44

Ik had gedacht dat mijn leven opnieuw zou beginnen toen ik eindelijk mijn fouten achter me had gelaten alsof ze nooit hadden bestaan. Ik had gedacht dat ik met een schone lei vol zelfvertrouwen een nieuwe start zou kunnen maken, zelfbewust en zo. Ik dacht dat er in mijn leven geen plek was voor dwalingen, dat vergissingen begaan je bestempelden als slecht. Maar nu denk ik er heel anders over, namelijk dat onze fouten ons maken tot wie en wat we zijn. Dat anderen ondanks je fouten van je kunnen houden of misschien wel juist vanwege je fouten, en dat die mensen degenen zijn die je kunt vertrouwen.

Ik weet niet wat ik had verwacht toen ik eindelijk de waarheid vertelde. Dat mijn familie me het huis uit zou trappen, overdekt met schande? Dat ze me zouden kaalscheren en me over de Cobb laten paraderen zoals na de oorlog werd gedaan met vrouwen die met Duitse soldaten het bed hadden gedeeld? Tot mijn verdediging moet ik aanvoeren dat ik nooit echt had gelogen. Iedereen nam van alles aan, en het leek makkelijker hen maar dingen te laten aannemen dan mijn eigen ranzige gedrag op te biechten.

Uiteraard was mijn zusje razend, maar ik was dan ook niet erg aardig voor haar geweest toen werd aangenomen dat ik slachtoffer was van een echtgenoot op de versiertoer, en het was dus geen grote verrassing dat er geen troostende woorden van haar kant kwamen nu was onthuld dat ík op de versiertoer was gegaan. Wat me wel verraste was haar volharding dat het niet te laat was er iets aan te doen. En dat Ben het met haar eens was. Geen van beiden snapte waarom ik me in Lyme Regis verschool en me met hun relatie bemoeide in plaats van de mijne in orde te maken. Toen mijn ouders en mevrouw Curtis zich voegden bij het koor dat me voorhield dat ik mijn fouten onder ogen moest zien, drong tot me door dat ik in Lyme Regis geen rustig moment zou hebben als ik niet deed wat ze zeiden.

Het drong ook tot me door dat ze een confrontatie wilden tussen mij en het verleden, niet als een straf, maar omdat ze om me gaven – zelfs Prue – en dat ze wilden dat ik leerde aanvaarden wat ik had gedaan. Dat de weg voorwaarts zonder mijn fouten te accepteren nergens toe zou leiden.

Dus heb ik Minnie bij mijn ouders achtergelaten. Ik heb een tas gepakt, hoewel ik niet weet of ik wel in Londen zal overnachten. Of sowieso waar. Het is alsof ik mijn vlucht uit Londen van een maand geleden terugdraai, alleen heb ik deze keer de auto van mijn moeder geleend en reis ik niet per trein. Ik wil zeker weten dat ik meteen weg kan, mocht het allemaal fout lopen.

Terwijl ik door het New Forest rijd, spreek ik met mezelf af dat als het zo miserabel verloopt als ik vermoed, ik mag gaan slapen in het duurste hotel dat ik me kan veroorloven. Een laatste hoera met mijn afscheidsbonus. Ik zal mijn verdriet verdrinken met wat er in de minibar staat, en ik zal in bad gaan met alle luxeartikelen die zich in de badkamer bevinden. En als het slechter gaat dan ik me kan voorstellen, kan ik me altijd nog in bad verzuipen.

Het wordt tijd dat ik de puinhoop onder ogen zie. Mijn vader heeft gelijk. Er is niets rechtgebreid terwijl ik me verstopte in Lyme Regis. Ik moet alles rechtbreien, en wel nu. Heel even denk ik erover om aan de kant van de weg te stoppen om over te geven. Wanneer ik van weggedeelte wissel, toetert de vrachtwagen achter me kwaad. Best, hoor, denk ik, jouw ergernis is nog niks vergeleken bij wat me straks te wachten staat. In elk geval ben ik door deze afleiding minder misselijk en kan ik gewoon doorrijden.

Onder het autorijden kan ik vaak het best denken. En zingen, want er bestaat geen betere plek om je longen voluit te oefenen op de hoge noten waar niemand je kan horen. Maar deze keer zing ik niet, en niet alleen omdat mijn moeder te veel cd’s van Michael Bublé heeft naar mijn smaak. Deze trip is bedoeld om te denken. Ik vertrouw mezelf niet om het juiste te zeggen als ik niet eerst heb geoefend. Dus oefen ik de gesprekken steeds maar weer, hardop, gesprekken waarbij ik tegenover woede kom te staan, of verdriet, of een gesloten deur, dichtgesmakt voor mijn neus. Ik overweeg wat ik moet doen als er niemand thuis is. Hoelang moet ik voor de deur in de auto blijven wachten? Wekt dat niet de indruk dat ik wanhopig ben? Maar ik bén ook wanhopig. Misschien zou ik me daarvoor niet moeten schamen. Misschien helpt het om te laten zien dat ik bereid ben heel ver te gaan om mijn spijt te betuigen.

Tegen de tijd dat ik de afslag heb genomen ben ik iets besluitelozer, maar toch blijf ik gas geven en rij door. Althans, ik probeer door te rijden. Het verkeer beweegt zich langzaam, en het regent, en dan vergeet half Londen hoe je ook weer moet autorijden. Iedereen lijkt boos en agressief; er wordt getoeterd, en voetgangers steken in het wilde weg snel over, waardoor ik op de rem moet gaan staan. Hoe langer ik moet wachten in de file op Euston Road, kijkend naar de ruitenwissers die tik-tak heen en weer gaan, des te griezeliger het allemaal lijkt. Ik stel mezelf bloot, en het risico bestaat dat mijn excuses niet worden geaccepteerd.

Ik vind bij het huis onmiddellijk een parkeerplek. Dat moet toch een teken zijn. Ik maak de gordel los en blijf een poosje in de stille auto zitten om te overdenken wat ik als eerste zal zeggen. Binnen is het licht aan, dus weet ik dat hij thuis is. Ik besef dat er ook iemand bij hem kan zijn, en daar had ik bij mijn imaginaire gesprekken geen rekening mee gehouden.

Als het niet zo ijskoud werd nu de verwarming uitgeschakeld is, zou ik hier eeuwig kunnen blijven zitten. Maar of het nou uit berouw is of uit angst voor onderkoeling dat ik het portier open, maakt eigenlijk niets uit. Wat wel uitmaakt, is dat ik de straat oversteek met mijn handen diep in mijn zakken, alsof ik er anders als een gek hysterisch mee zou gaan zwaaien. De onderste helft van mijn gezicht gaat schuil achter mijn das, maar de wind blaast mijn haar uit mijn gezicht, alsof de elementen samenspannen om er zeker van te zijn dat ik me niet kan verbergen.

Ik druk op de bel en spits mijn oren. Ik hoor niets. Ik wacht een hele minuut. Dat weet ik omdat ik mijn horloge in de gaten houd. Maar eigenlijk voelt het langer. Het lijkt bijna komisch dat ik hier in grote haast naartoe ben gereden en dat hij er dan niet is. Ik bel nog eens aan, en dan draai ik me om en ga de treden naar de straat weer af.

Op de onderste tree hoor ik de deur opengaan. Ik draai me snel terug voordat hij de deur kan dichtslaan.

‘Hoi, Kate,’ zegt hij. Hij ziet er geschokt uit.

‘Hoi, Chris,’ zeg ik zo rustig mogelijk. ‘Mag ik binnenkomen?’

Het duurt maar een halfuur. Nee, nog niet eens. O god, denk je nou echt dat ik niets heb geleerd terwijl ik verstopt zat in het plaatsje waar ik ben geboren? Denk je nou echt dat wanneer ik uitkeek over zee ik van het uitzicht genoot of werkte aan mijn impressie van de French Lieutenant’s Woman? Kom op, zeg. Ik bedoel, het duurde maar een halfuurtje om Chris mijn excuses aan te bieden.

Ik besef dat Sarah dacht dat hij de grote boef was, de opportunistische opschepper die me altijd op een dieptepunt wist te pakken. Maar het was net zo goed míjn schuld. Hij had de wijn niet bij me naar binnen gegoten; ik had de wijn uit eigen, vrije wil gedronken. Ik wilde uitwissen wat ik dacht dat er tussen Matt en Sarah gebeurde, en Chris was de onwetende bliksemafleider van mijn woede. Die nacht had ik tegen Sarah gezegd dat ze het moest opbiechten. Nu is het mijn beurt. Ik kan niet alles wat ik heb gedaan ongedaan maken, maar ik kan het wel onder ogen zien en hoewel ik besef dat het maar een heel klein ding is, kan ik wel zeggen dat het me spijt.

Wanneer Chris eenmaal is hersteld van de schrik en het tot hem is doorgedrongen dat ik niet tegen hem ga gillen of dronken met hem in de badkamer geslachtsverkeer wil, reageert hij best goed. Ik bedoel daarmee dat hij op de bank gaat zitten en me aanhoort zonder me in de rede te vallen. En toen mijn toespraak was afgestoken, zei hij: ‘Oké.’

Dat is meer dan ik verdien. Iets anders had ik ook niet verwacht. Maar wanneer ik wegga – ik moet vanavond nog meer mensen af – verrast Chris me door mijn zedige kusje op zijn wang te veranderen in een echte omhelzing, een stevige waardoor ik bijna word platgedrukt. Er is niets seksueels aan, het voelt meer als de daad van een zorgzame vriend. Raar, hoor.

‘Je bent een dappere meid, Kate,’ zegt hij als hij me loslaat. ‘Ik vind je erg dapper.’

Ik bedank hem en ik zwaai naar hem wanneer ik terugloop naar de auto. En toch maak ik me er zorgen over.

Dapper is toch bijna altijd een eufemisme voor krankzinnig? Dat je bijvoorbeeld een wreed spectaculair kapsel hebt, echt dapper van je. Of dat het dapper was van Paul om de Kilimanjaro in een Speedo te beklimmen. Heb je gehoord van die gozer die twee gewapende overvallers met slechts een verkeerskegel van zich af sloeg? Dapper! Maar ook krankzinnig.

Ik kan niet ontkennen dat ik misschien een grove fout bega door onaangekondigd te verschijnen. Maar ik heb al zoveel fouten gemaakt dat er best eentje bij kan. Ik heb mezelf moeilijke vragen moeten stellen om hiertoe in staat te zijn. Verontschuldig ik me voor mezelf of voor hen? Ik zou graag altruïstisch willen overkomen, dat ik spijt betuig aan degenen die ik kwaad heb gedaan, maar dat zou gelogen zijn. Ik doe het ook voor mezelf. Ik weet alleen niet of het meer voor mezelf is dan voor hen. Of ik koste wat het kost vergeven wil worden.

Ik had mezelf bijna ervan overtuigd om maar niet te gaan, dat Matt beter af is zonder mij. Maar toen herinnerde ik me zijn telefoontjes met mijn ouders en zijn brief waarin hij me smeekte met hem te praten, en ik dacht dat dat wel het minste is wat ik kon doen: even met hem praten.

Met Chris praten was niet moeilijk omdat er zo weinig op het spel stond. Ik weet niet of ik hem ooit weer zal zien, en het kan me eigenlijk weinig schelen. Het gaat erom dat we op een goede manier afscheid hebben genomen, en mocht ik hem weer tegenkomen dan is er voor ons allebei niets om ons over te schamen. Ik kan niet bepaald zeggen dat ik naar de Crown zal rennen om daar rond te hangen met hem en zijn maten; als ik ooit tegenover hem sta, is dat prima.

Met Sarah praten zal lastiger zijn, maar ze is niet thuis. Jay is er ook niet. Ik had haar eerst op haar mobieltje moeten bellen, maar ik wilde haar niet de kans geven om te reageren met dat ze me niets meer te zeggen heeft. Nadat ik een briefje met mijn verontschuldigingen door de brievenbus heb gedaan, blijf ik buiten het flatgebouw staan en kijk ik op naar de donkere ramen terwijl ik denk aan de laatste keer dat ik hier was. Ik herinner me dat ik vroeg in de ochtend de deur uit ben gestrompeld, met een kater en misselijk van spijt, in mijn belachelijke jurkje met een geleend vestje erover. Ik had wel eerder ergens spijt over betuigd, maar dat was niks vergeleken met nu. Het verdriet maakt dat ik me bijna buig van ellende, en ik moet op de treden gaan zitten en mijn hoofd in mijn handen verbergen. Ik adem sidderend. Het voelt alsof ik geen lucht krijg; de sjaal zit te strak om mijn nek, ik moet hem wegrukken.

Ik hou me vast aan de metalen leuning. Maar me vasthouden aan het kille metaal brengt me terug tot de werkelijkheid.

Er verschijnt een boze oude vrouw bij de voordeur van het gebouw. Ze is gekleed in een ochtendjas en ze zwaait met een bezem.

‘Ga hier weg!’ schreeuwt ze. ‘Rottige niksnutten… Rot op, anders bel ik de politie!’

Voor het eerst valt het me op dat er op de grond allemaal sigarettenpeuken liggen, en onder de struiken zie ik ingedeukte blikjes. Geweldig, nu denkt ze dat ik dakloos ben. De tekenen voor mijn volgende verontschuldigingen wijzen niet op veel goeds.

‘Pas op, hoor, of ik kom naar beneden,’ zegt de vrouw met de bezem waarschuwend. Ze duwt de bezem in mijn richting, en ik besef dat ze echt bang voor me is, dus verontschuldig ik me – ik word daar al best goed in – en schuifel weg naar de auto.