11

RONDZWALKEND IN DE GOEDEZEE

 

Haplo lag op zijn strozak aan boord van het vreemde vaartuig en deed niets anders dan rusten en kijken naar zijn armen en handen. De tekens waren nu nog nauwelijks zichtbaar - net zo vaag bleekblauw als de ogen van die zot van een Sartaan Alfred. Maar de runen waren er! Ze waren teruggekomen! En daarmee zijn magie. Haplo sloot zijn ogen en haalde diep adem, een zucht van opluchting.

Hij herinnerde zich die vreselijke ogenblikken toen hij weer bij bewust­zijn was gekomen aan boord van dit schip en tot de ontdekking kwam dat hij door mensch omringd werd en van zichzelf wist dat hij hulpeloos en weerloos was. Hij kon zelfs niet verstaan wat ze zeiden!

Het had er niet toe gedaan dat het vrouwen waren, nauwelijks oud ge­noeg om aan de kinderkamer ontgroeid te zijn. Het had er niet toe ge­daan dat ze aardig en vriendelijk waren geweest, dat ze hem met eerbied, medeleven en sympathie hadden aangekeken. Wat er wel toe deed, was dat ze de situatie in de hand hadden gehad. Haplo, verzwakt door uit­putting en honger en beroofd van zijn magie, was aan hun genade over­geleverd. Een ogenblik lang had hij er bitter spijt van gehad dat hij hun hulp had gezocht. Hij had beter van uitputting kunnen sterven.

Maar nu was de magie terug. Zijn kracht kwam terug. Net als de tekens, was de magie nog zwak. Hij kon niet veel meer dan de meest elementaire runenstructuren maken; wat zijn magische mogelijkheden betrof, zat hij weer op het niveau van zijn kinderjaren. Hij kon hun talen verstaan, en spreken. Hij was waarschijnlijk in staat zich van voedsel te voorzien, als dat nodig zou zijn. Hij kon alle kleine verwondingen genezen. En dat was het dan.

Denkend aan wat hij niet kon, voelde Haplo ineens de woede en frustra­tie opkomen. Hij dwong zich tot kalmte. Toegeven aan zijn woede bete­kende opnieuw de controle verliezen.

'Geduld,' maande hij zichzelf terwijl hij achterover ging liggen. 'In het Labyrint is je dat toch met geweld bijgebracht.'

Hij leek niet in gevaar te verkeren. Maar hoe de situatie precies lag, was hem niet duidelijk. Hij probeerde met de drie menschmeisjes te praten maar ze waren zo verbaasd dat hij ineens hun taal sprak - en door het plotselinge verschijnen van de runen op zijn huid - dat ze waren ge­vlucht voor hij hen verder had kunnen ondervragen.

Haplo had gespannen afgewacht tot er wat oudere mensch zouden bin­nenkomen die wilden weten wat er aan de hand was. Maar er kwam nie­mand. Haplo lag doodstil en luisterde ingespannen maar hij hoorde niets dan het kraken van de scheepsbetimmering. Als het niet zo onwaarschijnlijk was, zou hij bijna gaan denken dat hij en die meisjes de enigen aan boord waren.

'Ik was te cru tegen ze,' vermaande Haplo zich. 'Ik had het wat rustiger aan moeten doen en er op moeten letten ze niet weer af te schrikken. Ze zouden me wel eens van nut kunnen zijn.' Hij keek tevreden om zich heen. 'Het heeft er alle schijn van dat ik een nieuw schip te pakken heb gekregen.'

Hij voelde zich steeds sterker worden en had net besloten dat hij het erop zou wagen zijn hut te verlaten toen hij zacht op de deur hoorde kloppen. Haplo ging snel weer liggen, trok de deken om zich heen en deed alsof hij sliep.

Het kloppen werd herhaald. Hij hoorde stemmen - drie stemmen - over­leggen wat nu te doen. De deur kraakte. Hij werd langzaam geopend. Hij kon zich de ogen voorstellen die naar hem gluurden.

'Schiet op Alake!' Dat was de dwerg met haar diepe en rauwe stemge­luid.

'Maar hij slaapt! Ik ben bang dat ik hem zal wekken.'

'Zet het eten nou maar neer en ga dan weer weg.' Een elfenmeisje. Haar stem was licht en hoog maar Haplo betrapte zich erop dat hij dacht dat er iets niet helemaal klopte.

Haplo hoorde het geluid van blote voeten die zijn hut binnenkwamen. Hij achtte het tijd om nu wakker te worden, langzaam, voorzichtig, om niemand bang te maken. Hij haalde diep adem, bewoog zich en kreun­de. De voetstappen kwamen abrupt tot stilstand. Hij hoorde hoe het meisje haar adem inzoog.

Haplo opende zijn ogen, keek naar haar op en glimlachte.

'Hallo,' zei hij in haar taal. 'Alake, niet?'

Het meisje was menselijk en een van de aantrekkelijkste mensenvrou­wen die Haplo ooit had gezien. Wanneer ze volwassen is, zal ze een schoonheid zijn, dacht hij. Haar huid was zacht en fluweelzwart, haar haar was zo zwart dat het bijna blauw leek en glansde zo helder als de vleugel van een raaf. Haar ogen waren groot en bruin en smeltend. On­danks een begrijpelijke dosis angst bleef ze waar ze was, ze liep niet weg.

'Dat ruikt goed,' ging hij door en stak zijn hand uit naar het eten. 'Ik weet niet hoe lang ik in de zee heb rondgedreven zonder iets te eten. Mis­schien wel dagen. Alake, zo heet je toch?' herhaalde hij.

Het meisje gaf hem de schotel. Ze had haar ogen neergeslagen. 'Ja,' zei ze verlegen. 'Ik heet Alake. Hoe weet je dat?'

'Een mooie naam,' zei hij. 'Bijna zo mooi als de vrouw die hem draagt.'

Hij werd beloond met een glimlach en een knipperen van de lange wim­pers. Haplo begon te eten, een of andere stoofschotel en een stuk brood dat een beetje oud was.

'Ga niet weg,' mompelde hij met volle mond. Hij had zich niet gereali­seerd hoe uitgehongerd hij wel was. 'Kom binnen. Laten we praten.'

'We zijn bang dat we je rust verstoren,' begon Alake en keek naar haar twee metgezellen die bij de deur waren blijven staan.

Haplo schudde zijn hoofd en gebaarde met een stuk brood. Alake ging het dichtst bij hem zitten maar niet zo vlakbij dat het onbetamelijk had kunnen lijken. Het elfenmeisje sloop om de deur heen en vond een zit­plaats op een stoel in de schaduwen. Ze bewoog zich merkwaardig, zon­der de gratie die Haplo normaal met elfen associeerde. Maar misschien kwam dat omdat ze een jurk droeg die te klein was. Haar armen waren bedekt door een sjaal. Een lange zijden sluier was om haar hoofd en ge­zicht gewikkeld waardoor er niets te zien was behalve de amandelvormige ogen.

De dwerg stampte op korte, dikke benen naar binnen, hurkte soepel op de vloer, vouwde haar armen voor haar borst en keek Haplo met een be­hoorlijke dosis wantrouwen aan.

'Waar kom je vandaan?' vroeg ze in dwergentaal.

'Grundle!' vermaande Alake haar. 'Laat hem eerst eten.'

De dwerg negeerde haar. 'Waar kom je vandaan? Wie heeft je gestuurd? Waren het de drakenslangen?'

Haplo nam de tijd om te antwoorden. Hij schraapte de kom schoon met het brood en vroeg iets te drinken. De dwerg gaf hem zwijgend een fles van een of andere sterk geurende vloeistof.

'Wilde je liever water?' vroeg Alake bezorgd.

Haplo dacht stilzwijgend dat hij voor de rest van zijn leven water genoeg had gehad, maar hij wilde zijn verstand niet op de bodem van een fles brandewijn kwijtraken, dus knikte hij.

'Grundle...' begon Alake.

'Ik ga wel,' mompelde het elfenmeisje en verliet de kleine hut.

'Ik heet Haplo,' begon hij.

'Dat heb je ons gisteravond al verteld,' verklaarde Grundle.

'Val hem niet in de rede!' zei Alake en wierp haar vriendin een boze blik toe.

Grundle mompelde wat en leunde achterover tegen de muur, haar kleine voeten naar zich toe getrokken.

'Het schip dat ik bevoer, is vergaan. Ik zag kans te ontsnappen en dreef in het water rond tot jullie me vonden en aardig genoeg waren om me aan boord te halen.' Haplo glimlachte opnieuw naar Alake die haar ogen neersloeg en met de koperen kraaltjes in haar haar speelde. 'Wat betreft de plaats waar ik vandaan kom, ik denk niet dat jullie de naam ooit gehoord hebben, maar het is een wereld die heel veel op die van jul­lie lijkt.'

Dat antwoord was veilig genoeg. Hij had kunnen weten dat de dwerg er geen genoegen mee nam.

'Een zeemaan als de onze?'

'Iets dergelijks.'

'Hoe weet je hoe onze zeemaan eruit ziet?'

'Iedereen weet dat de... eh... zeemanen van Chelestra op elkaar lijken,' antwoordde Haplo.

Grundle stak een vinger naar hem uit. 'Waarom teken je figuren op je huid?'

'Waarom hebben dwergen baarden?' gaf Haplo terug.

'Zo is het genoeg Grundle!' beet Alake haar toe. 'Wat hij zegt klinkt heel redelijk.'

'O zeker, hij kan best van zijn woorden afkomen,' antwoordde de dwerg. 'Niet dat hij al te veel heeft blootgegeven, zoals je misschien wel hebt opgemerkt. Maar ik zou graag willen horen wat hij over de drakenslangen heeft te zeggen.'

Het elfenmeisje was met het water teruggekeerd. De elf gaf de kan aan Alake en zei met lage stem: 'Grundle heeft gelijk. We moeten meer over de drakenslangen weten.'

Alake wierp Haplo een verontschuldigende blik toe. 'Sabia en Grundle zijn bang dat je door de drakenslangen bent gestuurd om ons te bespione­ren. Ik weet absoluut niet waarom, omdat we hun gevangenen zijn en vrijwillig ons lot tegemoet gaan...'

'Wacht eens even! Rustig aan!' Haplo hief een hand op om de woorden­vloed te stoppen. Hij bekeek de jonge vrouwen. 'Ik weet niet zeker of ik begrijp wat je zegt. Maar laat me je, voor je me dat uitlegt, vertellen dat degene die mij stuurde, mijn leenheer is. Hij is een man, niet een draak. En van wat ik in mijn wereld van draken heb gezien, nou, ik zou geen poot voor ze uitsteken behalve om ze te doden.'

Haplo sprak met kalme stem, toon en houding overtuigend. En wat dit betrof, sprak hij de waarheid. Draken in het Labyrint zijn uitermate in­telligente, afschrikwekkende wezens. Hij had gedurende zijn reizen an­dere draken gezien. Sommige waren slecht, andere in wezen goed maar hij had nooit iets in een van die schepsels bespeurd waarin hij zijn ver­trouwen had willen stellen.

'En nu,' ging Haplo door terwijl hij zag dat de dwerg haar mond open deed, 'zouden jullie me misschien willen vertellen wat jullie alleen aan boord van dit schip doen.'

'Wie zegt dat wij alleen zijn?' wierp Grundle tegen maar haar protest klonk zwak en halfslachtig.

Het was niet zo dat de drie meisjes bereid waren hem te geloven, besefte Haplo, maar dat ze hem wilden geloven. Nadat Haplo hun verhaal had aangehoord, begreep hij waarom.

Hij luisterde, uiterlijk kalm, naar het verhaal dat Alake hem vertelde. Innerlijk spuwde hij vuur. Als hij in een Hogere Macht had geloofd die zijn lot bestuurde, wat hij beslist niet deed ondanks Alfreds foefjes om hem van het tegendeel te overtuigen,1 dan zou hij hebben gedacht dat deHogere Macht hem nu midden in zijn gezicht uitlachte. Verzwakt waar het zijn eigen magie betrof en zwakker dan hij ooit van zijn leven was geweest, had Haplo het voor elkaar gekregen, zich te laten redden door drie offerlammetjes die gedwee op weg naar hun dood waren!

'Dat meen je niet serieus!'

'Wel waar,' zei Alake. 'Het is omwille van ons volk.'

'Je doet dit uit vrije wil? Je hebt niet geprobeerd om te ontsnappen? Je uit de voeten te maken?'

'Nee, en dat zullen we ook niet doen,' zei Grundle vastbesloten. 'Het was onze beslissing. Onze ouders wisten zelfs niet dat we weggingen. Zij zouden hebben geprobeerd ons tegen te houden.'

'En ze zouden groot gelijk hebben gehad!' Haplo staarde hen alle drie aan. Op een drafje op weg naar hun dood... en hem namen ze mee!

Alake's stem zakte af tot gefluister. 'Jij denkt dat we dwazen zijn, niet?'

'Ja,' zei Haplo bot. 'Die drakenslangen waar je me over hebt verteld, hebben personen gemarteld en vermoord. En jij denkt dat ze hun woord zullen houden, jullie drie offerandes zullen accepteren en dan gedwee zullen wegslippen?'

Grundle schraapte luidkeels haar keel en trommelde met haar hakken op het dek. 'Waarom zouden ze anders die afspraak hebben gemaakt. Wat levert het hen op? Waarom ons niet gewoon vermoorden, zo van dat was dan dat?'

'Wat het de drakenslangen oplevert? Ik zal je vertellen wat het hen ople­vert. Angst. Vrees. Chaos. In mijn land hebben we schepsels die op angst teren, erop gedijen. Denk daar eens over na. Als die drakenslangen zo machtig zijn als jullie beweren, dan zouden ze in de nacht kunnen ko­men om jullie zeemanen te vernietigen. Maar nee, dat doen ze niet. Wat doen ze dan wel? Ze komen overdag. Ze hebben in koelen bloede een klein aantal mensen en dwergen uitgemoord. Ze hebben boodschappen gestuurd, offers geëist. En kijk eens naar het resultaat!

Jullie volk is nu veel banger dan ze zouden zijn geweest wanneer ze een plotselinge aanval hadden moeten afweren. En dat jullie drieën zo zijn weggegaan, heeft de zaken er voor jullie volk erger op gemaakt, niet be­ter.'

Alake schrompelde ineen onder Haplo's woedende blik. Zelfs de eigen­wijze Grundle leek haar uitdagende houding kwijt te raken en begon on­rustig aan haar bakkebaarden te trekken. Alleen Sabia, het elfenmeisje, bleef koel en kalm. Ze zat op haar kruk, fier, met een rechte rug en zag er koel en gereserveerd uit, alsof alleen zij tevreden was met haar besluit. Niets van wat hij zei kon haar iets schelen.

Vreemd. Maar het elfenmeisje was toch al vreemd. Haplo kon niet zijn vinger op het waarom leggen. Er was iets met haar...

Haar.

Haplo zag ineens hoe Sabia zat. Toen ze net was gaan zitten, had ze haarknieën stijf tegen elkaar gehouden, met de enkels zedig gekruist onder haar lange rok. Maar tijdens Alake's lange referaat over hun treurige lot, had het elfenmeisje zich ontspannen en zich laten gaan. Nu zat ze met gespreide benen op het lage krukje, haar knieën uit elkaar, haar handen op de knieën, de voeten naar achteren.

Als ik gelijk heb, dacht Haplo, zal dat zeker de doorslag geven. Er blijft hun niets anders over dan met me mee te doen.

'Wat denk je wat er zich op dit moment bij jouw familie afspeelt?' wilde Haplo van Alake weten. 'In plaats van zich op oorlog voor te bereiden, zoals hij zou moeten doen, is jouw vader nu bang om ook maar iets te ondernemen! Hij durft de drakenslangen niet aan te vallen zolang ze jul­lie gegijzeld hebben. Hij wordt door bittere spijt verteerd en de wan­hoop maakt hem van dag tot dag zwakker.'

Alake huilde stilletjes. Sabia stak haar hand uit en pakte Alake's hand. Haplo kwam overeind en begon op en neer te lopen door de kleine hut.

'En jij.' Hij wendde zich tot de dwerg. 'Jouw volk. Wat is dat aan het doen. Zich wapenen, of treuren om het verlies van hun prinses? Iedereen wacht af. Wacht in hoop en vrees. En hoe langer ze wachten, hoe groter hun angst wordt.'

'Ze zullen vechten!' hield Grundle vol maar haar stem haperde.

Haplo negeerde haar, bleef heen en weer lopen, tien passen in iedere richting en ieder keerpunt bracht hem dichter bij Sabia die haar best deed om Alake te troosten.

Grundle sprong plotseling van haar kruk op en keek Haplo tartend aan, met de kleine handen op haar heupen.

'We wisten wel dat onze opoffering voor niets zou kunnen zijn. Maar we vonden dat, als er ook maar de kleinste kans was dat de drakenslangen hun deel van de overeenkomst zouden houden, het de moeite waard zou zijn om ons volk te redden. En dat blijf ik zeggen. En jullie toch ook, Alake? Sabia?'

Alake's bruine ogen glommen van de tranen maar ze slaagde erin in­stemmend te knikken.

'Ik ben het ermee eens,' zei Sabia met een stem die door de sjaal werd gesmoord. 'We moeten het doorzetten. Omwille van ons volk.'

'De drakenslangen zullen misschien hun deel van de overeenkomst nako­men, wat?' Haplo keek hen met valse opgewektheid aan. 'En hoe zit dat met jullie. Hoe zit het met jullie deel van de afspraak. Veronderstel eens dat die beesten, hoe onwaarschijnlijk ook, eerlijk en oprecht zijn, hoe denken jullie dan dat ze zullen reageren wanneer ze tot de ontdekking komen dat ze zijn bedrogen?'

Haplo stak zijn hand uit, kreeg Sabia's sluier te pakken en rukte die weg.

Sabia graaide tevergeefs naar de sjaal. Toen dat mislukte, wendde ze haar gezicht af en liet haar hoofd zakken. 'Hé zeg, wat doet u nou sir.'

Ze klemde haar knieën tegen elkaar en kruiste haar enkels. Te laat.

'Drie koninklijke dochters.' Haplo trok een wenkbrauw op. 'Wat waren jullie van plan de drakenslangen te vertellen? Dat elfenmeisjes allemaal klinken alsof ze een brok in de keel hebben? Dat alle elfenmeisjes krach­tige jukbeenderen hebben en goed ontwikkelde, gespierde schouders? Dat dat de reden is waarom hun borst plat is? Om het nog maar niet te hebben over andere attributen waarmee elfenmeisjes meestal zijn uitge­rust.' Haplo liet zijn blik veelbetekenend naar het kruis van de elf glijden. Sabia kleurde zo diep alsof hij écht een meisje was. Hij wierp een steelse blik op Alake die hem verstomd aankeek, daarna keek hij naar Grundle die zuchtte en haar hoofd schudde.

De jonge elf stond op en keek Haplo uitdagend aan.

'U hebt gelijk sir. Ik wilde alleen maar het meisje redden van wie ik hou en met wie ik zou gaan trouwen. Het is nooit bij me opgekomen dat dat bedrog de drakenslangen de kans zou geven om te zeggen dat wij hun ver­trouwen hadden beschaamd.'

'Daar hebben we nooit aan gedacht!' Alake klemde haar handen in el­kaar, haar vingers bewogen zenuwachtig. 'De drakenslangen zullen woe­dend zijn...'

'Misschien doet het er niet toe.'

Dat was de dwerg, Grundle, die opnieuw moeilijkheden veroorzaakte. Haplo had haar met liefde willen wurgen.

'Devon is weliswaar geen prinses, maar wel een prins. Zolang de draken­slangen drie mensen uit koninklijke families hebben, wat doet het er dan toe of we vrouwen of mannen zijn?'

'Ze zeiden drie dochters,' murmelde Alake, met een aandoenlijke hoop­volle blik. 'Maar misschien heeft Grundle gelijk...'

Haplo besloot dat het tijd was om dit voor eens en voor altijd de kop in te drukken. 'Heb je er ooit aan gedacht dat de draken jullie misschien niet willen doden? Ze kunnen wel andere plannen met jullie hebben, plannen waarvoor vrouwen nodig zijn. Voortplanting, bijvoorbeeld.'

Alake kreunde en bedekte haar mond met haar handen. De elf legde troostend zijn arm om haar heen en zei zachtjes iets tegen haar. Grundle werd zo bleek als de nootbruine huid van de dwerg toeliet. Ze zakte neer op een kruk en keek ongelukkig naar het dek onder haar voeten.

Het was mijn bedoeling hen bang te maken. Dat is me gelukt en dat is al­les wat er toe doet, dacht Haplo kil. Nu zullen ze aan mijn kant staan. Geen tegenwerpingen meer. Ik neem het schip over, zet deze drie mensch ergens af en ga me met mijn eigen zaken bezighouden.

'Wat wilt u dat we doen, sir?' vroeg de elf.

'Om te beginnen, hoe heet je werkelijk?' grauwde Haplo.

'Devon van het Huis van...'

'Devon is genoeg. Wat of wie bestuurt dit schip? Jullie niet, neem ik aan. Wie is er verder aan boord?'

'Dat... dat weten we niet sir,' zei Devon hulpeloos. 'We nemen aan dat het de drakenslangen zijn. Hun magie...'

'Heb je niet geprobeerd van koers te veranderen. Het schip stil te leg­gen?'

'We kunnen zelfs niet in de buurt van de stuurhut komen. Er is daar iets afschuwelijks.'

'Wat dan. Kun je het zien?'

'Nee,' gaf Devon beschaamd toe. 'We... konden niet dicht genoeg in de buurt komen om iets te zien.'

'Het is een vreselijk gevoel, dat kan je wel zeggen!' verklaarde Grundle gemelijk en opstandig. 'Alsof je tegen de dood op loopt.'

'En dat is precies wat jullie nu aan het doen zijn,' zei Haplo bijtend.

De drie keken elkaar aan en lieten hun hoofden zakken. Kinderen, ver­dwaald en eenzaam, in het aanzicht van een vreselijk lot. Haplo had spijt van zijn brute antwoord.

Je moet ze niet te bang maken, vermaande hij zich. Je hebt hun hulp nog nodig.

'Het spijt me dat ik jullie van streek maakte,' verontschuldigde hij zich brommerig. 'Maar we hebben in mijn wereld een gezegde: "De draak lijkt altijd kleiner in het oog dan in het hoofd".'

'Wat wil zeggen dat het beter is om de waarheid te kennen,' zei Alake terwijl ze haar tranen wegveegde. 'Je hebt gelijk. Ik ben nu lang niet zo bang meer als eerst. Hoewel, wanneer wat je zegt, waar is, zou ik banger moeten zijn.'

'Het is net als met het trekken van een tand,' zei Grundle. 'Je lijdt meer door eraan te denken dan door de handeling zelf.' Ze knipoogde met een helder oogje naar Haplo. 'Voor een mens ben je... aardig bij de tijd. Waar zei je dat je vandaan kwam?'

Haplo keek de dwerg scherp aan. Een sluwe doordenkster, dat meisje. Hij zou haar in het oog moeten houden. Nu echter, op dit moment, kon hij geen tijd verspillen om speldenprikken af te weren.

'Je zou je minder druk moeten maken over de vraag waar ik ben geweest dan waar jullie naar toe gaan, tenzij we kans zien dit schip om te keren. Waar ligt de stuurhut van hieruit gezien?'

'Maar hoe denk je dat te doen,' vroeg Alake hem terwijl ze dichterbij kwam. Wanneer ze hem aankeek, waren haar ogen warm en zacht. 'Er zijn duidelijk magische krachten aan het werk.'

'Ik weet zelf wel iets van magie af,' zei Haplo.

Gewoonlijk gaf hij er de voorkeur aan die kennis voor zich te houden maar in dit geval zou de mensch zien hoe hij van zijn magie gebruik maakte. Het was beter om ze erop voor te bereiden.

'Is dat zo?' Alake haalde diep adem. 'Ik ook. Ik ben tot het Derde Huis toegelaten. In welk Huis zit jij?'

Haplo herinnerde zich het weinige dat hij wist van het elementaire talentvan de mens voor het geheimzinnige, herinnerde zich dat ze niets liever deden dan zelfs de simpelste magische betoveringen in sluiers van ge­heimzinnigheid te hullen.

'Wanneer je zo hoog geklommen bent, moet je weten dat ik daarover niet mag spreken,' zei hij.

Zijn lichte vermaning deed hem geen kwaad in de ogen van het mensen­meisje. Afgaande op haar stralende ogen was haar bewondering voor hem alleen groter geworden.

'Neem me niet kwalijk,' zei ze meteen, 'het was mijn fout om dat te vra­gen. We zullen je de weg wijzen.'

De dwerg wierp hem opnieuw een schrandere blik toe en trok aan haar bakkebaarden.

Alake leidde hem door de korte, nauwe gangen van het schip. Grundle en Devon volgden, waarbij de dwerg hem op de verschillende mechani­sche instrumenten attent maakte die het schip, dat zij een 'dompelaar' noemde, aandreven. Haplo, die uit de patrijspoorten keek, kon niets zien dan water dat boven, beneden en om hen heen door zacht blauw­groen licht verlicht werd.

Hij begon te vermoeden dat die zogenaamde wereld van water in werke­lijkheid uit niets dan water bestond. Er moest ergens land zijn. Het was duidelijk dat een volk dat boten bouwde om de zeeën te bevaren, die zeeën niet als vissen bewoonde. Hij was intens nieuwsgierig wat meer aan de weet te komen over de zeemanen die de dwerg had vermeld en moest proberen dat op zo'n manier te doen dat de mensch niet aan het denken zouden worden gezet. Hij moest ook wat meer aan de weet ko­men over het zeewater zelf. Of zijn steeds sterker wordende achterdocht daaromtrent gerechtvaardigd was.

Grundle en Devon legden om beurten uit hoe de dompelaar werkte. Ge­bouwd door de dwergen en aangedreven door een combinatie van de mechanische vindingrijkheid van de dwergen en de magische mechaniek van de elfen.

Voor zover Haplo het uit de af en toe wat verwarde uitleg van de dwerg kon halen, leek het erop dat het moeilijkste punt in het zinken (varen) van een schip erin lag, het los te maken van de invloed van de zeemanen. Dankzij het wegduwen (niet aantrekken) door de zwaartekracht van de zeemanen hadden de met lucht gevulde dompelaars natuurlijk een min­der grote massa dan het water om hen heen en dreven daardoor naar de werelden toe alsof ze aan een touwtje werden voortgetrokken. Om de dompelaar te laten zinken, was het nodig de massa van het schip te ver­groten zonder het vol water te laten lopen.

Dat, legde Devon uit, was het punt waarop de elfenmagie eraan te pas kwam. Speciale magische kristallen, vervaardigd door de elfentove­naars, konden hun eigen massa naar willekeur vergroten of verminde­ren. Deze kristallen, die massaverplaatsers werden genoemd, losten infeite twee problemen voor vaartuigen op. Ten eerste konden de schepen, door de massa in de kiel te vergroten, in de zee afzinken omdat hun mas­sa groter werd dan die van het omringende water. Ten tweede konden de massaverplaatsers, wanneer het schip wegzonk uit de invloed van de naar buiten drukkende zwaartekracht van de werelden, voor de opva­renden van de dompelaars een kunstmatige zwaartekracht produceren.

Haplo begreep het concept maar vaag en begreep helemaal niets van de 'naar buiten drukkende zwaartekracht' en 'massaverplaatsers'. Alles wat hij ervan begreep, was dat ze magisch waren.

'Maar,' zei Haplo terloops terwijl het leek alsof hij enorm gefascineerd werd door een verward zootje touwen, katrollen en tuigage, 'ik dacht dat magie in het zeewater niet werkte.'

Alake keek hem even verrast aan en begon dan te lachen. 'Natuurlijk wel. Je probeert me uit. Ik zou je het juiste antwoord wel geven, maar niet in het bijzijn van oningewijden.' Ze knikte naar Grundle en Devon.

'Huh!' gromde de dwerg, niet onder de indruk. 'Deze kant op naar de stuurhut.' Ze begon een ladder op te klimmen die naar het bovenste dek voerde. Devon en Alake gingen achter haar aan.

Haplo volgde haar en zei niets meer. De verbaasde uitdrukking op Alake's gezicht was hem niet ontgaan. Naar het zich liet aanzien, werkte de magie van mensen en elfen wel in de zee. En omdat iets het schip be­stuurde, werkte drakenmagie ook in het zeewater. Het zeewater, dat Haplo's zo gezegde magie had weggespoeld. Of toch niet? Misschien had hij minder weerstand gehad door zijn tocht door de Poort des Doods. Mis­schien...

Haplo's overpeinzingen werden doorbroken door een tintelend gevoel in zijn huid. Het was heel licht, nauwelijks te voelen, alsof de zijden dra­den van spinnenwebben over zijn huid veegden. Hij herkende het en wen­ste dat hij eraan had gedacht een deken om zich heen te slaan. Een snelle blik bevestigde zijn bange vermoedens. De tekens op zijn huid begonnen te gloeien, een teken van gevaar. Het licht was zwak, flauw als de runen zelf, maar zijn magie waarschuwde hem naar vermogen.

De mensch klommen over de bovenkant maar gingen niet verder. Devons lippen waren samengeknepen. Grundle slaakte plotseling een luid, nerveus 'ahem!' dat hen allemaal deed opschrikken. Alake begon in zichzelf te fluisteren, waarschijnlijk een of andere formule.

Het tintelen op Haplo's armen maakte hem bijna gek, alsof de pootjes van myriaden spinnen over hem heen kropen. Zijn lichaam bereidde zich instinctief voor op gevaar. De adrenaline stroomde, zijn mond werd droog, de spieren van zijn maag trokken zich samen. Hij was gespan­nen, doorzocht iedere schaduw, vervloekte het flauwe licht van de te­kens, vervloekte het feit dat hij zo zwak was.

De dwerg hief een bibberige hand op en wees voor zich uit, naar een ver­duisterde doorgang die aan het eind van de gang lag.

'Daar... daar is de stuurhut.'

Angst stroomde als een donkere rivier vanuit die doorgang op hen toe en dreigde hen in de verstikkende vloedgolf te verdrinken. De mensch kro­pen bij elkaar en keken vol afschuw maar geboeid naar het einde van de gang. Niemand had tot nu toe de veranderingen bij hemzelf opgemerkt.

Alake huiverde. Grundle hijgde als een hond. Devon leunde slap tegen de schotten. Het was duidelijk dat de mensch niet verder konden gaan. Haplo was er niet zeker van dat hij het wel kon.

Het zweet droop langs zijn gezicht. Hij had moeite met ademhalen. En nog steeds was er geen teken van leven! Maar hij wist nu waar de angst gehuisvest was en hij liep er recht op af. Hij had nog nooit een dergelijke angst ervaren, zelfs niet in de afgrijselijkste grot in het Labyrint. Alle ve­zels van zijn wezen drongen erop aan weg te rennen, zo snel hij kon. Hij moest alles op alles zetten om door te blijven lopen.

En plotseling kon hij dat niet meer. Hij kwam tot stilstand, vlak bij de mensch. Grundle keek naar hem om. Haar ogen vlogen open en ze liet een krijsende kreet ontsnappen. Alake en Devon beefden en draaiden zich om om naar hem te kijken.

Haplo zag zich gereflecteerd in drie paar ontzette, angstige ogen, zag zijn lichaam dat glansde door het flauwe, iriserende licht, zag zijn ge­zicht, uitgeput en weggetrokken, glimmend van het zweet.

'Wat ligt daar voor ons?' zei hij, wijzend. 'Wat is daar achter die deur?' Het kostte hem drie diepe ademteugen om de woorden uit zijn ver­krampte borst te krijgen.

'Wat is er met jouw huid aan de hand?' riep Grundle schril. 'Je licht op als...'

'Wat is daar binnen?' siste Haplo door op elkaar geklemde tanden en staarde woedend naar de dwerg.

Ze slikte. 'De... de stuurhut. Zie je nou?' voegde ze er met meer moed aan toe, 'ik had gelijk. Net alsof je tegen de dood aan loopt.'

'Ja ja, je had gelijk.' Haplo zette een stap naar voren.

Alake greep zich aan hem vast. 'Wacht! Je kunt daar niet naartoe gaan! Laat ons niet alleen!'

Ze keken hem alle drie aan, smeekten hem woordeloos hen te zeggen dat hij ongelijk had, hen te zeggen dat alles goed zou komen. Maar hij kon het niet. De waarheid, rauw en bitter als een kille wind, blies het flauwe, flakkerende licht van hoop uit.

'Dan gaan we met je mee,' zei Devon, bleek maar vastberaden.

'Nee, dat doe je niet. Jullie blijven hier, jullie alle drie.'

Haplo staarde naar het einde van de gang en keek opnieuw naar zijn ar­men. De gloed van de tekens was flauw, de runen op zijn lichaam ter­nauwernood zichtbaar. Hij vloekte zacht binnensmonds. Een kind in het Labyrint kon zich beter verdedigen dan hij op dit moment.

'Heb je iets van een wapen? Jij, elf? Een zwaard, een mes?'

'N-nee,' stamelde Devon.

'Er was ons gezegd geen wapens mee te nemen,' fluisterde Alake vol angst.

'Ik heb een bijl,' zei Grundle, uitdagend. 'Een strijdbijl.'

Alake keek haar geschokt aan.

'Haal hem op,' beval Haplo en hoopte dat het niet een of ander nietig speeltje was.

De dwerg keek hem lang en aandachtig aan en rende dan weg. Ze kwam puffend terug en droeg, zag Haplo tot zijn opluchting, een stevig, goed geconstrueerd wapen.

'Grundle!' zei Alake afkeurend, 'je weet wat ze ons hebben gezegd.'

'Alsof ik naar een troep slangen zou luisteren!' schold Grundle. 'Is die goed?'

Ze gaf de bijl aan Haplo.

Hij greep hem beet en hief hem omhoog om hem uit te proberen. Jam­mer dat hij geen tijd had er runen op te graveren en het van magische kracht te voorzien. Jammer dat hij de kracht niet had om dat te doen, bracht hij zich treurig in herinnering. Nou ja, het was beter dan niets.

Haplo begon vooruit te sluipen. Bij het horen van voetstappen achter zich draaide hij zich met een ruk om en staarde naar de mensch.

'Jullie blijven daar! Begrepen?'

De drie weifelden, keken elkaar aan en daarna naar Haplo. Devon be­gon zijn hoofd te schudden.

'Verdomme!' vloekte Haplo. 'Wat kunnen drie bange kinderen nou doen om mij te helpen. Je zult me alleen maar voor de voeten lopen. En ga nu achteruit!'

Ze deden wat hij zei, kropen tegen de muren en sloegen hem met wijd­ open, angstige ogen gade. Hij had echter het gevoel dat ze, zo gauw hij zich had omgedraaid, weer achter hem aan zouden kruipen.

'Dan zorgen ze maar voor zichzelf,' sputterde hij.

Met de bijl in de hand begon hij de gang af te lopen.

De tekens op zijn huid jeukten en brandden. Wanhoop omsloot hem, de wanhoop van het Labyrint. Daar sliep je van uitputting, nooit om uit te rusten. Je werd iedere dag wakker in het aangezicht van vrees en pijn en dood.

En woede.

Haplo concentreerde zich op de woede. Woede had de Patrynen in het Labyrint in leven gehouden. Woede had hen voortgedreven. Hij weiger­de zijn lot, als de mensch, gedwee tegemoet te snellen. Hij zou vechten. Hij...

Haplo bereikte de deur die naar de stuurhut leidde, de deur die - gega­randeerd - met de dood dreigde. Hij hield even stil en keek en luisterde. Hij zag niets dan diepe, ondoordringbare duisternis, hoorde niets dan het kloppen van zijn eigen hart, zijn eigen snelle en oppervlakkige ademhaling. Hij had de bijl zo stijf vast dat zijn hand er pijn van deed. Hij ademde diep in, innerlijk voorbereid.

Duisternis sloot zich over hem heen, viel op hem neer als de netten die de kwebbelende apenvangers in het Labyrint gebruikten om de onvoorzichtigen te vangen. De flauwe gloed van zijn tekens verdween. Hij wist van zichzelf dat hij totaal hulpeloos was, volledig aan de genade overgele­verd van wat hier dan ook aanwezig was. Hij stommelde in blinde pa­niek rond en probeerde uit alle macht zich te bevrijden. De bijl gleed uit zijn bezwete hand.

Twee ogen, roodgroene vlammenspleten, openden zich langzaam. De duisternis modelleerde zich rond de ogen en Haplo werd een enorme slangenkop gewaar. Hij werd nog wat anders gewaar: een rimpeling in het duister, de aanzet van twijfel, verbazing.

'Een Patryn?' De stem klonk zacht en slissend.

'Ja,' antwoordde Haplo gespannen en op zijn hoede. 'Ik ben een Pa­tryn. Wat ben jij?'

De ogen sloten zich. De duisternis keerde terug, overweldigend, intens, waakzaam. Haplo stak een rondgraaiende hand uit in de hoop het stuurmechanisme te vinden. Zijn vingers raakten koud, geschubd vlees. Op zijn huid zette zich een kleverige vloeistof af die zijn bloed deed verkillen en zijn huid in brand zette. Zijn maag kwam walgend omhoog. Rillend probeerde hij het slijm aan zijn broek af te vegen.

De ogen openden zich opnieuw, het licht erachter spookachtig. De ogen waren enorm. Het leek erop alsof hij zonder zich te bukken, de zwarte spleten van de pupillen zou kunnen binnenlopen.

'De Koninklijke vraagt mij u welkom te heten en tegen u te zeggen: "De tijd is daar. Uw vijand is ontwaakt."'

'Ik weet niet wat dat zeggen wil, waar je het over hebt,' zei Haplo voor­zichtig. 'Welke vijand?'

'De Koninklijke zal alles uitleggen als u hem met uw aanwezigheid wilt vereren. Het is mij echter toegestaan een woord te zeggen dat uw belang­stelling zou kunnen verhogen. Ik mag zeggen "Samah".'

'Samah!' hijgde Haplo. 'Samah!'

Hij kon zijn oren niet geloven. Het klopte niet. Hij wilde het beest on­dervragen maar plotseling begon zijn hart te bonzen. Het bloed vloog naar zijn hoofd en zijn hersens werden door vuur verteerd. Hij zette een stap, wankelde, sloeg voorover op zijn gezicht en bleef stil en onbeweeg­lijk liggen.

De groenrode ogen glinsterden en sloten zich langzaam.

 

1 Betrekking hebbend op Vuurzee, deel 3 van de cyclus De Poort des Doods