11
Ik weet dat ik te laat ben wanneer ik bij mijn ouders aanbel. Mevrouw Curtis had me uit huis zien gaan en erop gestaan dat ik de avond begon met een glaasje sherry bij haar thuis.
‘Een aperitiefje, lieverd.’ Ik vond dat een goede buur zoiets niet kon weigeren, ook al moest ik een rilling onderdrukken tijdens het drinken van de zoete Harvey’s Bristol Cream. Ik dacht dat sherry een licht drankje voor oude dames was, dus terwijl mevrouw Curtis een heel verhaal afstak over het goede effect op het cardiovasculaire systeem van in koud water zwemmen, verbaasde het me dat ik van één klein glaasje al een beetje aangeschoten was.
Nou ja, ik ben maar een halfuurtje te laat. In Londen wordt dat als op tijd beschouwd, maar ik had kunnen weten dat Prue daar heel anders over denkt. De voordeur is nog niet open of ze gaat al in de aanval, haar stem heel zacht, meer een soort sissen, opdat niemand anders het kan horen.
‘Ik wist wel dat je een manier zou bedenken zodat alle aandacht op jou gericht is!’
‘Sorry…’ zeg ik, en ik weet niet goed of ik het moet uitleggen.
‘Je moet altijd met een fanfare binnenkomen, hè? De geweldige Kate kan niet gewoon komen opdraven op de afgesproken tijd. Nee, ze laat ons wachten en wachten zonder ook maar een slokje wijn!’
‘Jemig,’ zeg ik terwijl ik haar de tas van de wijnhandel overhandig. ‘Ik dacht dat mam en pap wel iets zouden hebben. Ik kon toch niet weten dat ik jullie op een droogje liet zitten?’
‘Ze hebben niet de juiste wijn,’ snauwt Prue. ‘We wachtten op de juiste wijn. De wijn die bij de voorafjes past, als je het wilt weten.’
‘Sorry, ik was alleen maar…’
‘Laat je smoezen maar zitten,’ sneert Prue. ‘Daar heb ik er in de loop der jaren al genoeg van gehoord. “Ik kan niet helpen met oma Gilbert omdat ik dan in Singapore ben bij de Grand Prix.” “Ik kan niet op het zoveeljarige huwelijksfeest van pap en mam zijn omdat ik dan op Ibiza ben.” “Ik kom niet op je verjaardag omdat ik dan in Los Angeles rondhang met Beyoncé en Jay-Z.”’
‘Prue, dat is niet eerlijk! Ik kon er niets aan doen dat ik voor mijn werk moest reizen. Je weet heel goed dat ik geen familiedingen zou overslaan als het aan mij ligt.’
En ‘rondhangen in Los Angeles met Beyoncé en Jay-Z’ klinkt veel spannender dan het in werkelijkheid was, want we bespraken hoeveel gewicht van Beyoncés enorme stage set kon worden verdragen per vierkante meter van het haastig in elkaar gezette podium, en we maakten ruzie met de managers van de populairste boyband van Argentinië – een boyband met heel jonge jongens – over de wettelijke arbeidstijden van kinderen in Californië.
‘Nou, maar de laatste tijd werk je niet meer, toch? En je bent naar Lyme gekomen omdat je geen andere keus had. Je hoeft niet steeds zo duidelijk te maken dat er niks anders voor je op zat.’
Het dringt tot me door dat ik nog heel lang op de drempel zal blijven staan als ik mijn best doe me te verdedigen. Prue heeft mijn ietwat verlate komst opgevat als een enorme belediging, iets wat aantoont dat ik geen interesse in haar heb, en dat ik geen goede zus ben, en ook geen goed lid van de familie Bailey. Ik lijk tegenwoordig echt nergens voor te deugen.
‘Het spijt me echt, Prue,’ zeg ik. ‘Het spijt me heel, heel erg. Ik weet heel goed dat deze avond veel voor je betekent. Mag ik nu naar binnen?’
‘Oké,’ zegt ze eindelijk, en ze stapt naar opzij. ‘Kom dan maar binnen. Iedereen zit al te wachten.’
Mijn ouders zijn zo opgewonden over mijn komst dat het bijna iets wanhopigs heeft. Ze springen op van de verweerde oude bank om me te omhelzen alsof we elkaar in geen weken hebben gezien. Mijn vader fluistert in mijn haar dat ik maar beter de wijn bij me kan hebben. Zelfs mijn moeder vraagt of ik via de drankwinkel ben gekomen, en dat terwijl ze denkt dat ze bijna alcoholist is als ze het waagt om met Kerstmis nog een portie sherry trifle op te scheppen. En Ben staat op uit de leunstoel bij de open haard en steekt zijn hand naar me uit. Ik sta hem toe mijn vingers fijn te knijpen voordat ik hem eens goed bekijk.
Hij is totaal niet wat ik had verwacht van iemand die Prue heeft leren kennen tijdens een bijeenkomst van regionale jonge ondernemers. Het is misschien snobistisch, maar ik had me een mobiele telefoonverkoper voorgesteld, met glimmend pak en te veel gel in zijn haar. In plaats daarvan lijkt Ben meer op iemand die op bijeenkomsten van jonge boeren thuishoort. Hij heeft een knalrode broek aan, misschien omdat die bijpassend is bij zijn vuurrode konen? Maar dat is niet eerlijk, want iedereen die naast de brandende open haard zit kan een rood aangelopen gezicht krijgen. Het geruite flanellen overhemd staat open, waarschijnlijk expres, en onder zijn corduroy jasje is een bleke buik te zien, waarschijnlijk niet expres. Zijn volle blonde haar ligt kroezend op zijn hoofd, net als bij een jonge stier, en zijn wimpers zijn lang en blond, waardoor hij nog meer op een rund lijkt. Hij is zo boers dat wanneer hij zijn armen om me heen slaat, ik verwacht dat hij naar hooi zal ruiken. Maar nee, hij ruikt sterk naar aftershave.
‘Hoi Kate, leuk je te leren kennen,’ zegt hij terwijl hij hartelijk op mijn rug mept. ‘Prue heeft me heel veel over je verteld.’
Ik kan me niet voorstellen dat ze iets goeds heeft gezegd, dus glimlach ik maar een beetje nerveus.
‘Wijn. Eindelijk,’ zegt Prue gespannen, en ze zet een geopende fles op de salontafel waar al vijf glazen staan. ‘De voorafjes zijn over vijf minuten klaar, dus als iemand naar de wc moet, kan die dat beter nu doen.’
Mijn vader pakt de fles en schenkt de grote glazen goed vol. Dankbaar neem ik het mijne aan. Ben zegt luidkeels: ‘Aah’ na de eerste slok, wat hem op een boze blik van mijn vader komt te staan. Hoewel mijn vader niet erg aan goede manieren hecht en vroeger bekendstond om een bierblikje op zijn voorhoofd te kunnen pletten, vraag ik me af wat Ben kan hebben gedaan om zijn toorn over zich af te roepen.
‘Ben heeft net verteld over zijn plannen met Baileys,’ zegt mijn moeder met een zenuwachtige blik van mijn vader naar Ben. ‘Interessant was dat, hè, David?’
Mijn vader mompelt iets in zijn wijnglas. ‘Ja, heel interessant.’ Hij neemt een grote slok en zet het glas dan hard terug op de salontafel, met een uitdagende blik op Ben.
‘Geweldig,’ zeg ik terwijl ik probeer te begrijpen wat onuit gesproken is. Ik durf niets te vragen, bang dat iedereen zal ontploffen. Alleen Ben lijkt niets te merken en lacht vriendelijk naar mijn vader op een manier die laat doorschemeren dat er niet veel omgaat in zijn blonde kop.
Prue komt uit de keuken met een schaal vol zeer ambitieuze hapjes.
‘Een spiesje met mango, sint-jakobsschelp en Thaise basilicum?’ vraagt ze terwijl ze Ben de schaal voorhoudt. ‘Of een timbaaltje met oosterse groenten?’
Ben roept uit: ‘Jammie!’, net een klein kind, en hij accepteert een timbaaltje. Vol verwachting wrijft hij over zijn maagstreek, en dan beseft hij dat zijn shirt openstaat. Terwijl hij de knoopjes dicht probeert te doen met zijn ene hand, valt het timbaaltje uit de mollige vingers van zijn andere hand en ploft in twee stukken op de grond. Als Minnie hier was geweest, had ze het meteen opgeruimd. Ze stofzuigt beter dan welke schoonmaker ook.
‘Ben!’ Prue gilt het uit en haalt de schaal met een ruk weg bij mijn moeder, wier hand onderweg naar een spiesje in het luchtledige blijft hangen.
‘Tjee, sorry, Prue.’ Bens gezicht wordt nog roder terwijl hij daar verstard van schaamte zit.
‘Maak je niet druk,’ zegt mijn moeder, en ze pakt het timbaaltje op en gooit het in de open haard. ‘Op dat kleed is in de loop der jaren al zoveel gevallen dat een klein… Hoe heet het ook alweer, Prue? Nou ja, dat zo’n klein dingetje niet uitmaakt.’
‘Het was een timbaaltje, mam,’ zegt Prue. ‘En ik heb er voor ieder drie gemaakt, dus Ben mag er nu nog maar twee.’
Zonder dat Prue het kan zien kijkt mijn vader me met opgetrokken wenkbrauwen aan. Allebei zijn we een beetje bang voor mijn zusje, vooral wanneer ze de niet erg voorkomende gastvrouw speelt.
‘Mmm, spiesjes met sint-jakobsschelp, mmm,’ zeg ik in een poging Prue tevreden te stellen, en ik steek mijn hand ernaar uit.
‘Doe niet zo neerbuigend,’ snauwt ze me fluisterend toe.
‘Dat doe ik niet… Ze zien er heerlijk uit,’ zeg ik, en dat is helemaal waar.
‘Nou, pak er dan eentje,’ snauwt ze. En dat doe ik.
Prue zet de schaal op de wiebelige tafel naast Bens leunstoel en beent terug naar de keuken.
‘Wauw,’ zeg ik. ‘Prue neemt nooit halve maatregelen, hè? Denk je dat ze de sint-jakobsschelpen zelf heeft opgedoken uit de baai?’
‘O, nee,’ zegt Ben, beleefd neerbuigend. ‘Prue is geen duiker. Ze heeft ze gekocht. Bij de visboer bij de Cobb. Maar ze zijn vast net zo vers alsof ze ze zelf had opgedoken.’
‘Vast,’ zeg ik, niet goed wetend wat ik daar anders op zou moeten zeggen.
Ben trekt een gezicht naar mijn moeder. ‘Het spijt me vreselijk van het kleed.’
‘Och,’ zegt mijn moeder zacht, ‘het gaat niet om het kleed. Prue is een beetje gespannen omdat ze de hele middag sushi aan het maken was, en ik geloof niet dat het goed is gelukt.’
‘Heeft ze zelf sushi gemaakt?’ vraag ik. Dat verbaast me. Zelfs op momenten dat ik als een waanzinnige voor huishoudgodin speelde, heb ik nooit zelf sushi durven maken.
Mijn vader schraapt zijn keel. Hij kijkt Ben nog steeds weifelend aan. ‘Nooit geweten dat rijst zo kan plakken,’ mompelt hij.
‘O jee.’ Ik moet op mijn lip bijten om mijn lachen in te houden. Het valt me op dat mijn moeder mijn blik ontwijkt.
Ik wil niet de indruk wekken dat Prue een soort monster is. Dat is ze niet, al moet ik toegeven dat ik haar tot nog toe zo heb afgeschilderd. Misschien voel ik me er prettiger bij als ik haar erger laat lijken dan ze is. Ik bedoel, ze probeert alleen maar haar familie en vriendje een maaltijd te verschaffen. Dat is geen misdaad. Ze lijkt er alleen geen plezier aan te beleven, en dat maakt het moeilijk voor de anderen om plezier te hebben. Soms lijkt het alsof er meer dan acht jaar tussen ons zit, soms lijkt het of we gedoemd zijn voor eeuwig apart te zijn, naast elkaar levend, parallel, maar elkaar nooit ontmoetend, zoals de steenlagen in de kliffen.
‘Zeg, Ben,’ zeg ik zodra de sfeer te bedrukkend wordt, ‘je hebt dus met mijn ouders gepraat over je ideeën voor Baileys?’
Het gezicht van mijn vader betrekt.
Ben daarentegen kijkt ineens stralend, alsof hij op deze vraag had gewacht. ‘Nou, Kate, daar hadden we het net over toen jij binnenkwam. Ik heb al een poos uitgekeken naar uitbreidingsmogelijkheden om te groeien in deze regio.’
Het lijkt wel of hij een persbericht voorleest.
‘O, oké,’ zeg ik. Ik snap nooit echt waarom mensen op die manier over ‘zaken’ spreken. Net zoiets als wanneer iemand zegt dat ze met ‘systemen’ en ‘analyses’ werken. Om heel eerlijk te zijn is het voor mij wanneer ik dat hoor, alsof ze vertellen dat ze fundamenteel christen zijn. Ik doe mijn best om te luisteren, maar eigenlijk sta ik al op uit.
‘Jawel,’ zegt Ben, en hij laat zijn ellebogen op de armleuningen rusten, zodat hij eruitziet als de paus. Misschien is zakendoen wel de nieuwe religie, maar met dat blote stuk buik is hij toch geen echte paus.
‘Ik heb je ouders verteld over een paar nieuwe inkomstenbronnen genereren voor Baileys,’ gaat hij verder. ‘De boel een beetje opschudden, snap je?’ Hij tikt met zijn vingers tevreden op de armleuning.
Ik vind het behoorlijk saai klinken en ik begrijp niet waarom zijn oninspirerende zakentaal mijn ouders zo ziedend heeft gemaakt. Ze zitten naast me op de bank en ik kan hun woede bijna vóélen.
‘Jawel,’ zegt Ben. ‘Mijn doel is de zaak omturnen van een gevestigde maar toch ook zieltogende zaak tot iets spannends. Iedereen denkt dat in Londen alles gebeurt, maar dat zien ze toch echt verkeerd.’
Mijn vader slaat zijn ogen ten hemel, en mijn moeder glimlacht stijfjes naast hem. Ik knik bemoedigend naar Ben, die gewoon doorploegt hoewel twee derde van het publiek hem wel levend kan opvreten. Er is al buikvet genoeg te zien om de tanden in te zetten.
‘Jawel, denk maar eens aan appelsap van Copella. Dat was een oud familiebedrijf dat tot stilstand was gekomen totdat het een schop tegen zijn hol kreeg van iemand die wist wat hij deed. En kijk nou eens! Ze verdienen miljoenen! Denk ook maar aan Yeo Valley. De regio biedt voldoende kansen voor iemand met visie.’
‘Iemand zoals jij,’ zegt mijn vader. Het sarcasme is onmiskenbaar. Maar Ben ontgaat het.
‘Precies, meneer Bailey. Of mag ik u pap noemen?’
Mijn vader is zo verrast dat hij niets kan zeggen.
‘Ik weet niet of ik dat wel prettig zou vinden, Ben,’ zegt mijn moeder. Ik weet niet of ze bezwaar heeft tegen het mam worden genoemd door Ben, of tegen het vuur injecteren in het familiebedrijf. Allebei zou goed kunnen.
‘Nee, echt,’ raast Ben door, met een stralende lach. ‘Ik sta erop. We zijn familie. Bijna. Toch, pap?’
De baardharen van mijn vader gaan rechtop staan, als bij een dier dat zich opmaakt voor de strijd. Ik zie dat hij binnen kort zal ontploffen, dus stel ik gauw een vraag voordat hij iets kan zeggen.
‘En, Ben, werk je al voor Baileys?’ vraag ik. Ik dacht dat dit meer iets was waarover werd gesproken dan dat het een feit was.
‘Jawel,’ zegt Ben, en hij slaat met zijn handen op zijn dijen. ‘Allemaal heel officieel. We zaten net de details te bespreken toen jij binnenkwam.’
‘Nou moet je eens goed horen,’ begint mijn vader. Maar voordat hij echt op gang kan komen, verschijnt Prue in de deuropening tussen de woonkamer en de keuken.
‘Amuseren jullie je?’ vraagt ze, met een lachje dat er zo broos uitziet dat het van haar gezicht zou kunnen vallen en in stukken breken op de grond. ‘Het eten is klaar.’
Hier is een goede raad: probeer niet thuis sushi te maken. Vooral niet als je het je ouders moet voorzetten, hoe avontuurlijk ze ook mogen zijn. Koude vis, plakkerige rijst en slijmerig zeewier maken samen geen vertroostende en ontspannen gezinsmaaltijd. Vooral niet als mijn vader steeds vraagt: ‘Hoort het er zo uit te zien?’ En als iedereen te huiverig is om eens flink toe te tasten.
Dus tasten ze toe bij iets anders. De drank. Ik had gedacht dat de vier flessen die ik had meegenomen een soort gebaar waren, dat we er eentje leeg zouden drinken en de andere drie een andere keer. Maar we zijn al halverwege de vierde fles voordat Prue het opgeeft en alle restjes van tafel haalt. Ze vult mijn glas nog eens bij voordat ze weggaat. Is het verbeelding of zorgen Ben en zij ervoor dat ik meer drink dan alle anderen? Nou ja, ik hoef toch niet terug met de auto, dus het maakt eigenlijk ook niet uit.
In elk geval hebben we het allemaal te druk gehad met het vergelijken van ons omgaan met eetstokjes en pogingen om Prues opgerolde heerlijkheden zonder ongelukken van bord naar mond te brengen – Minnies hulp zou hier weer uiterst welkom zijn geweest – om het verder nog te hebben over Ben die voor mijn ouders gaat werken.
Prue komt weer uit de keuken met een blad vol ovenschaaltjes met een aangebrande groene derrie erin waarvan ze zegt dat het crème brûlée van groene thee is. Ik hoor mijn vader kreunend zijn hand uitsteken naar de wijn.
‘Sst, David,’ fluistert mijn moeder. ‘Ik maak straks wel een boterham voor je.’
‘Voordat ik het dessert ga ronddelen,’ zegt Prue terwijl ze haar hand naar Ben uitsteekt. ‘We willen jullie graag iets vertellen.’ Ze knikt naar Ben als om hem een teken te geven.
Hij gaat naast Prue staan en houdt haar tegen zich aan. Zij kijkt naar hem op met een overgave die ik nooit eerder bij haar heb gezien. Alsof ze bereid is hem voor een keertje namens hen allebei te laten spreken. Maar, denk ik heel vals, omdat zij waarschijnlijk eerst heeft opgeschreven wat hij moet zeggen.
‘Mam, pap, Kate,’ zegt hij, waarbij hij om de beurt naar ons knikt. ‘Ik heb het genoegen jullie te laten weten dat Prue en ik gaan trouwen.’
‘Nee!’ roept mijn vader gesmoord uit. Gelukkig herstelt hij zich gauw. ‘Nee! Wat een verrassing!’
‘O, Prue, schat,’ zegt mijn moeder, en haar ogen vullen zich met tranen. ‘Mijn ukkepukkie gaat trouwen… Niet te geloven…’
‘Je bent toch niet zwanger, hè?’ vraagt mijn vader met tot spleetjes geknepen ogen.
‘Pap!’ roept Prue geschokt uit. Ik weet niet eens of ze weleens het bed met Ben heeft gedeeld, hoewel dat vast wel is gebeurd. Ik weet wel dat ze samen met vakantie zijn geweest. Maar ze is de meest puriteinse twintiger die ik ooit heb gekend, en ik ben op Jesus Rocks! in Colorado in 2002 geweest, waar erg veel evangelische jongeren waren.
‘Grapje!’ zegt mijn vader, hoewel de uitdrukking op zijn gezicht aantoont dat het niet helemaal waar is.
‘Prue, geweldig, gefeliciteerd,’ zeg ik. Ik schrik van de traan die over mijn wang biggelt wanneer ik haar omhels. Dat komt vast door al die wijn die ik tot me heb genomen. Ongemerkt veeg ik de traan af aan Bens jasje wanneer ik hem omhels. Ik moet mezelf in de hand houden. Dit is Prues grote moment.
De ramp van Prues eigengemaakte eten wordt vergeten door het grote nieuws. ‘We hebben nog geen ring,’ zegt ze stralend. ‘Bens oma wil me de hare geven, maar die is te groot voor mijn vinger, dus laten we hem vermaken. Het is een erfstuk.’
Vol bewondering kijkt Ben neer op zijn aanstaande echtgenote. ‘En heel wat waard, dat kan ik jullie wel vertellen. Prue zal er heel goed op moeten passen.’
‘Dat zal ik doen,’ zegt ze gespeeld geërgerd. ‘En omdat Ben me iets belangrijks en waardevols van zijn familie gaat geven, is het voor mij heel belangrijk dat hij bij Baileys komt en samen met ons gaat werken in het familiebedrijf.’
Ik weet zeker dat het niet haar bedoeling is dat dit klinkt als een merger – een duur erfstuk in ruil voor een plaats binnen het familiebedrijf – maar toch klinkt het meer als iets wat je in het economisch katern van een krant kunt lezen dan als iets wat een bruid stralend opmerkt.
‘En,’ gaat ze verder, ‘we hebben besloten dat we de bruiloft moeten gebruiken als mogelijkheid om iedereen te laten zien dat Baileys kan uitgroeien boven de vakantiehuisjes en evenementen voor toeristen. We gaan ons op andere terreinen bewegen, zoals bruiloften, feesten en partijen, dat soort dingen. We kunnen de bruiloft gebruiken als etalage voor wat we kunnen en welke contacten we allemaal hebben. Uiteraard kunnen we korting bedingen bij de toeleveranciers als we hun kunnen beloven dat we weer gebruik van hun diensten zullen maken bij toekomstige evenementen.’
‘Goh, je hebt er al goed over nagedacht,’ zegt mijn moeder. Ze ziet er nogal overrompeld uit.
‘Natuurlijk,’ zegt Ben minzaam. ‘Wat mijn Prue wil, dat krijgt ze. We denken dat een huwelijk op oudejaarsdag ons genoeg tijd geeft om alles te regelen zoals we het graag zouden zien.’
‘Maar dat is al over drie maanden!’ zegt mijn vader.
‘Tijd zat.’ Prue wuift de tegenwerping van mijn vader met een luchtig gebaar weg. ‘Hoe eerder, des te beter. In de winter hebben we toch weinig evenementen. Snappen jullie het dan niet? We kunnen van het bedrijf iets maken met het hele jaar door evenementen, opdat we niet meer afhankelijk zijn van het toeristenseizoen en de aantallen bezoekers.’
‘Ik vind een rustige winter wel prettig,’ merkt mijn moeder zachtjes op.
‘Je kunt nog steeds een rustige winter hebben, mam,’ reageert Ben. ‘Uiteraard kan dat. Het is heel natuurlijk dat je een minder grote rol binnen het bedrijf wilt spelen met je pensioen in zicht. Dat geldt ook voor jou, pap. Dat begrijpen Prue en ik volkomen. Zo gaat dat wanneer je je terugtrekt en plaatsmaakt voor de energie van de nieuwe generatie.’
Mijn vader maakt een beweging alsof hij wil opstaan van de bank, en ik zie dat mijn moeder aan zijn trui met rafels trekt om hem tegen te houden.
‘We hebben aan alles gedacht,’ zegt Prue.
‘Daar lijkt het inderdaad op,’ zegt mijn vader op verbitterde toon.
‘Maar Ben,’ zeg ik omdat ik een zwakke plek in hun businessplan heb opgemerkt. ‘Je blijft toch niet tot aan de bruiloft in het Alexandra logeren? En je kunt toch ook niet elke dag op en neer naar Bristol gaan? Ben je van plan hier in te trekken?’
‘Nee!’ roepen mijn vader en Prue tegelijkertijd uit.
Waarschuwend kijkt Prue mijn vader aan voordat ze zegt: ‘Natuurlijk niet! Je weet toch dat ik niet geloof in samenwonen voor het huwelijk?’
‘O,’ zeg ik. Dat wist ik natuurlijk wel, maar ik dacht dat het niet zozeer een morele overtuiging was als wel dat ze nog niemand was tegengekomen met wie ze onder één dak wilde wonen.
‘Kate,’ zegt Prue met een frons. ‘Ik bedoel maar dat het bij jou niet heel goed uitpakte, toch?’
‘Prue, lieverd,’ zegt mijn moeder streng. ‘Dat is niet aardig.’
‘Maar het is wel zo,’ zeg ik terneergeslagen. ‘Samenwonen voor het huwelijk is geen garantie op een goede afloop.’
‘Precies,’ zegt Prue. ‘En daarom komt Ben bij jou wonen.’
‘Bij mij?’
‘Jawel, zusje.’ Ben grijnst, alsof zijn aanwezigheid een cadeautje is waar ik vast dolblij mee ben. ‘Prue vertelde dat je eenzaam bent in die bungalow. En ik heb een slaapplek nodig terwijl ik met Baileys bezig ben. Dus dat zijn twee vliegen in één klap.’
‘Ja, maar wacht eens…’ Ik hou mijn handen voor me uit als om Ben af te weren. ‘Wacht eens, jullie. Je kunt niet iedereen opdragen iets te doen omdat het jullie goed uitkomt. Waarom zou ik mijn huis met Ben moeten delen? Waarom kan hij niet hier intrekken?’
‘Maar het is jouw huis niet, hè?’ snauwt Prue. ‘Oma Gilbert heeft het aan ons allebei nagelaten. En hier is geen logeerkamer en bij oma Gilbert wel. Wees niet zo egoïstisch, Kate. Denk liever aan wat anderen willen.’
‘Mam?’ Smekend wend ik me tot mijn ouders, alsof ik weer een tiener ben. Mijn hoofd zit vol alcohol, ik kan niet helder genoeg denken om met volzinnen mijn gelijk te halen. ‘Je bent het hier toch niet mee eens?’ Mijn ouders staren me allebei aan, maar ze zeggen niets, verstomd als ze zijn onder het geweld van mijn zusje.
Kameraadschappelijk port Ben me. ‘Kom op, zus, het wordt vast heel gezellig. Een beetje een band opbouwen met de aanstaande schoonfamilie en zo. En ik ben zindelijk, heus waar.’
‘Ben, je bent vast leuk om in huis te hebben…’ begin ik.
‘Dan is het geregeld,’ reageert hij stralend.
‘Nee, wacht, we moeten het er nog over hebben,’ zeg ik gauw.
‘Wat zou er dan nog moeten worden besproken?’ vraagt Prue. ‘Je zei zelf dat je je alleen voelde. Ik dacht dat je er blij mee zou zijn.’
‘Je hebt me de woorden in de mond gelegd!’
‘Maar Kate toch…’ Prue schudt meewarig haar hoofd. ‘We weten allemaal dat je het de laatste tijd moeilijk hebt gehad, maar toe, word niet verbitterd. Iedereen zegt dat je veel te veel alleen bent. Mam en pap maken zich grote zorgen om je. Snap je dan niet dat Ben en ik je willen helpen?’
Typisch iets voor Prue om alles te laten lijken alsof zij de gulle gever is. Maar om net te doen alsof het zelfzuchtig van me is om een beetje rust en privacy te willen terwijl ik treur om het einde van mijn huwelijk is een beetje te veel. En dan heb ik het er niet eens over dat als Ben bij me woont, Prue er voortdurend over de vloer zal komen. Het is een vreselijk vooruitzicht.
‘Wacht,’ zeg ik, want eindelijk is er een oplossing in mijn door alcohol bedwelmde brein opgekomen. ‘Wacht, ik weet iets veel beters. Waarom gaan jullie niet samen in de bungalow wonen, dan trek ik hier weer in. Zou dat niet veel beter zijn? Het is maar voor een paar weekjes. Je kunt je principes zo lang toch wel opzijzetten, Prue?’
Er verschijnt een flauw glimlachje op haar gezicht. ‘Mijn principes opzijzetten? Ik had kunnen weten dat je zoiets zou voorstellen. Je kunt principes niet aan- en uitzetten als een kraan, als dat je zo uitkomt, Kate. Principes zijn iets waaraan je je vasthoudt, koste wat het kost. Er valt niet aan te tornen. Je laat ze niet vallen als ze in de weg staan. Het is net als een huwelijk: dat neem je serieus, anders moet je er niet aan beginnen.’
Eindelijk kijkt ze heel even spijtig om wat ze heeft gezegd.
‘Ik nam mijn huwelijk serieus,’ zeg ik zacht. ‘Heel serieus, Prue.’
‘Zo is het wel genoeg, Prue,’ zegt mijn vader. ‘Je hoeft de problemen van je zus er niet bij te slepen.’
Ben bemoeit zich met het gesprek alsof we allemaal gezellig zitten te kletsen, in plaats van dat we woedend zijn. ‘Ik denk dat we elkaars problemen kunnen oplossen. Toch, zus? Toch, huisgenoot? We gaan het vast reuze naar ons zin hebben.’
‘Dat is dan geregeld,’ zegt Prue.