46

Ik ben al halverwege Lyme als me opeens te binnen schiet dat ik mezelf zou trakteren op een nacht in een hotel. Maar het lijkt of een heel ander persoon dat heeft beslist. Hoe had ik kunnen denken dat Matts afwijzing zou kunnen worden verzoet door een nacht in mijn eentje? In de toekomst komen er nog nachten in mijn eentje genoeg; op dit moment heb ik er geen behoefte aan.

De vorige keer dat ik naar Lyme reed was er nergens anders om heen te gaan. Het leek een plaatsje waar nooit iets gebeurde, waar ik me ongestoord kon terugtrekken. Als ik al aan mijn familie had gedacht voordat ik uit Londen vertrok, dan was het als aan schimmige gestalten in een drama dat alleen over mij ging. Nu verrast het me dat ik mijn familie graag wil zien omdat ik hen mis en bij hen wil zijn. Ze hebben me opgenomen toen ik het erg moeilijk had, en ze hebben bewezen dat ondanks al mijn fouten hun liefde onvoorwaardelijk is.

Het blijkt dat door al je tekortkomingen te laten zien anderen volledig van je gaan houden. Maar het risico wanneer je je tekortkomingen laat zien, zoals ik bij Matt deed, bestaat dat hun liefde misschien toch voorwaardelijk blijkt te zijn. Ik kan hem dat niet kwalijk nemen. Terwijl ik hem aan het hoofd zeurde over de zooi die hij in mijn mooie huis maakte, maakte ik een zooi van ons huwelijk. En toen ik alles tot een crisis had gebracht, vluchtte ik weg en weigerde met hem te praten. Het leven ging door. Matts gevoelens veranderden.

Wie dacht ik wel dat ik was om te denken dat ik anderen les kon geven over hoe het is om getrouwd te zijn? Ik leerde mijn eigen les veel te laat.

Wanneer ik de auto eindelijk het doodlopende straatje in stuur, is het twee uur in de ochtend. Doordat de wegen over de heuvels naar Lyme spekglad waren, moest ik langzaam rijden en ik ben stijf van het urenlang in dezelfde houding zitten.

Minnie komt op me afgerend zodra ik de donkere bungalow in stap. Voordat ik haar goed kan knuffelen, klik ik het ganglicht aan. Er klinkt een gesmoorde kreet en de badkamerdeur wordt dichtgesmeten om even later weer open te gaan.

‘Wat doe jij hier verdomme?’ vraagt Prue, die om de hoek van de deur kijkt.

Ze denkt dat ik haar niet goed kan zien, maar in de badkamer -spiegel zie ik dat ze alleen een handdoek om heeft die ze waarschijnlijk van het rekje achter haar heeft geplukt.

‘Prue Bailey,’ zeg ik, niet in staat om mijn lachen in te houden. ‘Jij afvallige! Wat is er met je principes gebeurd?’

Ze duwt de deur op een kleine kier zodat ik nog maar een stukje van haar gezicht kan zien. ‘Je zou in Londen blijven!’

Ik laat mijn tas op de grond vallen en kniel om Minnie te begroeten. ‘Och ja,’ zeg ik.

‘Was het zo erg?’ vraagt Prue.

‘Erger.’

Prue opent de deur een beetje verder. ‘Over twee minuten in de keuken. Zet jij thee. Dan trek ik even iets aan.’

‘Dat lijkt mij ook beter.’

Ze steekt haar tong naar me uit en huppelt dan naar Bens kamer. Het is gek om te zeggen, maar wanneer ze weer verschijnt met een oude trui van Ben aan, blijkt mijn zusje een goed iemand om mee te praten. We zitten te praten en eten gemberkoekjes in de nu witte keuken totdat de morgenschemering de dag inluidt. Ik denk dat een meelevend iemand, zoals mijn moeder, me zou hebben doen instorten. Prues directe vragen en haar volledige tegenzin ten opzichte van mijn zelfmedelijden zijn als een schop onder mijn kont.

‘Waarom ben je er zo zeker van dat het is afgelopen?’ vraagt ze wanneer ik haar alles heb verteld. ‘Hij liet je toch binnen? Hij heeft naar je geluisterd. Je geeft het veel te makkelijk op.’

‘Prue, hij zei dat hij tijd nodig had. Dus moest ik hem wel de tijd gunnen. Al is het waarschijnlijk toch al te laat.’

Prues geërgerde zucht weerkaatst door de keuken. ‘Echt? Hoor eens, ik weet dat je malle ideeën hebt over het huwelijk, maar tenzij ik het helemaal mis heb, heb je ooit gezegd dat je in goede en slechte tijden bij Matt zou zijn. Weet je dat nog?’

Minnie kijkt op vanwege de stemverheffing, en ik aai met mijn voet over haar rug totdat ze haar kop weer op de vloer laat rusten.

‘Jawel, Prue, maar niet tegen zijn wil. Ik kan hem niet dwingen de draad op te pakken als hij dat niet wil.’

‘Maar wat denk je nou helemaal? Dat je zomaar kunt opdraven, zeggen dat het je spijt en dat het daarna weer rozengeur en maneschijn is? Een huwelijk zit moeilijker in elkaar, Kate. Je moet ervoor vechten.’

Ik doe mijn best om niet te snauwen dat zij, wier bruiloft pas over weken plaatsvindt, niks over het huwelijk weet. Maar merkwaardig genoeg lijkt ze er meer over te weten dan ik. Ik pak nog een koekje en bijt er agressief een hap uit.

‘Nou?’ vraagt ze terwijl ik met volle mond zit, alsof ze verwacht dat ik weer in de auto spring om Matt te overreden me terug te nemen.

‘Ik weet het niet, Prue. Volgens mij is het kapot. Voorgoed.’

‘Geef het nou niet op,’ reageert ze. ‘Als het iets met werk zou zijn, zou je toch ook niet zeggen dat het niet gaat en dat je het maar opgeeft?’

‘Nee,’ geef ik toe.

‘Je zou je ervoor inzetten, toch? Je zou een manier vinden om het te laten lukken. Wat is dan het verschil?’

‘Jezus, Prue, dit is iets heel anders. Met werk is er geen emotionele betrokkenheid, dat is echt heel anders.’

‘O ja? Nou, als je bereid bent voor het ene te vechten en voor het andere niet, is er iets mis met je prioriteiten.’

‘Dank je,’ zeg ik sarcastisch, maar dat sarcasme is niet goed overgekomen, want ze denkt dat ik oprecht ben.

‘Graag gedaan,’ zegt ze. ‘En hou nou op met medelijden met jezelf te hebben en denk eens na over wat je kunt doen om een einde aan deze situatie te maken.’

Een poosje drinken we zwijgend thee. Ik schuif de koekjes haar kant op, maar ze schudt haar hoofd. Ik laat haar denken dat ik peins over het redden van mijn huwelijk. Maar eigenlijk denk ik aan iets heel anders.

‘Over situaties gesproken…’ zeg ik.

‘Geen woord meer,’ waarschuwt Prue met zwaaiende vinger. ‘Geen woord, of ik ga terug naar bed.’

‘Naar Bens bed.’

‘Hou je kop.’

‘Vertel, wat is er met je principes gebeurd?’

Prue kijkt me zeer streng aan, maar ik laat me niet kisten. Daarnet heb ik mijn echtgenoot geconfronteerd met de affaire waardoor ons huwelijk op de klippen is gelopen. Dit is daarbij vergeleken kinderspel.

Stijfjes zit ze op haar stoel. ‘We zijn bijna getrouwd. Wat ma -ken die paar weekjes dan nog uit?’

‘Zeg jij het maar,’ zeg ik. ‘Jij zei altijd dat je zuiver en rein wilde blijven. Hoe was het?’

Er volgt een lange stilte. Prue durft me niet aan te kijken.

Uiteindelijk zegt ze: ‘Geweldig. Echt geweldig.’

‘Echt waar? Meteen de eerste keer?’

Ze zet haar mok neer op tafel en richt haar blik op de grond. Dan kijkt ze naar me op met een uitdrukking op haar gezicht die je daar niet vaak aantreft: twijfel.

‘O, Kate, het was verschrikkelijk. Een aanfluiting.’ Hoofdschuddend verbergt ze haar gezicht in haar handen. Ze mompelt iets onverstaanbaars, en ik vraag haar het nog eens te zeggen.

Ze heft haar hoofd. ‘Ik zei: “Stel dat ik een grote fout bega?”’

‘Prue,’ zeg ik, blij dat ik eens goede raad mag geven. ‘Het is maar seks. Het gaat niet zoals in de film. De eerste keer is het bijna altijd verschrikkelijk.’

‘Maar…’ Ze gaat zachter praten en kijkt angstvallig om zich heen, alsof Minnie misschien aantekeningen maakt. ‘Het was niet de eerste keer. We hebben het eerder gedaan. Vorige week. En toen was het ook vreselijk.’

‘Twee keer? Pas twee keer en je wilt niet meer trouwen?’

Prue trekt haar benen op en slaat haar armen om haar knieën. ‘Ik… Ik dacht dat het heel bijzonder zou zijn. Ik dacht dat het de moeite waard was om op te wachten.’

Haar lip trilt en ik zie dat ze bijna in tranen is.

‘En… Was het voor Ben ook de eerste keer? Ik bedoel, was jij Bens…’

‘Natuurlijk!’ snauwt ze. ‘Ik bedoel, weet ik veel? Maar ik denk van wel.’

‘O, Prue!’ Ik probeer niet te gaan lachen. Misschien spijt het me dat ik in mijn jonge jaren tamelijk wild ben geweest, maar ik heb in elk geval niet jarenlang gedroomd van de eerste keer als iets prachtigs en spiritueels; iets wat alleen maar kan tegenvallen. ‘Oefening baart kunst. Echt waar. Hoe vaker je het, eh, doet, des te beter het wordt.’

‘En jij kunt het weten,’ mompelt Prue. Ze vertrekt haar gezicht tot een lachje. ‘Slettenbak.’

‘Dat is hardvochtig.’

‘Hardvochtig,’ is Prue het met me eens. ‘Sorry, zo bedoelde ik het niet. Je bent geen slettenbak.’

‘Niet altijd, in elk geval,’ zeg ik.