3

Minnie trekt aan de riem, in de richting van het strand, precies de andere kant op dan naar de bungalow. Ik neem het haar niet kwalijk dat ze niet naar binnen wil, maar we kunnen niet de hele dag doelloos rondhangen. Om heel eerlijk te zijn hebben we geen enkel doel sinds we hier een week geleden zijn gekomen, maar het belangrijkste is om doelbewust uit het zicht te blijven van personen die alles doorvertellen aan mijn familie, dus sleur ik Minnie naar het pad langs de rivier.

Ik leed al aan een zwaar geval van schuldgevoelens vanwege mijn zeer zichtbare vrijetijdsleven. In Londen was het niet zo erg geweest, want daar kon niemand aanmerkingen maken over wat ik de hele dag in mijn uppie uitspookte. Soms vroeg de Turkse winkelier pinnig: ‘Drukke dag vandaag?’ als ik de krantenkoppen bestudeerde zonder iets te kopen, maar hem kon ik makkelijk negeren. In elk geval was hij aardiger tegen me toen ik Minnie had gekregen. Dan kon ik zo lang ik wilde in tijdschriften bladeren terwijl Minnie bij hem op schoot zat en hem haar stukjes pitabrood liet voeren. Maar gisteren vertelde mijn moeder dat haar vriendin – dat moet Cathy zijn – me bijna elke ochtend in de Town Mill Bakery zag, en uit de mond van mijn moeder komend is dat zware kritiek op mijn gedrag.

Ik besef dat in mijn moeders ogen ontbijten in een café niet alleen een grote extravagantie is gelijk aan een biljet van vijf pond besmeerd met boter en jam verorberen, maar ook symbool staat voor de ondergang van de familie, waar iedereen samen in gelukzalige harmonie met elkaar aan tafel dient te zitten. Maar omdat er bij hen geen plek is voor Minnie en mij, zie ik niet in op welke manier het de sociale structuur van Lyme Regis aantast als ik mijn ontbijt alleen in de bungalow van mijn oma nuttig of alleen in een café. Hoewel ik niet kan ontkennen dat mijn spaargeld net zo hard wordt opgegeten als mijn croissants.

Ondanks mijn sombere stemming moet ik bekennen dat het een heerlijk zachte ochtend is; de verkleurende bladeren die over het water hangen, staan in een zacht licht. Een gezinnetje eenden zit bij elkaar op een stenen eiland in het stromende water, kwakend en met hun staart zwaaiend terwijl ze op de niet erg grote steen een plekje zoeken. Ik zou een stukje croissant hebben moeten bewaren, dan had ik ze dat kunnen toegooien. Morgen denk ik eraan. Op een dag als deze is Lyme echt prachtig. Koel genoeg om me fijn te kunnen verstoppen in mijn parka, maar warm genoeg om te blijven staan kijken in de tuinen die uitkomen op de wetering naar de Mill. Er liggen appels in het gras, klaar om te worden opgeraapt sinds ze uit de boom zijn gevallen, en zware rozenbottels laten de doornige takken neerhangen. Ik voel me er een beetje als D.H. Lawrence door, vol bewondering voor de vruchtbaarheid en weelderige, fruitige rijpheid.

Dat zou ik op prijs moeten stellen. Ik zou ook op kantoor kunnen zitten, of in een vergadering zijn. Dit is vrijheid. Ik zou blij moeten zijn dat ik hier ben, niet me een banneling moeten voelen, uitgestoten van het leven dat ik achter me heb gelaten. Misschien ben ik gedoemd tot het voor eeuwig alleen over straat zwerven terwijl de plaatselijke bevolking fluistert over mijn duistere verleden. Ik zou zelfs een toeristische attractie kunnen worden, iets als de Vrouw aan het Hoofd van Marketing. Dat klinkt toch intrigerend? Hoewel ik natuurlijk niet meer Matts vrouw ben. De Vervreemde-Echtgenote-en-Binnenkort-Gescheiden-Vrouw aan het Hoofd van Marketing. Dat klinkt niet erg als competitie voor de vrouw in de French Lieutenant’s Woman. Al heb ik me vaak voorgesteld dat het best cool zou zijn om rond te waren met zo’n mantel om.

We hebben het eind van het pad langs de rivier bereikt. Het houdt op bij een brug, en dan zijn er twee keuzes: de ene kant op terug naar het plaatsje, of de heuvel op naar de bungalow van oma Gilbert. Minnie kijkt naar me op, onzeker over welke kant we op gaan. We zijn allebei onzeker, denk ik. Maar we nemen het pad dat het meest begaan is, het pad terug naar de bungalow. Het pad dat niet uitmaakt.

Er is een reden waarom toeristen geen enkele moeite doen om een bezoek te brengen aan Hill View Close, waar de jarenzestig-bungalow van oma Gilbert tussen de al net zo onaantrekkelijke buurhuizen staat aan niet erg veel onderhoud vereisende, rolstoel toegankelijke, geplaveide voortuintjes. Niemand wil poseren voor een foto voor de vierkante glazen portaaltjes. Niemand blijft staan om de verlepte, vergeelde varen naast de sticker van de buurtwacht in het raam van oma Gilbert te bewonderen. Niemand wandelt door deze straten van Lyme Regis en droomt van het ontkomen aan de moordende competitie voor een leven in deze achterafbuurt. En daarom staat het huis van oma Gilbert al een jaar te koop. Het bord van de makelaar maakt het huis nog troostelozer, als reclame voor een circus dat allang de stad uit is.

Dit is het soort huis waarin je niet gaat wonen uit optimisme, opwinding en vrije keuze, maar als een soort compromis. Je gaat hier wonen omdat het onderhoud van de tuin je te veel wordt, omdat je familie zich zorgen om je maakt of je niet te veel moeite met de trap hebt, of omdat je niet meer zo’n groot huis nodig hebt. Omdat je gescheiden bent en nergens anders hebt om naartoe te gaan. Ik zou er dankbaar voor moeten zijn. En dat ben ik ook. Ik kan ergens wonen, gratis. Maar het is lastig dit als de nieuwe start te zien die ik voor ogen had. Ik voel me ver verwijderd van de stijlvolle gescheiden vrouw zoals Liz Taylor, terwijl ik toch zoiets had willen zijn. Ik voel me eerder als Liz Taylor in haar laatste jaren in een rolstoel en dik bevriend met Michael Jackson.

De voordeur gaat open met een plofje vanwege de isolatiestrip. Oma Gilbert vond het prettig om hermetisch afgesloten te zijn van de mogelijkheid van tocht. Ik had haar kunnen opvoeren als een van de eersten die zich druk maakten om het milieu, ware het niet dat er in het gootsteenkastje een hele batterij aan spuitbussen stond waarop werd beloofd dat elk oppervlak er schitterend van gaat glanzen. Sinds ik hier ben, zet ik dagelijks de ramen en deuren open, en toch ruikt het binnen nog naar chemicaliën, alsof Mr Muscle hier is ingetrokken, en Minnie en ik niezen elke keer dat we het gangetje in stappen.

Ik loop meteen door om de achterdeur open te gooien.

De tuin van oma Gilbert is niet erg bijzonder, gewoon een vierkante patio met daaromheen rommelige rozenstruiken die mijn moeder tot dorre staken heeft gehakt, maar toch sta ik elke keer weer versteld van het uitzicht. Het is alsof je door de klerenkast in Narnia komt. Voor de gek gehouden door het saaie interieur van de bungalow verwacht je niet ineens een uitzicht als een aquarel. De helling loopt af naar het plaatsje, de straten zijn onder ons keurig uitgelegd alsof het een plattegrond is, en daarachter strekt de vlakke, grauwe zee zich uit tot de horizon, en als de zon door de wolken breekt, ontstaan er glanzende en schitterende partijen. Rechts blokkeren de huizen hoger op de heuvel het uitzicht op Undercliff, maar links volgt het oog de kliffen voorbij Black Ven en Stonebarrow helemaal tot de Golden Cap, en steekt de zanderige top gelig en helder af tegen de donkere lucht.

Mijn hart springt op. Gek dat een uitzicht dat kan laten gebeuren. Misschien is het iets wat je overkomt naarmate je ouder bent geworden. Ik kan me niet herinneren dat ik onder de indruk was toen ik als kind bij oma Gilbert kwam. Toen was ik veel meer geïnteresseerd in de koektrommel. Maar elke keer dat ik nu de tuin in ga, snap ik weer waarom iemand in zo’n lelijke bungalow zou willen wonen. Als je eenmaal binnen bent, zie je de lelijkheid niet meer, en in de tuin voelt het alsof je over het plaatsje vliegt.

‘Sandy, lieverd? Ben jij daar?’

Minnie schrikt van de stem die achter de rozenstruiken vandaan komt. Ze rent naar me toe om zich achter mijn benen te verstoppen.

‘Hallo?’ zeg ik tegen de struiken. ‘Ik ben niet Sandy, maar haar dochter Kate.’ Ik heb met nog geen buur gesproken, maar om heel eerlijk te zijn heb ik mijn blik op het trottoir gericht wanneer ik naar buiten ging uit angst iemand te zien die een gesprekje met me wilde aanknopen. Ik wil liever niet aan iedereen in Lyme uitleggen wat er is gebeurd.

Ik hoor iets metaligs over de terrastegels schuiven, en dan een gesmoorde kreun. Twee knoestige bruine handen met aan elke vinger een vuurrode nagel verschijnen op de schutting om de tuin. En daarachter, als een opgaande zon, verschijnt een oranje badmuts met heel veel plastic bloemblaadjes. En uiteindelijk een gerimpeld en als gebraden vlees gebruind gezicht met twee fonkelende donkere ogen erin.

‘Zo, dus jij bent Kate. Wat leuk! Goh, wat lijk je op je moeder. Ik zou je overal hebben herkend.’

‘Hoi,’ zeg ik, en ik wil net vragen wie ze is als ik een kletterend geluid hoor en de badmuts uit het zicht verdwijnt. Even zie ik nog vingers aan de schutting geklemd, de knokkels wit en dan verdwijnen die ook. Vervolgens hoor ik een verontrustende plof, van iets zachts dat op iets hards terechtkomt.

‘Gaat het?’ roep ik over de schutting, maar er komt geen reactie. ‘Shit,’ zeg ik zacht. ‘Hier blijven, Minnie,’ zeg ik. Ik hol door het huis en ga de verlaten straat op. Nog geen vitrage beweegt. Er is niemand die ik om hulp kan vragen.

Een hoog houten hek staat voor de ingang van de voortuin hiernaast, en dat zit op slot. Ik probeer door de latten heen iets te zien, maar ze staan te dicht op elkaar, ik krijg alleen maar een vage creosootgeur in mijn gezicht. Uit de tuin van oma Gilbert stijgt ongerust gejank op.

Ik rammel aan de metalen klink en roep weer: ‘Hallo? Gaat het?’

Achter het hek hoor ik zwak gekreun. Stel dat de oude dame met opengebarsten schedel op de grond ligt? Ik weet niet wat de buurtwacht ervan zou vinden, maar ik kan haar daar niet laten liggen. Dus loop ik even achteruit en neem een aanloop om over het hek te springen dat duidelijk is ontworpen om zoiets onmogelijk te maken. Ik kom er dan ook niet overheen, maar hang met mijn handen aan de bovenkant terwijl mijn voeten steun zoeken op de onderkant. Straks liggen er twéé mensen bewusteloos buiten het huis.

Wacht eens, staat daar een container om dingen in mee te geven voor recycling? Die zijn toch stevig? Ik sleep hem naar het hek en controleer of het deksel goed dicht is voordat ik erop ga staan. Hij is net hoog genoeg om mezelf op te trekken en mijn been over het hek te slaan, zodat ik er nu bovenop zit. Terwijl ik mijn benen stevig aan weerskanten tegen het hek klem, kan ik vanuit mijn hogere uitkijkpunt in de achtertuin kijken. Ik zie een omgevallen trapje op de tegels, maar geen spoor van de oude dame. Ze is zeker door het huis aan het oog onttrokken. Waarschijnlijk is ze zwaargewond als ze door de val van het trapje zo’n zwieper heeft gemaakt.

Als ik mijn andere been over het hek wil halen en in de voortuin wil springen, kraakt het hek vervaarlijk, alsof het in elkaar gaat storten. Voordat ik eraf kan springen, voel ik een hand om mijn been en hoor ik een mannelijke stem: ‘Wil je misschien even uitleggen waarom je bij mijn grootmoeder aan het inbreken bent?’

Ik ben zo geconcentreerd om niet van het hek te vallen, dat ik niet goed naar beneden kan kijken om te zien wie mijn been heeft vastgepakt. ‘Ik ben niet… Ik… Volgens mij is ze in de achtertuin gevallen. Het trapje… Het trapje…’ bazel ik onsamenhangend.

‘Wat gebeurt daar?’ hoor ik een klagende stem.

De badmuts is er niet meer, ik zie een hoofd met vochtig, dun haar dat alle kanten op staat, een beetje zoals het dons op een pas uit het ei gekropen kuikentje. En ik zie nu ook dat niet alleen haar gezicht gebruind is. De oude dame is gebakken tot een soort mahoniekleur, zoals je vaak in de jaren zeventig zag maar nauwelijks meer in deze dagen vol zonnebrandcrèmes met hoge beschermingsfactor en waarschuwingen tegen huidkanker. Ik vraag me af of ze wel echt zo bruin is, maar ze ziet er ook niet uit als iemand die zich insmeert met tubes zelfbruiner of die onder de zonnebank gaat.

‘Gaat het?’ vraag ik. ‘Het klonk alsof… Ik dacht dat u was gevallen, ik wilde even komen kijken of…’

De oude dame kijkt geërgerd, met fonkelende ogen kijkt ze me aan. ‘Daarnet in de achtertuin?’ vraagt ze. ‘Ik gleed gewoon uit. Niks om je zorgen over te maken, hoor.’

‘O, nou, maar u verdween zo plotseling,’ zeg ik terwijl ik mijn knieën om het hek klem. ‘Toen we aan het praten waren. Ik maakte me zorgen toen ik uw badmuts zomaar zag verdwijnen.’

‘Badmuts?’ vraagt de man met een frons.

‘Ik had geen badmuts op,’ reageert de oude dame. Ze kijkt me veelbetekenend aan.

‘Heb je vanmorgen gezwommen?’ vraagt de man. Hij zet zijn handen op zijn heupen en kijkt haar beschuldigend aan. ‘Ik dacht dat we hadden afgesproken dat je alleen gaat zwemmen wanneer ik met je mee kan.’

‘Echt, hoor, ik ben geen hulpeloos oud dametje,’ zegt het oude dametje, en ze maakt een wegwuivend gebaar naar ons allebei. ‘Allemaal gedoe om niks!’

Nu de man mijn been loslaat, kan ik eindelijk weer op de grond komen. Mijn bovenbenen zijn gaan protesteren van aldoor deze houding. Er bestaat geen elegante manier om van een hek van ongeveer anderhalve meter hoog te komen, laat ik je dat wel vertellen. Ik ben blij dat ik een spijkerbroek aanheb en geen rokje, al zou ik liever niet zo’n strakke broek hebben gedragen. Mijn achterste ziet er vast enorm uit, zo hangend boven het hek terwijl ik met mijn voeten zoek naar de container ergens daarbeneden.

Plotseling vallen de stemmen achter me stil. En dan voel ik handen om mijn middel en word ik op de grond gezet.

‘Dank je,’ zeg ik zedig terwijl ik mijn best doe waardig over te komen. Mijn haar zit door de war vanwege mijn zware inspanningen, en ik strijk het uit mijn gezicht in een poging er respectabel uit te zien en niet als een inbreker die het op de huizen van bejaarden heeft gemunt.

‘Het zal toch niet zijn…’ zegt de man terwijl er langzaam een brede lach op zijn gezicht verschijnt. Hij staat veel te dicht bij me.

‘Wat?’ zeg ik nors. Ik vind het niet fijn dat hij zo naar me staart.

‘Kate Bailey… Niet te geloven!’

Ik ben al twee jaar niet meer Kate Bailey genoemd. Net wil ik hem corrigeren dat ik tegenwoordig Kate Martell heet wanneer ik besef dat ik eigenlijk niet weet hoe ik mezelf moet noemen. Misschien ga ik mijn meisjesnaam wel weer gebruiken. Het is nog te vroeg om daar een beslissing over te nemen.

‘Sorry, maar ik kan me niet herinneren…’ begin ik.

‘Nee, natuurlijk niet.’ Met een lach stapt hij bij me weg en geeft zijn grootmoeder een arm. Zij is druk bezig met haar vingers haar plukjes haar in model te brengen. ‘De beroemde Kate Bailey is alles van Lyme Regis zeker vergeten.’

Ik kijk hem wat nauwkeuriger aan. Ik weet zeker dat ik deze man zou herkennen als ik hem had gekend, want hij ziet er niet uit als iemand die je gauw vergeet. Hij torent boven zijn grootmoeder uit, zijn donkere haar is kortgeknipt, en hij heeft het soort krachtige neus dat voor een vrouw een ramp zou betekenen, maar zijn gezicht karakter verleent. Zijn profiel is imponerend, als iets wat je op een antieke munt zou verwachten.

Er komen rimpeltjes om zijn ogen, alsof hij vanwege mijn kritische blik in lachen wil uitbarsten. ‘Ben je er al?’ vraagt hij brutaal, maar ik merk aan hem dat zijn zelfvertrouwen even wankelt. Op dat moment ziet hij er een stuk jonger uit, en meteen weet ik wie hij is.

‘Eddy Curtis? Dreadlock Eddy?’

Opeens zie ik hem weer zoals hij jaren geleden was, met zijn donkere haar in reusachtige, naar patchoeli stinkende dreadlocks gerold en de zijkanten van zijn hoofd geschoren.

‘Ik wist dat je er wel achter zou komen.’ Met een grijns neigt hij zijn hoofd een beetje.

‘Kom op, Eddy, geef me een momentje.’ Ik lach. ‘Je ziet er heel anders uit. Jezus, vroeger had je al dat haar.’

‘Getsie, al dat haar.’ Zijn grootmoeder rilt en trekt een gezicht bij de herinnering. ‘Walgelijk.’

Quasi-zielig wrijft hij over zijn korte haar. ‘Nu niet meer.’

En dan zie ik dat het korte haar is bedoeld om te verhullen dat zijn haren zich beginnen terug te trekken. Maar wie had kunnen denken dat onder al die afzichtelijke lokken een knappe kerel schuilging? In mijn herinnering is hij weinig meer dan een slungelige, sjekkies-met-inhoud rollende haarbal die een enorm groot feest gaf op een avond in de zomer vlak voordat ik voorgoed uit Lyme wegtrok.

‘Kort haar past bij je,’ zeg ik. Wanneer hij nogmaals beschaamd over zijn korte haren wrijft, merk ik dat ik uit medeleven ga blozen, alsof ik hem net op de inrit van zijn grootmoeder een onzedelijk voorstel heb gedaan, in plaats van een vrijblijvende opmerking over zijn haar te maken.

Naast Eddy zegt de oude dame: ‘Kate, lieverd…’

Eddy en ik richten allebei onze blik op haar.

‘Ik hoop dat je het niet onbeleefd vindt dat ik niet eerder even langs ben gekomen. Maar ik had het een beetje aan mijn borst, zie je.’ Ze kucht als om het te verduidelijken.

‘Dat komt van al dat zwemmen, oma,’ zegt Eddy. ‘Ik zei toch dat het tijd werd daarmee op te houden?’

Met een boos gezicht kijkt ze van hem weg. ‘Doe niet zo belachelijk. Niks ervan! Zwemmen laat het bloed door je lijf stromen.’

‘Totdat je per ambulance wordt afgevoerd.’

‘Dat was maar één keertje,’ zegt mevrouw Curtis uit de hoogte. Ze doet haar handen in de zakken van haar vestje. ‘Ik ben echt nog niet dood, hoor.’

De uitdrukking op Eddy’s gezicht wordt zachter, en hij steekt een hand naar haar uit.

‘Hm.’ Mevrouw Curtis staat toe dat hij haar weer bij de arm pakt.

Eddy richt zijn ogen hemelwaarts op een manier die alleen ik kan zien. Het hele gesprek voelt alsof het is opgelezen van een script, alsof het al vele malen precies zo is gevoerd en nu bijna een aardigheidje is, ontdaan van elke betekenis of de verwachting dat de ander zijn of haar gedrag zal veranderen.

Mevrouw Curtis kijkt me met haar kraaloogjes aan en houdt haar donzige hoofd als een vogeltje schuin. ‘Nu ik beter ben, kom je toch wel een kopje thee drinken? Of we kunnen ook ergens thee gaan drinken.’

‘Oma…’ zegt Eddy waarschuwend. Ik vraag me af wat hij erop tegen kan hebben dat we samen thee drinken.

‘Wat?’ vraagt ze.

O jee, word ik door de buurt aangewezen als vervanger van mijn oma? Gedwongen mee te doen met bridgen en op koffieochten-den ten bate van de reddingsmaatschappij aanwezig te zijn? Bij de gedachte alleen al huiver ik. In Londen kende ik mijn buren nauwelijks, slechts voldoende voor een knikje en iets van twee keer per jaar een opmerking over het weer of een klacht over de vuilnismannen van tegenwoordig. Maar Eddy’s oma kijkt zo blij met haar uitnodiging dat ik met goed fatsoen niet kan weigeren. Nou ja, denk ik, het is maar voor een keertje.

‘Heel graag,’ lieg ik.

Stralend kijkt ze me aan.

‘Kate Bailey,’ zegt Eddy hoofdschuddend. Ik weet niet zeker of hij het tegen mij heeft of tegen haar. ‘Kate Bailey is terug…’

‘Eddy, lieverd, heb je mijn pillen meegenomen?’ valt zijn oma hem in de rede.

Eddy bevestigt dat hij alles bij zich heeft waar ze om heeft gevraagd en leidt haar dan met zachte hand naar de voordeur. ‘Kom, oma,’ zegt Eddy. ‘Je wilde toch een kopje thee?’

‘O ja, lieverd, een kopje thee. Wat een goed idee. Je denkt ook overal aan.’

‘Dag, Eddy,’ zeg ik. Ik wil zwaaien, maar dat lijkt ineens kinderachtig, dus stop ik mijn handen maar weer in mijn broekzak. ‘Leuk je weer eens gezien te hebben.’

Hij kijkt om terwijl hij zijn oma de treetjes voor het huis op helpt. Hij lacht een beetje afwezig, want in gedachten is hij al binnen. ‘Ik vond het ook leuk jou weer eens te zien, Kate. Blij dat je me niet bent vergeten.’

Wanneer hij de deur dicht heeft gedaan, hoor ik hun stemmen nog, die van haar iel en vragend, die van hem rustig. Hij was altijd al het soort jongen op wie je kon vertrouwen, ook toen we nog op school zaten. De jongen die nuchter bleef om iedereen per auto naar huis te kunnen brengen na een avondje stappen in Exeter, de jongen die Kim Dearborn rustig wist te krijgen toen ze op een strandfeest lsd had geslikt en uit haar dak ging. In die tijd was het niet echt belangrijk om betrouwbaar te zijn, dat is geen kwaliteit die bij tieners in hoog aanzien staat. Je waardeert het pas nadat onbetrouwbare heren op je hart hebben getrapt.

Ik was Eddy Curtis niet vergeten. Natuurlijk niet. Uiteraard had ik het wel geprobeerd. Ik had geprobeerd alles van Lyme te vergeten.

Maar nu ben ik hier om al het andere te vergeten.