13

Wanneer ik de keuken in loop, houdt Ben zijn hand gauw achter zijn rug, maar het is al te laat. Het korstje van de geroosterde boterham is al door Minnies keel gegleden. Tevreden likt ze haar lippen af en kijkt naar hem op, in de hoop dat er nog meer komt.

‘Ben!’ zeg ik, en ik probeer niet zeurderig te klinken. Het zou niet de eerste keer zijn dat ik hem vraag de hond niet te voeren. Niet dat ik zelf niet af en toe een korstje afsta, maar Ben gebruikt haar als vuilnisbak voor dingen die hij zelf niet wil eten. En hij is altijd ergens anders wanneer Minnies maag opspeelt, zoals bijvoorbeeld laatst toen ze een half blikje maïs uitkotste op de tegels buiten, en dat zag er hoogst onsmakelijk uit.

‘Het is maar een korstje brood,’ mompelt hij met zijn blik op het tafelblad gericht.

Zelfs op het fragiele keukenstoeltje zit Ben graag met zijn benen wijd, alsof zijn knieën door magnetische krachten uit elkaar worden gedreven. Ik zou dat niet erg vinden, ware het niet dat hij in zijn gebruikelijke ochtendkledij is gehuld van een T-shirt en een danig versleten pyjamabroek, zo verschoten dat die lijkt op de geest van een overleden broek. De stof is zo dun geworden dat het lijkt alsof hij elke ochtend een dans met de zeven sluiers uitvoert en hij dreigt te onthullen wat beter verhuld kan blijven. Zelf valt het hem niet op, hij krabt in zijn kruis met dezelfde onbewustheid als een dier.

‘Ik weet dat het maar brood is,’ zeg ik met een zucht. ‘Maar ze is nog slechts een puppy. Haar maag is gevoelig. Dat heb ik al eerder tegen je gezegd.’

Het lukt Ben niet te verhullen dat hij zijn ogen even ten hemel slaat.

‘De honden van mijn moeder eten alles,’ zegt hij, en hij zet zijn handen op zijn bovenbenen, waardoor de pyjamabroek vervaarlijk gaat rekken. ‘Dat doen boerenhonden. Echt waar. Ik weet nog dat Patch een keer een hele schapenplacenta opvrat. In één grote hap.’

Ik wil zo vroeg op de ochtend niets horen over placentavretende honden. Mijn maag draait zich bijna om.

‘Daar kun je toch wel tegen?’ vraagt Ben als hij ziet dat ik me vastgrijp aan het aanrecht. ‘Mijn moeder zegt dat honden gewoontes overnemen van hun eigenaar. Ik bedoel, misschien projecteer jij je gevoelige maag op je hond.’

Het is veel te vroeg voor dergelijke gesprekken. Of eigenlijk voor elk gesprek. Ik ben gewend geraakt aan ochtenden in mijn eentje, met alleen stemmen die uit de radio komen, en die kan ik afzetten.

‘Jawel,’ zegt Ben. ‘Ik bedoel, ik wil je niet boos maken of zo, maar sinds ik hier ben, heeft Minnie elke ochtend mijn korstjes gegeten. En dat doet haar geen kwaad.’

‘Oké,’ breng ik zwakjes uit. Ik heb geen zin in ruziemaken. Ik ben naar Lyme gekomen om geen ruzie meer te maken. Daar draaide het om.

‘Ik bedoel, Patch – de hond die de placenta opvrat – is een keer door mijn moeder betrapt op het eten van rattengif.’ Ben straalt, alsof ik vast onder de indruk ben van de stalen maag van de hond. ‘En er kwam geen jankje uit hem. Dus jouw hond kan vast wel overweg met een beetje brood.’

‘Waarschijnlijk,’ zeg ik. Heb ik in mijn tijd met Matt niet geleerd niet overal ruzie om te maken, maar alleen als het echt belangrijk is? ‘Maar wees voorzichtig, want ze is nog maar klein. Waarschijnlijk is ze nog niet in het stadium van het met stalen maag placenta’s opvreten.’

‘Je zegt het maar, baas.’ Ben salueert, staat op en zet zijn vuile bord en mok in de gootsteen, bij de stapel andere borden en mokken. Daarna veegt hij zijn mond af aan de theedoek en loopt met een harde boer de keuken uit. Twee tellen later steekt hij zijn hoofd om de deur.

‘Mag ik je tijdschrift lenen?’ vraagt hij met een gebaar op de oude Grazia die naast de papierbak staat.

‘Tuurlijk.’ Verwonderd haal ik mijn schouders op. Ik had Ben niet ingeschat als fervent lezer van de Grazia.

Dankbaar pakt hij het blad en verdwijnt in de gang.

‘Wacht!’ roep ik, want ineens begrijp ik wat zijn begeerte naar ongeschikt leesvoer inhoudt. ‘Wacht… Ik wilde net gaan douchen.’

Het is al te laat. De deur van de badkamer knalt dicht. En ik weet dat Ben niet gauw uit de badkamer zal komen.

Nooit geweten dat een man zoveel plaats inneemt in een bungalow.

Ik bedoel, het is niet de eerste keer dat ik word geconfronteerd met een oude onderbroek die aan de radiator in de badkamer hangt, of met een sok die zich achter een kussen op de bank verschuilt. Ik heb lang genoeg met Matt samengewoond om te weten dat mannen aan huishoudelijke blindheid lijden, of dat ze denken dat vuile was op de grond helemaal zelf naar de was -machine zal zeilen om dan als bij toverslag weer gewassen en gestreken in de kast te verschijnen. Maar het is niet waar om te zeggen dat een huis delen met degene van wie je hebt beloofd te houden – maar niet te gehoorzamen – totdat de dood je scheidt, hetzelfde is als het huis van je overleden oma te delen met de aanstaande van je zusje. Ik zeg niet dat het opruimen van Matts zooi een daad van liefde was; het was eerder een daad van aanvaarding. In elk geval was het iets waar ik zo’n beetje voor had gekozen, in voor- en tegenspoed. Iets heel anders dan wonen met iemand die je niet kent, en die totaal niet ontvankelijk is voor een hint of een suggestie met betrekking tot de huiselijke omgeving.

Het verraste me niet toen Ben met enige aarzeling onthulde dat hij afgezien van zijn studietijd net als Prue altijd bij zijn ouders had gewoond. Hoewel hij het liet voorkomen als goed doordachte businessstrategie om te kunnen sparen voor het huis dat Prue en hij zouden kopen, leek het mij meer een strategie om zijn moeder al het vuile werk voor hem te laten opknappen.

Minnie snuffelt nog naar kruimeltjes onder de keukentafel waarop Ben een met jam besmeurd mes in de boter heeft laten staan. Er ligt ook een plasje koffie op het tafelzeil van oma Gilbert. Mijn instinct zegt me dat ik dat moet opnemen met een vochtig doekje, maar daar weerhoud ik me van.

‘Nee,’ zeg ik hardop, als om mezelf te waarschuwen. Minnie kijkt een beetje schuldig naar me op, bereid in elkaar te krimpen als mocht blijken dat het voor haar was bedoeld.

‘Ik heb het niet tegen jou, Minnie,’ zeg ik, en ik trek geruststellend even aan haar zijdezachte oor.

Nee, ik ga dit niet opruimen. Als ik iets heb geleerd van het falen van mijn huwelijk, is het wel dat ik vanaf het begin strenger tegen Matt had moeten zijn. Het begint met denken dat zijn zooi opruimen niet vervelend is. Dat je het niet erg vindt, en dat het sneller is opgeruimd als je het zelf doet dan als je er ruzie om gaat maken. Alles voor rust in de tent, denk je, je er heel naïef niet van bewust dat je alles juist moeilijker aan het maken bent. En voordat je het weet zijn die kleine momentjes van onvrede waar je je in het begin nauwelijks van bewust was tussen al het vrijen, lachen en elkaar over het algemeen geweldig vinden door, uitgegroeid tot dagen en weken van wrok. En dan vraagt je echtgenoot op een dag waarom er geen schone sokken zijn, en dan dringt het tot je door dat je een heel goed beeld hebt van de manier waarop je hem wilt vermoorden.

Dus laat ik Bens vuile borden waar ze zijn, iets wat ik al vijf dagen doe.

Ik zou niets liever willen dan met een paar rubberhandschoenen aan de walgelijke zooi in de keuken te lijf gaan. Maar ik weet dat ik dat niet moet doen als ik alles niet achter zijn kont wil blijven opruimen en schoonmaken zolang we worden gedwongen deze woonruimte te delen. Ik had alleen niet beseft dat Ben zoveel toleranter tegenover rotzooi en viezigheid staat dan ik. Er vliegen dikke vliegen om de lamp heen, en uitgeknepen theezakjes liggen in theelepels op het aanrecht, waar ook royaal met suiker is gestrooid. Naast de ketel staat de zak met suiker, en daar steekt een soeplepel uit. Om de een of andere reden vind ik dat het ergerlijkst van alles; wie doet er nou met een soeplepel suiker in de thee?

Ik ben er niet te trots voor om op te biechten dat ik een paar schone mokken in mijn slaapkamer heb verstopt opdat ik niet in de beschimmelde puinzooi in de gootsteen hoef te zoeken als ik een kop thee wil. Die mokken was ik stiekem af in de badkamer, om maar niet door Ben te worden betrapt.

Ik weet wat je denkt: je denkt dat ik mijn onvrede over mijn echtgenoot botvier op Ben. Maar zo zit het niet in elkaar. Deze twee mannen verschillen hemelsbreed van elkaar. Hoewel, nu ik erover nadenk… Als iemand Matt het een en ander had bijgebracht voordat we gingen samenwonen, zou alles heel anders kunnen zijn gelopen. En als ik weer iets met Matt zou beginnen, zou alles ook heel anders zijn.

Er klinkt een kletterend geluid in de gang, en Minnie steekt haar oren op. Dan stormt ze luid blaffend de keuken uit, en ik hoor haar nagels op het parket terwijl ze naar de voordeur rent. Wanneer ik in de gang kom om te kijken wat haar aandacht heeft getrokken, zie ik alleen maar post. Een foldertje van de Co-op, en iets van de Royal Mail over bestelmomenten. Ik wil alles net in de papierbak gooien als er een kaart uit het stapeltje valt.

Minnie springt erop af, maar ik ben vlugger. Het is een kaart uit Londen. Een kaart van Matt.

Je beantwoordt mijn e-mails niet. Je belt niet terug. Als ik een brief schreef, zou je de envelop niet openmaken. Wil je wel lezen wat er op een kaart staat? Toe, Kate, je kunt me niet zomaar uit je leven snijden.

Ik vind het vreselijk dat hij me voor de gek heeft gehouden. Dat hij weet dat ik me er niet van zou kunnen weerhouden om te lezen wat er op de kaart staat, ook al had ik goed duidelijk gemaakt dat ik niets van hem wil horen. Ik vind het nog erger dat mijn onbetrouwbare hart opspringt bij het zien van zijn handschrift. En dan komt alles weer terug. Wat denkt hij dat er nog te zeggen valt? Denkt hij nou echt dat we met praten iets kunnen oplossen? Dat we bij de huwelijkstherapeut over onze gevoelens gaan praten? Alsof dat iets zou uitmaken.

Ik blijf zo lang onbeweeglijk naar de kaart staren dat wanneer Ben uit de badkamer komt, hij vraagt of er iets verschrikkelijks is gebeurd. Ik zeg dat er natuurlijk niets verschrikkelijks is gebeurd, dat hij niet zo maf moet doen, en ik stop de kaart tussen de folders om hem te verstoppen.

Ik zeg niet dat er inderdaad iets verschrikkelijks is gebeurd, en dat niets wat op een kaart staat geschreven, dat ongedaan kan maken.