18
SURUNAN, CHELESTRA
De bibliotheek bleef Alfred dwars zitten en achtervolgde hem als het spook uit een of ander ouwe wijvenverhaal. Het stak midden in de nacht zijn hand naar hem uit om hem aan te raken en wakker te maken, wenkte met een gekromde vinger en probeerde hem naar zijn ondergang te lokken.
'Onzin!' zei hij dan tegen zichzelf, draaide zich om en probeerde het uit te bannen door zich onder een slaapdeken te begraven.
Dat werkte 's nachts wel maar de schim verdween niet samen met het morgenlicht. Alfred zat aan het ontbijt, voorwendend dat hij at terwijl hij in werkelijkheid alleen maar kon denken aan wat Ramu in dat ene compartiment had nagekeken. Wat bevond zich daar dat het zo nauwgezet bewaakt moest worden?
'Nieuwsgierigheid. Niets anders dan nieuwsgierigheid,' schold Alfred tegen zichzelf. 'Samah heeft gelijk. Ik heb veel te lang in de nabijheid van de mensch verkeerd. Ik ben net als dat meisje in de spookverhalen die Bane's kindermeisje placht te vertellen. "Je mag iedere kamer in het kasteel binnengaan behalve de gesloten kamer boven aan de trap." En is die stomme meid tevreden met al die andere honderdvierentwintig kamers in het kasteel? Nee, ze kan eten noch slapen of zelfs maar rust vinden tot ze de kamer boven aan de trap is binnengedrongen.
Dat is precies wat ik mezelf aandoe. De kamer boven aan de trap. Ik zal er vandaan blijven. Ik wil er niet aan denken. Ik zal tevreden zijn met de andere kamers, kamers die zo vol weelde zitten. En ik zal gelukkig zijn. Ik zal gelukkig zijn.'
Maar dat was hij niet. Hij werd van dag tot dag ongelukkiger.
Hij probeerde zijn rusteloosheid voor zijn gastheer en gastvrouw verborgen te houden en slaagde daarin, tenminste dat verbeeldde Alfred zich. Samah sloeg hem net zo aandachtig gade als een Geg die een lekkende stoomklep in de Stootstamper in de gaten hield terwijl hij zich afvroeg wanneer die het zou begeven. Geïntimideerd door de ontzagwekkende en afschrikwekkende verschijning van Samah, vernederd door het feit dat hij wist fout te zijn geweest, kromp Alfred tijdens de aanwezigheid van de Raadsheer ineen, was gedwee en nauwelijks in staat zijn ogen op te slaan naar Samahs grimmige en onverzoenlijke gezicht.
Wanneer Samah echter het huis uit was - en hij was vaak weg om zich met Raadszaken bezig te houden - kon Alfred zich ontspannen. Orla was gewoonlijk in de buurt om hem gezelschap te houden en de plaaggeest viel hem lang niet zo vaak lastig wanneer hij bij Orla was dan gedurende de weinige keren dat hij alleen was. Het kwam nooit bij Alfred opom zich af te vragen waarom hij zelden alleen gelaten werd of te denken dat het vreemd was dat Orla zelf zich niet met Raadszaken bezighield. Hij wist alleen dat het aardig van haar was zoveel tijd aan hem te besteden - een gedachte die maakte dat hij zich des te beroerder voelde op die momenten dat het spook van de bibliotheek weer kwam opdagen.
Alfred en Orla zaten op het terras. Orla hield zich onledig met het zachtjes zingen van beschermende runen op de stof van een van Samahs gewaden. Onder het gezang van de woorden trok ze de patronen met haar vaardige vingers op de stof en legde haar liefde en bezorgdheid voor haar echtgenoot in ieder teken dat op haar bevel te voorschijn kwam.
Alfred keek treurig toe. Nooit in zijn leven had een vrouw voor hem beschermende runen gezongen. En dat zou nu ook niet meer gebeuren. Tenminste, niet door degene van wie hij zou willen dat ze het deed. Hij was ineens vreselijk en krankzinnig jaloers op Samah. De manier waarop de Raadsheer zijn vrouw behandelde - zo kil en afwerend - stond Alfred niet aan. Hij wist dat Orla erdoor gekwetst werd, hij was getuige geweest van haar stille verdriet. Nee, Samah was niet goed genoeg voor haar.
En ik wel? vroeg hij zich smartelijk af.
Orla keek glimlachend naar hem op, bereid hun gesprek over de gezonde staat van haar rozenstruiken voort te zetten.
Alfred, betrapt, was niet in staat de beelden te verbergen van de akelige wirwar van doornige wijnranken die binnen in hem rondspookte - en het was pijnlijk duidelijk dat hij niet over de rozen had zitten nadenken.
Orla's glimlach vervaagde. Ze legde zuchtend haar werk opzij.
'Ik wou dat je mij... of jezelf... dat niet aandeed.'
'Het spijt me,' zei Alfred en zag er net zo beroerd uit als hij zich voelde. Zijn hand reikte naar de hond die, toen hij zag dat zijn vriend zich ongelukkig voelde, zijn medeleven aanbood door zijn kop op Alfreds knie te leggen.
'Ik moet wel een uitermate slecht wezen zijn. Ik ben me er heel goed van bewust dat een Sartaan niet zulke onbehoorlijke gedachten hoort te hebben. Zoals je echtgenoot zegt, ik ben verziekt door de lange tijd die ik in de buurt van de mensch heb doorgebracht.'
'Misschien was het niet de mensch,' suggereerde Orla zachtjes met een blik op de hond.
'Je bedoelt Haplo.' Alfred streek de oren van de hond naar achteren. 'In feite zijn Patrynen liefdevol, enorm liefdevol. Wist je dat?'
Zijn droeve blik was op de hond gericht en Orla's verbaasde blik ontging hem.
'Ze denken er zelf niet zo over. Ze geven andere namen aan liefde: loyaliteit, een beschermend instinct om het overleven van hun ras zeker te stellen. Maar het is liefde, een duister soort liefde, maar desondanks liefde en zelfs de slechtste onder hen kent dat gevoel heel goed. Die Heervan de Nexus - een wreed, machtig en ambitieus man - riskeert dagelijks zijn eigen leven door naar het Labyrint terug te gaan om zijn noodlijdende volk te helpen.'
Alfred, door emoties bevangen, vergat waar hij was. Hij keek in de ogen van de hond. Vochtig en bruin, leken ze hem in zich op te nemen, hem vast te houden tot niets anders meer telde.
'Mijn eigen ouders offerden hun leven om mij te redden toen de snoggen achter ons aan zaten. Ze hadden kunnen ontsnappen, weet je, maar ik was nog maar een kind en ik kon hen niet bijhouden. Ik zag mijn ouders sterven. De snoggen martelden hen. En later namen vreemdelingen me op en voedden me op als hun eigen zoon.'
De ogen van de hond stonden zacht en treurig. 'En ik heb liefgehad,' hoorde Alfred zichzelf zeggen. 'Ze was een Trekker, net als ik en net als mijn ouders. Ze was mooi, sterk en slank. De blauwe runen wikkelden zich om haar lichaam dat vol leven en jeugd onder mijn vingers klopte wanneer ik haar 's nachts in mijn armen hield. We vochten, we hadden lief, we lachten. Ja, soms wordt er gelachen, zelfs in het Labyrint. Het is vaak een bittere lach, de grappen zijn somber en grimmig maar wie het lachen verliest, verliest de wil tot leven.
Na een tijdje verliet ze me. Een dorp van Nederzetters die ons voor de nacht onderdak hadden aangeboden, werd overvallen en ze wilde hen helpen. Het was een stom en dwaas gebaar. De Nederzetters waren in de minderheid. Het zou ons naar alle waarschijnlijkheid alleen maar het leven kosten, zei ik tegen haar. Ze wist dat ik gelijk had. Maar ze was verward en boos. Ze was van dat volk gaan houden, weet je. En ze was bang voor haar liefde omdat die haar zwak en machteloos maakte en van binnen pijn deed. Ze was bang van onze liefde. En dus verliet ze me. Ze droeg mijn kind, dat weet ik zeker ofschoon ze weigerde dat toe te geven. En ik heb haar nooit meer gezien. Ik weet zelfs niet of ze leeft, of mijn kind leeft...'
'Hou op!'
Orla's kreet verraste Alfred en schokte hem op uit zijn dromerijen. Ze was van haar zitplaats opgestaan, liep van hem weg en staarde hem vol afschuw aan.
'Doe me dat nooit meer aan!' Ze was doodsbleek en had moeite met ademhalen. 'Ik kan het niet verdragen! Ik blijf die beelden van jou maar zien, dat ongelukkige kind dat toe moest zien hoe zijn ouders werden verkracht, vermoord en dat hun lijven in stukken werden gereten. En hij kan niet schreeuwen, zo bang is hij. Ik zie die vrouw over wie je het had. Ik voel haar pijn, haar hulpeloosheid. Ik ken de pijn van het baren van een kind en ik moet aan haar denken, alleen, in dat afschuwelijke oord. Zij kan ook niet schreeuwen omdat ze bang is dat haar kreten de dood van haar en haar baby zullen betekenen. Ik kan 's nachts niet slapen omdat ik aan hen moet denken, en in de wetenschap dat wij... ik... ik daarvoor verantwoordelijk ben!'
Orla bedekte haar gezicht met haar handen om verdere beelden uit te wissen en begon te snikken. Alfred was ontzet door zijn gedachten en wist niet zeker hoe die beelden - die in werkelijkheid Haplo's herinneringen waren - in zijn hoofd waren opgekomen.
'Zit... Brave hond,' zei hij en schoof de kop van het dier (grinnikte die tegen hem?) van zijn knie.
Hij liep haastig op Orla toe. Hij had het vage plan haar zijn zakdoek aan te bieden. Maar zijn armen leken andere gedachten te hebben. Hij zag stomverbaasd toe hoe ze zich om het lichaam van de vrouw legden en haar naar hem toe trokken.
Hij voelde een tintelende opwinding door zijn lichaam trekken. Hij hield haar vast, hield van haar met alle vezels van zijn wezen. Hij streelde haar glanzende haren met een onhandige hand en, omdat hij Alfred was, hij zei wat stoms.
'Orla, wat voor kennis is er in de bibliotheek van de Sartanen opgesloten waarvan Samah niet wil dat iemand ervan af weet?'
Ze sloeg hem, duwde hem zo krachtig weg dat hij over de hond struikelde en in de rozenstruiken belandde. Haar woede deed haar ogen vonken en haar wangen branden - woede en... was het Alfreds verbeelding of zag hij dezelfde vrees in haar ogen die hij in die van Samah had gezien? Zonder nog een woord te zeggen keerde Orla zich om en liet hem achter, liep haar tuin uit, gekwetst, haar waardigheid aangetast.
Alfred had moeite zich uit de doornen los te maken die hem pijnlijk prikten. De hond bood hulp. Alfred keek hem kwaad aan.
'Dat is allemaal jouw schuld!' zei hij boos.
Het dier hield zijn kop scheef, keek onschuldig en ontkende de aanklacht.
'Dat is zo! Zulke gedachten in mijn hoofd te proppen! Waarom verdwijn je niet om die verrekte baas van je te vinden en mij met rust te laten. Zonder jouw hulp kom ik al genoeg in de problemen.'
De hond boog zijn kop naar de andere kant en leek het ermee eens te zijn. Hij scheen echter te denken dat het gesprek tot een logisch besluit was gekomen want hij rekte zich lekker uit, hing voorover over zijn voorpoten, daarna naar achteren over zijn achterwerk en schudde zich vervolgens eens grondig. Daarna liep hij naar het tuinhek en keek vol verwachting naar Alfred.
Alfred voelde zich tegelijkertijd heet en koud worden - een heel onplezierig gevoel.
'Je wilt me vertellen dat we alleen zijn, niet? Dat er niemand bij ons is. Dat niemand ons gadeslaat.'
De hond kwispelde.
'We kunnen...' Alfred slikte. 'We zouden naar de bibliotheek kunnen gaan.'
De hond kwispelde opnieuw lijdzaam en geduldig. Hij vond kennelijkdat Alfred traag van begrip was en een bord voor zijn hoofd had maar hij was grootmoedig bereid die kleine gebreken over het hoofd te zien. 'Maar ik kan er niet binnenkomen. En als me dat al lukt, kan ik er niet uit komen. Samah zou me betrappen...'
De hond kreeg ineens jeuk. Hij liet zich vallen, begon zich heftig te krabben, en keek Alfred streng aan alsof hij wilde zeggen Kom op. Ik ben het, weet je nog?
'O, goed dan.'
Alfred wierp een steelse blik door de tuin, half en half verwachtend dat Samah uit de rozenstruiken zou springen en hem met geweld te lijf zou gaan. Toen er niemand te voorschijn kwam, begon Alfred de runen te zingen en te dansen.
Hij stond buiten de bibliotheek. De hond rende naar de deur en snoof er vol belangstelling aan. Alfred volgde langzaam en keek treurig naar de deur. De schildwachtrunen waren versterkt, zoals Samah had gezegd.
' "Tengevolge van de huidige gespannen situatie en het feit dat we geen personen kunnen missen die onze cliënten behulpzaam kunnen zijn, is de bibliotheek voorlopig gesloten",' las Alfred hardop.
'Dat klinkt redelijk,' benadrukte hij. 'Wie zou er trouwens onderzoek willen verrichten. Ze besteden al hun tijd aan het pogen hun stad te herbouwen en op gang te krijgen en te beslissen wat ze met de Patrynen aan moeten, en zich af te vragen waar de rest van ons volk is en hoe ze met hen in contact kunnen komen. Ze moeten wat aan de necromancers op Abarrach doen en aan die drakenslangen...'
De hond was het niet met hem eens.
'Je hebt gelijk,' hoorde Alfred zichzelf redeneren, waarbij zijn innerlijke ik net zo opstandig was als zijn armen en benen en andere aanhangsels. 'Als ik al die problemen zou moeten oplossen, waar zou ik dan om raad naartoe moeten gaan? Naar de wijsheid van ons volk. Wijsheid die hier opgeslagen ligt.'
Nou,wilde de hond weten, die het snuffelen aan de deur de keel uit begon te hangen, waar wachten we dan nog op.
'Ik kan er niet in komen,' zei Alfred maar de woorden kwamen er fluisterend uit - een halfslachtige, flauwe en niet overtuigende leugen.
Hij wist hoe hij er binnen kon komen zonder te worden ontdekt. Het idee was de vorige nacht plotseling in hem opgekomen.
Hij had er niet om gevraagd. En toen het toch gebeurde, had hij de gedachte willen wegjagen. Maar die wilde niet weg. Zijn eigenwijze hersens waren gewoon doorgegaan met plannen maken, met risico's beoordelen en met tot het besluit komen (en zo koelbloedig dat Alfred er versteld van stond) dat de risico's minimaal waren en waard om genomen te worden.
Het idee was in hem opgekomen door dat stomme verhaal dat Bane'skindermeisje had verteld. Alfred betrapte zich erop dat hij geërgerd wenste dat ze aan een slecht eind was gekomen. Het ging niet aan zulke nachtmerrieachtige verhalen aan een ontvankelijk kind te vertellen. (En dat had niks te maken met het feit dat Bane zelf een levende nachtmerrie was.)
Terwijl hij over dat sprookje nadacht, merkte Alfred dat hij aan Arianus dacht en aan de tijd dat hij aan het hof van Koning Stephen had geleefd. De ene herinnering had naar de andere geleid, en die leidde naar weer een andere totdat zijn geest hem, zonder dat hij in de gaten had waar hij zou uitkomen, naar het tijdstip had gevoerd waarin de dief de schatkluis openbrak.
Op Arianus is water het betaalmiddel, omdat het levenbrengende vocht daar schaars is en derhalve zeer kostbaar. Het koninklijke paleis bezat voorraden van het kostbare middel dat werd bewaard om in tijden van nood te worden gebruikt (zoals wanneer de elfen erin slaagden de waterzendingen te blokkeren). De kluis waarin de vaten waren opgeslagen, lag in een gebouw achter de paleismuren, een gebouw met dikke wanden en zwaar vergrendelde deuren, een gebouw dat dag en nacht bewaakt werd. Bewaakt - behalve op het dak.
Diep in de nacht slaagde een dief erin, met behulp van een zeer ingenieus systeem van touwen en katrollen, vanaf een naburig gebouw boven op de waterkluis te komen. Hij was door de planken van hargasthout aan het boren toen een van die planken het begaf en de arme dief met een enorme klap letterlijk in de armen van de wachten eronder viel.
Hoe de dief had gedacht zich met genoeg water uit de voeten te kunnen maken om die gevaarlijke onderneming lonend te maken, werd nooit ontdekt. Er werd aangenomen dat hij medeplichtigen had maar als dat al het geval was, waren ze ontsnapt en hij verried ze nimmer, zelfs niet toen hij werd gemarteld. Hij kwam alleen voor de dood te staan en had alleen maar bereikt dat er vanaf dat moment ook wachten op het dak patrouilleerden.
Dat, en dat hij Alfred van een plan had voorzien om in de bibliotheek in te breken.
Natuurlijk bestond altijd de kans dat Samah het hele gebouw in een magisch web had gewikkeld maar voor zover hij de Sartanen kende, leek Alfred dat heel onwaarschijnlijk. Ze hadden gedacht dat beleefde runen die het volk aanraadden buiten te blijven, volstonden en dat zou ook zo zijn geweest ware het niet dat Alfreds onberekenbare voeten hem naar binnen hadden gesmeten. De Raadsheer had de magie versterkt maar de gedachte zou nooit bij hem opkomen dat iemand (en Alfred wel in de laatste plaats) de vermetelheid zou hebben om opzettelijk een gebouw binnen te gaan terwijl hem was bevolen er uit de buurt te blijven.
Het is ondenkbaar, dacht Alfred ellendig. Ik ben verdorven. Dit is te gek om los te lopen!
'Ik... ik moet maken dat ik hier wegkom...' zei hij flauwtjes terwijl hij zijn voorhoofd depte met zijn kanten manchet.
Hij was sterk en vastbesloten. Hij ging weg. Het kon hem niet schelen wat er in de bibliotheek aanwezig was.
'Als er al iets is - wat waarschijnlijk niet het geval is - dan heeft Samah er vast en zeker een goede reden voor om niet te willen dat loslopende geleerden erdoor grasduinen - hoewel ik niet kan bedenken wat die reden zou kunnen zijn - ofschoon me dat niets aangaat.'
Die monoloog ging een tijdje door en ondertussen probeerde Alfred te besluiten weg te gaan en hij draaide zich echt om en begon langs de weg terug te lopen maar kwam tot de ontdekking dat hij vrijwel meteen weer in de richting van de bibliotheek liep.
De hond sjokte op een sukkeldrafje achter hem aan, heen en terug, tot hij moe werd, halverwege neerplofte en met veel interesse Alfreds weifelgang gadesloeg.
Eindelijk kwam de Sartaan tot een besluit. 'Ik ga niet naar binnen,' zei hij vastberaden, voerde een dansje uit en begon de runen te zingen.
De tekens weefden hun magie om hem heen en tilden hem op. De hond sprong opgewonden overeind en begon tot Alfreds schrik hard te blaffen. De bibliotheek lag dan wel ver van het hart van de Sartaanse stad en ver verwijderd van de huizen van de inwoners maar het kwam de zenuwachtige Alfred voor dat het gekef van het dier tot in Arianus kon worden gehoord.
'Ssht! Braaf hondje! Nee, niet blaffen. Ik...'
Terwijl hij probeerde de hond stil te krijgen, vergat Alfred waarnaar hij op weg was. Dat was tenminste de enige verklaring die hij kon geven toen hij merkte dat hij boven het dak van de bibliotheek hing.
'O hemeltje,' zei hij zwakjes en viel als een steen omlaag.
Lange tijd zat hij ineengedoken boven op het dak, doodsbang dat iemand de hond had ge-hoord en dat hele horden Sartanen eromheen zouden zwerven, vol vragen en beschuldigingen.
Alles bleef stil. Er kwam niemand.
De hond likte zijn hand en jankte, wilde dat hij opnieuw opsteeg, iets wat het beest enorm vermakelijk scheen te vinden.
Alfred, die was vergeten dat de hond op de meest onverwachte plaatsen kon opduiken, sprong bijna uit zijn vel door die niet verwachte kwijlende lik van een natte tong.
Hij leunde uitgeput tegen de borstwering, streelde de hond met een bevende hand en keek om zich heen. Hij had gelijk gehad. De enige tekens die te zien waren, waren doodgewone runen ter versterking en ondersteuning en ter bescherming tegen de elementen, die op de daken van alle Sartaanse gebouwen konden worden gevonden. Ja, hij had gelijk gehad en hij haatte zichzelf erom dat hij gelijk had gehad.
Het dak bestond uit dikke balken van een of andere boom die Alfredniet herkende maar ze verspreidden een flauwe, houtachtige, aangename geur. Misschien een boom die de Sartanen hadden meegebracht uit de oude wereld, door de Poort des Doods.1 Die grote balken waren op enige afstand van elkaar over het dak gelegd; kleinere planken lagen er dwars onder en vulden de openingen op. Ingewikkelde tekens op de planken en balken zouden regen en knaagdieren en wind en zon weren, zouden alles tegenhouden...
'Behalve mij,' zei Alfred en keek ongelukkig naar de tekens.
Hij bleef lang zitten, onwillig in beweging te komen, totdat de dief in hem hem eraan herinnerde dat de Raadsvergadering niet veel langer zou duren. Samah zou thuiskomen en verwachten Alfred aan te treffen en achterdochtig worden als Alfred er niet zou zijn.
'Achterdochtig,' zei Alfred flauwtjes. 'Wanneer heeft de ene Sartaan ooit dat woord ten opzichte van een andere gebruikt? Wat is er toch met ons aan de hand. En waarom.'
Langzaam boog hij zich voorover en begon een teken op de houten balk te trekken. Zijn stem begeleidde zijn handeling, zijn gezang klonk droevig en zwaarmoedig. De runen zonken weg in de houten balken van een boom die deze wereld nooit had gekend en ze namen Alfred met zich mee, naar beneden, naar de bibliotheek.
Orla liep rusteloos door haar huis. Ze wilde dat Samah thuis was en was tegelijkertijd pervers blij dat dat niet het geval was. Ze wist dat ze naar de tuin zou moeten terugkeren, naar Alfred zou moeten terugkeren, zich verontschuldigen dat ze zich als een dwaas had aangesteld, het voorval gladstrijken. Ze had er zich nooit zoveel van moeten aantrekken, ze had zich nooit zoveel van hem moeten aantrekken!
'Waarom ben je gekomen,' wilde ze droevig van de niet aanwezige persoon weten. 'Al die onrust en ontevredenheid was voorbij. Ik kon weer op vrede hopen. Waarom ben je gekomen. En wanneer zul je vertrekken.'
Orla maakte weer een rondje door de kamer. Sartaanse huizen zijn groot en ruim. De kamers bestaan uit koele, rechte lijnen, hier en daar gekromd tot perfecte bogen die door kaarsrechte kolommen worden gedragen. Het meubilair is elegant en eenvoudig, voorziet alleen in het hoognodige comfort; er is niets overdadigs aanwezig. Men kon gemakkelijk tussen het weinige meubilair door lopen.
Tenminste, een normaal persoon zou er gemakkelijk tussendoor lopen, verbeterde ze zich en zette een tafel overeind die Alfred had omgeworpen.
Ze zette de tafel op de juiste plek omdat ze wist dat Samah zich er enorm aan zou ergeren wanneer de dingen niet stonden zoals het hoorde. Maarhaar hand bleef treuzelend liggen; ze glimlachte inwendig en zag opnieuw hoe Alfred er tegenaan strompelde. De tafel stond vlak bij een bank en lag redelijk buiten de loop. Alfred was er een heel eind vandaan geweest en helemaal niet van plan er in de buurt te komen. Orla herinnerde zich dat ze verbaasd had toegezien hoe die veel te grote voeten van hem ineens koers zetten naar de tafel, in hun haast om de tafel te bereiken over zichzelf waren gestruikeld en de tafel omver hadden geworpen. En Alfred had toegekeken, als een verbijsterd kindermeisje met een horde onhandelbare kinderen. En hij had Orla hulpeloos aangekeken en om vergeving gesmeekt.
Ik weet dat het mijn schuld is,zeiden zijn ogen, maar wat kan ik eraan doen? Mijn voeten willen zich gewoon niet gedragen!
Waarom deed die treurige blik haar hart pijn? Waarom verlangde ze ernaar die onhandige handen vast te houden, verlangde ze ernaar om de last die op die gebogen schouders rustte, te verlichten?
'Ik ben de vrouw van een andere man,' vermaande ze zich. 'De vrouw van Samah.'
Ze hadden van elkaar gehouden, veronderstelde ze. Ze had zijn kinderen gebaard, ze hadden toch van elkaar gehouden... ooit.
Maar ze herinnerde zich het beeld dat Alfred voor haar opgeroepen had, een beeld van twee mensen die elkaar heftig, gepassioneerd liefhadden, omdat die ene nacht alles was wat ze hadden, omdat alles wat ze hadden, elkaar was. Nee, realiseerde ze zich droevig. Ze had nooit waarlijk liefgehad.
Ze voelde geen pijn van binnen, geen kwelling, niets. Alleen een immense, grote leegte, ontworpen langs rechte lijnen, netjes, af en toe van plaats verschuivend maar nooit echt anders. Totdat die te grote voeten en die treurige, zoekende ogen en die onhandige handen tegen haar op waren gelopen en alles omver hadden gehaald.
'Samah zou zeggen dat dit een moederinstinct is, dat ik, omdat ik voorbij het punt van kinderen baren ben, de behoefte heb iets te bemoederen. Vreemd, maar ik kan me niet herinneren dat ik mijn eigen kind bemoederd heb. Ik neem aan dat dat wel het geval was. Ik neem aan dat ik dat moet hebben gedaan. Maar alles wat ik me lijk te herinneren, is dwalen door dit lege huis en het afstoffen van meubilair.'
Haar gevoelens voor Alfred waren echter niet moederlijk. Orla herinnerde zich zijn lompe handen, zijn verlegen strelingen en bloosde hevig. Nee, helemaal niet moederlijk.
'Wat is dat toch met hem?' vroeg ze zich hardop af.
Beslist niet iets wat aan de buitenkant zat: een kalend hoofd, afhangende schouders, voeten die het vaste plan leken te hebben hun eigenaar rampen te bezorgen, zachte, blauwe ogen, afgedragen kleren van de mensch die hij niet wilde uittrekken. Orla dacht aan Samah: sterk, zelfverzekerd, machtig. Toch had Samah er nooit voor kunnen zorgen datze medeleven voelde, had haar nooit laten huilen om andermans leed, had haar nooit laten liefhebben omwille van het liefhebben.
'Alfred bezit van binnen een bepaalde kracht,' zei Orla tegen het in het gelid staande en onverschillige meubilair. 'Een kracht die des te machtiger is omdat hij zich er niet van bewust is. Als je hem ervan zou beschuldigen, zou hij' - en ze glimlachte vertederd - 'in feite die verbijsterde, verbaasde trek op zijn gezicht krijgen en hij zou stamelen en stotteren en... Ik begin verliefd op hem te worden. Dat kan toch niet. Ik begin verliefd op hem te worden.'
En hij begint op jou verliefd te worden.
'Nee,' protesteerde ze, maar haar protest was zacht en haar glimlach ging niet weg.
Sartanen werden niet verliefd op andermans echtgenotes. Sartanen bleven hun trouwbeloften trouw. Deze liefde was hopeloos en zou alleen maar verdriet brengen. Orla wist dat. Ze wist dat ze de glimlachjes en de tranen uit haar wezen moest verbannen, alles op een rijtje moest zetten en terug moest keren naar de strakke lijnen en de lege nuchterheid. Maar voor eventjes, voor dit ene ogenblik, kon ze de warmte oproepen van zijn handen die zachtjes over haar huid streelden, kon ze in zijn armen huilen om de baby van een andere vrouw, kon ze voelen.
Het drong tot haar door dat ze al een hele tijd bij hem weggebleven was.
'Hij zal nog denken dat ik boos op hem ben,' besefte ze spijtig toen ze zich herinnerde hoe ze van het terras was weggestoven. 'Ik moet hem pijn hebben gedaan. Ik zal het gaan uitleggen en... en dan zal ik hem zeggen dat hij dit huis moet verlaten. Het zal niet verstandig zijn als we elkaar nog blijven zien, behalve dan in verband met Raadszaken. Dat red ik wel. Ja, dat red ik beslist wel.'
Maar haar hart klopte zo snel dat het niet leuk meer was en ze was gedwongen een paar maal een rustbrengende mantra uit te spreken voor ze ontspannen genoeg was om er vastbesloten en vastberaden uit te zien. Ze streek haar haar glad en veegde ieder spoor van tranen weg, probeerde een koele, kalme glimlach op haar gezicht te krijgen, bekeek zich bezorgd in een spiegel om te zien of de glimlach er net zo gespannen en onecht uitzag als die aanvoelde.
Toen moest ze er nog even de tijd voor nemen om te bedenken hoe ze het onderwerp ter sprake kon brengen.
'Alfred, ik weet dat je van me houdt...'
Nee, dat klonk te verwaand.
'Alfred, ik hou van je...'
Nee, dat kon al helemaal niet! Na nog even nadenken besloot ze dat het het beste zou zijn om snel en meedogenloos te zijn, net als zo'n chirurg van de mensch die een ziek lichaamsdeel afhakte.
'Alfred, jij en de hond moeten mijn huis nog vanavond verlaten.'
Ja, dat zou het beste zijn. Zuchtend en met weinig hoop dat het goed zou uitpakken, ging ze terug naar het terras.
Alfred was er niet.
'Hij is naar de bibliotheek gegaan.'
Orla wist het zo zeker alsof ze over al die mijlen heen kon kijken en door de muren kon gluren en hem daarbinnen kon zien. Hij heeft een manier ontdekt om naar binnen te gaan waarbij niemand zijn aanwezigheid zal opmerken. En ze wist dat hij zou vinden wat hij zocht.
'Hij zal het niet begrijpen. Hij was er niet bij. Ik moet proberen hem mijn beelden te laten zien!'
Orla fluisterde de runen, trok de magie met haar handen en vertrok op de vleugels van diezelfde magie.
De hond gromde waarschuwend en sprong overeind. Alfred keek op van wat hij las. Een figuur, in het wit gekleed, kwam naderbij, en kwam van de achterzijde van de bibliotheek. Hij kon niet zien wie het was. Samah? Ramu?
Het kon Alfred niet echt veel schelen. Hij was niet zenuwachtig, werd niet door schuld overvallen, was niet bang. Hij was ontzet en geschokt en ziek en hij was, begon hij te ontdekken, blij dat hij er iemand mee kon confronteren.
Hij kwam overeind, zijn lichaam trilde, niet van angst maar van boosheid. De figuur stapte in de lichtkring die hij met zijn magie had gecreëerd om er bij te kunnen lezen.
Het tweetal keek elkaar aan. Ingehouden adem ontsnapte als een zucht, ogen wisselden stil hartewoorden die nooit konden worden uitgesproken.
'Je weet het,' zei Orla.
'Ja,' antwoordde Alfred en sloeg nerveus zijn ogen neer.
Hij had Samah verwacht. Hij kon kwaad zijn op Samah. Hij had er behoefte aan om kwaad te zijn, om ruimte te geven aan de boosheid die nu binnen in hem kookte als de hete lavazee van Abarrach. Maar hoe kon hij zijn boosheid op haar loslaten wanneer hij in werkelijkheid niets liever wilde dan haar in zijn armen nemen.
'Het spijt me,' zei Orla. 'Het maakt het allemaal heel moeilijk.'
'Moeilijk!' Alfred voelde de woede en verontwaardiging als een lijfelijke klap die hem aan het wankelen bracht en van zijn hersens een warboel maakten. 'Moeilijk! Is dat alles wat je kunt zeggen?' Hij zwaaide wild naar de perkamentrol2 die open voor hem op de tafel lag. 'Wat julliehebben gedaan... Toen jullie wisten... Hier staat alles opgeschreven, alle argumenten in de Raad. Het feit dat bepaalde Sartanen begonnen te geloven in een hogere macht. Hoe konden jullie... Leugens, allemaal leugens! De verschrikking, de vernieling, de doden... Onnodig! En jullie wisten...'
'Nee, dat is niet waar!' riep Orla.
Ze kwam naar voren, kwam vlak voor hem staan, haar hand op de tafel, op de perkamentrol die hen scheidde. De hond zat op zijn achterste en keek met intelligente ogen naar het tweetal.
'We wisten het niet! Niet zeker! En de Patrynse macht, hun kracht, groeide. En wat konden we tegenover die macht stellen? Vage gevoelens, niets dat ooit kon worden gedefinieerd.'
'Vage gevoelens!' herhaalde Alfred. 'Vage gevoelens! Ik heb die gevoelens gekend. Dat waren... het was... het was het mooiste dat ik heb meegemaakt! De Kamer van de Verdoemden, noemden ze het. Maar ik wist dat het de Kamer van de Gezegenden was. Ik begreep de reden van mijn zijn. Mij werd duidelijk gemaakt dat ik daardoor alles beter kon doen. Mij werd verteld dat als ik geloof had, alles goed zou komen. Ik wilde dat heerlijke oord niet verlaten...'
'Maar je bent wel weggegaan!' bracht Orla hem in herinnering. 'Je kon niet blijven, wel? En wat gebeurde er in Abarrach toen je wegging?'
Alfred week verward achteruit. Hij keek omlaag naar de perkamentrol ofschoon hij die niet zag; zijn hand speelde met de randen.
'Je twijfelde,' zei ze tegen hem. 'Je geloofde niet wat je had gezien. Je twijfelde aan je eigen gevoelens. Je ging terug naar een wereld die duister was en beangstigend, en als je al een glimp had opgevangen van een groter goed, van een macht die groter en heerlijker was dan die van jezelf, waar was die dan op dat moment? Je vroeg je zelfs af of het een foefje was...'
Alfred zag Jonathan, de jonge edelman die hij op Abarrach had ontmoet en die door zijn eens zo liefhebbende vrouw werd vermoord en in stukken gereten. Jonathan had geloofd, hij had vertrouwen gehad en hij was om die reden op een afgrijselijke manier gestorven. Nu was hij waarschijnlijk een van die gekwelde levende doden, de lazaren.
Alfred liet zich op een stoel ploffen. De hond die leed door het lijden van de man, sloop geluidloos naar hem toe en duwde zijn neus tegen hem aan. Alfred liet zijn pijnlijke hoofd op zijn armen rusten.
Tedere, koele handen gleden om zijn schouders. Orla knielde naast hem neer. 'Ik weet hoe je je voelt. Ik weet het echt. We voelden het allemaal. Samah en de rest van de Raad. Het was alsof... Hoe stelde Samah het ook weer? We waren als de mensen die dronken zijn door sterke wijn. Wanneer zij onder invloed verkeren, vinden ze alles heerlijk en ze kunnen alles, kunnen ieder probleem oplossen. Maar wanneer het effect van het geestrijke vocht afneemt, zijn ze misselijk, hebben ze pijn en voelen ze zich beroerder dan daarvoor.'
Alfred hief zijn hoofd op en keek haar somber aan. 'En wat als de fout bij ons ligt? Wat als ik op Abarrach was gebleven? Is daar een wonder gebeurd? Ik zal het nooit weten. Ik ging weg. Ik ging weg omdat ik bang was.'
'En wij waren ook bang.' Orla klemde vurig haar vingers om zijn arm. 'De duisternis van de Patrynen was heel reëel en dat vage licht dat sommigen van ons hadden ervaren, was niets meer dan het flakkeren van een kaarsvlam die met één ademtocht kon worden uitgeblazen. Hoe konden we daar ons geloof in leggen? In iets dat we niet begrepen?'
'Wat is geloof,' vroeg Alfred zachtmoedig en had het niet tegen haar maar tegen zichzelf. 'Geloven is iets dat je niet begrijpt. En hoe kunnen wij arme stervelingen die enorme en schrikbarende en heerlijke geest begrijpen.'
'Ik weet het niet,' fluisterde ze gebroken, 'ik weet het niet.'
Alfred greep haar hand. 'Dat is waar jullie over streden. Jij en de andere Raadsleden! Jij en... en' - het viel hem moeilijk het woord uit te spreken - 'je echtgenoot.'
'Samah geloofde niets van dat alles. Hij zei dat het een foefje was, een foefje van onze vijand...'
Het was alsof Alfred Haplo hoorde praten, de woorden van de Patryn waren bijna een echo. Een foefje, Sartaan! Je hebt een foefje met me uitgehaald...
'... tegen de Splitsing,' ging Orla door. 'We wilden wachten voor we tot zoiets drastisch zouden overgaan. Maar Samah en de anderen waren bang...'
'En terecht, zo blijkt wel,' zei een grimmige stem. 'Toen ik thuiskwam en ontdekte dat jullie allebei waren verdwenen, had ik er wel een idee van waar ik jullie zou kunnen vinden.'
Bij het horen van die stem sidderde en rilde Alfred. Orla kwam doodsbleek overeind. Ze bleef echter vlak bij hem staan en haar hand lag ter ondersteuning en bescherming op zijn schouder. De hond, die zijn plichten verzaakt had, leek dat te willen goedmaken door zo hard hij kon tegen Samah te blaffen.
'Laat dat beest zijn kop houden,' zei Samah, 'anders vermoord ik hem.'
'Je kunt hem niet vermoorden,' gaf Alfred ten antwoord terwijl hij zijn hoofd schudde. 'Hoe je ook je best zou doen, je kunt dat dier niet doden, noch wat hij vertegenwoordigt.'
Maar hij liet zijn hand op de kop van het dier rusten. De hond stond lijdzaam toe dat hij ertoe werd overgehaald zijn bek te houden.
'We weten nu tenminste wie en wat je bent,' verklaarde de Raadsheer en keek Alfred grimmig aan. 'Een spion van de Patrynen, erop uitgestuurd om onze geheimen te ontdekken.' Zijn blik gleed naar zijn vrouw. 'En diegenen te corrumperen die je vertrouwen.'
Alfred kwam vastberaden en waardig overeind. 'Je hebt het mis. Ik beneen Sartaan, tot mijn spijt. En wat betreft het ontdekken van geheimen' - hij wees naar de perkamentrol - 'het lijkt erop dat je de geheimen die ik heb ontdekt voor je eigen volk geheim wilde houden, niet voor je zogenaamde vijand.'
Samah was witheet van woede en niet in staat een woord uit te brengen.
'Nee,' fluisterde Orla en keek Alfred indringend aan terwijl haar hand in zijn arm kneep. 'Nee, je ziet het verkeerd. Het was niet het goede moment...'
'De redenen waarom we deden wat we deden, gaan hem niet aan, Vrouw!' onderbrak Samah haar. Hij pauzeerde even, wachtte met spreken tot hij zijn woede onder controle had. 'Alfred Montbank, jij zult hier gevangen blijven tot de Raad bijeen komt en we beslissen wat voor maatregelen we moeten nemen.'
'Hem gevangenzetten? Is dat nodig?' protesteerde Orla.
'Dat is mijn mening. Ik kwam naar je toe om je het nieuws te vertellen dat we zojuist bericht van de dolfijnen hebben ontvangen. De Patrynse bondgenoot van deze man is ontdekt. Hij is hier in Chelestra en is, zoals we al vreesden, een bondgenoot van de drakenslangen. Hij heeft ze ontmoet, samen met vertegenwoordigers van de koninklijke families van de mensch.'
'Alfred,' zei Orla, 'kan dat waar zijn?'
'Ik weet het niet,' antwoordde Alfred ellendig. 'Haplo zou zoiets best kunnen doen, vrees ik, maar je moet begrijpen dat hij...'
'Luister naar hem Vrouw. Zelfs nu probeert hij de Patryn te verdedigen.'
'Hoe kun je,' vroeg Orla terwijl ze van Alfred terugweek en hem met een mengeling van spijt en pijn aankeek. 'Jij zou je eigen volk laten uitroeien!'
'Nee, hij wil zijn eigen volk zien overwinnen,' zei Samah kil. 'Je vergeet, mijn beste, dat hij meer Patryn dan Sartaan is.'
Alfred gaf geen antwoord maar klemde zijn handen om de stoelleuning, liet die los en bleef die handeling herhalen.
'Waarom sta je daar en zeg je niets?' riep Orla uit. 'Maak mijn echtgenoot duidelijk dat hij ongelijk heeft! Maak mij duidelijk dat ik ongelijk heb!'
Alfred hief zijn milde, blauwe ogen op. 'Wat kan ik zeggen dat jij zou willen geloven?'
Orla keek hem aan, begon te antwoorden en schudde dan gefrustreerd haar hoofd. Ze keerde hem de rug toe en liep de kamer uit.
Samah keek grimmig naar Alfred.
'Ditmaal zal ik hier een wacht neerzetten. Je zult worden geroepen.'
Hij liep stijf weg onder begeleiding van het uitdagende gegrom van de hond.
Ramu kwam in zijn vaders plaats te voorschijn. Terwijl hij naar de tafelliep, wierp de zoon een onheilspellende blik op Alfred en legde zijn handen stevig op de perkamentrol. Hij rolde hem weloverwogen en met de grootste zorgvuldigheid stijf op, liet hem in de rolhouder glijden en legde die op de juiste plaats terug. Daarna stelde hij zich op aan het andere einde van de kamer, zo ver mogelijk van Alfred verwijderd als een Sartaan maar kon zonder hem uit het oog te verliezen.
Het was echter onnodig om hem te bewaken. Alfred zou zelfs niet hebben geprobeerd te ontsnappen als de deur wijd open had gestaan. Hij zat er moedeloos bij, in elkaar gedoken van ellende - een gevangene van zijn eigen volk, het volk dat hij zo lang had gehoopt te vinden. Hij was fout. Hij had iets vreselijks gedaan en hij kon van z'n leven niet begrijpen wat hem ertoe had aangezet.
Zijn handelingen hadden de woede van Samah opgewekt. Erger nog, Alfred had Orla gekwetst. En waarom? Om zich met zaken te bemoeien die hem niets aangingen, zaken die hij niet eens zou kunnen begrijpen.
'Samah is veel wijzer dan ik,' zei hij tegen zichzelf. 'Hij weet beter dan wie ook wat er moet gebeuren. Hij heeft gelijk, ik ben geen Sartaan. Ik ben deels Patryn, deels mensch. Zelfs' - voegde hij eraan toe met een droeve glimlach naar de trouwe hond die aan zijn voeten lag - 'een beetje hond. Maar voor het overgrote deel ben ik een dwaas. Samah zou nooit proberen zijn kennis voor zich te houden. Zoals Orla al zei, wachtte hij op het goede moment. Dat is alles.
Ik zal mijn verontschuldigingen aanbieden aan de Raad,' ging hij zuchtend door, 'en ik zal met vreugde doen wat die van me verlangt. En dan zal ik weggaan. Ik kan hier niet langer blijven. Wat is toch de reden?'
Hij keek naar zijn eigen handen en zwaaide ze gefrustreerd heen en weer. 'Waarom gaat alles wat ik aanraak, kapot? Waarom bezorg ik degenen om wie ik geef, zoveel leed? Ik zal van deze wereld weggaan en nooit meer terugkomen. Ik zal teruggaan naar mijn crypte op Arianus en ik zal slapen. Een lange, lange tijd slapen. Misschien zal ik, als ik geluk heb, nooit meer wakker worden.
En jij,' zei Alfred terwijl hij verbitterd naar de hond staarde. 'Jij moet voor jezelf zorgen. Haplo was je niet kwijt, wel? Hij heeft je opzettelijk weggestuurd. Hij wil je niet terug! Goddank dat ik je kwijt raak, zou ik haast zeggen. Ik laat jou hier achter. Jullie allebei!'
Het dier kroop ineen door die kwade stem en die verwijtende blik. Oren en staart zakten en de hond liet zich aan Alfreds voeten vallen en bleef daar liggen terwijl hij hem met droeve, treurige ogen aankeek.
1 Hoogstwaarschijnlijk ceder.
2 Als Samah zo bang was dat de perkamentrol zou worden ontdekt, waarom verbrandde hij die dan niet.
'Ik geloof,' schrijft Alfred in een toevoeging aan dit deel, 'dat Samah een aangeboren ontzag voor de waarheid had. Hij probeerde dat te ontkennen, poogde het te onderdrukken, maar hij kon zich er niet toe brengen het te vernietigen. '