19

Londen

Ik zou heel graag over onze bruiloft willen vertellen. Echt waar. Omdat ondanks wat er daarna allemaal gebeurde ik nog steeds vind dat het een van de mooiste dagen van mijn leven was.

Maar als ik luister naar Prue over haar plannen voor haar bruiloft weet ik weer dat zelfs je dierbaren het zeer weinig kan schelen welke kleurencombinatie de boeketten zullen hebben, of hoe lastig het was om ondergoed te vinden dat niet door de japon van zijde en chiffon schemerde. En dan heb ik het nog niet eens over de toespraken, die al erg genoeg zijn om op het moment zelf allemaal te moeten aanhoren, en dubbel zo erg als ze worden na-verteld (sorry, pap).

Dus zal ik je de details besparen en alleen maar zeggen dat Matt en ik met elkaar trouwden, en dat het allemaal verliep zoals ik had gehoopt. Zelfs beter, want ik had eigenlijk nooit op een huwelijk gehoopt.

Wat zal ik zeggen? Blijkbaar geloofde ik niet in ware liefde.

Of misschien lag het aan de manier waarop hij me vroeg.

We waren al maanden zonder succes op zoek naar een huis. We waren dan nog wel in het stadium van verliefd hokken, maar het viel niet te ontkennen dat mijn appartement te klein was voor twee personen. Het keukentje was zo smal dat we niet langs elkaar heen konden zonder ons plat te drukken tegen het aanrecht of tegen elkaar. In het begin was dat een uiterst charmant nieuwigheidje, een excuus voor het elkaar even betasten en andere stoute dingetjes. Maar vroeg in de ochtend, met een kater en na door de wekker heen te zijn geslapen, en onmin over wie de vaatwasser zo stom had ingeruimd – ik hoef je vast niet te vertellen dat Matt dat had gedaan – was het toch minder charmant.

Er wordt gezegd dat verhuizen een van de momenten in je leven met de meeste stress is, en gezien onze ervaring zou ik zeggen dat dat klopt. Eerst maakten we ruzie over waar we zouden gaan wonen. Niets kon me ertoe brengen naar Oost-Londen te verkassen, ook niet de belofte van Matt dat we een gigantisch herenhuis in Mile End konden hebben voor de prijs van een eenkamerwoning in Chalk Farm. Ik was te oud om in een enge buurt te wonen, en het kon me niets schelen dat het cool was, mij ging het om niet beroofd te worden als ik vanaf het station van de ondergrondse naar huis liep. En ik wist precies waar ik wilde wonen. Matts ergernis omdat ik weigerde elders te kijken maakte plaats voor berusting.

De winnaar: ik.

En dan was er nog de discussie over wel of geen tuin, en daardoor werd ik in de hoek gedwongen van waaruit ik hartstochtelijk pleitte voor mijn groene vingers. Matt wees me op de met stof bedekte restanten van mijn kaaps viooltje op een plank in de badkamer, en het verdroogde skelet van wat ooit een varen was geweest. Dat ik maandenlang had vergeten ze water te geven verzwakte nogal mijn argumenten dat ik in de grond zou gaan wroeten en ons nieuwe huis zou voorzien van zelf geteelde groenten.

De winnaar: Matt.

Het platte dak was zo erg dat de makelaar buiten ging bellen, waarschijnlijk naar een relatietherapeut om te kijken of die onmiddellijk langs kon komen. Matt, die nauwelijks over voldoende doe-het-zelfkennis beschikte om een peertje te verwisselen, beweerde met de vastberadenheid van een veteraan op vastgoed gebied dat een huis met een plat dak gegarandeerd zou uitlopen op lekkage en weigerde ook maar te gaan kijken naar een huis met een plat dak. Ik zou het niet zo erg hebben gevonden als hij niet net iets negatiefs over platte daken had gehoord van een man in de pub, en hij deze kennis spuide zonder ook maar het geringste bewijs. Door deze starre houding waren alle huizen met modernistische uitbouwen met prachtige glazen daken waar ik mijn hart aan had verloren, meteen uitgesloten. Wie kon het me dan ook kwalijk nemen dat ik dergelijke details voor hem verborgen hield en regelde dat we een kijkje mochten nemen in een huis zonder het duistere geheim van het platte dak te onthullen? Ik had gehoopt dat hij er meteen verliefd op zou worden – want verder was alles perfect – en dit pietluttige foutje dan maar over het hoofd zou zien.

Alleen bleek dat typisch iets voor mij te zijn, dat ik manipulatief mijn eigen zin wilde doordrijven en Matts besluiten niet respecteerde. En dat was typisch iets voor hem, een eenzijdige beslissing nemen en zich daar niet van af te laten brengen, hoe verkeerd hij het ook had. En dat was typisch iets voor mij, hem beschuldigen dat het allemaal zijn schuld was terwijl ik toch degene was die weigerde verder weg te verhuizen dan binnen een straal van een halve kilometer. En dat was typisch iets voor hem omdat…

De winnaar: een verrassende nieuwkomer, namelijk de makelaar.

Kennelijk had hij geen relatietherapeut gebeld. Uit pure wanhoop had hij naar kantoor gebeld om te vragen wat er nog voor huizen waren met echt schuine daken, zo schuin mogelijk. En net op die dag was er een pand bij gekomen, slechts een straat verder. Een klein negentiende-eeuws pand, een rijtjeshuis met een onmiskenbaar schuin dak met dakpannen, en geen enkele uitbouw. Er was een tuin, of beter gezegd een terrasje waar net een tafel kon staan, en dat had Matt aanvaardbaar gevonden. Als je met gestrekte armen stond kon je in een van de slaapkamers beide wanden aanraken, en de keukenmuren waren vochtig, maar het was een huis, een heel pand. En vier maanden later was het óns huis.

Op de dag dat we gingen verhuizen, regende het pijpenstelen, maar ik deed mijn best dat niet als een omen te beschouwen. Het serviesgoed viel kapot doordat de bodem van een doorweekte kartonnen doos het in de gang begaf. De verhuizers raakten een keukenstoel kwijt, en in de andere slaapkamer lekte het ironisch genoeg door het schuine dak heen.

Maar de lach wilde niet van Matts en mijn gezicht af. Nadat we de verhuizers hadden betaald, renden we door het huis van kamer naar kamer, de trap op en af, de tuin in en weer naar binnen, heel snel vanwege de regen. We zaten op de bank en uit onze natte haren droop water op de nog niet verwijderde plastic lap, en we grijnsden naar elkaar. Het was óns huis, van ons samen.

Die avond zaten we op de vloer van de woonkamer fish-and-chips uit het papier te eten omdat alle borden aan gruzelementen waren gevallen. Blijkbaar had de gierige vorige bewoner alle peertjes meegenomen en dat merkten we pas toen het donker werd, dus moesten we eten bij het licht van een haastig uitgepakte geurkaars. Matt toverde een fles champagne tevoorschijn, en de champagne dronken we uit plastic bekertjes die hij bij de winkel op de hoek had gekocht. Ik had niet gelukkiger kunnen zijn.

Althans, dat dacht ik.

Matt stond op om de restanten weg te gooien.

Ik hoorde geritsel in de dozen die we in de keuken hadden laten staan. ‘Wat zoek je?’ riep ik. Het had toch zeker geen zin om in het donker uit te pakken?

‘Niks,’ antwoordde hij, maar hij bleef bezig met de dozen. Dat ergerde me. Hij zou alles maar op de verkeerde plek zetten. Waarom kwam hij niet gewoon zitten om van onze eerste avond in ons nieuwe huis te genieten?

Toen hij terugkwam, had hij een boek in zijn hand, en dat was raar omdat ik de verhuizers had gezegd alle dozen met boeken in de woonkamer te zetten.

‘Dit is voor jou,’ zei hij terwijl hij me het boek gaf. ‘Cadeautje.’

Zedenleer; een inleiding in ethiek.’ Vragend keek ik naar hem op. ‘Wauw. Dank je wel, Matt. Precies wat ik wilde, halvegare oen.’

Hij ging naast me op de vloer zitten. ‘Nou ja, je zei ooit tegen me dat je een meisje zonder moraal was, dus dacht ik dat dit wel iets voor jou zou zijn.’

Hij deed zijn best ernstig te blijven, maar hij werd verraden door zijn ogen. Er was iets merkwaardigs aan de hand. Was ik met een gestoord persoon gaan hokken? Onthulde hij nu pas zijn ware aard, nu we verbonden waren door de hypotheek?

‘Ik weet alles wat ik moet weten over moraal,’ zei ik. Ik legde het boek neer en wilde hem een zoen op de wang geven, maar hij trok zich terug.

‘Ik denk het niet,’ zei hij terwijl hij het boek oppakte. ‘Weet je, ik heb nagedacht over wat het moet betekenen voor een meisje met een sterke moraal om in zonde te leven.’

‘Daar heb je eerder nooit last van gehad.’ Ik lachte. ‘In zonde leven?’

‘Nou, ik heb er nu wel last van,’ reageerde hij ernstig. ‘Het is heel verontrustend. Ik kan aan niets anders denken. Daarom vind ik dat je het gedeelte over de ethiek van de liefde moet lezen.’

‘Matt, ben je soms aangeschoten? Heb je in de keuken iets geestverruimends geslikt?’

‘Lees het nou maar.’

Met een zucht pakte ik het boek uit zijn hand. Ik kon aan hem zien dat hij er niet over zou ophouden, dus moest ik hem maar tevredenstellen, dan was het ook gauw voorbij.

‘Bladzij 78,’ zei hij behulpzaam terwijl ik naar de hoofdstuk -indeling keek.

Ik sloeg de bewuste bladzij op, maar er was iets raars mee. Er zat een gat in. Het gat zat ook in de bladzijden daarna, het was een soort holte in het boek. En in die holte zat iets.

Ik keek op naar Matt, die zijn gezicht in de plooi probeerde te houden.

‘Ik weet zeker dat het moreel niet juist is een boek te mutileren, Matt,’ merkte ik plagerig op. ‘En al helemaal niet een boek over zedenleer.’ Ik hield het boek ondersteboven en schudde het. Een zwartfluwelen zakje, dichtgebonden met twee koordjes, viel op de grond.

Als je het soort meisje bent dat al heel lang droomt van rozen met lange stelen en fonkelende diamanten gezet op een ring, dan zou je meteen hebben geweten wat de betekenis hiervan was. Maar Matt en ik hadden nooit over trouwen gesproken. Dus reageerde ik met het hoogst onromantische: ‘Wat is dat nou weer?’

‘Jezusmina, Kate, maak nou maar open,’ zei Matt, en hij pakte het zakje duidelijk geërgerd op.

En erin… Je denkt zeker dat ik ga zeggen dat er een ring in zat, hè? Maar dat was niet zo. Matt kende me langer dan vandaag. Erin zat een strak opgerold briefje, en daarop stond: Ik zou graag een ring aan dit briefje vastmaken. Maar als je denkt dat ik er eentje zonder jou zou durven uitkiezen, zou ik je aanstaande echtgenoot niet zijn. Wil je met me trouwen?

Stomverbaasd keek ik op. Ik had hem nog nooit zo zenuwachtig gezien. Hij streek zijn haar aldoor maar naar achteren. En ik was te verbaasd om iets te zeggen.

‘Nou?’ zei hij uiteindelijk.

‘Voor de goede zeden, Matt,’ antwoordde ik. ‘Ja. Ja, ik wil met je trouwen.’

En om het te vieren vrees ik dat we op de met een laag plastic beklede bank zonder enige twijfel aantoonden dat we geen van beiden aan goede zeden leden.