1
Alleen een halvegare idioot zou naar Lyme Regis komen om aan het verleden te ontsnappen.
Lyme Regis ís het verleden; het is ermee doordrenkt. Hier, meer dan ergens anders, is het onmogelijk te ontkomen aan het gewicht van de verleden tijd. Ik bedoel niet het feit dat ik steeds mensen tegen het lijf loop met wie ik op school heb gezeten, of die bevriend zijn met mijn ouders, hoewel dat wel meespeelt. Ik bedoel dat je geen hoek kunt omslaan of je komt wel een Jane Austen Society tegen die de val van de Cobb naspeelt van Louise Musgrove in de armen van kapitein Wentworth, of een groepje schoolkinderen met een rugzakje om dat op weg is naar East Beach, met houweeltjes om fossielen mee uit te graven enthousiast maar niet erg deskundig in de hand.
Natuurlijk is er nergens een plek zonder verleden, maar ik vraag me af of je er elders zo voortdurend aan wordt herinnerd. Lyme toont de vergane eeuwen zoals een tapijtjesverkoper zijn handelswaar uitspreidt, de ene boven op de andere. De Jura, mevrouw? Nee? Het Krijt dan misschien? Of liever iets laters? Laat 18e-eeuws? Begin 19e-eeuws? Postmodern? Laag op laag gefossiliseerde geschiedenis, samengeperst door de millennia heen, vol hulpeloze wezens erin die voor eeuwig ge-vangenzitten in een moment dat ze niet zelf hebben verkozen.
Ik ben die halvegare idioot. Ik ben dat hulpeloze wezen. En ik had weinig te kiezen.
In elk geval kwam ik hier dus in het najaar, wanneer het zomerseizoen aan het aflopen is. Rond deze tijd is het heel goed mogelijk Bond Street af te lopen zonder terecht te komen in een van de ontelbare wandeltochtjes – die voor ruim de helft door mijn ouders worden georganiseerd – en ik heb nog geen bus zien worstelen met de lastige bocht bij het museum. Maar de winkels zetten nog hoopvol borden buiten waarop ze adverteren met uitgebreide tea’s en andere onontbeerlijke aankopen voor toeristen, zoals toffee, ovenhandschoenen van Cath Kidston, en pressepapiers met een trilobiet erin. Alsof er tegenwoordig een grote behoefte aan presse-papiers bestaat… Maar goed, vanochtend heb ik over de Cobb gewandeld met mijn haar fladderend in de wind, terwijl ik me afvroeg of ik er een beetje tragisch en intrigerend uitzag op de manier van de French Lieutenant’s Woman, zonder mijn sombere dagdromen verstoord te zien worden door honderden dagjesmensen. Hoewel, om heel eerlijk te zijn, is het best moeilijk om de uitstraling van een hartbrekend mysterie vast te houden wanneer je zoals ik wordt vergezeld door een opgewonden puppy die aan de riem trekt omdat ze op jacht naar meeuwen zich van de muur wil storten.
En toch is mijn hart gebroken; ik hoef niet te doen alsof. Daarom ben ik hier. Zelfs als ik had gedacht aan het verleden te kunnen ontkomen, zou ik hebben moeten weten dat het hier onmogelijk is. Het kan niet in Lyme Regis, het kan nergens. Je kunt niet voor jezelf vluchten.
Toen Minnie voldoende uitgeput was, sleurde ik haar weg bij de meeuwen en naar de Town Mill Bakery om samen te genieten van een warme met boter bereide croissant terwijl de serveersters net doen of ze het niet zien. Er staat wel dat honden binnen niet zijn toegestaan, maar we doen allemaal of we dat niet weten, en er is niemand om zijn of haar beklag te doen, afgezien van twee wat oudere dames die aan de schragentafel achter me zitten.
Net wanneer Minnie de laatste kruimels van mijn vingers likt, hoor ik de vrouwen overgaan op het zachte gefluister waarmee ze verklikken dat ze gaan roddelen. Natuurlijk leun ik een beetje naar achteren om hen af te luisteren. Wie doet dat nou niet? Ik ben dol op afgeluisterde gesprekken, en op de een of andere manier zijn die nog spannender als je de betrokkenen niet kent. Ik heb uren doorgebracht met het luisteren naar de drama’s in het leven van de bezoekers van cafés in Belsize Park, want dan voel ik me beter over de mijne. Als ik het woord ‘gescheiden’ hoor, spits ik mijn oren. Het roept van alles op. Het doet me denken aan Elizabeth Taylor die met viooltjesblauwe ogen en een tulbandhoed op haar tranen om Richard Burton droogt met een met diamanten afgezoomd zakdoekje.
Ik word geholpen door het feit dat ze allebei voldoende hardhorend zijn om niet te beseffen hoe hard ze eigenlijk fluisteren.
‘Blijkbaar,’ fluistert de vrouw die het verst van me af zit, en in het hele cafégedeelte is ze te horen. ‘Blijkbaar zocht haar man vertier buiten de deur.’
Ha, hebbes.
‘Néé.’ De andere vrouw klinkt geschokt. ‘Maar ze is een schat, en haar dochters zijn beeldschoon. Ze lijken uiteraard op hun moeder. En hij zag er altijd uit als een goede jongen. Waarom zou hij zoiets doen?’
‘Nou, je weet hoe het er in Londen aan toe gaat,’ zegt degene die de roddel doorgeeft. Ineens klinkt haar stem gesmoord, en hoewel ik haar niet kan zien, kan ik me voorstellen dat ze haar lippen even op elkaar heeft geklemd.
Interessant. Ik vraag me af over wie ze het zouden kunnen hebben. Ik heb het stof van Lyme zo goed afgeschud toen ik zelf naar Londen vertrok dat ik geen idee heb wie mij misschien zou kunnen hebben gevolgd.
‘En in dat wereldje ook nog,’ zegt de metgezel. ‘Allemaal beroemdheden en feesten, en…’ Iets zachter, alsof ze het niet durft uit te spreken: ‘Drugs. Dat zou me niets verbazen.’
‘O, vast en zeker,’ zegt de roddelaar met gezag. Nu ben ik pas echt geïntrigeerd. Het klinkt alsof het gaat over iemand die ik zou kunnen kennen. Niet dat ik aan de drugs ben, of een beroemdheid – verre van dat – maar mijn werk bestond vooral uit beroemdheden, feesten en drugs. Zo gaat dat in de muziekwereld.
‘Nou, ik heb dus gehoord dat ze plotsklaps haar biezen heeft gepakt. Ze liet alles, haar werk en haar huwelijk, zomaar achter om in Barbara’s oude bungalow te trekken, met niks anders bij zich dan een koffer en een hond.’
Ik kijk naar Minnie, die onder de tafel ligt.
‘Ik dacht dat ze die bungalow na haar dood hadden verkocht?’
‘Dat hebben ze geprobeerd, maar er kwamen geen kopers. Het is een echte rottijd om huizen te verkopen. Kredietcrisis, weet je wel? Ik vermoed dat ze daar nu blij om is, want waar anders had ze heen kunnen gaan?’
‘Verschrikkelijk, hoor,’ zegt de ander. ‘Om met niks achter te blijven.’
Ik voel de croissant in mijn keel steken als een harde, bewegingloze klont, alsof mijn binnenste ineens niet meer werkt of zo. Weer kijk ik naar Minnie. Je bent niet niks, denk ik, wij zijn niet niks; luister maar niet naar ze. Ik probeer te slikken, maar mijn keel is zeker versteend.
‘Ongelooflijk verdrietig,’ is haar vriendin het met haar eens. ‘Sandy en David zeggen dat ze flink overstuur is. Kennelijk belt hij haar dag en nacht, maar ze neemt niet op en belt niet terug.’
Uiteraard bel ik hem niet terug. Ik heb hem niet meer gesproken na dat briefje. Wat valt er nog te zeggen? Wat hij me ook te vertellen heeft, ik wil het niet horen. Hoe kan erover praten er verbetering in brengen? Het is voorbij. De enige manier waarop ik mezelf in de hand kan houden, is de jaloezieën gesloten houden. Onbereikbaar zijn. Als ik hem binnenlaat, al is het maar een beetje, dan weet ik dat we weer zijn waar we waren. En dat zou ik niet kunnen verdragen. Niet nog een keer.
‘Het is niet verwonderlijk dat ze hem niet wil spreken,’ zegt de ander. ‘Dergelijk gedrag hoeft niemand te tolereren. Walgelijk! Neemt niemand een huwelijk tegenwoordig meer serieus?’
Misschien moet ik overgeven. Ik moet hier weg. Ik draai me om op het houten bankje en bereid me voor mijn benen eroverheen te zwaaien.
Er klinkt ‘Sst’ zodra ze me zien.
Wanneer ik opsta, duiken de twee vrouwen met het hoofd omlaag in hun jassen, net schildpadden, alsof ik een baguette ga halen bij de broodjesafdeling en hen daarmee woest op hun kop ga slaan. Maar dat doe ik niet. Ik ben niet woedend, alleen maar met stomheid geslagen. Ik dacht dat ik hier in Dorset ver weg zou zijn van alles, weg van mijn leven in Londen, maar niet dus. In elk geval is het een gerechte straf voor het afluisteren van hun gesprek. Was ik zelf niet geïntrigeerd totdat ik besefte dat ze het over mij hadden?
Bovendien ben ik erg van slag en verdrietig. Het is ook ongeloof lijk treurig. Maar zij kennen het hele verhaal niet. Ze hebben het helemaal mis. Ik ben niet met niks weggegaan. Wat ik heb achtergelaten, dat was niks. En dat is nou net het probleem.