33
Londen
‘Verdomme!’ riep Matt uit, en hij sprong op het bed alsof de vloer onder stroom stond.
‘Wat?’ mompelde ik onder het dekbed. ‘Ga eraf. Ik word geplet.’
‘Je hond heeft op de vloer gekotst,’ zei hij.
‘Míjn hond?’
‘Onze hond,’ verbeterde hij.
‘Niet overgeven op het dekbed,’ waarschuwde ik hem.
‘Koude kots,’ zei Matt. Hij hield zijn enkel vast alsof zijn voet van iemand anders was. ‘Het zit tussen mijn tenen. Gadverdamme!’
‘Het is nog smeriger als ze het opeet, geloof me. Het is trouwens jouw beurt om haar uit te laten.’
‘Waar dacht je dat ik mee bezig was?’ snauwde Matt. ‘Ik wou het net doen toen ik in een plakkaat koude kots stapte.’
‘Je hoeft niet boos tegen míj te doen,’ zei ik terwijl ik me omdraaide. ‘Ik heb niet op het tapijt gekotst. Ik heb niet…’
‘Ja, ik weet het, jíj hebt de puppy niet gekocht. Dat heb je al duizend keer gezegd. Ik dacht dat ze gezelschap voor je zou zijn. Ik dacht dat je er gelukkig van zou worden.’
Ze had me inderdaad gelukkig gemaakt, twee tellen lang, toen ik haar chocoladebruine kopje onder Matts jas vandaan had zien piepen. En oké, nog een halfuur toen we op de keukenvloer speelden onder toeziend oog van Matt. En toen piste ze op de vloer en ging ervan tussen, en sindsdien ging het altijd zo. Hij genoot van haar levenslust, en ik mocht haar opvoeden, uitlaten en haar rommel opruimen. Minnie was een cadeau waar heel veel verantwoordelijkheid bij kwam kijken.
‘Je dacht helemaal niks,’ mompelde ik in het kussen.
‘Wat zeg je?’ vroeg Matt, en hij trok aan mijn schouder.
‘Matt, laat me met rust! Straks komt er hondenkots op het beddengoed, en dat heb ik gisteren pas verschoond.’ Zonder me om te draaien sloeg ik zijn hand weg. Hij bleef maar praten, maar ik trok het kussen over mijn hoofd zodat ik hem slechts gesmoord kon horen zeggen wat hij al honderd keer had gezegd.
Het volgende dat ik hoorde, was de douche die was aangezet. Ik wist het wel. Ik had al heel vaak tegen Matt gezegd dat Minnie moest worden uitgelaten zodra een van ons was opgestaan, maar hij wist het altijd beter. Als hij op tijd was opgestaan – het was immers zijn beurt – zou ze waarschijnlijk niet op het kleed hebben gekotst. Het was niet eerlijk om de hond zo lang te laten wachten. Als ik Minnie goed kende – en Matt kende haar duidelijk niet goed – zat ze nu gebukt onder schuldgevoelens te sidderen in de keuken, want ze wist best dat kotsen niet gewenst was. Of misschien piste ze door wanhoop gedreven op de mat.
Ik zwaaide mijn benen uit bed, aan de kant waar het kotsvrij was, en trok tegen mijn zin een spijkerbroek en T-shirt aan. Vervolgens schoof ik mijn voeten in mijn teenslippertjes en deed een elastiekje om mijn staartje zonder ook maar in de spiegel te kijken. Ooit zou ik me hebben geschaamd als de buren me zo konden zien, maar nu merkte ik het nauwelijks op, en zij vast en zeker ook niet.
‘Oké, Matt,’ riep ik tegen de dichte badkamerdeur. ‘Je hebt gewonnen. Ik ga wel.’ Net zoals altijd.
Beneden in de keuken had Minnie zich in haar mand opgekruld tot een balletje, alsof ik haar dan niet zou zien. Ik knielde bij haar neer en omvatte haar kopje en kriebelde haar onder haar kinnetje. Zodra ze doorhad dat ze geen standje kreeg, ging ze op haar achterpoten staan, met haar voorpoten op mijn knieën, en deed haar best mijn gezicht te likken.
‘Maak je geen zorgen, Minnie,’ zei ik. ‘Zolang je aan papa’s kant van het bed kotst, vindt mama het niet erg.’
Ik klikte de riem aan en stond op, klaar om met haar naar buiten te gaan. Het viel me op dat er een lege wijnfles bij de gootsteen stond, met een glas ernaast met nog een beetje droesem onderin. Ik had Matt de vorige avond om halfelf horen thuis komen, maar toen lag ik al in bed. Na een halfuur wachten totdat hij boven zou komen, had ik het licht uitgedaan. De laatste tijd maakte hij me nooit wakker als hij naar bed ging. En dat was maar goed ook, want ik had geen zin in hem als hij weer beschonken was. Het leek of de afstand tussen mijn kant van het bed en de zijne groter werd, alsof er iets tussen ons in lag wat ons uit elkaar dreef. Iets waar we geen van beiden graag onderzoekend naar keken.
Toen ik terugkwam, was Matt de krant aan het lezen. Hij verstopte zich erachter alsof de krant een schild was. Waarschijnlijk verborg hij er ook de rotzooi mee die hij van zijn ontbijt had gemaakt. Een kleuter zou netter hebben gegeten. Er lag een klodder jam op tafel, en onder de tafel lag een korstje, en dat werkte Minnie gauw naar binnen voordat ik de kans kreeg het op te ruimen. Geen wonder dat ze zo vaak moest kotsen.
‘Ik zou haar uitlaten,’ zei Matt. Over de sportpagina heen keek hij me verwijtend aan.
‘O ja?’ vroeg ik. Ik pakte zijn vieze bord en zijn mes en liep ermee naar de vaatwasser.
‘Dat ik het niet helemaal volgens jouw rooster doe betekent nog niet dat ik het niet zou gaan doen.’
Ik richtte mijn blik hemelwaarts. ‘Matt, het is niet mijn rooster, het is het rooster van de hond. Het maakt haar niet uit of je onder de douche bent geweest, ze wil gewoon uitgelaten worden.’
Matt legde de krant neer en keek me kwaad aan, met een harde en uitdagende blik in de ogen. ‘Ik moest de kots van mijn voet spoelen, of had je liever gezien dat ik er gewoon een sok over had aangetrokken? Dan had je me door de mangel kunnen halen vanwege het extra wasgoed.’
‘Wanneer heb ik je door de mangel gehaald vanwege de was?’ vroeg ik op hoge toon.
Hij deed me na door met hoge stem te praten. ‘Matt, je brengt nooit de wasmand naar boven. Matt, je gaat heus niet dood van de was naar binnen halen. Matt, je weet toch dat er geen wol in een was met hoge temperatuur moet?’
‘Hou je kop, Matt,’ zei ik. ‘Hou je kop! Je waardeert helemaal niet wat ik allemaal voor je doe.’
‘Je doet het niet voor mij.’ Hij stond op. ‘Je doet het voor jezelf. Ik loop je in de weg, dat maak je goed duidelijk.’
Hij liep gewoon langs me heen, zonder aandacht aan Minnie te besteden, die opsprong om aandacht te vragen.
‘Waar ga je naartoe?’ vroeg ik.
‘Uit.’
‘Matt! Straks komen Sarah en Jay lunchen. Je kunt niet zomaar weggaan!’
Matt draaide zich om. ‘O nee?’
‘Jij hebt ze uitgenodigd,’ zei ik kwaad. ‘Jij stond erop ze te laten komen. Het was totaal niet mijn idee. En nu ga je weg zodat ik alles alleen moet doen. Dat doe je nou altijd!’
Hij zocht steun aan de deuropening, met elke hand aan een kant, alsof hij een imitatie van de Hulk deed. Hij fluisterde, maar het klonk angstaanjagender dan als hij had geschreeuwd.
‘Ik zei: “Laten we gaan picknicken op de Heath.” Ik zei: “Laten we gewoon het een en ander inslaan bij de supermarkt.” Ik zei: “Maak er niet iets groots van, we zien gewoon onze vrienden weer eens.” Jouw vrienden. Jij was degene die zei dat je zelf iets voor ze wilde maken, waarvoor je uren in de keuken moest staan. Dat kun je mij niet verwijten.’
‘Maar je helpt me niet eens,’ wierp ik tegen.
‘Omdat ik in jouw ogen nooit iets goed kan doen, Kate. Ik doe altijd alles verkeerd. Op het ogenblik is er geen land met je te bezeilen, en weet je waarom? Omdat je doodongelukkig bent. Ongelukkig en eenzaam, en je verveelt je suf. En ik heb er schoon genoeg van om het allemaal prettiger voor je te maken.’
‘O ja?’ snauwde ik. ‘Dus het is allemaal mijn schuld? Ik werk heel hard voor ons, ik stop alles in dit huwelijk, en jij draait alles om en zorgt ervoor dat het zich allemaal tegen me keert.’
‘Echt, Kate…’ Matt zuchtte eens diep, en hij wreef over zijn voorhoofd en kneep in een rimpel van zijn frons. ‘Kijk jezelf nou toch eens! Je bent verdomme veranderd in een huishoudmartelaar, en daar moet ik voor boeten. Je wilt altijd ruziemaken over iets totaal onbelangrijks en triviaals…’
‘Het is niet onbelangrijk, ons huwelijk is niet triviaal!’
‘Kate, dat weet ik ook wel. Maar een huwelijk gaat over meer dan wie de handdoeken opraapt van de vloer in de badkamer, weet je. Of wie de hondenkots opruimt.’
‘Ik!’ tierde ik, met een snik in mijn stem. ‘Ik, altijd maar ik. Altijd, altijd ik.’
‘En dat laat je me niet vergeten, hè?’
Nadat de voordeur achter hem was dichtgeslagen zonk ik neer op de grond en legde mijn hoofd op de knieën. Minnie stootte mijn hand aan met haar neus, en ze drukte haar warme lijfje tegen me aan. Ik vroeg me af of ze naar puppytherapie moest, of ze al was getraumatiseerd door het leven in dit huishouden.
Huishouden? Wat een vreemde woordkeus. Want weet je, voor mij was het eigenlijk al geen thuis meer.