26

Londen

Hoewel Matt me er vaak van beschuldigde dat ik er woonde, was ik nog nooit midden op de dag in de Crown and Two Chairmen geweest. Misschien was het nooit bij me opgekomen dat mensen midden op de dag – een werkdag – in de pub zitten. Hadden ze nergens anders moeten zijn? Moesten ze geen geld verdienen? Maar het was er druk. Niet zoals op een donderdag- of vrijdagavond, wanneer de mensen na het werk vier rijen dik aan de toog stonden en ze de stoep buiten in beslag namen, maar de tafeltjes waren bezet, de spelletjes waren in gebruik, en de barman haastte zich van de ene klant naar de andere. Ik dacht dat alleen tragische, werkloze alcoholisten om een uur of drie ’s middags aan hun derde glas zaten, maar op deze middag was ik hard op weg een van hen te worden.

Richard had gebeld zodra we terug waren uit Singapore. Uiteraard dachten we dat het over het gebruikelijke zou gaan: over wat goed was gegaan en wat niet, wat we de volgende keer konden verbeteren, en ervoor zorgen dat alles goed was verrekend. Eigenlijk had hij zelf in Singapore toezicht moeten houden, maar op het laatste moment had hij toch in Londen moeten blijven. Maar ook zonder hem was het evenement een triomf geweest, dat zei iedereen, en hoewel we aan jetlag leden en doodmoe en uitgeput waren, waren we trots op ons werk. Na twee weken afwezigheid waren we het kantoor in gelopen met onze koffers op wieltjes achter ons aan, Sarah en ik hadden onze collega’s begroet en stonden klaar voor alle lof die ons ten deel zou vallen. En we verwachtten ook complimentjes voor ons bruine kleurtje dat we op de laatste dag aan het zwembad hadden opgedaan. Maar iedereen leek ons te ontwijken, we kregen alleen maar een korte groet.

Eenmaal in de vergaderruimte giechelden Sarah en ik om Richards pasgeverfde haar – ravenzwart – dat hem niet jonger deed lijken, maar eerder het aanzicht gaf van een Elvis-imitator op leeftijd. Misschien lag het aan het zwarte haar dat hij verder zo grauw leek. De kleur was helemaal uit zijn gezicht getrokken. Hij was niet meer de rode en kwade baas die aan het hoofd van de tafel zat te schreeuwen. Deze ochtend zag hij eruit alsof hij auditie kwam doen voor de rol van lijkbezorger, met een uitdrukkingsloos, strak gezicht.

‘Ga zitten,’ zei hij, en we wisselden geamuseerde blikken. Wat was er met hem? Nog steeds in de wolken vanwege het geslaagde evenement kon geen van ons bevroeden wat er te gebeuren stond.

‘Jullie hebben goed werk verricht. Iedereen,’ zei Richard. Het viel me op dat hij niet zoals gebruikelijk vellen vol getallen voor zich had liggen, en dat maakte me achterdochtig. Hij had altijd spreadsheets met in lichtgevende viltstift gemarkeerde getallen, ik zou durven zweren dat hij ze in zijn slaap tegen zich aan gedrukt hield. ‘Goed werk. Niemand had meer van jullie kunnen verlangen, zelfs ík niet.’

Sarah keek spottend, en de uitdrukking op mijn gezicht was daar vast niet ver vanaf. Deze eindvergadering ging niet om lof – na de show hadden we elkaar al genoeg gefeliciteerd in het hotel –, ze ging over fouten bespreken zodat die niet nog eens zouden worden gemaakt. Uitzoeken waarom iets verkeerd was gegaan, uitzoeken bij wie de schuld lag. Ik schoof heen en weer op mijn stoel. Er was iets aan de hand.

Nadat Richard zijn keel had geschraapt, ging hij verder. ‘Ik ga het maar gewoon zeggen zonder er doekjes om te winden. We worden afgestoten. Dit was het laatste evenement dat Hitz heeft verzorgd. Sorry.’

Allemaal waren we te overdonderd om ook maar een woord uit te kunnen brengen. Met open mond staarde Sarah hem aan. Bezorgd liet Richard zijn blik van de een naar de ander gaan, alsof hij niet goed wist of we het wel goed hadden gehoord. Waarom had ik dit niet zien aankomen? Om bij Hitz te overleven moest je je oor goed te luisteren leggen; ik had anderen hun baan zien verliezen en me afgevraagd waarom ze het niet hadden zien aan -komen. En nu was ik er ook in gelopen, met een blinddoek voor. Dat ik weg was geweest, dat ik in Singapore had gezeten, was geen excuus.

‘De hele afdeling?’ vroeg ik uiteindelijk. ‘Maar vorig jaar werden we al gehalveerd… Ik dacht dat dat wel voldoende was.’

‘Dat dacht ik ook. Het spijt me. Het organiseren van evenementen gaat eruit. Jennifer Heston gaat een nieuw productiebedrijf oprichten en dat neemt alle evenementen over, ook die waaraan al wordt gewerkt. Wat er daarna gaat gebeuren, daar kunnen we alleen maar naar gissen.’

‘Hoelang hebben we nog?’ vroeg ik.

‘Drie maanden,’ antwoordde hij. ‘Jullie hebben allemaal nog drie maanden. Jullie kunnen hier blijven werken totdat de opzegtermijn is verstreken, of jullie kunnen vandaag nog naar huis en niet meer terugkomen. Hoe dan ook, in die periode worden jullie gewoon doorbetaald. En jullie worden allemaal opgeroepen bij Human Resources om jullie ontslag nader te bespreken.’

‘Niet te geloven…’ verzuchtte Kirsty.

‘Het is niet zo erg als het lijkt,’ zei Richard op een toon die suggereerde dat hij net zo goed ons wilde overtuigen als zichzelf. ‘Ze bieden een genereus pakket aan. En Jennifer zal ervaren personeel nodig hebben, en ook freelancers, om de projecten te laten voortduren. Er komen meer dan genoeg openingen voor jullie. Jullie hebben talent, jullie zijn slim. Ik heb met veel plezier met jullie gewerkt. Ik weet zeker dat jullie op je pootjes terecht komen.’

Zijn stem stierf weg en hij boog zijn hoofd, zodat we alleen zijn onwaarschijnlijk glanzende haar konden zien en zijn schedelhuid die er bleek als een geest doorheen schemerde.

Sarah vroeg: ‘En jij dan, Richard? Wat gaat er met jou gebeuren?’

Richard haalde gelaten zijn schouders op. ‘Och, dat komt wel goed, ik heb nog heel veel besprekingen voor de boeg. Het komt vast wel goed.’

‘De rotzakken!’ tierde Sarah zes uur later in de pub. ‘De rotzakken! Het is nog niet erg genoeg dat ze ons allemaal op straat zetten, maar ze laten verdomme Richard ons ook vertellen dat hij eruit vliegt. Gerald zou de ballen moeten hebben gehad om ons dat zelf te vertellen.’

‘Ja,’ zei Jay. ‘Net zoals in de oorlog, iemand zijn eigen graf laten graven. Rotnazi’s.’

Het nieuws dat we allemaal werkloos zouden worden had zich binnen een paar uur buiten Hitz verspreid. Als een noodsignaal, uitsluitend hoorbaar voor degenen die heel flexibele tot nietbestaande werktijden hadden, degenen die uiterst bekend waren met het binnenste van een pub halverwege de middag. De camera-mannen waren er, aangevuld met andere freelancers die waren opgesprongen bij de kans op een impromptu belegde bijeenkomst.

‘Dat van de nazi’s weet ik niet goed, hoor,’ reageerde Danny onzeker. ‘Misschien beetje overdreven.’

‘Rukkers, dan,’ zei Jay.

‘Ja, rukkers zeker,’ gaf Danny toe.

‘Ik bedoel, Richard heeft geen enkele kans,’ zei Sarah. ‘Hoe oud is hij wel niet? Vijfenvijftig? En dat verschrikkelijke geverfde haar… Hij denkt zeker dat hij er dan jonger uitziet voor als hij op sollicitatiegesprek moet. Maar het maakt hem alleen maar be -lachelijk. O jezus, ik kan wel janken.’

‘Niet huilen, schat,’ zei Jay. ‘Het is niet jóúw probleem. Waarschijnlijk krijgt hij een gouden handdruk. Genoeg om zijn hele verdere leven zijn haar te verven.’

Aan de andere kant van de tafel bemoeide Chris zich niet met deze gesprekken. Af en toe keek hij me aan met een blik waar ik vroeger van zou zijn gesmolten, maar die ik nu irritant vond. Een soort blik van: jij en ik, wij staan hierboven. Ik pakte mijn wijnglas expres met mijn linkerhand op en liet het diamantje in mijn ring het licht vangen. Van mijn vroegere bedmaatje had ik geen solidariteit nodig. Met mij kwam alles goed. Zodra ik stront -zat was.

Tegen de tijd dat de anderen van Hitz in de pub kwamen, waren we al aardig aangeschoten. Na een paar rondjes had ik pontificaal mijn Hitz-creditcard in brand gestoken met Petes aansteker, waardoor we bijna de pub uit waren gezet. Uiteindelijk wisten we de barman ervan te overtuigen dat hij dan veel klanten zou kwijt raken en mochten we blijven. Kirsty’s tas werd gestolen, en dat maakte de middag nog dramatischer. Ik kon zien dat iedereen om ons heen opgetogen was – al zouden ze dat onmiddellijk ontkennen – doordat het allemaal zo opwindend en schandalig was. De diefstal, de ontslagen, als toeschouwer was het voor hen allemaal hetzelfde. We stonden in het middelpunt van de belangstelling, we waren het onderwerp van gesprek, de meest banale uitspraak werd als fascinerend aangemerkt. Iedereen wilde bij ons in de buurt zijn om te delen in iets van onze glamour.

Ik wist dat het niet zo zou blijven. Algauw zouden we gewoon vier werkzoekenden zijn, net als zoveel anderen, het middelpunt van niets. Maar op dat moment stroomde de adrenaline door mijn aderen, samen met gerechtvaardigde verontwaardiging en ten minste één fles pinot grigio.

‘Het spijt me echt,’ zei Chris, die dichter bij me kwam zitten. Hij schoof een krukje weg van de tafel, zodat ik de anderen de rug moest toekeren als ik wilde reageren.

‘Lamaar,’ zei ik met dikke tong, en ik knoeide meteen wijn op mijn rok en wreef het erin. Het was toch witte wijn, die maakte geen vlekken. ‘Komt wel goed, hoor.’

‘Vast,’ zei Chris, en geruststellend legde hij een hand op mijn bovenbeen. Ik keek naar zijn hand, maar was er niet zeker van of ik nog over voldoende lichaamscoördinatie beschikte om die weg te duwen. ‘Je krijgt vast gauw een andere baan, Kate, je bent geweldig in wat je doet.’

‘Belankt. Ik bedoel: berankt,’ mompelde ik. De ruimte wilde maar niet stilstaan. De platen aan de muur achter Chris leken allemaal merkwaardig schuin te hangen. Ik kreeg hoofdpijn van de lichtjes van de gokapparaten.

‘Ik weet dat je denkt dat ik een wip voor een keertje was, Kate,’ zei Chris zo zacht dat verder niemand het kon horen. ‘Maar voor mij was het dat niet. Ik was… Ik denk dat ik me geïntimideerd voelde door jou. Ik durfde niet met je te praten tenzij we allebei een slok ophadden. Nu vind ik dat heel jammer. Je bent een geweldige meid.’

Ik deed mijn best zijn gezicht scherp te krijgen, maar dat lukte niet. Ik deed één oog dicht om te kijken of dat hielp, en hield mijn hoofd schuin, een beetje zoals een hond naar een speeltje kijkt.

‘Nou,’ zei ik, wankel op mijn krukje, ‘het is dan maar goed dat ik nu volkomen nuchter ben, hè?’

‘Ik meen het echt,’ zei Chris. ‘En wees niet verdrietig, je krijgt gauw genoeg een andere baan.’

‘Dat spreekt vanzelf,’ klonk een stem achter hem. Ik keek op en zag Matt boven ons uittorenen, met spottend opgetrokken wenkbrauwen. Blijkbaar vond hij het behoorlijk belachelijk ons samen te zien.

‘Matt!’ piepte ik, en ik sprong op en sloeg mijn armen om hem heen. ‘Matt, waar was je nou? Ik ben hier al eeuwen.’

Gauw stond Chris op en stapte achteruit. ‘Hoi,’ zei hij. ‘Alles kits?’

‘Ja, dank je,’ antwoordde Mat ijzig. ‘Met jou ook?’

‘Ja, alles in orde,’ zei Chris. ‘Ik ga iets te drinken halen. Kate? Matt?’

Een beetje wankel keek ik op naar Matt.

‘Ik denk dat het tijd wordt dat ik haar mee naar huis neem,’ zei Matt.

‘Ach toe, Matt, doe nou niet zo,’ zei ik smekend terwijl Chris zich uit de voeten maakte. ‘Ik wil niet naar huis. Ik wil bij mijn vrienden blijven en me bedrinken. Verpest het nou niet.’

Met een frons keek Matt me aan. ‘Volgens mij heb je je al flink bedronken, Kate. En zo te zien duurt het hier nog lang.’

Ik keek naar de tafel, naar de aluminiumfolie van de open -gescheurde zakjes chips, naar de verspreid liggende pinda’s en de lege glazen, naar de fles wijn die ondersteboven in de metalen wijnkoeler stond. Sarah lag met haar hoofd op Jays schoot en hij gebaarde over haar heen, in druk gesprek met Pete en Danny. Kirsty was in tranen met haar mobieltje aan het bellen, waarschijnlijk over haar gestolen tas. Dean van Talent had zich door de drukte heen gewerkt om op ons vertrek te drinken, als de slechte fee op een doopfeest, hij proostte op het feit dat hij ondanks alles had overleefd. Het feest was in volle gang, maar wij, om wie het toch draaide, maakten er geen deel meer van uit. Matt had gelijk, het was tijd om iedereen vaarwel te zeggen. Iedereen ging zonder ons ook wel door.