7
Ik kan niet ontkennen dat ik ben geïntrigeerd door de komende ontmoeting met de mysterieuze Ben. Hoewel ik denk dat hij waarschijnlijk alleen voor mij een mysterie is, want mijn ouders hebben hem vast al een paar keer gezien. Het is de eerste keer dat een vriendje van Prue interesse in de zaak heeft getoond, en als mijn ouders het goedvinden dat hij zich ermee bemoeit, moet hun relatie wel serieus zijn. Mijn ouders zijn al bezig met verhuren en toeristendingen regelen sinds mijn vader na Prues geboorte is opgehouden roadie te zijn. Volgens mij heeft ze niet echt door dat ze al een groots en meeslepend bestaan achter de rug hadden toen ze naar Lyme verhuisden. Hun verlangen naar spanning en sensatie is vervuld met jaren van reizen en rondhangen met popsterren. Ze zijn naar Dorset getrokken voor een rustiger leventje. Zelf heb ik een poosje geproefd van de reisjes en de glamour, want ik was al zes toen we hiernaartoe verhuisden en ze op zoek gingen naar een school en rust. Prue daaren tegen kent niets anders dan een rustig leventje, dus kan ze er niets aan doen aldoor Baileys in de schijnwerpers te willen plaatsen.
De achterdeur staat nog open en in de tuin hiernaast klinkt geluid. De oma van Eddy is dus ook al op. Ik durf haar niet over de schutting heen aan te spreken, want ik wil niet nog eens meemaken dat ze van een trapje valt. Maar de geluiden van hiernaast zijn hoog en opgewonden, het klinkt niet als het gebabbel van een oud dametje dat hardop in zichzelf praat. Ik schenk het kokende water op en besluit toch maar even naar buiten te gaan.
‘Nee, jíj bent de nare koningin en ík ben de prinses,’ hoor ik een stem zeggen die overduidelijk niet aan mevrouw Curtis toebehoort.
‘Ik wil geen nare koningin zijn, ik ga de prins zijn die de prinses komt redden,’ reageert iemand anders.
‘Je kunt helemaal geen prins zijn, want je bent een meisje.’
‘Dan ga ik de prinses zijn die de prinses redt.’
‘Dat kan niet, de prinses moet worden gered door een prins.’
‘Van wie moet dat?’
‘Van iedereen. En trouwens, ik wil niet door jou worden gered. Ik ben ouder dan jij.’
‘Meisjes?’ hoor ik een mannenstem. Het klinkt alsof de eige naar binnen is in het buurhuis, en ik besef dat de stem van Eddy is.
Ik hoor Eddy buiten komen.
‘Jullie zijn allebei mijn prinsesjes, Grace, dat weten jullie toch wel?’ zegt hij, vriendelijk maar afwijzend, want hij beseft niet waar de ruzie tussen de zusjes om gaat.
Wat raar dat Eddy kinderen heeft. Kinderen die naar school gaan, niet van die piepkleine krijsende kotertjes die sommigen van mijn vriendinnen de laatste tijd op de wereld hebben gezet, maar echte meisjes die groot genoeg zijn om ruzie te maken en me ningen te hebben. Eddy, die met balpen de namen van popgroepen op zijn rugzak schreef, die in een verweerde oranje Volkswagen reed met een verbogen kleerhanger als antenne, en wiens kunstje was met één hand een sjekkie met inhoud te rollen. Dat is de Eddy Curtis zoals ik hem kende; en nu is hij vader. Een echte volwassene. Ik wist niet eens dat hij getrouwd was.
‘Au, hou op!’ krijst een van de meisjes, en verschrikt gaat Minnie blaffen.
‘Een hond!’ roept Eddy’s jongste dochter, Grace, geloof ik.
‘Kate?’ roept Eddy achter de schutting. ‘Sorry, Kate, het is nog heel vroeg… Hebben we je wakker gemaakt?’
‘Hoi, Eddy,’ roep ik terug. ‘Je hebt me niet wakker gemaakt, ik was al op, echt waar.’
‘Om halfnegen op zaterdagochtend?’ Eddy lacht. ‘Dan is er veel veranderd sinds ik je kende.’
Ik weet daar niets op te zeggen. Het voelt of alles is veranderd en toch ook weer alsof alles bij het oude is gebleven. Hier ben ik in Lyme en ik klets met Eddy Curtis. Straks springen we in de auto en gaan naar een feest waarvan we hebben gehoord dat het ergens net buiten Axminster zal plaatsvinden.
‘Papa,’ hoor ik een fluisterstem. ‘Heeft ze een hond?’
‘Nog iets veel beters,’ roep ik over de schutting heen. ‘Ik heb een puppy. Zou je met haar willen kennismaken?’
Voordat ik de kans heb gekregen me te herinneren dat ik nog in pyjama ben, zelfs nog voordat ik mijn tanden heb gepoetst, staan Eddy’s dochtertjes al in mijn tuin. Niet dat het hun zou opvallen dat ik nog niet netjes ben, want ze hebben alleen oog voor Minnie, die hen opgewonden springend verwelkomt. Minnie is dol op kinderen. Maar Eddy kijkt beschaamd, en ik weet niet goed hoe ik me moet gedragen. Mijn Londense manieren lijken verkeerd; ik kan hem geen luchtzoen geven als ik uit mijn bek stink. Dat is dan de Kate Bailey vol glamour die hij zich heeft voorgesteld. Ik zie er vast vreselijk uit.
‘Sorry om je zo te overrompelen,’ zegt hij zonder me echt aan te kijken. ‘Zaterdagochtend halen we mijn oma altijd op van het zwemmen. Behoorlijk vroeg opstaan is dat voor ons allemaal.’
‘Is er tegenwoordig een zwembad in Lyme?’ vraag ik. Ik zou zelf ook wel af en toe een baantje willen trekken. Iets om de tijd mee te doden.
Met een grijns wrijft Eddy over zijn hoofd. ‘Nee. Niet voor mijn oma. Voor haar is het de zee, en niks anders.’
‘Zwemt ze in zee?’ breng ik ontsteld uit. ‘Maar het is al oktober. Het water moet ijskoud zijn…’
‘Opwekkend, volgens haar,’ reageert Eddy met een zuur lachje. ‘Ze ging elke dag. Jarenlang. Maar een poos geleden raakte ze in de stroming verzeild. Ze is niet zo sterk meer als ze dacht. Iemand heeft de kustwacht gebeld.’
‘O mijn god… Ging het wel goed met haar?’
‘Toen de kustwacht haar aan land zette, was ze prima in orde, alleen maar boos omdat er zo’n heisa van werd gemaakt. Vooral toen ze voor controle per ambulance werd afgevoerd. De kustwacht gaf haar een standje omdat ze op haar leeftijd alleen was gaan zwemmen. Je kunt je voorstellen hoe ze dat opvatte.’
‘Maar ze zwemt dus nog steeds?’
‘We hebben afgesproken dat ze alleen nog op zaterdagochtend de zee in gaat, en de meiden en ik gaan dan mee. Om te kijken, snap je. Gewoon als toeschouwers. Absoluut niet om een oogje te houden op een vrouw van tachtig die in haar uppie in zee gaat zwemmen.’
‘Uiteraard.’ Ondanks alles ben ik diep onder de indruk dat mevrouw Curtis zo sportief is, iets wat zo contrasteert met haar verschijning.
Er verschijnt een lach op Eddy’s gezicht. ‘Maar ik weet niet of ze zich wel aan de afspraak houdt, zeker niet na wat jij zei over haar badmuts.’
‘Misschien was ze gewoon een nieuwe aan het proberen?’ opper ik, ineens heel loyaal aan mijn nieuwe buurvrouw.
‘Denk je?’ Eddy trekt een wenkbrauw op. ‘Ik dacht dat je wel aan mijn kant zou staan, en nu neem je het voor háár op.’
Eddy en ik kijken naar de meisjes die zich gillend van de pret door Minnie achterna laten zitten.
‘Eddy Curtis, vader,’ zeg ik. ‘Ongelooflijk.’
Vragend kijkt hij me aan. ‘Anders niet zo heel gek, hoor. Ik ben vierendertig, niet meer dertien.’
‘Weet ik.’ Ik schiet in de lach. ‘Waarschijnlijk denk ik nog aan je als aan een tiener. Jij bent niet raar, ik ben raar.’
‘Waarom ben je raar?’ vraagt hij geamuseerd.
Ik haal mijn schouders op. ‘Nou ja, het is gewoon raar. Het leven is raar. Jij bent vader geworden, Eddy met de dreadlocks is vader. En ik… Nou ja, ik woon in de bungalow van mijn oma.’
Eddy verplaatst zijn gewicht van de ene voet op de andere. ‘Ja, dat heb ik gehoord, van je man. Vervelend.’
‘Geeft niet, hoor,’ zeg ik, blij dat hij zo dapper is om het gewoon te zeggen in plaats van te gaan hengelen, zoals de meesten. ‘Niet elk huwelijk blijft eeuwig bestaan.’
Hij slaakt een scherp lachje, alsof het uit hem is gemept. ‘Nee.’
Het jongste meisje komt ademloos en opgewonden op ons afgerend. ‘Papa, mogen we hier blijven met het hondje? Ja, pap?’
Haar zusje, die niet ouder dan acht kan zijn, richt haar blik op een zeer tienerachtige manier hemelwaarts. ‘Grace, we hebben van alles te doen. Toch, papa? Het leven bestaat niet alleen uit spelen.’
Ik hou mijn lachen in omdat ze zo wereldwijs klinkt.
‘Charlotte heeft gelijk, lieverd,’ zegt Eddy terwijl hij zachtjes aan Grace’ vlecht trekt. ‘Ik moet ervoor zorgen dat jullie om negen uur bij het huis van jullie moeder zijn zodat ze jullie naar ballet kan brengen.’
‘Maar ik wíl niet naar ballet,’ jammert Grace, en haar ogen vullen zich met tranen. ‘Ik wil bij jou blijven, en bij het hondje.’
Eddy verstrakt. Naar het huis van hun moeder? Met een spijtige blik kijkt hij me aan. ‘Ja,’ zegt hij. ‘Het kan raar lopen in het leven. Kom op, meiden. We moeten hier weg. Zeg gauw dag tegen jullie overgrootmoeder, anders komen we te laat.’
‘Mogen we nog eens op bezoek bij het hondje?’ vraagt Grace terwijl ze mijn hand pakt en smekend naar me opkijkt. Charlotte is afstandelijker, alsof het haar niet veel kan schelen, maar toch zie ik aan haar dat ze dolgraag nog eens wil komen. Met dat coole gedrag houdt ze me niet voor de gek. Ik heb het zo vaak gedaan dat ik er bij anderen niet in trap.
‘Natuurlijk mag dat,’ zeg ik. ‘De volgende keer kunnen we haar uitlaten, als jullie dat leuk vinden.’
Eddy staat al bij het hekje. ‘Val Kate niet aldoor lastig, meiden,’ roept hij. ‘We gaan!’
Ze rennen zwaaiend naar het hekje, en ik moet Minnie vasthouden aan haar halsband om te voorkomen dat ze achter hen aan gaat.
‘Sorry, Mins,’ zeg ik. ‘Maar jij blijft hier, bij mij.’
Ze jankt als het hekje dichtklapt, en ik zou ook wel willen janken. Ik zou liever meegaan met Eddy en zijn kinderen, al klinkt het ook nog zo chaotisch en ingewikkeld, maar alles beter dan hier alleen zijn met een hele dag voor de boeg. Ik vraag me af hoe anders het zou zijn geweest als Matt en ik kinderen hadden. We werden niet uit elkaar gescheurd door de druk van een pril gezinnetje. Nee, dat excuus hadden we niet. We kunnen het falen van ons huwelijk alleen aan onszelf wijten.