5
Ik heb gemerkt dat een wekker niet nodig is als je een hond hebt. Ik vraag me af of je een hondenwekker op de markt zou kunnen brengen. Het is veel prettiger dan het schrille gepiep van een mobieltje, hoewel misschien niet iedereen uit de slaap wil worden gehaald door een koude, natte neus tegen het gedeelte van het lichaam dat toevallig onder het dekbed uit steekt. Maar voor mijn idee spreekt dat Minnie zo ontzettend goed de tijd bijhoudt. Ze wil graag dat ik elke ochtend om zeven uur uit bed ben, anders geeft ze blijk van haar onvrede. Nu we eenmaal een beetje gewend zijn aan het wonen in het huis van oma Gilbert is het me een paar keer gelukt Minnie in de tuin te laten en zelf weer onder de wol te kruipen, maar Minnie keurt luiheid af en komt als een levende snooze-knop steeds terug om ervoor te zorgen dat ik echt opsta.
Deze ochtend laat ik haar buiten en blijf zelf op. Ik laat de achterdeur open terwijl ze rondsnuffelt in de tuin. Minnie springt elke dag even enthousiast rond in het betegelde tuintje, alsof het de eerste keer is dat ze dit ongelooflijk spannende gebiedje ziet. Alsof de verdorrende rozenstruiken en de met mos begroeide tegels een geweldige verrassing zijn, niet iets wat precies hetzelfde is als de dag daarvoor. Waarschijnlijk is het een wijze les waar ik veel aan zou hebben als ik hem snapte. Eerlijk gezegd wil ik eerst koffie voordat ik aan existentiële levensvragen begin. Terwijl ik wacht totdat het water kookt, zet ik de radio aan, een ouderwets monster van oma Gilbert met plek voor twee cassettebandjes om nummers te kunnen kopiëren, iets wat vast nooit haar bedoeling kan zijn geweest.
Uiteraard mis ik oma Gilbert. Vroeger kwam ik hier elke dag na school, wanneer mijn vader en moeder nog op kantoor waren. Ze zorgde ook voor Prue toen die nog klein was. Maar voordat ze stierf, was ze heel lang ziek en ook heel warrig, en het was alsof we al om haar rouwden toen ze nog leefde. Het laatste halfjaar woonde ze niet eens meer in haar bungalow, ze moest naar een verpleeghuis in Bridport waar ze dag en nacht kon worden verzorgd. Als oma Gilbert weet had gehad van wat er allemaal met haar gebeurde, zou ze dat verschrikkelijk hebben gevonden. Ze zou de verpleegkundigen hebben uitgescholden, hebben geweigerd haar huis te verlaten en zich te laten voeren. Ik denk dat het maar goed was dat wat er nog over was van de moeder van mijn moeder zich niet meer verzette of klaagde. En daardoor wisten we ook dat ze er eigenlijk al niet meer was.
De makelaar had gezegd dat het huis beter verkoopbaar zou zijn als er iemand in woonde. Niet dat er iemand is komen kijken sinds ik erin ben getrokken. Misschien wordt het huis eindelijk verkocht nu het als woonhuis in gebruik is en niet meer de sfeer van een mausoleum ademt. Hij vroeg nog wel hoopvol of ik iets aan het interieur ging doen, alsof ik zonder enige moeite een designerhuis kan maken en een onaantrekkelijke bungalow kan veranderen in een weelderig stijlhuis. Ik zou niet weten waar ik moest beginnen. Met de blauwe badkamer met de blauwe badkuip en de blauwe tegeltjes, en de blauwe gastenzeepjes in cellofaan verpakt die al op het plankje lagen toen ik nog naar school ging? Met de in een verf vol kruimeltjes of zoiets geverfde keuken muren, een effect dat heel modieus was toen mijn moeder oma Gilbert in 1986 hielp met de keuken?
Ik ben diep in gedachten verzonken over wat te doen met het textuurplafond in de woonkamer wanneer tot me doordringt dat het schrille geluid dat ik heb genegeerd waarschijnlijk afkomstig is uit oma Gilberts telefoontoestel. Of nee, uit míjn telefoontoestel. Ik wist niet eens dat de telefoon was aangesloten. Het huis staat al zo lang leeg dat ik aannam dat de telefoon was afgesloten.
‘Hallo?’ zeg ik op mijn hoede, bang voor een telemarketeer.
‘Hallo jezelf,’ zegt mijn zusje. ‘Stoor ik op weer een drukke dag? Moet je vergaderen en mensen spreken?’
‘Heel leuk, Prue. Wat mot je?’
‘Waarom zou ik iets motten?’ reageert ze verbolgen. ‘Mag ik mijn zusje niet bellen om te vragen hoe het met haar gaat?’
Meteen ben ik in de hoogste alarmfase. ‘O, in dat geval… Alles gaat prima, dank je. Aardig dat je het vraagt.’ En ook helemaal niks voor jou, Prue, denk ik erbij.
‘Goed?’ vraagt Prue. ‘Goed? Is dat alles? Ben je misschien…’
Ik vul de plots ingevallen stilte niet op, en zonder dat ik de uitdrukking op haar gezicht kan zien, weet ik dat de pauze belangrijk is en een nog niet nader toegelicht doel heeft.
‘Ben je misschien een beetje eenzaam?’ gaat ze verder.
‘Nee,’ zeg ik gauw. Ik weet niet wat voor valstrik ze heeft opgezet, maar ik weet wel dat er eentje is. Dit is immers Prue. Die doet nooit zomaar iets.
‘Echt niet? Want, wauw, ik weet niet hoe ik het zou vinden in die treurige, ouwe bungalow, helemaal in mijn eentje, met niemand om tegen te praten.’
‘Ik vind dat prima, Prue, helemaal top,’ zeg ik. ‘Ik vind alleen wonen prettig. Dat begrijp je vast niet, want jij woont nog thuis.’
‘Ja.’ Ze lacht, maar het is een geforceerde lach. Ze vindt het niet fijn eraan herinnerd te worden dat ze nog nooit ergens anders heeft gewoond dan bij mammie en pappie. Ook al is zij degene die altijd heeft gezegd dat ze pas uit huis gaat wanneer ze gaat trouwen, past dat thuis wonen niet bij haar image van vooruitdenkende, ambitieuze, jonge zakenvrouw. ‘En jij hebt natuurlijk al op jezelf gewoond. Maar niet heel lang. Niet nadat je Matt had leren kennen.’
Hoewel ik mijn kaken op elkaar geklemd houd, lukt het me toch om koeltjes te zeggen: ‘Inderdaad.’
‘Misschien is het eenzamer om te wonen met iemand als de liefde is verdwenen,’ zegt Prue.
‘Jezus, Prue, wat is dit?’ snauw ik. ‘Word ik soms gebeld door Cliché van de Dag? Is er eigenlijk een reden voor dat je me op dit tijdstip belt, of wil je gewoon dat ik me overal nog rottiger over voel dan al het geval is?’
‘Rustig nou maar,’ zegt Prue met woedend makende kalmte. ‘Ik bel omdat ik me zorgen om je maak. Ik weet dat je denkt dat je me niks kunt schelen, maar dat is niet zo.’
Ik krijg een brok in mijn keel. Ook al zit ik vol achterdocht om de reden waarom ze me belt, springen de tranen me tegenwoordig in de ogen als iemand langs neus en lippen iets aardigs tegen me zegt. ‘Dank je wel, Prue. Sorry dat ik snauwde. Ik heb het gewoon moeilijk.’
‘En je bent eenzaam,’ houdt ze vol.
‘Goed, misschien een heel klein beetje eenzaam,’ geef ik uiteindelijk toe, verslagen om het met haar eens te zijn.
‘Zie je wel! Eindelijk geef je het toe. Waarom kom je dan vanavond niet eten? Ik kook.’
Het is niet de verleidelijkste uitnodiging die ik ooit heb ontvangen, maar laten we wel zijn, het is de enige uitnodiging voor de zaterdagavond die ik in mijn zelf opgelegde kluizenaarsbestaan waarschijnlijk zal krijgen. ‘Dank je wel, Prue, lijkt me leuk.’
‘Mooi zo. Zorg dat je om zeven uur hier bent. En neem wijn mee. Witte wijn, vier flessen. Ik heb Teresa van de wijnwinkel verteld welke flessen ze opzij moet zetten, dan kun je ze straks gaan halen.’
Zie je wel? Ik wist dat het een valstrik was. Ik durf te wedden dat het de duurste wijn van heel Lyme is.
‘O, en trouwens…’ gaat Prue terloops verder. ‘Ben komt ook.’
‘O ja?’ Ik heb de nieuwe vriend van mijn zusje nog niet gezien, en opeens lijkt de avond me veel interessanter.
‘Ja. Om de een of andere duistere reden wil hij je graag leren kennen,’ zegt Prue.
‘Komt hij daarvoor helemaal uit Bristol?’
‘Ja, uit Bristol. Waar anders vandaan?’
‘Niet zo brutaal, Prue. Het lijkt alleen een heel eind om ergens te komen eten. Of blijft hij slapen?’
De telefoon zit aan een heel lang gedraaid snoer. Dat is helemaal uitgerekt als ik de ketel onder de kraan houd terwijl Prue doorpraat.
‘Absoluut niet!’ zegt Prue, om er fier aan toe te voegen: ‘Hij slaapt in het Alexandra. Ik heb een kamer voor half geld voor hem gereserveerd vanwege zijn band met Baileys.’
Zoals Prue het zegt, klinkt het alsof het een groot zakenimperium is, terwijl ze eigenlijk met zijn drietjes een paar vakantiehuisjes verhuren en dingen organiseren voor toeristen in dit ingeslapen deel van Dorset. Prue had altijd grote plannen voor Baileys, ondanks de desinteresse van mijn vader en moeder in het groter groeien. In haar streven naar succes heeft ze zich ingeschreven bij allerlei rare organisaties. Ik weet eigenlijk wel zeker dat ze Ben heeft leren kennen tijdens een evenement voor jonge ondernemers in het zuidwesten.
‘Leuk,’ zeg ik, en ik zet het water op. Het Alexandra is het chicste hotel hier, en Prue weet best dat ik dat weet.
‘Ze weten best uit welke hoek de wind waait,’ zegt Prue.
‘Pardon?’
‘Nu Ben bij Baileys betrokken is,’ zegt ze. ‘Ze weten dat we veel zaken met ze gaan doen. Ik kan je wel vertellen dat ze ons te vriend willen houden.’
‘Oké,’ zeg ik. Ik ben totaal niet geïnteresseerd in Prues plannen om de streek rond Lyme Bay te domineren. ‘Waarom slaapt hij niet bij jou?’
Ik hoor Prue diep ademhalen voordat ze antwoord geeft. ‘Je weet heel goed wat ik van zulke dingen vind,’ zegt ze zedig.
‘Nou, sorry hoor, dat ik voorstelde dat je vriend wel bij jou zou kunnen slapen. Het is immers niet totaal onmogelijk.’
‘Kate, niet iedereen leeft zo vrijgevochten als die lui in Londen.’ Het klinkt snauwerig, en eerder alsof ze vijfenzeventig is dan vijfentwintig. ‘Ik zie je om zeven uur.’
En dan hangt ze op.
Voor één keertje zou ik een gesprek met Prue willen hebben dat niet zo eindigt.