30
Londen
Opgekruld op de bank, mijn hoofd rustend op Matts knieën, deed ik mijn ogen dicht. Volgens mij keek hij ook niet echt tv. Ik voelde zijn hand zacht over mijn haar gaan.
Ik vroeg me af of het een slecht teken was dat ik me tegenwoordig alleen dicht bij Matt voelde als we allebei zwegen.
De laatste tijd leken onze gesprekken uit een sitcom te komen. Het ging van: ‘Dag schat, hoe was het op je werk?’ ‘Goed, dank je wel, lieverd, en wat zie je er mooi uit.’ We schaatsten om het feit heen dat ik geen baan had en dat Matt het had opgegeven naar nieuwe ontwikkelingen te vragen. Hoewel we minder ruziemaakten, voelde ik me toch ellendiger, alsof we twee beleefde onbekenden waren die samen een huis deelden. We hielden rekening met de ander om de huiselijke vrede te bewaren, niet omdat we van elkaar hielden.
‘Dit is fijn,’ mompelde ik toen hij met zijn vingers door het haar bij mijn slapen ging.
Matt gromde iets, en dat nam ik aan als blijk van instemming. ‘Matt?’ Ik pulkte aan een grijs draadje dat uit een naad van zijn broek piepte. Het zat goed vast.
‘Mmm?’
‘Matt, zou je het prettig vinden als ik vaker ging koken?’ Ik krulde het draadje om mijn vinger om er meer greep op te krijgen.
‘Och ja,’ antwoordde hij. ‘Wie kon hebben gedacht dat je het in je had? Je doet het geweldig.’
‘Ik vind het leuk.’ Het draadje knapte. ‘Nooit gedacht dat ik er plezier aan zou beleven, maar het is wel zo. En het is fijn dat de ijskast tegenwoordig altijd goed gevuld is, hè? En dat er elke week verse bloemen staan.’
‘Mm, ja,’ zei Matt. Ik verdacht hem ervan dat het hem niet was opgevallen, maar als ik hem erop moest wijzen, dan deed ik dat.
Ik ging in kleermakerszit zitten. ‘Ik vind ons huis meer een thuis sinds ik niet meer bij Hitz werk,’ zei ik. ‘Vind je ook niet? Het is een verwelkomend huis, niet iets waar we onze koffers neerzetten in afwachting van de volgende reis.’
‘Het is een geweldig huis, Kate,’ zei Matt plichtmatig.
‘Alleen zat ik te denken…’ Ik draaide aan een pluk haar voor mijn gezicht.
Matt strekte een arm uit over de kussens tegen de rugleuning van de bank en leunde naar achteren. Langzaam verscheen er een glimlach op zijn gezicht. ‘Zeg het maar.’
‘Wat?’
‘Je bent ergens naartoe aan het werken, dat merk ik heus wel.’
‘Ik wil alleen maar zeggen dat werkloos zijn ook goede kanten kan hebben. Ik waardeer meer wat we thuis hebben. Daar ben ik echt dankbaar voor.’
Matt trok een wenkbrauw op. ‘En?’
Ik pakte een kussentje en hield het beschermend tegen me aan. ‘En, nou ja, oké, je weet toch dat ik een paar maanden geleden ben opgehouden met de pil…’
Eerst keek hij ongelovig, toen dolblij. ‘Ben je zwanger?’ riep hij uit. ‘O god, je bent zwanger!’
‘Nee!’ zei ik gauw. Het was hartverscheurend om Matt zijn best te zien doen niet te tonen hoe teleurgesteld hij was. Maar het maakte het ook makkelijker om te zeggen wat ik daarna wilde zeggen. Recht op de man af om iets vragen is nooit mijn sterkste kant geweest.
‘Nee, uiteraard ben je niet zwanger. Slecht getimed,’ zei hij.
‘Denk je?’ vroeg ik, het kussentje nog steviger omklemmend. Ik liet het haar voor mijn gezicht vallen. ‘Want ik dacht dat misschien… Misschien is geen baan kunnen vinden wel een soort teken of zo. Misschien is het niet de bedoeling dat ik meteen weer aan het werk ga.’
‘Het is niet “meteen weer”,’ zei Matt. ‘Het is na een halfjaar.’
‘Weet ik.’ Ik hapte niet.
‘Ik wil je niet op de kast jagen,’ zei Matt. ‘Ik wil alleen maar zeggen dat je uiteraard je werk mist.’
‘Ik weet niet of ik het werk wel heb gemist,’ zei ik, ‘of alleen een doel in het leven. Stel dat ik vanaf nu een ander doel ga nastreven? Als ik toch het werk moet opgeven voor het zwangerschapsverlof, kan ik net zo goed een tijdje vrij nemen terwijl we mijn ontslagvergoeding hebben om op terug te vallen.’
Matt schonk nog een glas wijn in. De fles was al nagenoeg leeg.
‘Die vergoeding blijft niet eeuwig duren,’ zei hij. ‘Waarom neem je in de tussentijd niet een paar projecten aan? Geen volledige baan, want ik weet dat die lastig te vinden zijn, maar je zou het toch niet helemaal willen opgeven?’
Ik slaakte een zucht. ‘Het is geen opgeven, Matt. Het geeft ons een kans. Snap je het niet? We zagen elkaar nauwelijks totdat ik werd ontslagen. We waren in verschillende werelddelen, we bevonden ons in andere tijdzones. Dat zou niet kunnen als we een kind hadden. Ik probeer aan de toekomst te denken, zie je.’
Matt keek niet erg overtuigd, met verbijsterde rimpels in zijn voorhoofd.
‘Kom op, Matt, je zei zelf dat je me helemaal wilde, niet alleen mijn werk. Dat is wat ik probeer.’
‘Ik weet het niet, hoor,’ reageerde Matt. ‘Ik bedoelde niet dat je alles moest opgeven. Je bent dol op je werk, je hebt er altijd voor geleefd. Ik maak me gewoon zorgen dat je een kind wilt om de verkeerde reden.’
‘Wil jíj dan geen kind?’ snauwde ik. ‘Ik dacht dat we allebei een kind wilden.’
‘Kate,’ zei Matt op vriendelijke toon, ‘natuurlijk wil ik een kind. Ik beweer niet dat ik geen kind wil… Maar weet je zeker dat het nu het moment is om eraan te beginnen? Weet je zeker dat het niet is omdat je zenuwachtig bent omdat je nog geen nieuwe baan hebt? Het hoeft geen keus te zijn tussen een kind of werk; er moet evenwicht zijn.’
Zie je wat ik bedoel? Elke keer dat we afweken van ons sitcom-script, kregen we ruzie. Hij maakte altijd bezwaar tegen mijn besluiten, ook al nam ik die met de beste bedoelingen, voor ons allebei.
Ik hield mijn stem rustig en geduldig. Ik had hier de hele week op geoefend terwijl hij weg was.
‘Ik dacht alleen dat als je iets doet, je het ook goed moet doen. Het heeft geen zin er niet helemaal voor te gaan. Kom op, Matt. We willen het allebei. Laten we het serieus aanpakken en echt een poging wagen in plaats van alleen maar te hopen.’
In stilte keek hij me een poos aan, toen lachte hij een beetje. ‘Is dit een vraag, of een bevel?’
‘Een vraag?’ antwoordde ik op mijn hoede.
‘Goed zo. Ik zou het niet prettig vinden als je hier al toe had besloten zonder dat we het hebben besproken.’
Ik vroeg me af of hij de tabletten foliumzuur in de badkamer had gezien. Ik wist toch zeker dat ik ze had verstopt achter de wcreiniger waar hij ze nooit zou vinden.
‘Matt,’ hield ik vol terwijl ik zijn handen in de mijne nam, ‘ik doe het voor óns.’
‘Ga je een voortplantingsrooster voor me opstellen?’ vroeg hij met lachrimpeltjes om zijn ogen.
Ik wist dat ik hem te pakken had.
‘Een streng schema,’ zei ik terwijl ik op de bank tegen hem aan schoof.
‘In een witte jas? En met een klembord, en met een bril op?’
‘Wil je graag dat ik een witte jas draag, een klembord vasthoud en een bril op mijn neus heb?’
‘O ja.’ Hij knikte. ‘Dat is essentieel. We moeten dit per slot van rekening grondig aanpakken.’
‘Even serieus. Ik wil niet dat je denkt dat er plezier aan te beleven valt,’ merkte ik plagerig op. Ik nam plaats op zijn schoot en sloeg mijn armen om zijn nek.
‘Natuurlijk niet,’ beaamde hij met een lachwekkend ernstige uitdrukking op zijn gezicht.
Met een grijns bewoog ik mijn gezicht naar het zijne. Ik wist wel dat ik hem zou kunnen bepraten. Langzaam liet ik mijn tong over zijn oor gaan en drukte vervolgens een kus in zijn hals.
‘Nou, als je het zo stelt…’ zei hij. ‘Ik denk dat we maar moeten voortmaken, vind je niet?’
En toen maakten we voort op de bank, als je het wilt weten.