29

Ik zit in de pub met een glas wodka en soda in mijn hand en doe mijn best niet op te vallen. Dat is best lastig, want ik ben hier de enige vrouw, afgezien van het meisje achter de toog, en haar heb ik al van me vervreemd door om een schijfje verse limoen voor in mijn drankje te vragen. Verse limoen blijkt in Lyme zeldzaam te zijn en is alleen verkrijgbaar in de vorm van een ingedikt vruchtensap. Het doet me denken aan die keer dat ik eind jaren negentig terugkwam uit Londen en bij de kroeg in de buurt van mijn ouders om een wodka met cranberrysap vroeg. Eerlijk gezegd dronk ik toen altijd cosmopolitans, dat deden we allemaal, ongemakkelijk op de barkruk gezeten, ons haar op de rug gooiend en onbehaaglijk spelend dat we Carrie Bradshaw waren. Maar ik dacht dat een wodka met cranberrysap ook wel zou gaan als ik in een buitengebied was. Het duurde jaren voordat ik weer in die kroeg kon komen zonder dat de stamgasten over elkaar heen rolden van het lachen om mijn pretenties. Cranberrysap! Het is toch niet te geloven? Wie heeft daar nou ooit van gehoord?

Tegenwoordig kun je in de supermarkt van Lyme gewoon cranberrysap kopen en drinkt geen van mijn kennissen het ooit nog.

De andere gasten, alle zes, zijn mannen met bij elkaar passende truien met gaten aan, als een Lyme Regis-versie van de cameramannen met wie ik heb gewerkt. Afgezien van de truien zijn ze ook allemaal op dezelfde mannelijke manier charmant met hun vieze nagels en schoenen vol modder die eerder op wroeten in de aarde duiden dan op een gebrek aan persoonlijke hygiëne. Ze lijken elkaar allemaal te kennen en zijn zeer geïnteresseerd in wat ik in mijn eentje doe in de pub. Dat weet ik omdat het best stil is en ik de man in de trui met de meeste gaten hoor zeggen: ‘Wat zou zij hier doen?’

Ik ga zacht neuriën, geen bepaald wijsje, gewoon een geluid zodat ik niet meer kan afluisteren. Niet dat ik zo fascinerend ben, al zal mijn verzoek om limoen wel voor enige vrolijkheid hebben gezorgd, maar ik weet hoe ze hier roddelen. Of ze weten dat ik de van het rechte pad afgeweken dochter van Sandy en David ben, en in dat geval hoef ik het niet te horen. Of ze weten dat niet, en in dat geval wil ik het ook niet horen. Er komt nooit iets goeds van het afluisteren wat anderen achter je rug om zeggen.

Tralalala, neurie ik en ik probeer uit het raam te kijken, wat heel moeilijk is als het glas zo dik is met krullerige patroontjes erin. Onduidelijke gestalten komen voorbij, onmogelijk te identificeren behalve als iets wat even het schijnsel van de straat -lantaarns onderbreekt. Ik had er nooit bij stilgestaan dat de pubs in Londen opener zijn en helderder verlicht. Hun grote ramen en goede binnenverlichting zijn bedoeld om vrouwen naar binnen te lokken om te kijken hoe het daar is voordat ze weer vertrekken. Die hoeven zich niet in een duistere ruimte schuil te houden terwijl ze er het beste van hopen. Klaarblijkelijk vinden de mannen in hun truien met gaten dit het prettigst: donker, knus en prima om je in te verschuilen. Als je vrouw langsloopt, kan ze niet eens zien dat je binnen bent, en daar draait het waarschijnlijk om.

In elk geval had ik hier niet voor gekozen, Eddy stelde het voor. En omdat ik geen expert ben op het gebied van het uitgaansleven in Lyme daar ik mijn avonden meestal doorbreng met Minnie op de bank voor de tv, kon ik niets anders voorstellen.

Ik wil niet eens denken aan de laatste keer dat ik iets ben gaan drinken met een man die niet mijn echtgenoot was of een collega van het werk. Nee, echt, daar wil ik niet aan denken. Daar word ik alleen maar zenuwachtig of hysterisch van, en dat zou stom zijn omdat het gewoon iets drinken is met Dreadlock Eddy. Wat ook raar is. Hij zei dat hij plannen had gemaakt. Ik vraag me even af of we soms een fles cider op het strand gaan drinken, of on -bedaarlijk gaan lachen omdat we te veel hebben geslikt, want dat was meestal het niveau van de plannen die we maakten voordat ik Lyme voorgoed ontvluchtte.

Wanneer hij eindelijk komt en zich verontschuldigt omdat hij zo laat is, wordt hij als een maat begroet door alle mannen met truien met gaten. Die slaan hem op de rug en lachen uitbundig om iets – ik zou kunnen zweren dat het over limoenen ging, maar ik kan het ook verkeerd hebben verstaan, dus vat ik het niet persoonlijk op.

Hij komt terug met een glas bier en een spijtige glimlach. ‘Sorry, ik raakte in gesprek met de jongens van de boten. En nou ben ik dus nog later. Gaby haalde de meiden pas tegen zevenen op. Ik had je moeten bellen, maar had haast om hier te zijn.’

‘Het geeft niet,’ zeg ik. ‘We hebben alle tijd.’

En ik vind het ook niet erg. Waarom zou ik het erg vinden? Een man mag best met zijn maten spreken. Wat Matt ook denkt, ik ben niet zo’n vrouw die de aandacht van een man voortdurend opeist. Als je het mij vraagt, zou het erg vermoeiend zijn om steeds aandacht te krijgen. Iedereen heeft ruimte nodig.

‘Nou, het geeft eigenlijk wel,’ zegt Eddy. ‘Want ik heb een tafeltje voor ons gereserveerd.’

‘O ja?’ vraag ik.

‘Ja, ergens in het complex van de oude Mill. Ik denk dat het je wel zal bevallen. Het eten is er geweldig,’ zegt Eddy. ‘Ik heb gereserveerd voor acht uur.’

Hij ziet me op mijn horloge kijken.

‘Ik drink deze wel snel op,’ zegt hij terwijl hij zijn glas bier pakt. Ik kijk zeker angstig, want hij barst in lachen uit. ‘Maak je geen zorgen, ik kan ertegen. Ze noemen me niet voor niets Nuchtere Eddy.’

‘Ze noemen je helemaal niet Nuchtere Eddy,’ zeg ik. ‘Voor mij blijf je altijd Dreadlock Eddy, Eddy Curtis. Hoe vaak je je haar ook kort laat knippen.’

Hij wrijft over zijn kruin, alsof hij de geesten van de dreadlocks van lang geleden streelt.

‘Dreadlock Eddy…’ Hij grinnikt. ‘Dat lijkt al zó lang geleden.’

‘Wanneer heb je ze afgeknipt?’ vraag ik.

Nadenkend neemt hij een slokje. ‘Het laatste jaar op de universiteit. Uiteindelijk was het maar een vage haarrevolutie. Ik wilde best meneer Tegencultuur zijn totdat ik drie keer na een sollicitatiegesprek werd afgewezen. Toen gingen ze eraf.’

‘Maffe anarchist,’ merk ik plagerig op.

‘Mijn vriendin heeft ze afgeknipt na een avondje stappen,’ vertelt hij, verzonken in herinneringen. ‘Haar handen werden helemaal groen, en dat ging er pas na twee dagen af.’

‘Getsie.’ Ik trek mijn neus op.

‘Dat vond zij nou ook,’ reageert hij lachend. ‘Een week later heeft ze me gedumpt.’

‘Beviel haar niet wat er onder al dat haar bleek te zitten?’ vraag ik met een lach.

‘Zoiets,’ beaamt hij.

‘Nou, ik vind haar maar een stomkop, Eddy,’ merk ik vriendelijk op. ‘Wie had kunnen denken dat Dreadlock Eddy er zo goed kon uitzien onder al dat haar?’

Eddy snuift en drinkt zijn glas leeg. ‘Kom op,’ zegt hij. ‘We gaan.’

We zwaaien gedag naar de mannen in truien met gaten en stappen Broad Street op. Ook al is het inmiddels donker en gaat de maan schuil achter zilverkleurige wolken, er is een vaag blauwige streep aan de horizon die aangeeft waar de zee ophoudt en de lucht begint. Ik vind het fijn dat ik me plezierig nietig voel vergeleken bij de horizon, alsof mijn problemen onbeduidend en tijdelijk zijn. Het perspectief lijkt op mogelijkheden en ontsnapping te duiden. Dat dacht ik altijd toen ik jong was, en ook al ben ik terug gevlucht met de staart tussen de benen, toch geeft de horizon me hoop. En dat is een gevoel dat ik tegenwoordig bijna niet meer ken.

Het restaurant dat Eddy heeft uitgekozen is piepklein en ligt achter een kunstgalerie in het oude complex van de Mill. Er staan nauwelijks tien tafeltjes en er is maar één ober, achter wie de eenzame kok aan het werk is te zien. In tegenstelling tot de pub zit het hier stampvol. Elk tafeltje is bezet, en we moeten ons met veel verontschuldigingen langs de gasten wurmen om ons tafeltje achterin te bereiken. Er klinkt geroezemoes. Niet dat je kunt horen wat anderen zeggen, zodat je zelf ook vrijuit kunt praten. Er hangt ook een verwachtingsvolle sfeer over de gerechten die in aantocht zijn. Waarschijnlijk zijn die een beetje van het niveau van het deftige restaurant Hix bij de Cobb, waar vooral bezoekers vanuit Londen komen omdat de plaatselijke bevolking wit wegtrekt bij de gedachte twintig pond te moeten neertellen voor een stukje vis. Maar dit drukke hoekje in de Mill heeft de uitstraling van iets veel groters.

Eddy pakt de menukaart op terwijl de ober water voor ons inschenkt.

‘Het is hier leuk,’ zeg ik.

Er verschijnen pretlichtjes in Eddy’s ogen. ‘Je hoeft niet zo verbaasd te doen,’ reageert hij. ‘Lyme is sterk veranderd sinds je hier woonde.’

‘Ik kwam best af en toe terug, hoor,’ zeg ik verdedigend. ‘Ik ben hier heus wel geweest. Alleen was ik dan bij mijn ouders. En die kenden dit tentje vast niet.’

‘O jawel,’ zegt Eddy. ‘Ze zijn hier vaak genoeg geweest. Gaby en ik hebben ze hier minstens twee keer gezien, en toen leken ze er bekend mee te zijn.’

‘Sandy en David?’ vraagt de ober, die met een blocnote bij ons is komen staan. ‘O ja, die zijn hier vaak. En dan hebben ze het over jou. Jij bent toch Kate uit Londen?’

Meelevend houdt hij zijn hoofd schuin. De uitdrukking op zijn gezicht toont niet alleen medelijden, maar ook kennis van mijn omstandigheden.

Ik vraag me af of het iemand in Lyme ooit lukt een stiekeme verhouding te hebben of iets anders te doen dat strikt geheim moet blijven. Kennelijk kan ik de voordeur niet door zonder een volkomen vreemde tegen het lijf te lopen die precies weet wie ik ben en wat er zich allemaal afspeelt in mijn leven. En te bedenken dat ik dacht dat Lyme zo was veranderd…

‘Ik heet Stephen,’ zegt de ober. ‘Willen jullie wijn?’

‘Kate?’ vraagt Eddy, en hij biedt me de wijnkaart aan.

‘Kies jij maar,’ zeg ik met mijn blik op het menu.

‘O… Maar ik weet niet veel van wijn,’ zegt Eddy.

‘Ik ook niet.’ Ik lach naar hem. ‘Ik vind alles best.’

Stephen klemt zijn lippen op elkaar en grist de wijnkaart uit Eddy’s hand. ‘Nou, ik weet wel iets van wijn, dus als jullie mij nou eens vertellen wat jullie willen eten, dan kies ik de wijn erbij.’

Opgelucht grijnst Eddy naar hem, en hij belooft ons iets te brengen wat ons allebei zal plezieren. Eigenlijk zal alles met alcohol erin me plezieren, maar dat zeg ik niet omdat hij ervan lijkt te genieten om moeite te doen.

‘Gek, dat ik hier nu zit met Kate Bailey,’ zegt Eddy. Hij breekt een stukje af van het warme brood dat voor ons neer is gezet.

‘O, hou toch op!’ zeg ik, maar wel luchtig. ‘Echt, hoor, Eddy, als je wilt dat we vrienden zijn moet je het niet steeds over het verleden hebben. We zijn nu heel andere mensen. Laten we over iets anders praten.’

‘Over wat dan?’

‘Over het heden,’ antwoord ik vastberaden, en ik smeer boter op mijn stukje brood en neem een hap. De boter is heerlijk, en er zitten zoutkristalletjes in die knarsen tussen mijn tanden.

‘Hm,’ zegt Eddy. ‘Om eerlijk te zijn is mijn heden behoorlijk klote. Daarom heb ik het aldoor over vroeger op school en zo. Toen was alles veel eenvoudiger, vind je ook niet?’

Ik haal mijn schouders op. ‘Misschien, in sommige opzichten.’

Vragend kijkt Eddy me aan.

‘Het heden,’ herhaal ik. ‘Laten we het vanavond over het heden hebben. Vertel eens wat er tussen jou en je vrouw is voorgevallen. Gaby, zo heet ze toch? Hoelang waren jullie getrouwd?’

Eddy ademt uit. Het is geen zucht, maar eerder alsof hij alles eruit gooit, alsof hij zich ervan wil ontdoen. ‘Tien jaar?’ zegt hij, en ik vraag me af waarom hij dat als een vraag laat klinken, alsof hij er niet zeker van is. Alsof hij niet kan geloven dat het voorbij is, of alsof hij niet kan geloven dat het ooit zo was?

‘Wauw! Tien jaar! Joh, dan was je een kindbruidegom. Bestaat dat? Ik weet dat je kindbruiden hebt, dan moeten er ook kindbruidegoms zijn.’

Eddy schiet in de lach. ‘Ik was drieëntwintig. Ja, dat is best jong eigenlijk. Maar we dachten: waarom zouden we wachten? We houden van elkaar – nou ja, het gebruikelijke. Voor ons zou alles anders zijn, snap je?’

‘Dat snap ik,’ zeg ik.

‘En jij?’

‘Anderhalf jaar,’ antwoord ik. Dat klinkt helemaal niet lang. Zeker niet vergeleken met tien jaar. En geen kinderen ook nog. ‘Ja, we waren beginners. Maar ik denk dat wanneer het voorbij is, dan is het voorbij. Dan moet je verder. Het heeft geen zin het voort te laten slepen als je allebei weet dat het voorbij is.’

Eddy knijpt in een stukje brood en maakt er een balletje van.

‘Het is anders als er kinderen zijn,’ zegt hij gesmoord. ‘Ik had het eeuwig willen laten voortslepen als ik maar thuis kon blijven, bij hen. Maar Gaby dacht er net zo over als jij. Ze denkt er net zo over. Verdergaan.’

Hij maakt een zielig handgebaar, alsof zijn hand opstijgt van tafel.

‘O… Sorry,’ zeg ik. ‘Je hebt gelijk. We zouden het beter over onze schooltijd kunnen hebben. Het heden is waardeloos, hè?’

‘Daar drink ik op,’ zegt Eddy, en we klinken.

Tegen de tijd dat de ober met het voorgerecht komt, zijn we al aardig op weg om dronken te worden. Nou ja, van Eddy weet ik het niet, maar ik ben druk op weg, ik sla de glazen achterover alsof het een voorgeschreven medicijn is. Ik heb het gevoel dat ik al weken stijf sta van de zenuwen en dat de alcohol in mijn aderen alles losmaakt en me het gevoel geeft dat het wel in orde zal komen. Ik weet niet of ik me morgen ook nog zo zal voelen, maar deze avond kan dat me niet schelen. Het is fijn om er eens uit te zijn, om een vriend in Lyme te hebben, om weer een leven te hebben in plaats van me te verstoppen voor het leven dat ik had.

‘Ontzettend lekkere ansjovis,’ zeg ik, en ik pak nog een miniem visje in een deeglaagje van mijn bord. Met mijn vingers. Het doet me aan iets denken, maar ik weet niet wat.

‘Ik zei toch dat het eten hier geweldig is?’ zegt Eddy.

‘Niet alleen geweldig, maar ongelooflijk,’ zeg ik. ‘Dit is het beste maal dat ik in jaren heb gehad.’

‘O, dat komt door het gezelschap,’ zegt hij. ‘Het eten is eigenlijk gemiddeld, maar door het gezelschap lijkt het ongelooflijk. Dat effect heb ik altijd op vrouwen.’

‘Dan verwondert het me dat je me niet mee naar McDonald’s hebt genomen,’ reageer ik. ‘Als alles verrukkelijk smaakt, waar we ook zijn, had je me wel mee kunnen nemen naar iets goedkopers.’

Eddy snuift en pakt zijn wijnglas. ‘O ja, ik zie Kate Bailey al op de eenvoudige toer in de snackbar. Ik weet hoe je bent; elk weekend een andere deftige tent. Met een wijnkaart zo lang als je arm. En zo’n soort vegertje om de kruimels mee van de tafel te halen.’

‘Ik heb mijn eigen vegertje bij me, uiteraard,’ zeg ik. ‘In mijn tas. Ik ben graag goed voorbereid.’

‘Even serieus… Je vindt het vast stil in Lyme na wat je gewend bent.’

Ik denk even na. Stil? Na wat ik ben gewend, is het juist het tegenovergestelde. Ik strijk het tafelkleed glad, het stevige linnen voelt ruw onder mijn vingers, als een paardenharen hemd. De textuur heeft iets aangenaams, en even vraag ik me af of het zo erg zou zijn om een paardenharen hemd te dragen. Een manier om je zonden altijd te voelen in plaats van er ineens door te worden overvallen wanneer je daar niet op bent voorbereid.

‘Ooit, misschien,’ antwoord ik. ‘Maar om heel eerlijk te zijn ging ik niet vaak uit tegen de tijd dat ik wegging. Ik… Nou ja, ik bleef veel thuis. Matt had Minnie voor me gekocht, de puppy, en dat bond me aan huis. Ik vond het niet prettig om haar ’s avonds alleen te laten. Ze kauwde op dingen, en ik kon aan haar zien dat ze het niet fijn vond om alleen te worden gelaten.’

‘Denk je dat hij dat expres heeft gedaan?’ vraagt Eddy.

Ik sper mijn ogen wijd open. ‘Dat hij een hond heeft gekocht om me binnen te houden?’

Eddy knikt.

‘Nee!’ Ik moet erom lachen. Alsof Matt me aan een stoel had vastgebonden met de riem van de hond en me had verboden ooit nog uit te gaan. ‘Nee, ik bedoel… O, daar had ik nooit bij stil -gestaan. Ik denk dat hij het tegenovergestelde voor ogen had, dat hij dacht dat ik meer uit huis zou gaan. En toen ergerde het hem dat ik juist meer thuisbleef.’

Eddy veegt met zijn vinger het laatste restje saus van zijn bord. ‘Waarom vond hij dat je meer het huis uit moest?’

‘O, dat is een lang verhaal,’ antwoord ik.

‘Dat vind ik niet erg,’ reageert Eddy.

Het ligt op het puntje van mijn tong om te zeggen dat ík het wel erg vind. Maar misschien ligt het aan de alcohol, of het avondje uit waar ik niet meer aan gewend ben, dat ik toch begin te vertellen.

‘Hij kon niet aanvaarden dat alles was veranderd,’ zeg ik. ‘Hij dacht dat ik altijd het feestbeest zou zijn dat ’s avonds uitging en overdag heel hard werkte. Hij kon er niet tegen dat ik volwassen werd en het rustiger aan deed.’

Eddy fronst zijn voorhoofd. ‘Hij was boos op je omdat je het rustiger aan deed?’ vraagt hij, alsof hij het verkeerd heeft verstaan.

In Eddy’s ogen zie ik dat ik altijd de wilde meid zal blijven die hij van vroeger kent.

‘Je had me moeten zien, Eddy,’ zeg ik plagerig. ‘Met een schortje voor de trapleuning poetsen. Ik heb zelfs een kookcursus gevolgd. Voor gevorderden. Als ik iets doe, doe ik het goed.’

Eddy verslikt zich in zijn wijn. ‘Echt?’

‘Ja… Idioot, hè? Ik dacht: wat er ook nodig is om een goede echtgenote te zijn, dat ga ik leren! Ik gaf er alles voor op. Mijn carrière, mijn vrienden en vriendinnen, mijn sociale leven.’

‘Vroeg hij dat van je?’ Eddy kijkt ontzet.

‘Dat vroeg hij niet,’ moet ik toegeven. Hoe kwaad ik ook op Matt ben, ik kan niet net doen alsof hij een prefeministische holbewoner was die me aan mijn haren de keuken in sleurde en me vastketende aan het fornuis. ‘Dat hoefde hij niet. Je weet dat het belangrijkste in een huwelijk vaak de dingen zijn die ongezegd blijven.’

Eddy knikt begrijpend.

‘Hij zei altijd dat ik te veel tijd stopte in mijn werk en te weinig in onze relatie. Dus ik deed het voor ons. Voor onze toekomst samen. En toen veranderde hij als een blad aan de boom en zei dat ik iemand anders was geworden. Na alles wat ik voor hem had gedaan.’

‘Dat klinkt niet erg eerlijk,’ zegt Eddy trouw.

‘Hij waardeerde het niet. Hij zei steeds dat ik was veranderd, maar hij zag niet in dat relaties moeten veranderen om verder te kunnen gaan.’

Eddy glimlacht spijtig. ‘Kinderen dwingen je tot die verandering,’ zegt hij.

Ik pak mijn wijnglas op en leg mijn handen eromheen, alsof ik de wijn via mijn handpalmen wil absorberen. Ik staar in de wijn, ik kijk naar het schijnsel van de kaarsen dat erin wordt weerkaatst, steeds in beweging.

‘Nou ja, wij kregen geen kinderen,’ zeg ik. Luchtig, weer heel luchtig. ‘Ooit leek dat een tragedie, maar nu vraag ik me af of het soms een teken was. Een teken dat er niks van zou komen. We zouden niet krijgen wat we van elkaar wilden.’

Eddy kijkt verward, en dat is niet verbazend omdat ik opeens ben overgestapt op gevaarlijke, door alcohol geïnspireerde filosofische overpeinzingen. Straks beweer ik nog iets geks over de wet van de aantrekkingskracht of andere zweverige onzin.

‘Of misschien lag het aan mijn vijandige baarmoeder,’ zeg ik met een geforceerd lachje.

Ik weet dat de beste manier om Eddy van het onderwerp van mijn mislukte huwelijk af te leiden is het op een doodlopend stuk gesprek te laten stuiten. Een doodlopend stuk met een voor mannen angstwekkende opmerking over gynaecologie. Baarmoeder is niet het ergste wat ik had kunnen zeggen, vooral niet tegen een man die twee dochters heeft geboren zien worden, maar zoals ik al had gehoopt trekt Eddy wit weg, verandert van onderwerp en redt de avond.

Het is maar goed dat het eten buitengewoon is en dat we net zoals de meeste gasten alles kunnen bewonderen en niet meer over onszelf hoeven te praten. De vis komt aanzetten in een kom met zeekraal met in de takjes kleine roze krulletjes garnaal. Er zit veel boter bij en ik kan slechts de helft op, en toch hebben we allebei nog net plek voor een dessert: een schaaltje voor twee met vanilleroomijs, opgediend met een heerlijk warme en iets zoutige karamelsaus die ik verder alleen in mijn dromen zal tegenkomen.

Ik vind zulke gesprekjes prettig. We zijn gewoon in het heden, we waarderen het eten, en we hebben geen verborgen agenda en er suddert ook niets net onder de oppervlakte. Voordat ik uit Londen vertrok, waren de maaltijden altijd moeizame momenten.

Ik deed erg mijn best Matt te behagen, en ik liet hem dan ook weten wat voor moeite ik had gedaan opdat hij goed begreep welke techniek was gebruikt om de zabaglione te bereiden. Per slot van rekening had ik de kookcursus toch vooral voor hém gedaan, nietwaar? Matt moest erg lachen toen hij een schort voor me kocht met het logo van MasterChef erop, en ik lachte met hem mee toen hij de presentatoren nadeed, hoewel hij ook de indruk wekte me niet helemaal serieus te nemen. Ik vond de culinaire drama’s van de deelnemers niet om te lachen, ik huilde met hen mee als de soufflé inzakte of ze het blad met taartjes lieten vallen vlak voordat ze moesten worden opgediend, of wanneer het lamsvlees in het midden nog koud en rauw was. Ik begreep wat het betekende om je ziel en zaligheid op een bord te presenteren en je adem in te houden terwijl iemand proefde. Maar in tegenstelling tot de koks op tv die in elke aflevering meer lof van de presentatoren kregen toegezwaaid, leek het dat hoe meer ik mijn best deed, des te minder het Matt opviel. Of des te minder het hem kon schelen, kan ik beter zeggen. Maar is dat niet hetzelfde?

En na een poosje kwam hij helemaal niet meer thuis.