38

Londen

Ik had vijf minuten op de rand van het bad zitten staren naar de zwangerschapstest, ik zat te wíllen dat die het teken liet zien dat mijn leven zou veranderen. Onze levens. Het was geen plastic stokje, het was een toverstokje.

Ik was twee dagen overtijd. Die ochtend had ik kokhalzend aan het ontbijt gezeten, mijn borsten waren zo pijnlijk en gezwollen dat ik ze met een hand moest steunen toen ik de trap af ging. Dat zouden bemoedigende tekenen moeten zijn, maar ik was al achter de wrede ironie gekomen dat de eerste symptomen van een zwangerschap vrijwel hetzelfde zijn als wat ik onderging vlak voor de menstruatie, dus stond ik me niet toe iets te geloven voordat de test een positief resultaat liet zien. De huisarts had gezegd dat er niets met me aan de hand was, helemaal niets. Hij beweerde alleen dat ik niet te veel moest stressen, en dat was belachelijk. Was ik juist vanwege de stress niet opgehouden met werken?

De huisarts zei dat het zou gebeuren wanneer ik het het minst verwachtte, wat iedereen ook altijd zei over verliefd worden. Misschien was het waar. Maar het weerhield me er niet van de dokter in zijn zelfvoldane gezicht te willen meppen. Het weerhield me er niet van te willen zeggen dat als het nog langer zou duren, ik maar sperma ging roven omdat mijn echtgenoot nauwelijks met me wilde vrijen.

Matt en zijn supersperma. O ja, hij liet zich ook onderzoeken. Pas nadat ik hem daar wekenlang over aan zijn kop had gezeurd. Als ik aardig was, en dat kon ik best zijn ongeacht wat mijn echtgenoot zei, zou ik hebben erkend dat hij doodsbang voor de onder -zoeken was. Hij wist wat dit alles voor mij betekende en vreesde dat het mogelijk aan hem lag. Terwijl hij daar toch aan gewend moest zijn.

Maar nee, Matt Martell, wie alles altijd aanwaaide, bleek over uitstekende zwemmers te beschikken. Toen de dokter hem de resultaten liet zien, had ik kunnen zweren dat Matt een overwinnaarsrondje door de wachtkamer zou gaan rennen, met zijn handen in de lucht gestoken.

‘Er is niks mis met mijn sperma,’ zei hij onderweg naar huis trots. ‘Helemaal niks.’ En toen we thuis waren, initieerde hij voor het eerst in weken zelf een vrijpartij.

Ik weet niet of hij besefte dat de enige conclusie die overbleef was dat er iets mis was met míj. Dat was niet alleen een smet op het heden, maar ook op het verleden. Ik moest steeds denken aan alle keren dat ik moedwillig risico had gelopen, dat ik niet de moeite had genomen om de morning-afterpil te halen, dat ik er het beste van had gehoopt wanneer ik mijn benen spreidde en de komst van de menstruatie als een zegening had begroet. Stel dat ik altijd al geen kinderen had kunnen krijgen? Stel dat ik dus nooit zwanger kon worden?

De dokter stelde me niet erg gerust. Als er niets aan de hand was, zou ik langzamerhand zwanger moeten zijn. Ik had alles gedaan zoals het hoorde. Echt alles. Er moest toch een reden zijn.

‘Wat wil je nou?’ vroeg Matt toen ik wilde praten over waarom het ons maar niet lukte. ‘We zijn allebei onderzocht, er is niks mis. Je moet je er niet zo door laten obsederen.’

Dus hield ik er mijn mond over, en Matt dacht daardoor dat ik me er niet meer door liet obsederen.

Nu ik erover nadenk, ik hield overal mijn mond over. Over de belangrijke dingen, bedoel ik. Het had toch geen zin. Matt leek dat als een goed teken op te vatten, en ik kon aan hem merken dat onze oppervlakkige gesprekjes aan tafel hem bevielen. Over wat er die avond op tv zou zijn, over wat voor schattigs Minnie die ochtend had gedaan, over de nieuwste cliënt die hij voor Hitz had gestrikt. Allemaal veel beter dan de bozige wrevel waarop ik hem meestal trakteerde.

Maar hij kwam steeds later thuis, en het drong tot me door dat hij me ontweek. Het is veelbetekenend dat het me toen eigenlijk niet echt meer kon schelen. Als we maar vrijden tijdens mijn ovulatie, kon hij verder doen en laten wat hij wilde.

Ik schudde de test, voor het geval hij dan eerder het resultaat zou laten zien. En ja hoor, daar was het. Niet zwanger. Alweer niet.

Dat ‘alweer niet’ stond niet in het venstertje. Dat zeg ik er maar even bij. Maar het had er net zo goed wel kunnen staan. Er had net zo goed kunnen staan: jij, Kate Martell, bent een grote loser. Je kunt geen kinderen krijgen. Je man denkt dat je krankzinnig aan het worden bent. Je hebt geen werk. En je hebt nauwelijks nog vrienden of vriendinnen.

Natuurlijk was dat veel tekst voor in zo’n venstertje, dat geef ik grif toe. Maar ook al stond het er niet, zo voelde het wel.

Ik hoorde mijn mobieltje in de slaapkamer geluid maken, maar ik nam niet op. Ik voelde me als verdoofd. Ik wist niet eens of mijn benen me er wel naartoe konden dragen. Bovendien wist ik toch wel wie het was: Sarah.

De afgelopen weken had ze zich nog erger gestort op haar missie van medelijden. Omdat ik nooit uitging, had ze zichzelf uitgenodigd voor een avondje met popcorn naar dvd’s kijken, en ze had toen veel te veel gedronken en me verteld dat er problemen waren tussen Jay en haar en dat ze niet meer wist of ze nog wel van hem hield. Ik leefde met haar mee, maar het voelde alsof er een glazen wand tussen ons in stond. Ik leefde met haar mee, maar ik vertelde haar niets over Matt en mij. Om het hardop te zeggen, om te vertellen hoe gespannen alles was geworden, zou het écht maken. En omdat ik alles binnen hield, leek ik afstandelijk. Ik zag aan haar dat ze dat kwetsend vond, maar als ik ging huilen, zou ik vast niet meer kunnen ophouden.

Ik gooide de zwangerschapstest in de prullenbak en legde er tissues overheen opdat Matt hem niet kon zien. Alsof hij ooit de inhoud van de prullenbak doorzocht… Te oordelen aan de botte scheermesjes en lege shampooflessen die hij in de badkamer liet slingeren, wist hij waarschijnlijk niet eens van het bestaan van de prullenbak. Toch voelde ik me veiliger in de wetenschap dat de test verstopt was. Of misschien wilde ik hem zelf nooit meer zien.

De kartonnen verpakking nam ik mee. Ik zou hem in mijn tas stoppen en me er later van ontdoen. Ik verstopte de verpakkingen de laatste tijd voor Matt omdat die alleen maar kruit voor hem waren, weer een reden om me te beschuldigen van obsessief en neurotisch gedrag. De eerste keer had ik de verpakking achteloos in de kliko van de buren gemikt, niet voorziend dat dit zou leiden tot een heftige ruzie tussen de Palmers, want ze hadden al vier kinderen en meneer Palmer had een vasectomie ondergaan. Vanaf toen zorgde ik dat ik me verder weg van de verpakkingen ontdeed, ergens in een anonieme gemeentelijke afvalbak of zo.

Weer maakte mijn mobiel geluid om me te laten weten dat er was ingesproken op de voicemail. Natuurlijk was het Sarah, wie kon het anders zijn? Als mijn mobiel me waarschuwde, was het altijd mijn moeder, Matt of Sarah. Ooit had ik me door honderden e-mails per dag geworsteld en zat ik de helft van de dag aan de telefoon, en nu schrok ik van een enkel ingesproken bericht.

‘Hoi, Kate, met mij. Ik bel alleen maar om te zeggen dat we vanavond in de Crown iets gaan drinken. Jay moet werken, dus als jij nou ook komt, zouden we daarna een pizza kunnen gaan eten. Iedereen zegt dat ze je graag weer eens willen zien. Laat me weten dat je komt, oké?’

Ze verwachtte niet echt dat ik zou komen. Ze wachtte op een smoes. Ik durfde niet te bekennen dat ik een beetje bang voor Soho was geworden. Er waren daar zoveel mensen die haast hadden om op de volgende afspraak te verschijnen, ze hadden het allemaal druk, druk, druk, en spoedden zich met hun telefoon tegen het oor gedrukt over straat. Ik voelde me daar niet meer thuis. Ik snapte niet waarom Sarah niet snapte dat ik niet zou komen. Hoe vaker ik niet op een uitnodiging in ging, des te meer kwamen er, zodat ik me belegerd ging voelen.

Gauw stuurde ik een sms terug, want dat was makkelijker dan een telefoongesprek.

Sorry, moet vanavond koken voor Matt. Liefs.

Onmiddellijk kwam er een reactie.

Oké, ik dacht dat hij niet thuis zou zijn. Fout gedacht. Volgende keer dan. Xoxoxo

Waarom zou Sarah denken dat Matt niet thuis zou zijn? Tegen mij had hij daar niets over gezegd; niet dat dat ongebruikelijk was. Tegenwoordig zei hij niet veel. We aten ook nog maar zelden samen. Ik was vroeger gaan eten, en hij kwam meestal niet voor negenen thuis. Maar als hij echt een hele avond uitging, vertelde hij me dat meestal, want dat bespaarde me de moeite iets voor hem te maken.

Opeens werd ik woedend. Al mijn oudbakken berusting liep uit me weg en werd vervangen door een kille razernij. Wie dacht Matt wel dat hij was? Hij had niet eens de moeite genomen me te vertellen waar hij heen zou gaan of wat hij aan het doen was. Hij vond het zeker vanzelfsprekend dat ik zoals altijd alleen thuis zat, dat ik zou wachten tot het hem beliefde thuis te komen. Maar zelfs in mijn woede wilde ik niet degene zijn die een echt gesprek begon. Want dat zou op ruzie kunnen uitlopen. En misschien kwam ik niet als winnaar uit de strijd. Dus stuurde ik maar een sms.

Sarah zegt dat je vanavond niet thuis bent. Was je nog van plan mij dat te vertellen?

Uiteraard kreeg ik geen reactie van Matt, en dat maakte me nog kwader. Na drie uur zonder antwoord stond ik op het punt te ontploffen. Ik beende door de keuken en hield hardop heel heftige gesprekken met een denkbeeldige Matt. Denkbeeldig in de zin van dat ik met hem kon praten, in tegenstelling tot mijn echte echtgenoot met wie ik dat niet kon. Minnie lag angstig in haar mand te trillen, maar ik was zo nijdig dat ik niet kon ophouden met razen en tieren.

Na vier uur trok ik iets anders aan. Ik maakte me op. Ik deed mijn haar netjes. Ik ging met Minnie naar de Palmers en vroeg of zij een paar uur op haar wilden passen.

Ha! Ik kon het spelletje ook spelen. Ik ging uit.