39
Pas wanneer ik laat op de middag wegga bij de makelaar nadat we een tijd hebben afgesproken waarop ze foto’s mogen maken van het vernieuwde binnenste van de bungalow, dringt het tot me door dat de kerstversiering in Broad Street is opgehangen. Niet dat die het haalt bij die van Regent Street, maar de fonkelende sneeuwvlokjes en kerstboompjes zien er leuk uit in de invallende schemering. Even blijf ik verrast staan om alles te bewonderen. Het wordt algauw Kerstmis. En daarna begint een nieuw jaar. Ik denk dat ik was vergeten dat hoewel mijn leven op pauze staat, het leven van anderen wel in beweging is.
Ik moet denken aan de laatste kerstdagen in Belsize Park. Matt en ik hadden besloten samen de feestdagen door te brengen, zonder familiebezoek, niet in de files naar de West Country staan, een grote zak Maltesers opsmikkelen en ruziemaken over of het niet sneller zou gaan via landweggetjes. Ik stemde altijd voor op de snelweg blijven en het uit te zitten, en Matt wilde liever als een haai voortdurend in beweging blijven, ook al betekende dat in een slakkengangetje grote omwegen maken over smalle eenbaansweggetjes de verkeerde kant op. Deze keer zouden we geen ruzie onderweg hebben. We hadden verteld dat we altijd onderweg waren voor ons werk en heel graag thuis wilden blijven, en onze families kwamen tegemoet aan de romantische bevliegingen van het pasgetrouwde stel en lieten geen bezwaar horen.
Op eerste kerstdag kwamen we pas rond twaalven uit de pyjama. Het verbaast me dat als ik terugkijk ik besef dat ik toen nog niet aan koken deed en dat we bijna alleen dingen aten die ik kant-enklaar bij Selfridges had ingeslagen. Ik had de dag tevoren een fortuin uitgegeven aan gerookte zalm, blini’s, gevulde kalkoen filet, voorgekookte groenten, en een kerstpudding zo groot als een voetbal, ook al is de rozijn mijn gezworen vijand en wist ik dat ik daar niets van zou eten. Het was nu eenmaal traditie. Ik ben er zo aan gewend geraakt om koken en huishoudelijke bezig heden te beschouwen als mijn manier om uit te drukken dat ik helemaal ging voor het laten slagen van ons huwelijk. Nu komt het dan ook als een schok wanneer ik me herinner dat ik voor onze ideale kerstdagen, nog maar een jaar geleden, niet veel meer moeite had gedaan dan met mijn creditcard wapperen en per taxi naar huis gaan.
Natuurlijk had ik toen nog het geld van mijn afvloeiingsregeling, en zou ik al heel gauw een nieuwe baan vinden, dus was alles anders. Alles was anders. We bleven de hele ochtend in bed, we maakten onze cadeautjes open, we aten geroosterde boterhammetjes en keken met een half oog naar Matts keus van Dan Akroyd die in zeven sloten tegelijk liep met een halve zalm in zijn bevlekte kerstmannenpak in Trading Places. Matt benoemde het tot een traditie die voor eeuwig moest worden aangehouden op de Martell-kerstdagen. Geen van ons kon toen hebben bevroed dat het bij die ene Kerstmis zou blijven…
Ik schud mijn hoofd om me te ontdoen van herinneringen aan Matt. Dat gedeelte van mijn leven is voorbij, en ik moet er niet meer bij stilstaan. Het dringt tot me door dat ik al een hele poos in de etalage van Boots staar, en dan draait een vrouw erin zich om en kijkt me vragend aan, alsof ik kritiek heb op haar arrangement van flessen geurend talkpoeder gestapeld tot een feestelijke piramide met veel glinsterfolie eromheen. Geschrokken steek ik iets te enthousiast mijn duimen goedkeurend op, waarvan ze nog meer in de war raakt. Waarschijnlijk denkt ze dat ik het sarcastisch bedoel.
Minnie trekt, ze wil doorlopen in plaats van maar in de kou te staan. Plotseling rukt ze zich los en springt op tegen een voorbijganger.
‘Sorry!’ roep ik uit, en dan zie ik dat het mijn vader is.
‘Goh,’ zegt hij. ‘De twee meisjes die ik het liefst zie. Wat zijn jullie aan het doen?’
‘O, gewoon,’ zeg ik. Nu de bungalow zo goed als klaar is, voel ik me dubbel zo schuldig over mijn nietsdoen. Het nieuwe jaar komt eraan, en dat moet maar een paar oplossingen meebrengen. Wist ik maar waaruit die zouden moeten bestaan.
‘Je bent toch niet kerstcadeautjes aan het inslaan?’ Mijn vader kijkt met een zucht naar de etalage, waar de vrouw nu kerstlichtjes rond de piramide van talkpoeder wikkelt. ‘Je moeder zeurt maar dat ik een verlanglijstje moet maken. Ik heb gezegd dat ze me maar moet geven wat ik vorig jaar ook kreeg. En ik geef jullie alle maal wat ik jullie vorig jaar gaf.’
Ik lach. ‘Pap, doe nu maar niet of je zelf cadeautjes koopt.’
Hij kijkt beschaamd. ‘Je moeder vindt het gewoon leuk om te doen,’ zegt hij.
‘O ja?’ Ik trek een wenkbrauw op.
Mijn vader schraapt zijn keel en recht zijn rug. ‘Hoor eens, Kate, wij hebben dan misschien niet een modern huwelijk zoals jullie jonkies, maar het werkt. Je moeder en ik zijn heel gelukkig.’
Dat voelt als een stomp in mijn maag. Wie ben ik om een oordeel over hun huwelijk te vellen? Ze zijn al meer dan dertig jaar gelukkig getrouwd. Mij lukten twee jaar nog niet eens. Ik zie er zeker geschokt uit, want mijn vader kijkt verontschuldigend en zijn wangen worden rood.
‘Niet aan je moeder vertellen,’ zegt hij ineens samenzweerderig. ‘Ze denkt dat ik postzegels ben gaan kopen, maar eigenlijk wilde ik even weg bij de verschrikkelijke verloofde van je zusje. Hij gaat maar door over doelstellingen en trainingsweekenden. Ik kan er niet meer tegen.’
Arme pap. Hij ziet er moe uit van het zich verdedigen tegen de gezamenlijke aanvallen van Ben en Prue in hun pogingen te moderniseren.
Mijn vader zucht eens. ‘Ik ben te oud voor al die veranderingen. Ik zou alles het liefst aan ze overlaten en, ik weet niet, gewoon iets rustigs gaan doen.’
‘Weer roadie worden?’ vraag ik plagerig.
Hij kijkt bedachtzaam, alsof hij me serieus neemt en overweegt zijn diensten morgenochtend vroeg aan Lady Gaga aan te bieden.
‘Het rondtrekken mis ik wel,’ zegt hij verlangend. ‘Nou ja, ik wilde even het café in duiken. Ga je mee?’
Bij de gedachte daaraan voel ik me gek genoeg verlegen. Samen met mijn vader iets drinken, wij samen? Meestal geeft hij de telefoon zo gauw mogelijk door aan mijn moeder wanneer ik vanuit Londen bel. Waarschijnlijk heeft hij zo’n spijt van die opmerking over het huwelijk dat hij het voorstelt.
Maar het klinkt oprecht, en hij wenkt naar het café met zijn wenkbrauwen, zo van: zullen we dan maar?
‘Ik weet niet wat de jonge ondernemers hiervan zullen zeggen, hoor,’ zeg ik terwijl ik bij hem inhaak. ‘Is dit wel het gedrag van een betrouwbare captain of industry?’
Hij grijnst. ‘Ze kunnen de pot op.’
Soms is het moeilijk voor te stellen dat mijn vader ooit roadie was, want tegenwoordig is hij zo zachtaardig en minzaam, met fonkelende ogen en een woeste baard. Maar in mijn vroegste herinneringen is hij straalbezopen, schreeuwt hij en zingt, en mijn moeder stelt me gerust en zegt dat ik maar gauw weer moet gaan slapen. Tegenwoordig is hij bijna nooit aangeschoten, maar als overblijfsel van de woeste dagen onderweg kan hij meer drinken dan wie ik ook maar ken.
Zijn eerste biertje maakt maar nauwelijks het glas nat of hij heeft het al op. En hij bestelt aan de toog een tweede terwijl ik aan mijn witte wijn nip. Het heeft iets decadents om midden op de dag te drinken. Toen ik mijn baan kwijtraakte, nam ik me heel streng twee dingen voor. Ik zou overdag niet tv-kijken, en ik zou pas iets drinken als Matt thuis was. Ik moet bekennen dat ik mijn echtgenoot vaak bij de voordeur met een wijnfles in mijn hand heb begroet. En toen Sarah me erop wees dat uren surfen op internet voor onze generatie hetzelfde was als overdag tv-kijken, leek het een minder roemrijk feit dat ik nog nooit naar zo’n programma had gekeken.
Maar toch… Ik had nooit zo iemand willen zijn die je soms halverwege de middag uit een kroeg ziet wankelen, het normale ritme van de werkdag helemaal kwijt, bij het avondeten al last van een kater.
Mijn vader komt terug en gaat met een tevreden zucht tegenover me zitten.
‘Drink op!’ zegt hij met een hoofdgebaar naar mijn wijnglas, en hij heft zijn bierglas. ‘Het is Kerstmis.’
‘Het is november,’ zeg ik.
‘Nou, dan is het bijna Kerstmis,’ zegt hij. ‘Eerst even oefenen.’
‘Pap…’ zeg ik.
Meteen kijkt hij op zijn hoede vanwege de toon waarop ik dat zei. ‘Ja-a?’
‘Pap, denk je dat Prue en Ben goed bij elkaar passen?’
Mijn vader snuift in zijn bierglas. ‘Ha! Wie weet? Hij heeft een olifantenhuid. En die zal hij nodig hebben als hij getrouwd is met je zusje. Maar hij komt wel voor haar op. Dat bevalt me wel. Misschien is hij een ramp om mee te werken, maar hij lijkt Prue gelukkig te maken. En daar gaat het maar om, denk ik.’
Ik kijk hem aandachtig aan voordat ik mijn volgende vraag stel. Ik wil zeker zijn dat ik klaarsta voor welk antwoord ik ook ga krijgen.
‘Vond je dat Matt en ik goed bij elkaar pasten?’
Paniekerig spert hij zijn ogen wijd open, en hij kijkt om zich heen of iemand hem misschien kan redden, maar er zitten alleen twee bejaarde heren in de hoek die een beetje bozig tegen elkaar doen met de kruiswoordpuzzel in de krant voor zich. Minnie ligt onder de tafel te dutten.
‘Nou,’ zegt hij uiteindelijk. Heel voorzichtig. ‘Ik weet het niet, Kate. De relaties van anderen zijn altijd mysterieus, nietwaar? Niemand weet wat er tussen twee personen plaatsvindt behalve die twee personen zelf. Maar ja, ik dacht inderdaad dat jullie goed bij elkaar pasten. Ik vond hem een fijne kerel.’
‘Dat vond ik ook,’ zeg ik. Ik word overdreven sentimenteel van die kerstversiering. Of misschien komt het van de wijn midden op de dag. Soms heeft alcohol dat effect op me: een droeve dronk in plaats van een vrolijke.
Mijn vader schraapt een paar keer zijn keel. ‘Weet je, Kate, eh… Ik… Ik heb Matt de afgelopen weken een paar keer gesproken.’
Met een ruk kijk ik op. ‘Je hebt wát?’
Mijn vader leunt naar achteren, buiten mijn bereik, alsof ik hem een fikse mep zou willen geven.
‘Ik weet het… Je moeder zei ook al dat ik me erbuiten moest houden, maar Kate, hij belt aldoor om te vragen of hij niet hierheen moet komen, en… O, god…’ Hulpeloos zucht hij maar. ‘Ik had gewoon medelijden met die man. Wat hij ook gedaan moge hebben.’
Ik krijg het gevoel dat ik moet overgeven. De wijn kolkt in mijn maag. Ik kan mijn vader nauwelijks aankijken, en omdat hij mij ook niet aankijkt, is dat niet echt een probleem. We kijken om ons heen alsof we bezig zijn met een oogtraining.
‘Hij… Zei hij dat hij hiernaartoe wilde komen?’ vraag ik.
Na een diepe zucht draait mijn vader zijn glas om en om op het viltje, alsof hij het vast wil schroeven aan het tafelblad. ‘Ik zei dat hij dat niet moest doen, Katielief. Ik hoop dat ik er niet verkeerd aan heb gedaan, maar je moeder en ik dachten dat je tijd in je eentje nodig had om na te denken.’
Dus Matt wil al een hele poos hiernaartoe? En mijn ouders zeiden dat hij me niet moest storen? Ik kan niet kwaad op hen zijn omdat ik weet dat ze het met de beste bedoelingen hebben gedaan, maar ik weet niet meer wat ik moet voelen of denken nu ik weet dat Matt niet is weggebleven omdat hij dat wilde, maar omdat hem werd gezegd dat te doen.
‘Heeft hij…’ Ik duw het wijnglas van me af. Ik kan er toch niet meer uit drinken. Ik voel de wijn nog kolken in mijn maag. ‘Wat… Wat zei hij allemaal?’
‘Katielief,’ zegt mijn vader zacht, ‘ik wil niet gaan snuffelen, dat weet je wel. De problemen die jullie hebben, zijn iets tussen jullie twee.’
Ik glimlach dankbaar naar hem, blij dat hij niet op de hoogte is van alle ranzige details. Maar als Matt niet belt om zich te verantwoorden, om zijn kant van het verhaal te vertellen, om alles uit te leggen, waarom belt hij dan? Hij weet toch zeker wel dat ik hem niet wil spreken?
‘Maar waar hadden jullie het dan over?’ vraag ik.
Merkwaardig genoeg ben ik bang dat mijn vader partij zal kiezen voor Matt. Dit is sinds ik in Lyme ben de eerste keer dat ik in alle rust met mijn vader over mijn relatie spreek. En al die tijd had mijn echtgenoot dus regelmatig contact met mijn ouders en belde hij voor familiegesprekjes. Hij heeft geprobeerd mijn vader voor zich in te nemen, mijn vader die alles bij elkaar hoogstens een uur met mij aan de telefoon heeft gehangen.
‘Nou…’ zegt mijn vader terwijl hij met zijn vingers op tafel tikt. ‘Cricket?’
‘Pap, het is november,’ zeg ik.
‘Maar we hebben het echt over cricket gehad, hoor,’ mompelt mijn vader. ‘En over zijn werk en zo. Kate, we hebben heus niet door de telefoon zitten janken. Maar hij klinkt behoorlijk wanhopig. Hij moest gewoon met iemand praten.’
Een poosje zitten we zwijgend tegenover elkaar.
‘Hij wil gewoon weten hoe het met je gaat,’ zegt mijn vader. ‘En ik vond dat ik hem dat best kon vertellen. Daarmee val ik je niet af.’
Ik kijk hem onderzoekend aan. De twee bejaarde heren in de hoek maken ruzie over 4 horizontaal. Ik weet dat mijn vader me niet afvalt. Dat weet ik. Maar welk spelletje speelt Matt? Dat zou ik graag willen weten.
‘Wat heb je hem verteld?’ vraag ik nerveus. Natuurlijk hoop ik dat mijn vader heeft verteld dat ik een toonbeeld van goede gezondheid en schoonheid ben, en me heel volwassen gedraag, sereen, maar ook dat ik goedgehumeurd ben en geluk uitstraal.
‘Ik zei dat het slecht met je ging,’ zegt mijn vader.
‘Geweldig, bedankt, pap,’ zeg ik. ‘Heel solidair en zo.’
Plotseling betrekt het gezicht van mijn vader en lijkt het erop dat hij iets gaat bulderen, maar als hij spreekt, klinkt zijn stem griezelig zacht. ‘Wat wil je dan dat ik zeg, Kate? Dat je moeder en ik ’s nachts wakker liggen van de zorgen, omdat we geen idee hebben wat er zich in jouw hoofd allemaal afspeelt? Dat je met niemand over iets praat? Dat je jezelf hier hebt verstopt en dat niemand van ons je kan bereiken?’
Ik bijt op mijn lip, en de tranen springen in mijn ogen.
‘Het is alsof je de jaloezieën hebt neergehaald, Katielief,’ zegt mijn vader. ‘Je sluit ons allemaal buiten. Je was als tiener precies zo. Toen je terugkwam van het feest bij Eddy Curtis en twee dagen geen woord hebt gesproken.’
‘Pap…’ zeg ik, en het klinkt als een gesmoorde snik.
Mijn vader gaat gewoon door. Het is alsof hij niet kan ophouden nu hij eenmaal is begonnen. De woorden tuimelen eruit, en elk woord snijdt door mijn ziel, scherp als een mes.
‘Die keer lieten we je vluchten. We zetten je niet onder druk om te praten… We dachten dat dat het beste was. Wat er ook was gebeurd, je wilde het achter je laten, en wij lieten je begaan.’
Snuffend veeg ik mijn neus af met mijn mouw.
‘Dat was een vergissing,’ zegt mijn vader. ‘We dachten dat we er goed aan deden, maar dat was niet zo. Het was niet goed. En nu doen we het weer. En…’ Zijn stem trilt, en zijn borst gaat op en neer, alsof hij op adem moet komen. ‘En, lieverd, mijn hart breekt als ik zie dat je het jezelf weer aandoet. Waarom laat je ons niet helpen?’
Tot mijn ontsteltenis gaat mijn grote, dappere, bebaarde vader huilen, zijn hoofd gebogen en zijn ogen stijfdicht. Zijn schouders schokken en hij verbergt zijn gezicht achter een hand, alsof hij zich zou schamen wanneer iemand hem zo zag.
Maar ik ben degene die zich moet schamen. Omdat ik het zover heb laten komen dat mijn vader moet huilen. De bejaarde heren in de hoek kijken beschuldigend naar me, of althans zo lijkt het. Ik zou het liefst naast mijn vader gaan zitten en mijn armen om hem heen slaan, maar ik ben bang dat hij dan alleen maar nog harder moet huilen. Het lijkt me beter om stilletjes te blijven zitten en hem even tijd te gunnen.
‘Pap…’ zeg ik, en ik probeer mijn stem in bedwang te houden. ‘Mam en jij hebben me goed geholpen. Echt waar. Dat ik er niet over wil praten betekent nog niet dat ik niet dankbaar ben omdat jullie er voor me zijn.’
Boos kijkt mijn vader op. ‘Nee, Kate,’ zegt hij. ‘Dat is niet goed genoeg.’
Ik hoor: je bent niet goed genoeg. Ik weet het zeker.
Hij gaat verder: ‘Kate, we zijn familie. Wat jou overkomt, overkomt ons. Begrijp je dat? Niet in dezelfde mate misschien, maar als jij verdrietig bent, zijn wij verdrietig. Als jij gelukkig bent, zijn wij gelukkig. Je moeder zegt altijd dat een ouder zo gelukkig kan zijn als hun ongelukkigste kind.’
Hij droogt zijn ogen en snuit met donderend geraas zijn neus. Het is hartverscheurend om aan mijn ouders te denken die het bezorgd over hun eigenzinnige dochter hebben.
‘Ik ben bezig alles op een rijtje te zetten, pap. Het komt allemaal goed,’ beloof ik.
Met roodomrande ogen denkt mijn vader hierover na. Eerst knippert hij een paar keer met zijn ogen, dan schudt hij zijn hoofd. ‘Nee, Katielief, dat is niet voldoende. Je hoeft niet met mij te praten als je niet wilt. Je kunt met je moeder praten, of met je zusje. Ja, ik weet hoe ze is, maar ze zou je weleens kunnen verrassen. Je moet gewoon met iemand praten, begrijp je dat?’
Ik knik met gebogen hoofd opdat ik de smekende uitdrukking op het gezicht van mijn vader niet hoef te zien, want om de een of andere merkwaardige reden doet hij me ineens aan Matt denken.
Ik weet dat mijn vader wanhopig moet zijn om deze discussie aan te zwengelen, en dat hij echt heel wanhopig is om erop door te gaan terwijl ik weinig bemoedigend reageer. Zwijgend wacht hij op mijn antwoord. De helft van zijn biertje verdwijnt terwijl we samen in de stilte van de donkere kroeg zitten.
‘Ik weet niet wat voor goeds daaruit zou moeten voortkomen, pap,’ fluister ik na een hele poos. ‘Wat gebeurd is, is gebeurd. Erover praten verandert niks.’
‘Het kan niet veranderen wat er is gebeurd,’ is hij het met me eens. ‘Maar het kan wel veranderen wat je hierna wilt doen. Je moeder zegt dat ik geduldig met je moet zijn, Kate, maar ik snap niet waar je mee bezig bent. Je woont in Barbara’s huis en je voert de hele dag niks uit, dag na dag na dag…’
‘Ik heb het huis opgeknapt!’ werp ik tegen.
Mijn vader lacht spottend. ‘Kate, je weet heel goed wat ik bedoel. Het huis opknappen is best, en je hebt er vast een tevreden gevoel van gekregen, maar wat wil je op de lange termijn? Blijf je hier voorgoed? Hoe wil je je geld verdienen?’
‘Pap, mijn leven is net kapotgegaan. Ik gun mezelf een adem-pauze. Uiteraard blijf ik niet voorgoed in het huis van oma Gilbert wonen.’
Mijn vader gaat gewoon door. ‘Je kunt je leven niet weer op de rails krijgen als je je blijft verstoppen. Je moet er iets voor doen. Het is niet gezond om er niet over te willen praten, Katielief. We maken ons allemaal zorgen om je.’
‘Toe, pap,’ zeg ik. ‘Jut me niet zo op. Zelf praat je ook niet over je gevoelens. Snap je dan niet dat ik eerst zelf alles op een rijtje moet hebben voordat ik er anderen mee lastigval?’
‘Zoals toen met Tim Cooper?’ vraagt mijn vader. ‘Heb je toen alles zelf op een rijtje gekregen?’
De lucht verdwijnt uit mijn lijf, alsof ik net van een grote hoogte ben gevallen. Ik staar mijn vader aan alsof hij een masker af heeft gezet om te onthullen dat hij eigenlijk de grote schurk is.
‘Praat me niet van Tim Cooper,’ zeg ik waarschuwend. Mijn stem trilt. Ik trek het wijnglas naar me toe. Ook al weet ik dat de wijn me misselijk zal maken, breng ik het glas naar mijn lippen en drink er walgend van, alsof het gif is.
‘Je moeder en ik hebben gewacht. We wachtten tot je ons erover zou gaan vertellen, Katie. En dat heb je nooit gedaan. Ik wil dat niet weer laten gebeuren. Niet met jou, niet met ons. Het heeft invloed op ons allemaal, snap je?’
‘Wat weet je van Tim, denk je?’ vraag ik.
De uitdrukking op zijn gezicht verhardt zich en hij lijkt te krimpen op zijn stoel. ‘Kate, als ik het toen had geweten, zou ik hem met mijn blote handen hebben vermoord! Dat weet je toch wel?’
Ik knik met opeengeklemde lippen. Dat wist ik. Dat was ook een van de redenen waarom ik niets had gezegd.
Mijn vader slaakt weer een diepe zucht en gaat voorover over de tafel leunen. Nog zachter zegt hij: ‘Je weet toch dat Tim naar Australië is gegaan? Je moeder zei dat ze je dat had verteld.’
Weer knik ik.
‘Nou, maar ik denk dat ze niet heeft verteld waarom hij is vertrokken. Heeft ze dat ook verteld?’ Mijn vader leegt zijn glas. Ik bied aan een nieuw te gaan halen, maar hij doorziet mijn list en zegt dat ik moet blijven zitten terwijl hij aan het woord is.
‘Tim werd ervan beschuldigd dat hij zijn vriendin had verkracht,’ zegt mijn vader. ‘Ze wilde het uitmaken en toen liep het uit de hand.’
Ik zit als verstard te luisteren. Ik weet niet of ik wel zou kunnen bewegen als ik dat zou willen.
‘Werd ze… Liep het goed met haar af?’ vraag ik.
Mijn vader kijkt me aan. ‘Lichamelijk is ze hersteld. Ik weet niet of je ooit over zoiets heen komt, wanneer het iemand was die je vertrouwde,’ zegt hij. ‘In elk geval is er geen rechtszaak van gekomen. Het was haar woord tegen het zijne, en hij had geen geschiedenis van mishandelingen.’
Ik begin een beetje te beven, niet zo hevig dat het mijn vader zou opvallen, maar meer een lichte trilling die vooral voelbaar is in mijn borst, alsof mijn hartritme verstoord is. Ik wist wel dat Tim ermee weg zou komen. Ik wist dat het zijn woord tegen het mijne zou zijn. Iedereen wist toch dat ik gewillig maandenlang met hem had gevrijd? Ieder meisje in het plaatsje wilde toch met Tim Cooper vrijen? Het had totaal geen zin er iets over te zeggen.
‘Kate?’ Door de stem van mijn vader word ik uit mijn gedachten gerukt, en ik kijk op. ‘Kate, die vriendin zei dat hij het over jou had gehad. Nadat hij haar had gepakt, schaamde hij zich diep en had hij grote spijt. Hij huilde en zei dat hij besefte dat hij iets heel ergs had gedaan. En dat hij dat eerder ook had gedaan. Met jou.’
Verbaasd dat Tim iets anders had gedacht dan dat hij ermee was weggekomen, sper ik mijn ogen wijd open. ‘Waarom hebben jullie dat niet verteld?’ vraag ik.
‘Katielief,’ zegt mijn vader geërgerd, ‘waarom heb jíj niets verteld?’
Er valt een langdurige stilte waarin we elkaar allebei zorgvuldig niet aankijken. Wanneer ik eindelijk iets zeg, klinkt het hees, alsof ik al heel lang mijn stem niet heb gebruikt. Maar misschien komt het doordat de woorden uit een gedeelte van me komen dat er heel lang het zwijgen toe heeft gedaan.
‘Ik wilde gewoon weg, pap,’ zeg ik. ‘Ik wilde Tim nooit meer zien, ik wilde niemand meer zien. Ik wist dat hij ermee weg zou komen. Ik wist dat niemand zou hebben geloofd dat ik niet vrijwillig met hem had gevrijd.’
‘Wíj zouden je hebben geloofd,’ reageert mijn vader zacht. ‘Je moeder en ik. Wíj zouden je hebben geloofd.’
‘Maar, pap,’ zeg ik, ‘ik was aangeschoten, ik was stoned, ik liet hem begaan… Snap je dan niet dat ik me had moeten verzetten, en dat ik dat niet heb gedaan. Het was ook mijn schuld.’
‘Nee,’ zegt mijn vader boos. ‘Hij was een gevaarlijke, gewelddadige man, en het was niet jouw schuld.’
‘Maar stel dat het wel mijn schuld was,’ vraag ik fluisterend. ‘Zouden jullie het me dan kunnen vergeven?’
‘Jou vergeven?’ Er klinkt een snik door in de stem van mijn vader. ‘Wat zouden we je moeten vergeven, Katielief?’
‘O god,’ breng ik huilend uit, en ik verberg mijn gezicht in mijn handen. ‘Zo heel veel, pap. Zo heel erg veel. Ik weet niet eens waar ik moet beginnen.’