27
Ben heeft zichzelf overtroffen, echt waar, door zomaar te vertellen dat Prue en hij de avond in de bungalow zullen doorbrengen. Meestal kijken ze tv bij mijn ouders, of gaan ze samen ergens rustig uit eten om dan ieder voor elven braaf thuis te zijn in hun eigen huis. Ik doe geen moeite meer hun relatie te begrijpen. Waar is de woeste passie? De spontaniteit? Het de handen niet van elkaar af kunnen houden?
‘Ik, eh, ik zeg het maar even,’ zegt Ben. ‘Van tevoren. Dan kun je, eh… Nou ja, ik laat het je van tevoren weten, Kate.’
‘Dat is lief van je, Ben, dank je wel,’ zeg ik. Ik onderdruk de neiging hem een goedkeurend klopje op zijn gretige blonde hoofd te geven, of een hondenkoekje vanwege zijn goede gedrag. Ik ben moederlijk trots op zijn vooruitgang; in mijn hoofd heeft hij al een kaart volgeplakt met gouden sterren verdiend.
Vanochtend vroeg hij of ik de nieuwe, smetteloos witte bad -kamer wilde gebruiken voordat hij dat deed. En toen ik er na het douchen uit kwam, zag ik hem de broodkruimels van de keukentafel vegen. Goed, hij veegde ze op de grond, maar toch is het een hele vooruitgang.
‘Wat gaan jullie doen, of kan ik daar beter niet naar vragen?’
Ben bloost diep. ‘O, nee, niets van dat al. Ik bedoel, Prue gaat fazanten braden en we gaan het met een paar glazen wijn over de bruiloft hebben.’
Zie je nou? Gebraden fazant? Een paar glazen wijn? Op hun leeftijd? Dat is niet normaal. Toen ik in de twintig was, vond ik een restje pizza met een handje chips voor de vezels een uit gebalanceerde maaltijd. Weggespoeld met een fles wijn uit de buurtsuper, wijn waarvan het glazuur van je tanden oploste. En dat voordat ik uitging. Het idee van een avond waarin fazanten… Op mijn zesentwintigste zou ik hebben gedacht dat de Gebraden Fazanten een wilde punkgroep was of zoiets.
‘Klinkt leuk,’ lieg ik.
‘Weet je, Kate…’ Ben schuifelt met zijn voeten, en hij haakt zijn duimen in de riem van zijn vrijetijdsbroek. ‘Ik, eh… Ik wilde je om advies vragen als je zo, eh, vriendelijk zou willen zijn…’
Ik gaap hem aan. Ik dacht dat Ben ervan overtuigd was dat hij alles al wist. Ik ben er niet aan gewend hem onzeker en aarzelend te zien.
‘Natuurlijk, Ben, kom maar op,’ zeg ik, en ik ga aan de keukentafel zitten om hem goede raad te kunnen geven. Wie had kunnen denken dat Ben zo goed getraind is dat hij mij zowat smeekt om een advies?
‘Weet je, Kate, Prue heeft me gevraagd iets voor de huwelijksreis te reserveren.’
Ik trek mijn wenkbrauwen op en wacht op zijn dilemma.
‘Ze zei dat het mijn verantwoordelijkheid is, moet je weten. Ze wil zich er niet mee bemoeien.’ Ben trekt aan de lussen waar zijn riem doorheen loopt, en zo ziet hij er merkwaardig genoeg uit als een mannelijke stripper die op het punt staat zijn broek met klittenband uit te rukken. Ik hoop echt dat hij dat niet zal doen.
Hij gaat verder: ‘Alleen stelt ze me er steeds vragen over. En wordt ze boos. Ik weet niet wat ik verkeerd heb gedaan, want ik heb nog niks geboekt.’
‘Wacht even,’ zeg ik. ‘Heb je haar dat verteld?’
‘Heb ik haar wat verteld?’
‘Dat je nog niks hebt geregeld voor de huwelijksreis.’
Ben kijkt ontzet. ‘Ja.’
‘En hoeveel weken tot de bruiloft zijn er nog? Vijf?’
‘Zes,’ mompelt Ben onduidelijk.
Ik weersta de neiging te gaan gillen van afschuw. Waarom alles tot op de laatste minuut uitstellen? En waarom heeft Prue zoiets aan de onhandige Ben overgelaten? Maar goed, paniek zal niet helpen, rustig optreden wel.
‘Waar wil ze heen?’ vraag ik zo rustig mogelijk, alsof ik met iemand praat die op de rand van een hoog gebouw staat.
Er verschijnt een frons op Bens gezicht. ‘Nee, Kate,’ legt hij uit. ‘Ze zei dat het mijn zaak was. Het moet een verrassing zijn.’
‘Echt? Denk je dat echt?’ Ik doe mijn best niet hard te lachen. Die arme Ben, net toen hij dacht dat alles zo goed ging. Hij heeft echt geen idee. En ik dacht nog wel dat ik Prue een dienst bewees door hem van tevoren op te voeden. Ze gaat hem met huid en haar opvreten.
‘Nou,’ reageert Ben gepikeerd, met alweer vuurrode wangen. ‘Waarom zou ze het niet gewoon zeggen als ze ergens naartoe wilde? Ze zei dat ik het moest regelen.’
‘Dus ze heeft je geen hint gegeven? Ze heeft niets in het al -gemeen gezegd, over vakanties of zo?’
‘Nee.’ Verdedigend slaat hij zijn armen over elkaar. ‘Nou ja, ze zei wel iets over een nieuwe bikini.’
‘En wat zei jij toen?’
‘Dat het niet nodig was, want ze had al een bikini. En toen werd ze kwaad en ging weg.’
‘Oké, Ben.’ Voordat ik me ervan kan weerhouden zwaai ik al met mijn wijsvinger. ‘Ten eerste: ze wil ergens heen waar het warm is.’
Bens mond valt open. Verwonderd kijkt hij me aan, alsof ik eerder verborgen gebleven paranormale gaven heb onthuld. ‘Warm?’ praat hij me na. ‘Hoe weet je dat?’
‘Ze heeft je een hint gegeven met die bikini, dus wil ze ergens heen waar ze een bikini kan dragen. En in deze tijd van het jaar betekent dat een lange vlucht naar ergens ver weg. Dus je kunt skivakanties, ijshotels, het noorderlicht en ongeveer heel Europa wegstrepen.’
Ben haalt een hand door zijn haar. ‘Ergens ver weg. Warm. Moet ik dat opschrijven?’
‘Ik denk dat je dat wel kunt onthouden, Ben,’ stel ik hem gerust, en ik doe erg mijn best niet geërgerd te klinken. ‘Heeft ze het nog over iets anders gehad? Bijvoorbeeld iets over eten, dat ze erg verlangt naar enchilada’s of zo? Of heeft ze op het werk naar websites gekeken? Tijdschriften over reizen laten slingeren?’
Dat lijken mij duidelijke hints, maar ik begrijp nu dat Ben heldere aanwijzingen nodig heeft om ergens te komen. Het verbaast me dat Prue op kantoor niet heeft rondgelopen met een reclamebord van Thailand, of van waar ze ook naartoe wil. Maar Ben zou het ook kunnen opvatten als een modegril waar hij eerder niets van wist.
‘Nee,’ antwoordt hij. ‘Dat zou me wel zijn opgevallen. Dat weet ik zeker.’
Dat betwijfel ik. Ik weet zeker dat Prue, die altijd vooruitdenkt, een bestemming in haar hoofd heeft. Het is mijn taak Ben te helpen erachter te komen wat die bestemming is voordat er weer een relatie in de familie Bailey op de klippen loopt.
‘Nou, dit is wat je moet doen,’ zeg ik. ‘In de lunchpauze ga je tijdschriften kopen. In het postkantoor hebben ze er het meest. Je gaat kopen Condé Nast Traveller, Wallpaper, Red en Marie Claire. Heb je dat?’
De frons in Bens voorhoofd wordt steeds dieper. Hij kijkt een paar keer achterom naar het aanrecht voordat ik snap waarom hij dat doet.
‘Nu mag je het opschrijven,’ zeg ik, en dankbaar pakt hij de blocnote waarop ik mijn boodschappenlijstjes noteer.
‘Traveller, Wallpaper…’ mompelt hij terwijl hij alles zorgvuldig opschrijft, het puntje van zijn tong duidelijk zichtbaar.
‘Nou, en na je werk gaan we alle artikelen over reizen door -nemen. En wanneer Prue komt, doe je net of je de tijdschriften in de bank verstopt.’
‘Net… doen… of ik… verstop,’ mompelt Ben al schrijvend. In verwarring gebracht kijkt hij op. ‘Is het dan nog wel een verrassing?’
‘Ben, luister je wel? De verrassing die Prue wil is de verrassing dat je de reis hebt geboekt waar ze naartoe wil. Dat is de enige aanvaardbare verrassing, snap je? En ik probeer je te helpen.’
‘Ik vind gewoon dat ze niet alles moet zien,’ moppert Ben.
Ik doe mijn best hem niet door elkaar te schudden. ‘Ben,’ zeg ik met al het geduld dat ik kan opbrengen, ‘weet je nog op school, dat het bij wiskunde niet voldoende was om het juiste antwoord te geven?’
Weifelend knikt Ben.
‘Weet je nog dat je ook moest laten zien hoe je aan het antwoord was gekomen? Ja?’
‘Nou en?’
‘Dit is precies hetzelfde. Je krijgt extra punten om te laten zien hoe je het hebt uitgewerkt. Je moet Prue laten zien dat je er moeite voor doet, dat je er tijd en moeite in steekt.’
‘Maar dat heb ik nog niet gedaan,’ zegt Ben, altijd even eerlijk. En ook dom, dat kan niet worden ontkend.
‘Daar gaat het niet om. Het gaat erom dat je punten krijgt omdat je je best doet. Snap je?’
‘Jawel,’ zegt Ben langzaam.
‘Nou, dus ze ziet de tijdschriften, en dan wijs jij iets aan, bijvoorbeeld een ecologische hut in Namibië, en zeg je dat je dat er goed vindt uitzien of zoiets.’
‘Maar zij vindt het waarschijnlijk niks,’ zegt Ben terwijl hij bedachtzaam zijn hoofd schudt. ‘Ik weet niet zeker of zoiets wel iets voor haar is, eigenlijk.’
‘Zie je nou?’ vraag ik. ‘Je weet best wat haar aanstaat en wat niet. Maar dat doet er eigenlijk niet toe. Je moet een gesprek op gang zien te krijgen waaruit blijkt dat ze eigenlijk voor twee weken naar de Maldiven wil.’
Aan Bens gezicht te zien dringt er iets door. ‘Oké… Denk je dat ze dat het liefst wil? De Maldiven?’
Ik voel me als iemand die een uitzonderlijk langzaam en af -gesloofd paard naar de drinkbak heeft geleid om het dan erin te zien springen en het vrolijk zijn hoeven te zien schrobben.
‘Ik weet niet of ze naar de Maldiven wil, Ben,’ zeg ik met bijna opeengeklemde kaken. ‘Daar moet je vanavond achter zien te komen.’
Ik zie op de blocnote dat Ben er in hoofdletters MALDIVEN op heeft geschreven, en ik vermoed dat dat het enige is wat hij heeft opgestoken van ons gesprek.
‘Jij bent vanavond toch ook hier?’ vraagt Ben.
Ik vraag me af of hij denkt dat ik achter de bank verstopt zal zitten om als een soort Cyrano de Bergerac aanwijzingen te geven.
‘Nee,’ antwoord ik. ‘Ik ga uit.’
Ben kijkt net zo verbaasd als ik me voel. Maar ik kan niet eeuwig blijven mokken. Het is tijd om verder te gaan.