoals denken aan verdrietige gebeurtenissen, foto’s bekijken van vroeger, ontroerende muziek opzetten, je favoriete droevige passage in een roman lezen, of een video draaien met een ontzettend sentimentele ontknoping. Als helemaal niets werkt, kun je ook gewoon de krant van die dag op een willekeurige pagina openslaan. Je doet dit ongeveer vijftien minuten. Daarna stop je ermee.
Het kan zijn dat je een kwartier lang alleen maar hebt zitten giechelen om dingen waar je anders zo verdrietig van kunt worden. Dat geeft niets! Alleen al het feit dat je daadwerkelijk probeert te huilen op een moment dat je het makkelijk kunt laten, is een doorbraak van het automatische verzet tegen huilen. Maar misschien heb je tijdens dat kwartiertje af en toe een spoortje van verdriet door je heen voelen gaan. Of misschien heb je geluk en krijg je echt een huilbui, komt er een flinke berg verdriet naar boven. Nu zul je iets merkwaardigs ervaren: dit verdriet gaat niet meer gepaard met de oude gevoelens van machteloosheid en slapheid, je bent er immers uit eigen vrije wil aan begonnen! Van het huilen voel je een heilzame werking uitgaan en in plaats van een negatief gevoel krijg je een warm en positief gevoel over jezelf. Hoe hevig het verdriet ook is dat je op deze manier oproept, je kunt er toch op elk moment gewoon mee ophouden, en met een tevreden gevoel iets anders gaan doen. Soms weet je dat er nog verdriet is blijven liggen, maar daaraan wijd je je dan een volgende keer.
Het is heel belangrijk dat je het verdriet, ook al laat je het vrijwillig toe, niet ziet als een soort afval dat verwerkt en afgevoerd moet worden. Want dan wordt deze oefening een corvee, een wekelijkse schoonmaakbeurt van een jarenlang niet opgeruimde kelder of zoiets. Wat is verdriet dan wel? Als angst je beste vriend is en bewaker van je kostbaarste schat, dan is verdriet een deel van die kostbaarste schat. Alleen heet het dan niet langer verdriet, maar compassie: de liefdevolle wens dat iedereen vrij is van ellende, inclusief jij. Zodra we elk negatief oordeel over verdriet, elk verzet tegen verdriet hebben losgelaten, is er geen verdriet meer, alleen maar compassie, een diep en warm gevoel dat ons verbindt met alle andere levende wezens.
Deze oefening is bijzonder krachtig, en je doet hem dan ook maar zo vaak als je dat nodig en prettig vindt. Na een tijdje hoef je er niet meer speciaal voor te gaan zitten. Als je verdriet voelt, huil je gewoon even. Telkens ervaar je dan weer wat verdriet werkelijk is: liefdevolle warmte, compassie. Als een huilbui niet gelegen komt, stel je hem gewoon uit, en haal je hem ’s avonds voor het slapengaan nog even in. Dit is ‘beheersing’ van je gevoelens. Niet te verwarren met ‘onder controle houden’. Controle is je gevoelens verdringen of wegstoppen, en dus het tegenovergestelde van beheersing. Achter controle zitten het negatieve geloof en de afwijzing van spontane gevoelens. Beheersing is de acceptatie van en verantwoordelijkheid voor alles wat je voelt.
Alle drie de oefeningen in dit hoofdstuk moet je zien als mogelijke hulpmiddelen, niet als noodzakelijke voorwaarden tot het succesvol beëindigen van je verslaving. In feite ben je gestopt met je verslaving zodra je het definitieve besluit hiertoe hebt genomen. Als je schrik of weerzin voelt bij een of meer van de beschreven oefeningen, wacht dan nog even en wen aan het idee. Verzamel geen argumenten waarom je de oefening niet doet, want zelfrechtvaardiging is een vermomming van zelfafwijzing. Veroordeel de oefening niet, want ook dat is een vermomming van zelfafwijzing. Het mooiste is de oefening te proberen voordat je besluit of deze wel of niet geschikt voor je is. Dan weet je tenminste zeker dat het geen angst, geremdheid, arrogantie of scepsis is waardoor je hem niet kunt doen.