1762

Memoires van Madeleine Lijnslager, geboren van der Bom; vertaald uit het Frans.

Thans, nu het bladgoud van de bomen stuift en door de tuin waait, opgejaagd door de herfstwind, en nu het hele huis om mij heen schijnt stil te worden, in zichzelf gerold als een beddesok, voel ik behoefte de ruimte te bevolken met gestalten van vroeger dagen. Sommige daarvan staan op de achtergrond van mijn jeugd geprojecteerd als reuzengrote wazige figuren door de lanterna magica van de herinnering. Ik wil proberen ze naar voren te halen en scherper te omlijnen, zodat ik hen als mensen kan herkennen. In de eerste plaats de mensen die me hebben opgevoed.

Zij waren niet mijn ouders. Ik kwam als wees ter wereld. Mijn moeder stierf vlak voor mijn geboorte. Ik ken haar niet dan van een klein portretje op een gepolijste schelp die gemonteerd is op een gouden voetstuk. De schilder was Jan Lamsvelt, een leerling van Romein de Hooghe, die zich anders meestal slechts bezig hield met het vervaardigen van strenge etsen. Hij maakte deze beeltenis in deze vorm op speciaal verzoek van mijn grootvader, die een barokke smaak had, en genoeg geld om eraan te voldoen. Hij heeft niet lang plezier van dit buitenissige kunstvoorwerp gehad, want kort na de ontvangst ervan vertrok hij naar Java en keerde niet levend terug.

De schilder moet mijn moeder zeer bewonderd hebben, of anders was hij een leugenaar met het penseel. Haar haar was kastanjekleurig, haar ogen waren lichter dan haar huid, wat hun een ongewone glans moet hebben verleend, en ze toont vanaf het verleidelijk-glanzende parelmoer een glimlachje dat fascineert zonder coquet te zijn; eerder uitdagend. Ze was vijfentwintig toen ze er zo uitzag, en de moeder van mijn broer, die veel ouder is dan ik. Dit beeld beschouwend voel ik soms spijt dat ik niet op haar lijk; hoewel gelukkig menig man me in de loop van mijn leven heeft verzekerd dat ik geen reden had voor afgunst. Zowel zijzelf als mijn vader droegen van geboorte de achternaam van der Bom. Dit feit geeft hun huwelijk een pikant bloedschennig tintje. Het schijnt dat hun wederzijdse ouders zich over hun vrij nabije verwantschap niet druk hebben gemaakt. Dit is te merkwaardiger daar mijn grootpapa van vaderszijde bekend stond als een zeer rechtzinnig man.

Mijn vader kwam kort voor mijn geboorte om door een storm op zee, zoals zoveel mannen van mijn familie. Ook mijn grootvader van moederszijde, Jacob de Indischman, trof dit lot. Hij kreeg een zeemansgraf ter hoogte van de Kaap, nadat hij verpletterd was onder een afgeknapte mast. Mijn vader werd, na een storm waarin zijn schip was gezonken, aangetroffen op een vlot, met enkele overlevenden. Hij werd begraven op het eiland Ceylon, een van onze koloniën. De overlevenden werden daar later terechtgesteld, beschuldigd van kannibalisme. Het is mij niet bekend of ze van mijn vader een stukje hadden geconsumeerd of niet.

Dit alles heb ik vernomen van mijn pleegouders, het echtpaar Persijn, die verwant waren aan een van de huidige burgemeesters van de stad, en ook aan een huishoudster van die naam die lange jaren mijn moeder had gediend, maar zich na dier dood terugtrok op een hofje.

Mijn pleegouders zijn sinds lang ter ziele. Ze waren kinderloos en hebben al wat ze te geven hadden aan ouderlijke toewijding aan mij besteed ... haast zou ik zeggen verspild. De uitkomst van hun pogingen om een deugdzame Amsterdamse joffer van mij te maken zou hen hebben teleurgesteld. Het is goed dat ze deze teleurstelling niet hebben beleefd, want ze waren rechtschapen lieden die een beter lot verdienden. Hoewel ik dat nu duidelijk inzie, herinner ik me hen als grote zwarte vleermuizen met voelsprieten, die me voortdurend onder ijl geroep om het hoofd fladderden en probeerden te voorkomen dat ik mij bewoog zoals mijn aard en mijn bloed mij ingaven. Ook ik fladderde, maar meer op de manier van een vlinder. Deze dichterlijke vergelijking is niet van mij afkomstig, maar van mijn zeven jaar jongere neef, die tante tegen mij moest zeggen maar me altijd bij mijn voornaam heeft genoemd.

Laat ik hier terugkeren naar mijn uitgangspunt en de schaduwen die mijn pleegouders wierpen nader definiëren. Ze vestigden zich aan de Kloveniersburgwal zodra mijn moeder overleden was, hiertoe gemachtigd door het huiszitteninstituut dat toezicht houdt op verweesde kinderen. De huiszittenmeesters oordeelden terecht dat het niet nodig was me uit te besteden, zoals met armlastigen geschiedt. Mijn moeder was gefortuneerd, en mijn broeder en ik waren haar erfgenamen. Ook had zij een legaat nagelaten aan vrouw Persijn, de oude huishoudster, die zich daarover niet verheugen kon, zo zeer was ze uit het lood geslagen van ellende. Want ze was zeer aan mijn moeder verknocht geweest.

Het echtpaar Persijn, dat haar taak overnam, had het om den brode niet hoeven te doen. Johannes Persijn werkte op een werf aan de Kromboomsloot en leidde een sober, maar bevredigend burgerbestaan. Nochtans zouden ze zich een huis aan de Kloveniersburgwal nooit hebben kunnen veroorloven, en zijn vrouw was voor de voordelen, daaraan verbonden, geenszins blind. Haar man echter ging voort, de houtvoorraad van de scheepswerf te administreren als tevoren, ’s Morgens placht hij zich in alle vroegte op pad te begeven, zomer en winter gekleed in dezelfde wijde zwarte mantel en pofbroek. Zijn vrouw was gewend geweest, haar kinderloos huishouden in haar eentje te bestieren, naar de markt te gaan en luidkeels af te dingen op de geringste zaken, en zich te kleden zoals het haar het best gelegen kwam. Met dit laatste ging zij door. Ze droeg een overkleed van zwart saai, met daarop, als het koud was, een los-geregen koningsblauw jak. Haar muts was altijd hagelwit en stond stijf af van haar strak-weggetrokken voorhoofdsharen. Ze waste haar muts elke dag, haar onderkleed twee- en haar bovenkleed eenmaal per jaar, en haar haren nooit. Ze placht zich dan ook ongerust te maken over het gebruik van zo uitzinnig veel water voor iets anders dan de vloer, toen ik er een gewoonte van begon te maken, elke keer als het regende mijn haar te spoelen en te parfumeren. Het grachtwater was me te vuil en dat uit het Spaarne of de Vecht, dat onder zegel werd verkocht in kruiken voor wie water wenste te drinken, ook nog maar twijfelachtig. We dronken bovendien nooit water, dus hadden het niet in huis. De huidige watervoorziening van de stad is beter, maar hoe men de grachten heeft kunnen reinigen is me niet geheel duidelijk. Het water stroomt er hard door sedert het nieuwe kanaal geopend is, maar de bezonken modder ligt toch nog op de bodem? In mijn prille jeugd had ik er zelfs bezwaar tegen, mijn handen te wassen, met wat er uit de pomp kwam. Vrouw Persijn kende dit bezwaar niet. Maar haar handwassingen hielden op bij de pols, en als ze haar mouwen opstroopte was dat duidelijk te zien. Ik kon het effect niet bewonderen. Er bestaat toch geen blanketsel voor niets? Ook bleef ze te allen tijde naar uien en azijn rieken, hoewel parfums in Amsterdam even goed te koop zijn als in Parijs.

Ik schrijf het toe aan die luchtjes, en aan Persijns zwarte fladderjas, dat hun herinneringsbeeld zo vleermuisachtig in mij achterbleef toen het gordijn der eeuwigheid zich achter hun rug had gesloten. In andere opzichten dan deze spande vrouw Persijn zich wel degelijk in, zich aan haar nieuwe status van stadsbewoonster aan te passen. Ze leerde de kunst aan, visite te ontvangen op de juiste manier, de dienstmaagd boodschappen op te dragen in plaats van er zelf om te lopen, voldoende Frans door het Hollands te mengen om een geciviliseerde indruk te maken, en thee te schenken voor, tussen en na de maaltijden in plaats van het eeuwige Hollandse bier. Ze liet na, een borstrok van haar man te verstellen als mijn familieleden hun opwachting kwamen maken, maar borduurde liever een speldenkussen en petit point. Ze legde niet meer aan tafel haarfijn uit wat ze in de worst had gestopt als er mensen te eten kwamen. Maar ze bleef wel zelf worst stoppen, en goed ook. De kokkin kon haar wel doodkijken omdat mevrouw beter kon koken dan zij.

Mij onderwees vrouw Persijn in de zedelijkheid (lezen en schrijven werden me bijgebracht door een gouvernante, drie maal in de week). Mijn pleegmoeders opvattingen omtrent goede zeden waren eenvoudig en duidelijk. Ze hielden in dat een veile deerne haar lichaam goedkoop aan een man gunt, of zelfs om niet; en bovendien tijdelijk. Maar een fatsoenlijke vrouw deed het voor eens en altijd en tegen levenslang onderhoud, wat een knappe prijs was. Toen ik voldoende was gevorderd in de kunst van rekenen, wierp ik haar tegen dat er op het laatste stuk niet zozeer sprake was van goede zeden als wel van geld tellen. Maar ze hield vol dat het zo hoorde en dat de dominee er ook zo over dacht. Want anders, zei ze, komt men er als vrouw bekaaid af. Niet alleen nu, maar ook in het Hiernamaals. Dit argument verplaatste de nuchtere berekening naar het terrein van de Hemel, wat het me als kind geheel onmogelijk maakte er iets tegenin te brengen.

Over het onderwerp Zedelijkheid heb ik twee jaren geleden een aardige discussie gehad met Petrus Camper, hoogleraar in de geneeskunde aan de Universiteit. Hij is ook afgestudeerd (te Leiden) in de Filosofie, en een even gezellig als erudiet man. Hij was, met mij, van mening dat vrouw Persijns zedeleer er in het geheel geen was, maar slechts een stel gedragsregels, door traditie en praktische noodzaak in stand gehouden.

“Toch,” zei ik hem, “beschrijven deze regels de zeden die gelden voor Amsterdam, en de redenen voor de instandhouding zijn over het geheel dwingend. Hoe moet men ze dan noemen?”

“Er bestaat maar één waarachtige zedenleer,” zei Camper, “die voor alle mensen en alle tijden geldt en die niet altijd praktisch nuttig is, maar wel juist, zoals iedereen in de grond van zijn hart heel goed weet.”

“Dat is zo,” zei ik, “maar er zou óf voor de ene óf voor de andere zedeleer een nieuw woord moeten worden uitgevonden, want ze zijn wel degelijk allebei nodig, maar als men ze door elkaar haalt ontstaat er misverstand. De soort van mijn pleegmoeder Persijn is maatschappelijk beschouwd nodig, en die waarop u doelt, mijnheer, is voor privé gebruik.”

Petrus Camper lag, toen ik dit zei, juist geknield naast mijn rustbed in de salon. Niet uit aanhankelijkheid, maar om zijn oor op mijn borstkas te leggen. Ik had namelijk nu en dan last van hartkloppingen, wat hem als arts tot deze logische maatregel bracht. Hij riep verheugd uit dat ik daar een waar woord sprak, want niets was belangrijker dan scherp definiëren wat men met een uitdrukking bedoelt. Temeer, in dit geval, daar deze twee vormen van wat men gelijkelijk zedelijkheid noemt, tot zo uiteenlopende daden voerden. Daardoor kon zich misverstand ontwikkelen niet alleen tussen twee mensen, maar ook binnen het gemoed van een enkel mens, die in een gewetensconflict zou kunnen raken zonder eruit te kunnen komen. “Wat uw eigen gemoed betreft,” besloot hij, “daarin woont een hart dat niet alleen door spirituele vragen, maar ook door lijfelijke druk beheerst wordt. Vandaar waarschijnlijk de hartkloppingen. U rijgt zich te stijf in. Draag uw kleding wat losser.”

“Maar ik heb er soms ’s nachts ook last van, als alles al los zit,” zei ik.

“Dan houdt u zich misschien op óf met verontrustende gedachten of met opwindende bezigheden,” opperde Petrus Camper. Hierin had hij natuurlijk gelijk. Hij hielp me met het loshaken van mijn keurslijf en schudde afkeurend het hoofd over de vaste greep die het corset eronder had op mijn ribbekas, zodat mijn boezem erbovenuit puilde.

In dit stadium verkeerde het medisch onderzoek toen Enrico Faragleone de salon betrad. Hij trok natuurlijk geheel verkeerde conclusies, wat ik hem op zichzelf niet kwalijk nam. In plaats van echter, zoals een waarlijk welopgevoed man gedaan zou hebben, achteloos uit het raam te kijken of het vuur op te poken, tot ik tijd had gehad mezelf presentabel te maken en de heer Camper om te gaan zitten, zette hij een keel op, daarmee het risico scheppend dat het personeel zou komen toesnellen. Vervolgens gaf hij de arme Petrus een oorvijg en daagde hem uit tot een duel op leven of dood.

Camper antwoordde: “Mijnheer: ik ben arts en mijn eed gebiedt me ieder menselijk leven als heilig te beschouwen, zelfs het mijne.”

Ik ontdekte bij deze gelegenheid dat de dokter vloeiend Italiaans sprak; in feite beter dan ik. Ik beval Enrico, onmiddellijk de kamer te verlaten en zich de hele dag niet meer te vertonen. Hij sloeg om als een blad aan een boom en begon met tranende ogen de tederste gevoelens te belijden. “Zwijg,” riep ik, “je dégouteert me.” Hij droop af. Zodra de deur dicht was kreeg ik natuurlijk een lachbui. De dokter vroeg of deze heer soms een medeoorzaak was van mijn hartkloppingen.

“Och,” zei ik, “misschien zoals hardlopen het zou kunnen zijn. Opwindend is hij niet, hoewel hij deel uitmaakt van het gevolg van de heer de Seignal uit Venetië, de man met de Grote Reputatie.”

“Casanova?” vroeg Petrus Camper belangstellend. “Hebt u hem ontmoet?”

“Slechts zeer vluchtig. Hij is me niet persoonlijk voorgesteld. Daar bofte ik bij, want ik heb hem vanachter mijn waaier op mijn gemak kunnen observeren zonder in een gesprek betrokken te raken. Dat zou me misschien teveel hebben afgeleid van de hoofdzaak, namelijk van de Seigneur zelf.”

“Wat was uw indruk van hem?”

“Hij heeft esprit, manieren, en een schitterende zelfverzekerdheid. Hij is niet bijzonder mooi. Voor het benaderen van de vrouwelijke prooi van de avond past hij een techniek toe die even simpel als doeltreffend is. Zodra hij een dame heeft uitgezocht die hem aanstaat, breekt hij zijn discours met iemand anders midden in een zin af, kijkt het slachtoffer een ogenblik als door de bliksem getroffen aan, slaat de ogen neer en wendt zich een weinig terzijde. Daarna vestigt hij uit allerlei verre hoeken van de zaal, waar hij onder de hand verstandig staat te keuvelen, telkens een ernstige blik op haar, een signaal uitzendend dat niet duidelijker zou kunnen zijn als hij door een toeter riep: ik heb je opgemerkt, en ik lig plat! Iemand als jij bent heb ik nog nooit ontmoet! Het vrouwtje raakt in een toestand van verrukte consternatie en, als hij na een uur met kijken ophoudt, in diepe wanhoop. Als hij later de aanval hervat, is ze rijp voor de pluk. Voelt u soms behoefte, mijnheer, zijn reputatie te evenaren, dan zal het u met deze methode moeiteloos lukken. Waarschijnlijk zou ik er zelf voor gevallen zijn als ik het argeloze slachtoffer was geweest. Nu ben ik niet langer argeloos, dus hij zou kansloos zijn. Ik zou alleen maar moeten lachen.

Zijn metgezel Faragleone is een ongecompliceerde pikeur. Ik heb hem hoofdzakelijk in mijn huis toegelaten om mijn Italiaans te verbeteren. Maar het is helaas van nog lagere kwaliteit dan ’s mans manieren. Niet alleen Venetiaans van tongval, wat te verwachten was, maar ook nog doorspekt met Spaanse en Turkse woorden. Het uwe is veel beter. Fiorentino?”

“Bolognese,” zei Camper, bescheiden glimlachend.

“Misschien,” opperde ik, “zou u de taak van il povero Enrico kunnen overnemen.”

Petrus Camper keek me nadenkend aan en antwoordde tenslotte: “Mevrouw, het is maar goed dat ik dit jaar naar Franeker verhuis.”

Daarna permitteerde hij zich (en ik hem) nogal lang te doen over het dichtmaken van mijn keurslijf. Jammer dat hij naar Franeker is gegaan; we scheelden precies het vereiste aantal in jaren. Ik was toen 42 en hij 37. Ik heb altijd een voorkeur gehad voor iets jongere mannen. Ik heb hem later nog eenmaal vluchtig ontmoet, in het gezelschap van zijn collega Hemsterhuis, eveneens een filosoof uit Franeker, en van dezelfde leeftijd. Een allercharmantste man, die bovendien aardige boeken schreef.

Maar ik ben afgedwaald. Het onderwerp was het gedachtenpatroon van vrouw Persijn. Afdwalingen zullen wel altijd een zwak van me blijven.

In het gezelschap van mijn familieleden, de van der Boms, voelde ik mij meer op mijn plaats dan tussen de Persijns. Ze waren van een ander slag. Niet minder stijf, maar wel iets geciviliseerder; een feit dat me gevoelsmatig duidelijk was. Ik begon het verschil te merken tussen omgangsvormen, taalgebruik, tafelmanieren van de eenvoudige en de gegoede burgers, en mijn bereidheid om met vrouw Persijns ellemaat te meten nam daardoor af, jong als ik was.

Ook het personeel droeg tot dit inzicht bij. Ten eerste waren zijzelf in mijn bijzijn onbevangen, geheel zichzelf, en legden daardoor onbedoeld de nadruk op de verschillen tussen meerderen en minderen. Ten tweede vonden ze het niet nodig een blad voor de mond te nemen als ze het over de meesters-in-naam hadden. Ze keken evenmin hoog tegen de Persijns op als ik. Ze hadden daarbij niet de opzet, mij tegen mijn pleegouders in te nemen. De meeste volwassenen onderschatten eenvoudig het vermogen van een kind, woorden te begrijpen zonder ze te kermen; blikken van verstandhouding te interpreteren waarvan ze denken dat de betekenis aan het jeugdig begrip ontsnapt. Zelf heb ik geen kinderen, maar had ik ze wel gehad, dan zou ik deze vergissing niet begaan hebben. Misschien wel andere. Of ik tegen mijn kinderen zo gesloten als een kaatsbal zou zijn geweest, dan wel zo open als de zee, dat weet ik niet. Er zijn zaken die men, hoeveel men er ook over droomt, denkt of leest, alleen kan leren kennen uit ervaring. De liefde is een van deze zaken; het moederschap ongetwijfeld nog zo een.

Mijn brave pleegouders (want braaf waren ze, ondanks hun beperkingen) ontvielen me toen ik zestien was. Tegen die tijd had het bataljon der van der Boms me reeds geheel ingelijfd. Mogelijk had mijn oudtante Eva er zelfs spijt van dat ze me niet zelf had geadopteerd indertijd, ondanks haar hoge leeftijd. Nu wachtte ze alleen tot ze zeker wist dat ik niet de pest had. Want een vreemde ziekte had mijn beide Persijns weggerukt, kort na elkaar. De diagnose werd gesteld door een arts die zijn handen niet aan hen durfde vuil te maken en de hele tijd met een stuk zwavel de lucht onder zijn neus trachtte te zuiveren. Hij begon dit vreemde gedrag te vertonen vanaf het ogenblik dat de kamenier hem had verteld dat de patiënten vreselijk gebraakt hadden en beddepannen volgespoten met waterige vloeistof. Dat ze koorts hadden was duidelijk. Dat er in de haven een schip lag met een bemanning die door een soortgelijke ziekte was aangetast, wisten ze. Dat het de pest was stond niet vast, maar natuurlijk vreesde de vroedschap die ziekte, die in geen tientallen jaren zich in Amsterdam had voorgedaan. De dokter die ons gestuurd werd was bang bij voorbaat. Zodra hij de kamenier had aangehoord spoedde hij zich het huis uit en de vroedschap stuurde ons nog dezelfde dag het bericht dat niemand van de inwonenden van het huis zich erbuiten mocht wagen gedurende drie weken, op straffe van verbanning naar het Pesthuis buiten de muren. Dit had in minstens een halve eeuw deze ziekte niet in huis gehad. Het herbergde hoofdzakelijk gekken, daar het Dolhuis aan de Kloveniersburgwal, niet zover van mijn woning, veel te klein geworden was.

Het personeel, doodsbang, hokte in de keuken samen en bad God om genade, niet de onvermurwbare vroedschap. Eetwaren werden door de grutter en de bakker in het achterom voor de deur neergelegd, waarna de boodschappers meteen weer hard wegliepen. Ze weigerden zelfs het geld op te rapen dat op de drempel voor hen was klaargelegd. De kokkin stak haar hoofd uit het raam en riep een wegsnellend melkmeisje na: “De centen liggen er nog!” Maar het kind schreeuwde terug: “Die haal ik later, als je begraven bent!”

Natuurlijk hadden de vroede vaderen gelijk, men kan in zake besmetting niet voorzichtig genoeg zijn. Maar het waren grimmige weken. Twintig dagen zijn een lange tijd als men pas zestien is, als de kistenmaker d’r in d’r uit is geweest met een noodgang en het decent begrafenisceremonieel verdonkeremaand tegelijk met de gevaarlijk-gewaande lijken, zonder een spoor van rouwbeklag. Ik heb geen Latijn geleerd, maar de betekenis van de woorden: “timor mortis conturbat me” is me veel later verklaard door een leraar van het Atheneum die Pieter Burman heette, en Latijn sprak met hetzelfde gemak als Hollands. Deze tekst is er een uit de Latijnse liturgie, en de woorden spreken meer aan in die taal dan in enige andere die ik ken. De vertaling: de vreze des doods benauwt mij, haalt er niet bij. Latijn moet een goede taal zijn om gedachten vorm in te geven. Het heeft de klank van brons. Conturbat is een woord dat verplettert. Timor klinkt schrikwekkender dan vrees. In de zogenaamde pesttijd (het was geen pest!) kende ik deze tekst nog niet of ik zou hem luidkeels door de schoorsteen hebben geroepen. Want in die drie weken waren we met ons vieren in dat huis onmenselijk benauwd. De kokkin, de kamenier, de kleine knecht en ik. Het knechtje was nog de flinkste van ons. Wij anderen vreesden niet alleen de dood, maar ook elkaar. Een van ons zou ziek kunnen blijken en de anderen meeslepen. We meden elkaar. Maar de kleine knecht niet. Hij bracht me ’s morgens mijn chocola, in plaats van de kamermeid, en maakte mijn bed op. Ik hield hem zo lang mogelijk bij me om gezelschap te hebben en leerde hem te dien einde het alfabet, iets wat hij dolgraag wilde. Inderdaad bracht hij het later tot lezen en schrijven, waarbij hij op zijn pen kloof tot ze eruit zag alsof ze van een gans kwam die met veren en al gekookt was. In die latere tijd vertelde hij me dat hij het toenmaals, als de enige man in huis, zijn plicht had gevonden, beheerst en behulpzaam te zijn. Hij was toen 10. Hoe aandoenlijk was zijn ernstig jongensgelaat met de klaarblauwe ogen in een veel te bleek en smal gezicht. Dat ziet er nu beter uit. Hij is rossig van aanschijn van het zitten op de bok. Hij is mijn koetsier, heeft een embonpoint, draagt een pruik en wordt rechtens door zeven kinderen vader genoemd. Het is merkwaardig dat dergelijke feiten aan een ontroerende herinnering de luister ontnemen. Of zou het slechts de rusteloosheid zijn die mij de laatste tijd plaagt, die het me moeilijk maakt vertederd te glimlachen als zulks geboden zou zijn? Ik mis misschien alleen maar mijn Jean-Louis. Maar ik ben te trots, of te ijdel, om hem terug te roepen. Laat hem uit zichzelf komen, met hangende pootjes. Ik kort mij de dagen van afwachting met dit op-schrift-stellen van herinneringen, waarbij ik werkelijk soms het tikken van de klok vergeet. Meermalen begeven de kaarsvlammen het pas tegen het morgenkrieken, en ik moet daarna een gat in de dag slapen om te bekomen van zoveel ongewoon-serieuse arbeid.

Laat mij het oproepen der gestalten van vroeger voortzetten. Tante Eva was dus degene die zich aanmeldde om de taak die de arme oude Persijns hadden neergelegd, over te nemen. Ze had, kort tevoren, haar echtgenoot verloren, mijn oud-oom Reyer. Hij liet zijn financiën achter in een verwarde toestand. Haar jongste zoon, mijn achterneef Hendrik, hield zich bezig met het berekenen van wat er zou overschieten als alle schuldeisers tevreden waren gesteld. Het huis aan de Keizersgracht wilde hij, met al zijn kinderen, waarvan twee gehuwd, zelf betrekken. Dit vooruitzicht lokte oudtante Eva geenszins aan. Ze voorzag terecht dat ze door dit kluwen van van der Boms zou worden omwikkeld op uren die ze placht te reserveren voor dutjes. Mijn huis werd bewoond door mij alleen. Zelfs mijn broer vertoonde er zich nooit, daar hij meestentijds in het Verre Oosten verbleef. Zijn eigen kinderen, twee in getal, had hij bij neef Hendrik ondergebracht. Neef Hendrik was tot hun voogd benoemd, in loco parentis; en hij was ook de mijne. Hij was een neuzig man, al te zeer geneigd tot betuttelen, maar dat zijn oude moeder bij mij in zou trekken vond hij een prachtig plan. Ik zou dan van een goede chaperonne voorzien zijn en zij van een goed onderdak. In recompensatie van wat ze voor mij zou doen, legde hij me uit, zou het me competeren, haar te vertroetelen en een prettige oude dag te bezorgen. Nu, dat heb ik graag gedaan, want wat ze voor me deed was inderdaad onbetaalbaar: ze dutte. Ik kon doen wat ik wilde, ontvangen wie ik wilde, en ze zou er niets tegen inbrengen, want ze sliep. Knikkebollend over haar boekje of haar borduurwerk, tot het tijd was om naar bed te gaan, en dan sliep ze voort in de veren. Ik hielp haar altijd zelf de bedstee in. Die bevond zich in een kamer gelijkvloers, zodat de oude dame niet de trap op hoefde. Maar de bedstee was hoog. Ze moest er wel inklimmen met behulp van een trapje. Elke avond lag het donzen bed in de houten bekisting bedrieglijk-glad opgebold vanaf de rand van de bak; elke avond stapte ze er met het zelfde aplomb op, zakte prompt weg tot ze in een put van beddelinnen stond, en keek beduusd omhoog, met haar smalle hoofdje opzij. “Gunst!” zei ze dan, “nu was ik wéér vergeten dat ik hier op dons slaap! Dat was ik vroeger niet gewend.” Daarna lachten we hartelijk met ons tweeën. Ik amuseerde me oprecht, want dit avondritueel vermaakte me elke keer meer. Het was echter niet de enige reden waarom ik haar graag te bedde hielp. Ten eerste: als ze goed lag en goed was toegedekt, zette ik het trapje weg. Dat gaf me een veilig gevoel, want ze kon er niet meer uit zonder assistentie en zou nooit onverwacht de salon komen binnenwandelen. Ten tweede: het ontkleden van dit broze oude-vrouwen-lichaam, dat vaag naar kamfer en zoethout riekte en droog aanvoelde als een dor blaadje, vervulde mij met vertedering. Ze was een klein, frêle vrouwtje, een geplukte snip gelijk, met ribbetjes die door het hemd heen voelbaar waren. Waarom dit op zichzelf toch weinig aantrekkelijke feit mij ontroerde weet ik niet. De ziel kan wonderlijke afwijkingen tonen op het gebied van liefhebben. Ik geloof dat dergelijke afwijkingen nooit kwaad kunnen doen, daar het immers de aard der liefde is, het voorwerp der aanhankelijkheid wél te doen.

Mijn achterneef Hendrik verzocht ik om een nieuwe gouverneur, opdat ik mij zou kunnen bekwamen in de grammatica van het Frans, en andere talen. Maar hij vond dit een verregaande dwaasheid voor een meisje, en ik moest het stellen met lessen in muziek en schilderen. Aan dergelijke mannenkuren is echter gewoonlijk wel een mouw te passen, wat ik dan ook deed. Bovendien vond ik eerlang een bondgenoot in de oudste zoon van mijn broeder, die, zoals ik reeds eerder opschreef, 7 jaar jonger was dan ik. Mijn broer-zelf kende ik nauwelijks. Toen ik een kind was, studeerde hij te Leiden. Toen de Persijns stierven, was hij reeds gehuwd en weduwnaar tevens. Zijn vrouw beviel namelijk van een tweeling en liet het leven in het kraambed; een lot dat moeders al te vaak treft. Hij nam een min in huis, tot de kinderen groot genoeg waren om te worden uitbesteed bij neef Hendrik. Zelf begon hij een zwervend bestaan te leiden, dat hem behalve naar het Verre Oosten naar meerdere uithoeken van de wereld bracht, zoals bijvoorbeeld Japan. Naar mij keek hij nooit om. Ik heb van neef Hendriks vrouw, Alida, vernomen dat hij zich op een haars inziens onheuse wijze over mij en zelfs zijn eigen kinderen uitliet; hij noemde ons moedermoordenaars. Ik wees er nicht Alida op dat we dat in feite ook waren, al konden we het niet helpen; maar ze bleef er verontwaardigd over. De keren dat ik mijn broer ontmoet heb, maakte hij op mij een sombere indruk, mede misschien doordat hij nogal donkerhuidig was. Ik integendeel ben haast zo blank als afgeroomde melk. Ik was er helemaal niet rouwig om dat hij me bijna nooit kwam opzoeken, want hij lag me niet; maar ik benijdde hem wel zijn vrije leven.

Zijn zoon Jacobus was uiterst leergierig. Door ons verschil in leeftijd was ik hem aanvankelijk natuurlijk ver vooruit in kennis, maar geleidelijk ontwikkelde hij zich tot een peil, zo hoog dat hij me de loef afstak. Natuurlijk genoot hij het voordeel, alle scholing te kunnen krijgen die hij begeerde. Ik had, in deze jaren, mijn eerste amourette, met mijn muziekleraar, een vreselijk verlegen man die om de haverklap bloosde. Hij slaagde er niettemin in, mij mét het notenschrift en het spelen op de dwarsfluit het abc der liefde bij te brengen. Tot de z kwamen we niet in de verste verte toe, daar hij stamde uit dezelfde zedeschool als de Persijns. Wel leerde ik redelijk Frans van hem spreken, want ik had ervoor gezorgd, een Franstalig man toegewezen te krijgen. Om deze taal was het me meer begonnen dan om de dwarsfluit, hoewel het een liefelijk instrument is. Hadden mijn Persijns nog geleefd, dan zou genoemd abc me nog geruime tijd onthouden zijn.

Behalve de mijne waren er ook andere Persijns, die nog tussen de levenden verkeerden, en die zich bewogen op de grenzen van de coterie der vroedschap. Om dat te kunnen doen moesten ze noodzakelijkerwijs hun deugdzaamheid wat versnijden. De Tien Geboden zowel als de duizend ordonnantiën van de stad Amsterdam waren er, voor de hoge heren, om gehoorzaamd te worden door de burgerij, maar niet door de vroedschap. Stelen, bijvoorbeeld, was een hongerlap verboden op straffe van een flinke aframmeling of een extra scherpe honger, geleden in de boeien. Een rijk personage kon het misschien een boete kosten en anders alleen het verlies van zijn winst. Maar een burgervader maakte er zijn dagelijks werk van, ongestraft. Als zulk werk vuile handen veroorzaakte werd er iemand voor gehuurd, die in geval van ontmaskering de volle blaam te dragen kreeg. Het was voor iemand die niet van geboorte een Amsterdams patriciër was even onmogelijk zich een plaats op het gestoelte der ere (lees: rijkdom) te verwerven als voor een waterrat zich behandeld te zien als een schoothondje. Eigenlijk is het ook maar beter zo. Waterratten zijn vrije dieren en zouden er feestelijk voor bedanken, in een salon te moeten opzitten. Maar toch is het feit dat het gesloten bastion der élite van Amsterdam feitelijk een dievenhol is, voor de mensen die dit weten een smet op het blazoen van de stad. Deze smet vormt als het ware een rotte plek, die liefhebbers, als ze er niet te vies van zijn, de enige gelegenheid biedt door te dringen binnen de magische cirkel van het gezag.

Hiermee nu waren deze andere Persijns, vermaagschapt aan de mijne, druk doende. Ze hadden er hierbij weinig aan dat ze een blazoen van zichzelf hadden. Ze waren namelijk, zoals ik van mijn pleegvader had gehoord toen hij nog leefde, oorspronkelijk van oude adel. Maar de laatste Persijn die zijn wapenschild werkelijk gaaf voerde, was in de vorige eeuw gesneuveld tegen de Fransen, zei hij. Dit feit werd me later bevestigd door neef Hendrik. Zijn oudere broeder, Jacob de Indischman, die mijn grootvader was en op Indië voer, heeft in deze oorlog zelf meegestreden en was erbij toen de laatste Persijn sneuvelde, doordat het korveel waarop hij was ingedeeld onder vuur werd genomen door een snauwschip. Er waren nog wel Persijns over, maar die voerden zoveel balken in hun wapen dat er van het oorspronkelijke rood-zwart met de witte kruisen haast niets meer te zien was. Adeldom echter, zuiver bewaard of niet, interesseert de vroedschap geen zier. Integendeel. Adel is gemeenlijk vóór Oranje. De heren zijn uitsluitend vóór Amsterdam, met zichzelf in het midden. Dus mochten de Persijns best gemene burgers zijn.

Dat waren ze dan ook. Ze knabbelden zo gestaag aan de randen van de Rotte Plek dat ze al een eindje onder de korst gezakt waren toen ik leerde fluitspelen. Ze werden bijvoorbeeld bij een schepen uitgenodigd op de thee, doordat ze een havenmeester die lastig dreigde te worden, de mond hadden gesnoerd. Het ging, in deze, om de belangen van Mr. Jan van Loon, die het schepenambt bekleed heeft en later bewindhebber is geworden van de West-Indische Compagnie. De havenmeester in kwestie heette Witse. Persijn werkte bij een reder en was dus bij een havenmeester een heel gewone gast, die over het bedrijf kwam kwebbelen. Hij hoorde zijn gastheer uit onder een borrel en hield ook in het Tol- en het Accijnshuis zijn ogen en oren open. Na een paar weken kon hij de heer van Loon rapporteren dat Witse van een zekere Cloete, kapitein van de brik Amanda, steekpenningen had ontvangen opdat hij het feit zou verzwijgen dat gezegde Cloete fictieve bemanningsleden op zijn betaalrol had staan. Dus werd klein Jantje Witse op de mat geroepen en kon kiezen tussen eruit gesmeten worden of zwijgen over grote Jan van Loon, die heel wat erger dingen op zijn kerfstok had. Natuurlijk zweeg Witse. Hij kwam nooit te weten wie hem verraden had. Wat er met de frauduleuze kapitein gebeurd is weet ik niet. Persijn wist alles van alle betrokkenen af en moest dus te vrind gehouden worden, wat, behalve tot een vererende uitnodiging op een kopje thee, ook leidde tot een volgend goed-betaald karweitje. Zo ging dat.

Natuurlijk hoorde ik dergelijke stichtelijke geschiedenissen niet van mijn stokoude tantetje Eva of van mijn verlegen fluitist. Oom Hendrik echter kwam zijn moeder plichtsgetrouw geregeld opzoeken op zondagmiddag. Hij bracht dan, behalve zijn pijp, ook een of andere mannelijke kennis mee, om tegen te praten. Want dames verveelden hem. De heren rookten en praatten eindeloos over de beurs en de regenten, aan wie oom Hendrik een vreselijke hekel had. Hij was zelf al sedert zijn jeugd Oranjegezind en werd om die reden krachtig geweerd uit zelfs het lagere patriciaat. Hij bracht nu en dan ook zijn neefje Jacobus mee, en toen de jongen en ik elkaar eenmaal hadden leren kennen kwam Jacobus steeds vaker. Hij vroeg me van alles. Hij luisterde, evenals ik, naar het herengesprek en stak van alles op. We speelden onder de hand een partij trictrac, en tante haakte. Het mag een onnozele wijze lijken om school te gaan, maar misschien heb ik er toch meer aan gehad dan aan wat een gouverneur me zou hebben bijgebracht.

Toen ik twintig was, kon ik fluitspelen, Frans spreken en me bewegen op de vereiste wijze, daar neef erin had toegestemd me lessen te doen bezorgen door een dame die op de hoogte was van maintien en étiquette. Hij gaf toe dat lief oud tantetje Eva daar, met haar stokje en haar gebogen ruggetje, niet de ideale figuur voor was. Mijn muziekleraar nam afscheid omdat hij in het huwelijk ging treden te Valenciennes, zijn geboorteplaats. Ik nam, na hem, een Milanees in dienst, een oude man die me het clavecimbel zou leren bespelen; maar mij was het begonnen om het Italiaans. De kladschilder die me voortdurend confronteerde met de noodzaak naar een vaas met bloemen te staren dan wel een stilleven te componeren van een stinkende vis en een halfgeschilde citroen, had ik zo spoedig mogelijk uit de entourage verwijderd. In deze richting ging mijn belangstelling in het geheel niet. Wel in die van het hanteren van andere verven. Ik had ontdekt hoe men zich blanket, rouge opbrengt en mouches plakt. Mijn kamenier gaf me in deze het voorbeeld. Ik merkte op hoe ze eruitzag als ze zich had mooigemaakt voor de langsflanerende heren op straat. Ze schudde haar plumeau los uit mijn slaapkamerraam om zich te vertonen, en werd zeer terecht opgemerkt. Daarna maakte ze wel eens afspraakjes bij de dienstingang van het achterom. Ik vond het begrijpelijk en zei er niets over tegen tante Eva.

Ze was me daarom goedgezind en hielp me hoe langer hoe vaker met toiletmaken, waarin ze zeer handig was. Ook bracht ze haar moeder mee, die naaister van beroep was. Ze maakte japonnen voor haar dochter en later ook voor mij. De mijne waren van betere stof, maar die van haar dochter veel opwindender van snit. Deze naaister had een zeer liberale aard. Ze was dan ook vóór haar huwelijk toneelspeelster geweest, en de maitresse van een naar haar zeggen Hooggeplaatst Diplomaat, waarover ze slechts fluisterend sprak zonder ooit zijn naam te noemen.

Het zou me te ver voeren, alle anekdotes te noteren die ze me in de loop der jaren vertelde, maar een ervan moet ik toch opschrijven, omdat ik haar zo aardig vond. Deze betrof een man die kapper was, en een vrouw had die werkelijk engelachtig-naïeve moet zijn geweest. De man was van middelbare leeftijd en een conscientieus burger, zodat zijn geweten hem plaagde toen hij op zekere dag ertoe overging een maintenée te installeren, in een logement dat tegen dergelijke dames geen bezwaar maakte. Het herbergde ook reizende toneelgezelschappen, waardoor mijn zegsvrouw het etablissement kende. De kapper dan bekende zijn vrouw álles. “Mijn buurman en ik hebben er ieder een genomen, Marie,” zei hij. “Waar wonen ze dan?” vroeg zijn vrouw, “zijn ze wel goed onder de pannen? Want als je de zorg voor iemand op je neemt, moet je het goed doen. Wij hebben tenslotte zelf nog een kamertje over, in huis.” Het bleek dat ze mainteneren verwarde met voogdijschap-voeren. De kapper, bijna in tranen, legde haar uit dat de verhouding tussen hem en de maintenée van intiemere aard was. Maar zijn vrouw bleef zich het hoofd breken over het onderdak en wenste het huis zelf te zien. Hij voerde haar daarop naar een perceel tussen Nes en Vijgendam en wees haar twee vrouwen aan die voor twee belendende bovenramen van het rendez-vous zaten te breien. “Die linkse daar is míjn vriendin,” zei hij, “en de rechtse, de blonde, die van onze buurman Rochussen. Maar hij heeft er thuis niets over durven zeggen, zoals ik.” Zijn vrouw bekeek de dames met aandacht, vanaf de straat, terwijl de kapper bedremmeld voortging: “Zie je, Marie, in een relatie als deze gaat het voornamelijk om het schone aanschijn en de jeugd van zulke vrouwtjes.”

“O!” riep zijn echtgenote, “nu, dan kan Rochussen maar beter zijn mond blijven houden, de domoor. De onze is véél mooier.” Daarop wandelden ze in de beste verstandhouding naar huis. De kapper bleef betwijfelen of zijn vrouw het fijne van de zaak begrepen had. Hij hoopte eigenlijk van niet. Ik voor mij hoop van wel. Het maakt het verhaal nog liever. En bovendien zo bijzonder wijs.

Mijn neef Hendrik ontwaarde omstreeks deze tijd plotseling dat ik niet langer een kind was, maar een jongedame. Van toen af begon hij jongere heren mee te brengen, wat voor hem het voordeel had dat hij kon doorpraten zonder in de rede te worden gevallen. De jonge heren zetten kalfsogen op tegen mij en zorgden ervoor dat onze vingers elkaar beroerden als ze hun thee uit mijn hand aannamen. Maar ze interesseerden me hoegenaamd niet. Daarentegen lag ik nachten lang wakker doordat ik moest denken aan een donkerharige schutter van de Handboogdoelen die een paar keer langs mijn huis was komen lopen, maar wiens naam ik niet kende. Ik slaagde erin zijn aandacht te trekken door dezelfde tactiek toe te passen als mijn kamermeisje. Alleen gebruikte ik in plaats van een plumeau mijn waaier, halfdichtgeslagen en opgeheven tot de neus. Vervolgens ging ik natuurlijk niet naar de dienstingang, maar gewoon de stoep af. Terwijl de schutter mij passeerde, fluisterde hij mij in: “Vanavond, mijn engel? Om negen uur?” Wij wisselden een brandende blik, en hij liep verder, terwijl ik afdong op een armvol pioenen van een bloemenvrouw om een reden te hebben voor mijn plotselinge sortie. Daar ik een hekel heb aan pioenen, die grote bonkige bloemen, gooide ik ze dadelijk weg op de cour, terwijl het knechtje (inmiddels 15 jaar oud en met de baard in de keel) met de bloemenvrouw afrekende. Nog vóór het souper zette ik de pendule in de salon een uur vooruit, omdat anders tante Eva niet bijtijds in bed zou liggen. De relatie met de schutter duurde een maand. Zijn Frans was matig.

Voor het overige was hij in alles onmatig, met inbegrip van het gebruik van sterke drank, zodat ik genoeg van hem kreeg. Maar de eerste ontmoetingen waren verrukkend. Er kwam noch Frans noch alcohol aan te pas. Hij voerde me eenvoudig naar de oude doolhof, hoek Looiersgracht, en daar bleven we, zo lang mogelijk. Dermate was ik verblind door passie dat de armetierigheid van die publieke plaats me niet opviel. Het was er een vieze troep, en het publiek beneden peil. Later ontmoetten we elkaar in herbergen van niet al te fraai allooi. Toen de affaire voorbij was wist ik nog steeds zijn naam niet.

Mijn geduldig mémoireboek, zal ik ze allen opsommen? Ach nee. Ik betwijfel of ik er toe in staat zou zijn, trouwens. Men vergeet van zijn leven alles behalve de hoofdzaken. Ik weet nog dat er een was die altijd licht bij onze ontmoetingen wilde hebben, al was het maar van één kaars, om zijn gedichten te kunnen voorlezen. Hij schreef ze in het Hollands. Hart rijmde steevast op zwart (ik ben donker van haar en oog), rank op blank, zacht op bracht en smacht. Ik zat er bête bij te glimlachen, tot ook de sonnetten me te onmatig werden. En dan was er de joyeuse, die met zijn charme jongleerde als een acrobaat en me menigmaal heeft doen lachen zonder dat ik hem uitlachte. Die heeft me wel een half jaar bezig gehouden. Tussendoor verschenen er lieden op het toneel die niet meer waren dan figuratie. Daarna kwam Jacobus. Mijn neef was 18 en ik 25 toen ik hem verleidde. Onze relatie hield drie jaar stand. Na deze jaren vond ik het werkelijk de hoogste tijd, er een eind aan te maken. De jongen begon me, net als tevoren op ander gebied, de baas te worden. Misschien is hierin wel de oorzaak gelegen van mijn voorliefde voor jongeren: ík wil de baas zijn. Gewoonlijk ben ik het ook. Zodra mijn eigenmacht en zelfbeheersing wezenlijk in gevaar komen, trek ik me terug. Nóg een jaar Jacobus, en ik zou blijvend verloren zijn geweest. Want werkelijk, ik hield van hem, en liefde van deze aard verslaaft.

De dag waarop ik hem vertelde dat ik binnenkort in het huwelijk dacht te treden met Nicolaas Lijnslager, een neef van de bankier Clifford, was voor ons beiden zwaar van tragiek. Hij hoorde me zwijgend aan, zonder protest, zonder enige poging te doen mij te weerhouden van dit plan. Daarvoor kende hij me te goed. Hij trok me, staande in de salon, mijn kleren uit zonder de deur op slot te doen. Dat deed ik. Hij nam me in bezit op het vloerkleed en beet me na afloop zo hard in mijn dij dat ik er tot de dag van vandaag het litteken van draag. Daarna goot hij een bloemenvaas leeg over de bloedende wond, legde het boeket rozen op mijn boezem en liep op stijve benen, zijn kleding in de grootste wanorde, op de deur af. Ik opende die voor hem nadat ik hem min of meer presentabel had gemaakt. Hij liet me begaan alsof hij blind en doofstom was en verliet het huis nog steeds zonder een woord te hebben gezegd. De rest van die dag bracht ik in bed door.

Nicolaas was aanzienlijk ouder dan ik. Hij was een weduwnaar zonder kinderen, met veel geld, en een invloedrijke positie. Uit het oogpunt van mijn familie bekeken had ik een zeer goed huwelijk gesloten. En in feite was het dat ook; hij was een correcte echtgenoot. Wij reisden veel, want hij was een liefhebber van het exotische en zijn arbeidskring bood de gelegenheid, aan deze liefhebberij tegemoet te komen. Hij dreef handel op de Levant. Hij nam me op mijn verzoek herhaaldelijk mee op inspectietochten naar Venetië, Izmir en de Libanon, en was tevreden over mijn gezelschap zolang ik hem niet in de weg liep bij strikt-zakelijke onderhandelingen, of zanikte over de ongemakken van de reis. Deze waren natuurlijk menigvuldig, maar zeeziekte was er niet een van, en de andere had ik voor het avontuur graag over. Ik reisde zonder kamenier, sliep in een kleine, benauwde kajuit, die nochtans de beste aan boord was, at wat de pot schafte en liet meestentijds mijn kleren in de koffers, me alleen vertonend in wat ik toevallig had aan gehad bij de afvaart uit Amsterdam.

Het eerste vertrek vond plaats bij druilerig weer, met zo weinig wind dat de kapitein het noodzakelijk oordeelde het schip te laten slepen door grote roeisloepen. Liever had hij het vertrek uitgesteld. Maar Nicolaas hield niet van uitstel; als hij één fout had, was het een iet of wat ongeduldige aard die hem soms bruusk maakte. De wieken van de molens draaiden nauwelijks, om en in de stad staken vele ervan de ontzeilde armen lusteloos de hemel in. Het water van het IJ leek op gehamerd tin, alle vlaggen hingen slap neer langs hun masten. Niettemin was dit vertrek voor mij al het begin van het avontuur, want ik was nog nooit verder weggeweest dan met de trekschuit naar Naarden, en met de diligence naar Den Haag. Noch had ik onze stad van enige afstand op het water zien liggen. Ik had me nooit gerealiseerd hoe schoon zij is voor ik haar vanaf het IJ in de regen zag liggen, na een goed half uur nog altijd volop in zicht.

Tegen die tijd was ik zo nat dat Nicolaas mij dringend verzocht me in de kajuit van onder tot boven te verdrogen. In zulke dingen verving hij voor mij de vader die ik nooit heb gekend. Ik deed mijn best, mijn erkentelijkheid te tonen door hem niet alleen bij zakelijke transacties met rust te laten, maar door me zoveel mogelijk nuttig te maken. Ik slaagde daarin, want ik vind oprecht genoegen in het spreken en horen van vreemde talen, en kon soms na een diner met een belangrijk personage nauwkeuriger ’s mans feilen en benaderbare kanten omschrijven dan mijn echtgenoot het kon.

Venetië verrukte mij. De gondel tochten bij toortslicht, de speelzalen, de bals, de wonderbaarlijke, haast barbaarse luxe van de toiletten, waarboven zonderlinge gnoom-achtige maskers werden gedragen met lange neuzen, zelfs door dames die er zonder die dingen betoverend uitzagen, zodat men zich op een schitterend feest soms plotseling in een wereld van gedrochten verzeild waande - het was alles sprookjesachtig op een bizarre manier. Het dragen van het masker was op straat absoluut de rigueur. Over hun kleding droegen de heren meestal zeer wijde zwarte domino’s. Zonder deze vermomming voelden (en voelen ongetwijfeld nog) Venetianen zich even ontkleed als Amsterdammers die zonder hun culotten op straat zijn terecht gekomen. Muziek drijft daarginds her en der over de kanaaltjes alsof het ontstijgt aan het water-zelf van de zee. Er wordt gedanst of de bewoners van de stad hun benen niet stil kunnen houden, vaak de hele nacht door. Wie zou niet verrukt zijn die jong is, in een dergelijke omgeving! Ook hier betoonde Nicolaas zich een correcte echtgenoot. Als ik later thuiskwam dan hij, in een draagstoel met een flambouwpage langszij, vroeg hij nooit waar ik geweest was. We logeerden bij een Hollandse chargé d’affaires die woonde aan de campo San Zulian. Aan de buitenkant was zijn huis niets bijzonders om te zien, maar de inrichting was, hoewel haast overladen van verfijning, zeer smaakvol, en de binnenhof een ware lusthof. Het is onwaarschijnlijk zoveel groens en bloeiends er gedijt achter honderden hoge tuinmuren op dit overdicht-bebouwde eiland.

Op de kust van Klein-Azië vermijdde ik me in kameelrijden. Als men het geknielde dier bestegen heeft wordt men terwijl het opstaat beurtelings voor- en achterover geworpen met vervaarlijke kracht. Loopt het dier eenmaal, dan is de schommeling van zijn gang aangenaam. Ik kon het rijden urenlang volhouden zonder moe te worden. In alle landen waar we kwamen gedroeg ik me naar de gebruikelijke zeden; in Venetië uitbundig, in het nabije Oosten ingetogen. Want vrouwen zijn er daar, zoals hier de kinderen, om gezien maar niet gehoord te worden. Mijn echtgenoot was over een en ander tevreden en toonde het door me een prachtig smaragden collier te schenken. Thuis heb ik de stenen laten overslijpen en herzetten. Want op deze punten zijn de smeden daarginds minder bedreven dan de Amsterdammers.

Deze reizen maakten we tot in de jaren ’40-’45. Daarna werd de toestand thuis zowel politiek als financieel enigszins moeilijk. Nicolaas moest zich op de beurs verdiepen in zijn besognes. Ik had de mijne. Jacobus van der Bom was getrouwd, met een Frans gravinnetje van fortuin, dochter van een der heren die een handelsdelegatie naar Den Haag vergezelde. Ik ontmoette dit echtpaar soms op recepties, en we wisselden glimlachjes en buigingen, meer niet. Ze had hem een zoon geschonken die Joost gedoopt werd. Ik was bij de doopplechtigheid in de Lutherse kerk aanwezig, maar achterin. Ik zorgde ervoor, de deur uit te zijn voor het cortège van gasten en familieleden passeerde. Dat was, geloof ik, het enige ogenblik van mijn leven waarop ik het betreurde zelf geen kind te kunnen voortbrengen.

Of Nicolaas het jammer vond weet ik niet. Onze verhouding was te oppervlakkig om deze kwestie als onderwerp van gesprek acceptabel te maken.

In ’47 kreeg Holland weer een Oranje als hoogste gezagvoerder, nadat het land jaren lang, namelijk sedert het verscheiden van stadhouder Willem III, geen hoger staatshoofd had erkend dan de Raadspensionaris. Willem IV was van de Friese tak van het geslacht, maar werd niettemin om politieke redenen aanvaard door alle Gewesten. Wat meer zegt, Amsterdam-zelf had de nieuwe potentaat te aanvaarden, wat de regenten uiteraard zeer contre-coeur deden. Ze werden ertoe gedwongen, mede door de activiteiten van een groep Oranjegezinde burgers, die plachten te vergaderen in de Doelen en daarom de Doelisten werden genoemd. Een van hen was mijn neef Hendrik. Ook Nicolaas’ oom, Clifford de bankier, hoewel niet een Doelist, was een Oranjeklant.

De Prins bezocht de stad in de zomer van ’48. Hij logeerde in het Herenlogement aan de Oudezijds Voorburgwal. Daar ontving hij de hoge heren, allerminzaamst, met veel strijkages, een voor een. De vroedschap kwam opdraven en likte zijn schoenen. Want het was algemeen bekend dat de Staten der Gewesten weinig tevreden waren over het stedelijk bewind van Amsterdam, en de Prins hadden geraden in het belang van ’s lands financiën de stad stevig bij de oren te vatten. Nu, dat deed hij ook, ondanks alle uiterlijke amicaliteit; de hele troep gepruikte heren werd in september en bloc afgezet. De Prins benoemde nieuwe schepenen, burgemeesteren, thesauriers. Onder hen bevond zich de bankier Clifford. We zagen ons plotseling geplaatst aan de rand van de gesloten coterie, en niet eens bij de rotte plek! Oom Hendrik jubelde. Eindelijk gerechtigheid, meende hij. Zijn levenslange trouw aan het huis van Oranje zou beloond worden met een of ander ambt.

Maar helaas, Willem IV dacht er niet aan. Hij nam zijn eigen maatregelen - hem min of meer opgedrongen door wat hij als toevallige omstandigheden beschouwde - zo weinig au sérieux dat een voor een de vroegere machthebbers naderbij kropen en hun rode kussentjes weer naar zich toerukten. Ze plantten er hun brede achterwerken zelfvoldaan op en gaven op laatdunkende toon af op de “achtenveertigers”, de nieuwelingen, de onbeduidenden. Drie jaar na de removatie overleed de Prins, en het échec van de Doelisten was volkomen. Neef Hendrik was zo teleurgesteld dat hij het letterlijk bestierf. Hij volgde Oranje naar het graf, twee jaar later. Mijn oud-tantetje Eva - ik vergat het te vermelden - stierf twee jaar vóór mijn huwelijk, op de gezegende leeftijd van 93 jaar. Daarna leefde ik zonder chaperonne, wat neef Hendrik toen nog altijd ongepast bleef vinden, hoewel ik meerderjarig was. Maar hij had als voogd niet genoeg meer over mij te vertellen om er wat aan te kunnen doen, ook al bleef ik in andere opzichten natuurlijk onmondig.

Over de onmondigheid der vrouwen heb ik lang en breed gesproken met meerdere mannen van brede ontwikkeling. En natuurüjk van charme, want kennis-alleen is als brood zonder zout. Merkwaardigerwijs waren deze heren unaniem van oordeel dat de wet juist was, die vrouwen, hoe belangrijk ze ook in de schepping waren, op het gebied van zaken en politiek als quantité négligeable beschouwde. “Maar ze zíjn het niet!” hield ik vol. “Uzelf houdt wel degelijk rekening met het oordeel van vrouwen, en als ze het wensen laten ze u precies doen wat zíj willen, niet u. Dit is de eigenlijke stand van zaken. Moet dan de wet niet een duidelijke afspiegeling geven van de waarheid? Wat ze nu doet, is een verdraaid beeld geven van de bestaande toestand. Natuurlijk zullen vrouwen nooit rechtstreeks kunnen handeldrijven zolang de wet niet gewijzigd is. Maar langs een omweg doen ze het allang, voor zover ze personen van betekenis zijn. De anderen kunnen we vergeten, zo goed als de onbetekenende mannen vergeten mogen worden. Die vormen gezamenlijk de gezichtloze massa, die nimmer anders handelt dan is voorgeschreven, tenzij ze is opgeruid. Volgzaamheid is de onbeduidenden met de paplepel ingegeven. Maar u, mijnheer, hebt de paplepel allang afgezworen (zei ik tegen deze aimant van het uur; zijn naam wil me op het ogenblik niet te binnen schieten). Ik weet het, doordat ik uw visie ken op Amsterdam, onze zo bijzondere stad. Domoren staren zich blind op de cijfers van de handelsbalans, en op de fouten die het bestuur aankleven. Ze schreeuwen moord en brand. En ze hebben in zoverre gelijk dat het regentendom zo rot als een mispel is, dat de welvaart der rijken mindert en hun macht navenant taant. Maar cijfers en een handvol witgepruikte knoeiers die hun eigenbelang dienen zijn niet tezamen Amsterdam. De stad leeft toch wel verder, vanuit haar oerbron, en haar vroedschap ten spijt. Wie door de straten loopt en luistert, de kermis bezoekt en daar de jolijt ziet opsproeien als een fontein, naar de schouwburg gaat en zich amuseert samen met het simpele publiek van de engelenbak, die ziet hoe de zaken werkelijk liggen. Hier ademt voluit een fel soort van verdraagzaamheid jegens wat nieuw is, en een humoristisch soort van durf. De massa van Amsterdam, kortom, heeft wél een gezicht. Dat is uw visie, nietwaar? En ook de mijne.

Wilde u nu zeggen dat u en dezulken als u vrouwen niet naar hun waarde kunnen schatten? Natuurlijk doet u dat, en de Amsterdammers doen het met u. Als ze het nalieten zou je hun vrouwen eens horen. Ze zijn om de drommel niet op hun mondje gevallen. Ze verzetten evenveel werk als hun mannen en als een van hen een wederhelft heeft die teveel zuipt en haar slaat, slaat ze terug. Men kan hen in actie zien op de markt. Voor hen doet het er niet toe hoe de wet luidt. De wet is een vodje papier. Wie leeft, is zijn eigen wet. Wie niet leeft, is een vod, en láát zich regeren, dus telt niet mee. Voor de geletterden onder ons echter zou het aanbeveling verdienen als wat op de vodjes papier geschreven staat, overeenkomt met de werkelijkheid.”

Ik zweeg, achter adem. Mijn vriend - ach, nu weet ik ineens weer wie hij was. Hij zat me innig-vergenoegd aan te kijken terwijl hij in zijn witte wijn roerde. Daar ik toen reeds enige jaren weduwe was, kon ik me veroorloven, hem op de meest ongewone uren in mijn huis te ontvangen. Bij deze gelegenheid was het 5 uur van de ochtend en we hadden nog niet geslapen, daar we pas om 2 uur in de nacht waren binnengekomen. We hadden een avondpartij bezocht bij Bartolotti. Onze kleren lagen op de grond en zijn pruik lag op tafel. Hij droeg zijn eigen lichtbruine lokken kort, wat hem geenszins misstond. Hij was bovendien iemand die ongedwongen in een fauteuil kon zitten gekleed in niets dan eigen huid en haar. Hij was 8 jaar jonger dan ik, en een firmant van de drukkerij Elsevier aan het Water; tevens de schrijver van een verdienstelijke reeks verhandelingen over de opgravingen in Pompei en Herculaneum, dé sensatie van onze eeuw. Zelf zou hij op een wandmozaïek der antieken met ere hebben kunnen voorkomen, zoals hij daar zat. Maar zijn naam vermeld ik hier niet, daar hij gehuwd is met een vod als bovenbedoeld. Waarom zou men wind zaaien in kleinzielige geesten?

“Madame,” zei hij, “mijn respect! Misschien ziet u het lot van uw vrouwelijke stadgenoten wat al te rooskleurig, daar u achter kristallen ramen leeft. Maar ik geloof waarlijk dat u verder in principe gelijk hebt.” Vervolgens dronk hij zijn dubbel-gegiste wijn op, een drank waarvoor hij speciaal ’s morgens vroeg een voorkeur had, en kwam mij wederom gezelschap houden in de bedstee ...

Sedert de dood van Nicolaas, die aan de Herengracht had gewoond, was ik teruggekeerd naar mijn eigen woning aan de Kloveniersburgwal, het andere overlatend aan een troep azende Lijnslagers, die werkelijk om elk legaatje vochten als meeuwen om een korst. Nicolaas was in ’57 aan een tropische koorts bezweken op een tocht naar Marocco, waarbij ik hem niet vergezeld had, voornamelijk omdat er weer een zeeoorlog dreigde met Frankrijk. Het schip-zelf keerde behouden terug, maar de bemanning was gedecimeerd door deze koorts, die eigenlijk een soort van buikziekte was.

Aan de burgwal had ik nu twee slaapsaletten. Boven bevond zich mijn privé vertrek, beneden een voor de ontvangst van nachtelijke bezoekers. De wand tussen Tantetjes vroegere sponde en de salon had ik laten doorboren, wat het gemakkelijker maakte vast te stellen op welk ogenblik ikzelf de trap kon opwippen, dan wel iemand anders uitlaten. (Als het personeel begon rond te waren, vertoonde het zich het eerst in de salon, om glazen en kaarsstompjes te verwijderen.) Het arrangement had trouwens ook andere voordelen, zoals zich laat denken. Een enkele keer waren er twee iemanden.

In de vroege zestiger jaren, toen mijn activiteiten binnenshuis wat minderden, zocht ik vaker dan tevoren afleiding erbuiten. Daardoor kwam het dat ik op het spoor kwam van Persijns handel en wandel. Deze vastberaden knabbelaar aan de rotte plek had het in die tijd reeds gebracht tot het ambt van burgemeester, en de manier-waarop intrigeerde me. Er waren toen al zoveel burgemeesters van Amsterdam dat men hen gevoeglijk een zwerm kon noemen. Waarlijk belangrijken waren niet half zo talrijk. Dat waren de Bickers, Sixen, Trippen, Sautijns, van de Pols. De heren met zoontjes die op de leeftijd van drie maanden het ambt van postmeester uitoefenden, of vanaf hun zevende jaar vestingcommandant heetten. Ze ontvingen het bijbehorende inkomen, waar het om ging. De mindere goden verkwanselden dergelijke ambten, die lucratief waren, voor een flinke som ineens aan matig-bemiddelde liefhebbers.

Deze praktijken van het regentendom verbaasden zelfs Casanova, de Onweerstaanbare, die toch heel wat gewend was. Want de Raad van Tien te Venetië kan ook voort met regeren, en de Raad van Drie wekt zoveel ontzag dat de Naam nooit openlijk genoemd wordt, voor het geval er een spion in de buurt staat. Wie de argwaan van de Raad wekt, wordt onschadelijk gemaakt door een gehuurde moordenaar. Als hij van zeer goeden huize is, wordt hij uitgezonden op een eervolle militaire missie met 100% kans op sneuvelen. Maar wat daar een schaars-befluisterd geheim is, wordt in Amsterdam hardop en welgemutst besproken tussen een glas genever en een pispot. Deze opmerking heb ik de illustere Seigneur de Seingal letterlijk horen maken, op de reeds genoemde receptie waar ik hem aan het werk zag. Hij stond te praten tegen een Bewindvoerder. Ik zat vlak achter hem met schijnbare aandacht te luisteren naar het relaas van een krampachtig-precies beschilderde dame met teveel mouches op, die wiebelden en schipbreuk leden op haar rimpeltjes. Ik kende haar totaal niet. Ze vertrouwde me van alles toe over kinderziektes van neefjes en nichtjes, vanaf de mazelen tot de kalverliefde, terwijl ik knikte en automatisch o-mondjes trok. In werkelijkheid luisterde ik naar Casanova, terwijl ik tegelijkertijd dacht: pas ervoor op, Madeleine, dat je op je oude dag niet zo wordt als deze schone-vrouw-van-vroeger, die weigert haar jeugd op te geven en daardoor de eigen schoonheid van het oud-zijn mist. Van zulke verwarrende gespletenheden zoemt het brein der mensen, zelfs op recepties.

Casanova, ondertussen, noemde de naam Persijn, en die van een zekere Simon Harmen, makelaar, die door deze burgemeester zou zijn opgelicht.

Nu heeft de naam Persijn, voor de van der Boms, altijd een speciale betekenis gehad. Ik heb nooit kunnen ontdekken waarom precies. Mijn neef Hendrik antwoordde ontwijkend toen ik hem naar de reden voor deze familie-affectie vroeg. Hij mompelde iets over traditie. Ik antwoordde dat het wel een heel oude moest zijn, daar de familie van die naam officieel was uitgestorven. “Hoezo, uitgestorven!” riep hij. “Ze lopen toch rond?” Daar had hij natuurlijk gelijk in. Maar hun rondlopen leek me geen reden voor onze bijzondere aandacht. Mijn poes loopt ook rond. Het is waar dat ik op dat stomme dier zeer gesteld ben, maar toch ...

Toen ik evenwel de Seigneur uit Venetië (Cavaliere was hij ook nog, hij flikkerde van de ridderordes) deze naam Persijn hoorde noemen, was mijn nieuwsgierigheid, ondanks alles familiegetrouw, gewekt. Ik legde hier en daar het oor te luisteren. Het bleek mij dat Casanova juist was ingelicht. Burgemeester Persijn had van deze Harmen gehoord dat een van ’s mans schepen vermist werd. Het had Ceylon en Madagascar nog aangedaan, maar was sedertdien spoorloos. De totale schade beliep honderdduizenden. Het schip-zelf was weliswaar verzekerd, maar de lading niet. Als de makelaar de verzekeringssom opeiste en zijn bodem zou te elfder ure toch nog de haven binnenlopen, zou deze lading, plus een winst daarop van zeker 25%, de verzekeraar toevallen. Begrijpelijkerwijs aarzelde Harmen, het geld te vorderen, maar zat ondertussen in grote ongerustheid.

Kort daarna hoorde Persijn van een zeeman die het weten kon, een die wel vaker met winstgevende nieuwtjes aan kwam zetten, dat het schip Antwerpen was gepasseerd en, ondanks onderweg opgelopen averij, spoedig thuis verwacht kon worden. Deze informant miste het kapitaal en de positie om van zo een wetenswaardigheid profijt te trekken en verkocht dus de inlichting, voor een vrij geringe som, aan de burgemeester. Deze kocht daarop van Harmen het verloren-gewaande schip plus de lading, en 10% winst daarop. Een edelmoedig aanbod dat hij, zo verklaarde hij, deed om een vroeger onaangenaam kruisen van de degens met deze zelfde makelaar goed te maken. Hij had de man toen een lelijke strop bezorgd. De domme meneer Harmen liep in de val. Hij veronderstelde natuurlijk niet dat Persijn opeens uit pure goedhartigheid met geld begon te smijten. Maar hij dacht dat de burgemeester bang was voor Harmens kwade tong, en zijn reputatie veilig wilde stellen. Alsof Persijn zich van het gemopper van een klein manneke iets zou hebben aangetrokken! Ik zou wel beter hebben geweten, in Harmens plaats.

Toen het schip, de Olivier Boelens, de haven binnenliep, kregen twee zakenlieden tegelijk de pin op de neus; de makelaar en de verzekeraar, die had gehoopt de polis te kunnen uitkeren en daarna de lading in te kunnen pikken. Persijn sliep er geen uurtje minder om dat nu twee man temeer hem vervloekten. Wat mij betreft, de hele affaire kwam me voor als een spelletje whist tegen zeer hoge inzetten, met hier en daar strategisch geplaatste spiegels waardoor men elkander in de kaart kon zien. Onberispelijk is vals-spelen nu wel niet, maar was het waarlijk het toppunt van schandelijk gedrag? De gruwel waarvan Casanova stond te kijken? Het leek me nogal kinderachtig.

Echter ontdekte ik, al neuzend en luisterend tussen de kaarttafeltjes, nóg een handeling van Persijn die van andere aard was. Een bastaardzoon die hem vanaf het platteland was komen opzoeken had hij, toen de jongen hem om een aardig baantje verzocht, het soort van positie verschaft waarmee rijkeluiszoontjes in Venetië ook wel eens worden bedacht als ze hun almachtige papa in het vaarwater komen. Deze jongen lag binnen de kortste keren onder de groene zoden, en geen haan die ernaar kraaide. Dit nu vond ik inderdaad het toppunt van schandelijk gedrag. Deze details over wat ik te weten was gekomen wegens het bezoek van Casanova de Grote Verleider heb ik mijn vriend Petrus Camper niet verteld. Aan de ene kant deden ze te weinig ter zake, aan de andere te veel. Misschien dacht ook Casanova er zo over en zweeg erover juist omdat hij ervan wist en ervan walgde, zoals ik. Als ik eraan denk, moet ik er nu nog van kokhalzen.