14

Ik heb de kaart al drie keer in de papierbak gedaan en hem er weer uit gevist. Ik weet dat ik ben gedoemd dit voor eeuwig te blijven doen. Nou ja, totdat de papierophaler de boel meeneemt. Ik moet meer greep op mezelf zien te krijgen, dus stop ik de kaart in mijn jaszak en besluit er me ergens ver weg van te ontdoen. Ergens waar mensen zijn, waar ik niet in de verleiding kan komen hem terug te pakken omdat iedereen het zou kunnen zien.

Maar ik sta hier in de Town Mill Bakery, ik ben langs de ene na de andere papierbak gelopen, en de kaart heb ik nog in mijn hand. Net zoals met het briefje op de keukentafel kan ik me er niet van weerhouden steeds weer alles door te lezen. De kaart weggooien is een puur academische kwestie geworden nu ik toch elk woord uit mijn hoofd ken.

‘Hoi Kate. Wat ben je aan het doen?’

Eddy Curtis houdt met beide handen een beker koffie om mee te nemen vast. Hij is hier binnengekomen en heeft koffie besteld en gekregen zonder dat ik het merkte, zo geobsedeerd was ik door de kaart van Matt. Eddy trekt aan de sjaal die twee keer om zijn hals zit gewikkeld. Hoewel hij een spijkerbroek aanheeft, oogt hij zakelijk, alsof hij binnenkort naar iets belangrijks moet en het halen van koffie de eerste stap in een drukke dag is, en geen hoogtepunt, zoals bij mij het geval is.

‘O, hoi, Eddy,’ zeg ik terwijl ik de kaart weer buiten het zicht in mijn jaszak laat glijden. ‘Ik doe niet veel. Gewoon, dingen. En jij? Niet aan het werk?’

Dat zeg ik alsof ik ook maar enig benul heb van Eddy’s huidige werk. Vroeger werkte hij aan zijn huiswerk voor aardrijkskunde.

‘Zo meteen,’ zegt hij, en hij bukt zich om Minnie te begroeten, die doet of ze een vriend van lang geleden eindelijk weer is tegengekomen. ‘Maar omdat mijn kantoor eigenlijk de logeer kamer is, ga ik graag even het huis uit voordat ik aan de slag ga. Om me eraan te herinneren dat er meer is dan de vier muren om me heen.’ Hij lacht.

Ik lach ook, maar ik herken de nauwelijks gemaskeerde wanhoop van iemand die te veel thuis zit. Die kende ik toen ik bij Hitz wegging; het gevoel dat de wereld ronddraait zonder jou, omdat jij langzaam in je kamer aan het verstenen bent. De noodzaak om mensen te zien, ook als je die niet kent, om je eraan te herinneren dat je wel degelijk bestaat.

‘Vertel mij wat,’ zeg ik meelevend. ‘Waarom denk je dat ik hier elke dag kom ontbijten?’

‘Elke dag?’ vraagt hij, en meteen krijg ik het gevoel dat ik weer mijn hippe Londense manieren tentoonspreid. De zeur van de media, die lattes achteroverslaat. Die opschept tegenover haar kennis van vroeger.

‘Wil je ergens gaan zitten?’ vraag ik met een vaag gebaar om me heen. Het is nog vroeg, en het is midden in de week; het is hier nog heel rustig.

Aarzelend kijkt Eddy op zijn horloge. Achter hem halen koks bladen vol geroosterde muesli uit de ovens, en worden er groenten gesneden voor de soep voor de lunch. Cathy schrijft de specials op een bord. Ik besef dat ik het geruststellende dagtempo van hen heb overgenomen in een poging mezelf voor de gek te houden met de gedachte dat ik een soort collega ben en geen gewone klant.

‘Eventjes maar, kom op,’ zeg ik, hem onder druk zettend. Ik verlang hevig naar een gesprek met iemand anders dan Minnie, Ben of mijn moeder.

‘Oké,’ zegt hij, en hij gaat tegenover me op een bankje zitten. ‘Waarom ook niet? Waarom als zelfstandige werken als je niet af en toe een beetje later mag beginnen?’

‘Wat doe je allemaal in die logeerkamer, Eddy Curtis?’ vraag ik. Meteen ga ik blozen. ‘Eh, ik bedoel niet… Dat klonk alsof…’

Hij sputtert een beetje in zijn koffie en veegt zijn lippen met zijn hand af. ‘O, nou…’ zegt hij terwijl hij een servetje van de stapel op tafel pakt. ‘Niet zo laag-bij-de-gronds, Kate Bailey. Een paar jaar geleden heb ik een eigen bedrijf opgericht dat plaatselijke bedrijven helpt meer duurzame energie te gebruiken.’

‘Wauw,’ zeg ik. ‘Indrukwekkend.’

Eddy haalt verlegen zijn schouders op en wrijft over zijn haar. ‘Het was indrukwekkender toen er subsidies waren voor dat soort dingen, maar tegenwoordig kost het veel meer moeite om aan werk te komen.’ Na een zucht vertelt hij verder: ‘De meeste bedrijven hier hopen het nog een jaartje vol te houden. Er is niet veel geld om in dure, nieuwe technologie te investeren.’

‘Dat spijt me,’ zeg ik. ‘Dat moet heel akelig zijn nadat je zoveel energie hebt gestoken in het opbouwen van je bedrijf.’

Met een glimlach haalt Eddy zijn schouders op, alsof het hem niet veel uitmaakt. ‘Och, ik heb genoeg om van te leven, en voor de meiden. Gelukkig ben ik niet iemand die uit is op een geweldige carrière. Ik ben niet zoals jij.’

Ik snuif van het lachen. ‘Niet echt een geweldige carrière, hoor,’ zeg ik. Bij de tv werken is zo’n baan waar mensen van onder de indruk zijn omdat ze er zo weinig van weten. Als je vertelt dat je net terug bent van het organiseren van de African Music Awards klinkt dat exotisch en vol glamour, iets heel anders dan de realiteit van mobiele toiletten en curry met vissenkoppen erin.

‘Kom nou toch, Kate,’ zegt Eddy met lachrimpeltjes om zijn ogen. ‘Jou lukte het om hier weg te komen, jij was de ster.’

‘Eddy,’ merk ik streng op, ‘het twee maanden lang laat op de avond presenteren van muziekvideo’s maakt je nog niet tot een ster.’

Eddy trekt een wenkbrauw op. ‘Wel vergeleken met alle anderen in Lyme.’

Ik breng mijn kopje koffie naar mijn lippen. ‘Misschien, als je het zo bekijkt. Maar dat was allemaal lang geleden. Ik ben al jaren niet meer op tv geweest. Ik heb zelfs niet meer gewerkt.’

Eddy kijkt verbaasd. ‘Nee? Ik dacht dat je moeder zei dat je tegenwoordig een soort producer was…’

‘Nou, al een hele poos niet meer.’ Afwezig veeg ik de kruimeltjes van tafel. Ik vraag me af of Eddy de laatste tijd mijn moeder nog heeft gesproken. Zou ze net doen alsof ik nog wel een baan heb? Schaamt ze zich zo dat ze het niemand durft te vertellen?

‘Moe van het opwindende leventje?’ vraagt hij plagerig.

‘Zoiets,’ antwoord ik.

‘En nu ben je weer in Lyme,’ zegt Eddy. ‘Nooit gedacht dat je ooit nog zou terugkomen.’

Net iets te lang kijkt hij me aan, en ik huiver, alsof iemand een koud steentje in mijn hals heeft gedaan dat langs mijn ruggengraat glijdt.

‘Ik ook niet,’ zeg ik zacht, en ik kijk hem recht in de ogen.

Er ontstaat een stilte. Ik hoor de blikkerige radio in de keuken die staat afgestemd op een muziekzender, en ik hoor de stemmen van het keukenpersoneel. Een stel komt de bakkerij in, gehuld in plastic en met rugzakken op hun schouders. Cathy komt hen begroeten.

Eddy is de eerste die weer iets zegt.

‘Je weet toch dat Tim naar Australië is geëmigreerd? En zijn ouders ook, een paar jaar geleden. Die zijn er nu allemaal niet meer.’

‘Weet ik,’ reageer ik. Het klopt, dat ik dat weet. Mijn moeder had het me indertijd geschreven, een beetje achteloos in een mailtje met meer nieuws uit Lyme.

‘Zou het niet beter zijn als ik net deed of ik het ben vergeten?’ vraagt hij.

‘Nee,’ zeg ik. ‘Want ik ben het niet vergeten.’

Niet helemaal op zijn gemak legt Eddy zijn hand op de mijne, alsof ik die zou kunnen wegslaan. Maar dat doe ik niet, ik laat de hand liggen, zwaar en warm.

‘Je hebt alles allang achter je gelaten,’ zegt hij. ‘En kijk eens naar wat je hebt bereikt! Dat zou je nooit hebben gedaan als je in Lyme was gebleven. Je trok weg en je hebt iets van jezelf gemaakt. Je zou trots moeten zijn.’

‘Lief van je, Eddy.’ Ook al meen ik het echt, het klinkt toonloos, alsof ik een robot ben die opdreunt wat erin is geprogrammeerd.

Er verschijnt een frons op Eddy’s gezicht. ‘Ik moest maar eens opstappen,’ zegt hij. ‘Sorry, ik had er niet over moeten beginnen. Alleen, ik vond nou eenmaal dat het niet ongezegd mocht blijven. Nu je na al die tijd weer terug bent.’

Hij staat op en trekt weer aan de sjaal om zijn nek. ‘Leuk dat je er weer bent, Kate. Wat de reden daarvan ook is. En als je wilt praten, ik ben er altijd.’

‘In je logeerkamer.’

‘In mijn logeerkamer. Of ergens anders. Ik meen het echt, hoor, je kunt op me rekenen.’

Ik heb alle redenen om dat te geloven.

‘Dank je wel, Eddy,’ zeg ik, en dat meen ik echt.