41

Eindelijk is de bungalow van oma Gilbert klaar. Nou ja, zo klaar als nodig is. Ik heb de neiging weerstaan om mijn spaargeld uit te geven aan het dure behang en de dure kussentjes zoals ik die in Londen had. Het is allemaal heel neutraal en eenvoudig, voldoende opgeknapt om een eventuele koper de mogelijkheden te laten zien zonder dat er al het stempel van iemand anders op is gedrukt. De nieuwe eigenaar kan het naar eigen smaak helemaal afmaken.

Net zoals bij Ben.

Het is me opgevallen dat hij nog steeds het lege melkpak terugzet in de ijskast. Daar moet aan worden gewerkt. Hij lijkt te denken dat de pleeborstel een soort ornament in de badkamer is waar hij niets mee te maken heeft. En hij zei gisteren dat we geen koekjes meer hadden, alsof het mijn verantwoordelijkheid is daar iets aan te doen. Dit zijn echter kleine dingetjes. Ik kan hem niet helemaal perfect aan Prue geven. Dat zou verkeerd zijn, ook als het mogelijk was.

Maar ook al springen de verbeteringen aan mijn pleegechtgenoot minder direct in het oog als die van de bungalow, toch weet ik niet goed waarop ik trotser ben. Wanneer de makelaar op zater dagochtend de eerste potentiële kopers brengt – een man van middelbare leeftijd en zijn moeder – is het Ben die hen rondleidt en aanbiedt thee voor hen te zetten, nog voordat ik daar iets over heb kunnen zeggen. De moeder is zichtbaar onder de indruk, ze stelt zelfs met een zure blik op haar eigen zoon dat als de jongeman bij de koop is inbegrepen, ze graag een bod wil doen.

De makelaar gaat weg nadat hij heeft beloofd over een paar uur met meer kijkers terug te komen. Blijkbaar is er een hele lijst potentiële kopers die zich gemakkelijk hebben laten lokken met een paar likjes verf en een nieuwe badkamer. Nauwelijks is hij vertrokken of de voordeur gaat weer open; Prue heeft zichzelf binnengelaten.

‘Sinds wanneer heb jij een sleutel?’ vraag ik als ze op haar gemak de woonkamer in drentelt, als iemand die hier hóórt.

Ze haalt haar schouders op. ‘Sinds ik die heb laten maken. Vergeet niet dat dit huis ook van mij is, hoor. Ik kan komen en gaan wanneer ik wil. Ik kom even kijken naar mijn investering.’

Prue geeft Ben een zoen op de wang en gaat dan naast hem op de bank zitten. Het is niet duidelijk of haar investering het huis is of haar toekomstige echtgenoot. Hoe dan ook, ik help haar om allebei te ontwikkelen, en ze lijkt niet erg dankbaar.

Wanneer de bel gaat, kijkt ze me verbaasd aan. ‘Wie is dat?’

‘Ben ik soms paranormaal begaafd?’ zeg ik, en ik sta op en doe mijn best niet over Minnie te struikelen. ‘Misschien heeft de makelaar iets laten liggen.’

Maar eenmaal bij de voordeur zie ik mevrouw Curtis. Ze straalt helemaal.

‘O lieverd, ik wil je niet storen, hoor, maar ik ben zo vreselijk benieuwd wie Barbara’s huis gaat kopen, want dat worden mijn nieuwe buren. Wie was die vrouw met het zure gezicht?’

Al sprekend wringt ze zich langs me naar binnen. Ze loopt de woonkamer in, waar Prue en Ben net onenigheid hebben over de schoenen die hij bij zijn trouwpak moet dragen. Ben vindt het niet nodig om nieuwe schoenen te kopen, en Prue vindt dat heel erg nodig.

‘Prue! Wat een heerlijke verrassing!’ zegt mevrouw Curtis, alsof ze Prue welkom heet in háár huis in plaats van dat ze zich uit -nodigt in het mijne.

‘Dag, mevrouw C.,’ zegt Prue zonder op te staan van de bank. ‘Komt u een kopje thee bietsen?’

‘Wat een alleraardigst idee. Dank je wel. Sterk, graag, met twee schepjes suiker.’ Mevrouw Curtis slaat geen acht op Prues toon en kijkt haar aan alsof ze vindt dat Prue moet opstaan en het water opzetten.

Maar Prue laat zich niet makkelijk overdonderen. Ben staat wel op en zegt dat hij graag thee voor mevrouw Curtis wil zetten. Hij schuifelt de keuken in en we kunnen hem tevreden horen neuriën terwijl hij het water opzet. Prue lijkt geen vraagtekens te zetten bij Bens huishoudelijke veranderingen, maar mevrouw Curtis neemt plaats op zijn voormalige plekje op de bank en lacht goedkeurend naar me.

‘Nou, lieverd, je hebt hem absoluut goed afgericht. Ik heb er alle bewondering voor,’ zegt ze.

Ik schud mijn hoofd naar haar, maar ze is druk bezig Prues bovenbeen met een benige vinger te porren. ‘Ja, lieverd, je boft maar dat je zus zoveel werk in je aanstaande heeft gestoken.’

‘Wát?’ zegt Prue, en ze trekt haar been weg van de porrende vinger. En ze wrijft over haar witte spijkerbroek. Voor het geval de rode nagel van mevrouw Curtis een vlek heeft gemaakt.

‘U kunt echt grappig uit de hoek komen, mevrouw Curtis,’ zeg ik gauw. ‘We hebben het over het africhten van Minnie gehad, en volgens mij denkt mevrouw Curtis om de een of andere reden dat het Ben is die wordt afgericht. Haha, het idee!’

‘Ja, wat een idee!’ zegt mevrouw Curtis met ondeugend fonkelende ogen.

‘Alsof Ben ook maar iets van Kate zou kunnen leren…’ zegt

Prue. Ze kijkt om zich heen in de opgeknapte kamer, en ik zie aan haar speurende blik dat ze op zoek is naar iets om kritiek op te leveren.

‘Je moest eens weten,’ reageer ik geërgerd. Ik heb veel werk gehad aan de bungalow en aan Ben, en het valt iedereen op, behalve degene die er het meest profijt van zal hebben.

‘Vast,’ zegt ze, en dan roept ze in de richting van de keuken: ‘Ben, neem je koekjes mee?’ Ze schopt haar schoenen uit en laat ze midden in de kamer op de grond staan.

Met een zucht raap ik ze op en zet ze naast de bank, uit de weg. ‘Geen koekjes in de woonkamer,’ zeg ik zo hard dat Ben het in de keuken moet kunnen horen. ‘Straks komen er nog meer kijkers, er mogen geen kruimels op de bank liggen.’

Prue recht uitdagend haar rug. Ze kijkt mij aan, maar roept naar Ben: ‘Koekjes!’

‘Ik zei: geen koekjes in de woonkamer. Wie een koekje wil, kan dat in de keuken eten.’

Ben verschijnt in de deuropening. Niet op zijn gemak veegt hij zijn handen af aan zijn broek. Op zijn wangen zijn rode vlekken te zien, en die geven zijn emotionele staat aan. Of het komt door een alcoholisch drankje, al twijfel ik eraan of hij een fles wijn soldaat heeft kunnen maken in de vijf minuten dat hij in de keuken was.

‘O, Prue, in de woonkamer wordt niet gegeten. Een van de huisregels, weet je.’ Bezorgd kijkt hij van mij naar Prue.

‘Wie heeft die huisregels opgesteld? Je weet toch dat dit huis ook van mij is? Je bedoelt zeker dat het een van de regeltjes van Kate is. Als ik hier koekjes wil eten, dan doe ik dat. Breng ze mee.’

‘Ben…’ zeg ik waarschuwend, en ik zet mijn handen in mijn zij.

Geïnteresseerd kijkt mevrouw Curtis van de een naar de ander. Omdat haar voeten niet bij de grond komen, slingert ze er tevreden mee, als een kind, terwijl ze kijkt alsof we helemaal voor haar alleen bezig zijn met een voorstelling.

Ben schuifelt met zijn voeten en schopt mompelend tegen de plint.

‘Harder!’ zegt mevrouw Curtis. ‘Ik verstond het niet.’

Ben kijkt met gefronste wenkbrauwen op. Met dat blonde krulhaar en de bleke wimpers lijkt hij meer dan anders op een koppige stier. Een koppige stier die het niet meer kan verdragen. ‘Ik zei dat ik er schoon genoeg van heb dat iedereen me commandeert! Dát zei ik, mevrouw Curtis. Ik heb er schoon genoeg van aldoor op mijn kop te worden gezeten. Door jullie vrouwen! Altijd maar weer!’

Prue kijkt me beschuldigend aan. ‘Het is allemaal jouw schuld! Ben zegt dat je hem aan zijn kop zeurt vanaf het moment dat hij hier is ingetrokken.’

‘Ik hem aan zijn kop zeuren? Hoe kom je erbij?’

‘Omdat je me aan mijn kop zeurt,’ mompelt Ben.

Het is toch niet te geloven. Ik heb tijd en moeite gestoken in van Ben een betere echtgenoot maken, en dit is mijn dank? Beschuldigingen dat ik bazig ben van de bazigste Bailey van allemaal?

‘Niet aan zijn kop zeuren, maar africhten,’ zegt mevrouw Curtis vanaf de bank.

‘Mevrouw Curtis…’ zeg ik in een poging haar het zwijgen op te leggen.

Maar Prue is iets opgevallen, en ze richt zich tot haar medebankzitter. ‘Africhten. Dat hebt u nu al twee keer gezegd. U bent niet zo knetter als u eruitziet, hè?’

Verontwaardigd zegt mevrouw Curtis: ‘Knetter? Geen sprake van, lieverd. En je zus is ook niet knetter. Ze heeft juist…’

‘Ik heb niks gedaan!’

Maar ze is niet meer tegen te houden. Met omhooggestoken vinger legt ze me het zwijgen op. Prue en Ben wachten gespannen af.

‘Kate, lieverd, het is tijd dat je eens lof voor je werk wordt toegezwaaid. Prue, je zus is attent geweest. Echt heel attent. Ze heeft een heleboel moeite gedaan om je verloofde op te leiden tot betere echtgenoot. In huishoudelijk opzicht… Lieverd, trek niet zo’n gezicht. Ze heeft hem niet gecommandeerd, ze heeft hem opgeleid.’

‘O ja?’ zegt Prue, en ze kijkt me met tot spleetjes geknepen ogen aan.

‘Ja, lieverd, want weet je, hij is haar pleegechtgenoot.’

‘Wát ben ik van haar?’ Ben verslikt zich bijna. ‘Jemig…’

Er valt een stilte die behoorlijk lang duurt. Ik denk na over wat ik moet zeggen. Mevrouw Curtis slingert met haar benen, blij dat ze is opgekomen voor mijn methoden.

‘Ik w-wou alleen maar helpen,’ stamel ik uiteindelijk. ‘Er waren dingen waarvan ik graag had gezien dat Matt daar voor het huwelijk van op de hoogte was geweest. Kleine dingetjes, daar moest ik hem een beetje bijsturen. Ik wilde niet dat jij tegenover dezelfde problemen zou komen te staan als waar wij tegenaan zijn gelopen. Ik dacht dat ik je hielp. Ik hielp!’

Met gefronste wenkbrauwen kijkt Ben me aan, zijn gezicht een toonbeeld van gekwetst vertrouwen. Het klinkt heel verkeerd als ik het hardop zeg. Ik was er zo zeker van dat ik er goed aan deed.

Wanneer Prue iets zegt, klinkt haar stem vervaarlijk zacht. ‘En wat weet jij, Kate, over wat een huwelijk tot een succes maakt? Wie denk je wel dat je bent dat je mijn verloofde leert hoe hij zich moet gedragen? Jij hebt het zelf niet eens volgehouden tot jullie tweede trouwdag.’

‘Ik weet van fouten,’ zeg ik gegriefd. ‘En daar wilde ik jou voor behoeden. Ik dacht dat ik er goed aan deed.’

Prue staat op van de bank en stapt met rechte rug op me af alsof we gaan vechten. ‘Je hebt je bemoeid met dingen die je niet aangaan. Je wilt dat iedereen doet wat jij wilt dat ze doen. Net als altijd.’

‘Ik… Dat deed ik niet!’

‘Dat deed je wel!’ snauwt ze. ‘Dat heb je altijd al gedaan, je denkt altijd dat jouw manier de enige juiste is en dat iedereen het bij het verkeerde eind heeft. Een pleegechtgenoot! Nou vraag ik je… Geen wonder dat je eigen echtgenoot het zat werd en er met een ander vandoor is gegaan, vind je niet?’

Op de bank slaakt mevrouw Curtis een verschrikt kreetje, en geschokt houdt ze haar benen stil.

Het voelt alsof alle lucht uit me is geslagen. ‘Zo was het niet,’ zeg ik.

‘Nou ja, het kan hem niet kwalijk worden genomen,’ zegt Prue.

Ik begin te trillen, mijn armen hangen slap langs mijn lijf. Mijn keel voelt dichtgeknepen.

‘Je begrijpt het niet,’ zeg ik. ‘Niemand van jullie begrijpt het. Het is niet wat je denkt. Zo was het niet. Zo is het nooit geweest.’