HOOFDSTUK 30

 

 

 

Op de grens van twee werelden

 

Indien men zich een voorstelling zou kunnen maken van wat het zeggen wil om zich in een dergelijk grensgebied opgenomen te weten, dan zou men allicht kunnen begrijpen dat een diep doordacht geestelijk leven hiervan het gevolg is.

Het is niet slechts een fungeren als medium om aan de op aarde levende mens de boodschap van het bewuste voortleven te brengen, maar het is ook een bewustworden en overdenken van allerlei, waardoor mijn eigen geestelijk wezen tot een hoger plan wordt gebracht.

De voorvallen en de ervaringen in dit werk beschreven, zijn niet alleen maar gericht geweest naar een uitdragen van de overtuiging, maar alle gebeurtenissen hierin beschreven moesten medewerken aan het tot stand komen, van een evolutie in het eigen wezen.

Wanneer men bedenkt dat ik zeer jong de eerste helderziende waarneming kreeg, dan kan het niet anders dan begrijpelijk zijn, dat ik deze waarneming nooit kwijt ben geraakt.

Ondanks de waarschuwing van mijn biechtvader dat dit werk van de duivel zou zijn, is het stralend lichte wezen dat mij verschenen was, nooit uit mijn denken verwijderd geweest.

Het was als een betovering, die nooit geheel doorbroken is geworden en geen mens zal mij kwalijk nemen, dat ik mij enige jaren na de eerste waarneming af ging vragen, wat ter wereld ik misdreven zou kunnen hebben om op de leeftijd van nog geen zeven jaren, een bezoek van satan te kunnen verwachten.

Maar er waren veel meer vragen die zich zouden opdringen aan mijn verstand, naarmate de jaren verstreken.

Een van deze vragen was, of het wel een juiste uitspraak geweest kon zijn, of dit niet een kwestie van geestelijke overmacht betekende, of het niet misdadig was om zo in een kinderziel in te grijpen dat deze daardoor een niet te vergeten schok ondervinden zou.

Was dit domheid? Was dit geestelijk gezag en daardoor overmacht? Het was een logisch gevolg van deze vragen, dat ik heel graag aan de weet wilde komen, wie dat vriendelijke wezen was, die mij met een bezoek vereerde en daarbij zulk een stralend licht verspreidde, dat het net was alsof mijn kamertje, met een bovenaards licht werd vervuld.

Het zien van mijn grootmoeder, iets later dan de eerste waarneming, vervulde mij met de gedachte dat er schijnbaar geen dood kon zijn, of dat mijn oma schijndood was en mij daardoor niet met rust wilde laten. Het ene zowel het andere was nu juist niet in staat om een geestelijk evenwicht aan te kweken, maar doordat ik er spontaan over ging praten met mijn biechtvader, werd ik waarschijnlijk van het spoor waarop ik mij toen reeds bevond afgeleid en allerminst had ik de indruk mij op een grens te bevinden waardoor het mogelijk werd, zowel de ene als de andere wereld te betreden.

Dat daaruit geen grote conflicten voortkwamen, heb ik mogelijk te danken aan Emed, die mij moest benaderen, maar toch mijn kinderjaren niet met allerlei waarnemingen verontrust heeft.

Ik was te jong om verder enige waarde aan beide helderziende waarnemingen te kunnen hechten en ik ben al heel erg blij, dat zij niet voorgoed voor mij verloren gingen.

Ik heb mij beslist niet warm of koud gemaakt om die waarnemingen die ik deels als een natuurlijk verschijnsel aanvaardde, maar waar ik ook bang voor was geworden door de „geestelijke” uitspraak van mijn biechtvader.

Dat door deze ingreep misschien veel verloren dreigde te gaan aan gaven die mij door God waren meegegeven, kwam destijds in het geheel niet in mij op, ook niet toen ik de leeftijd van twintig jaren naderde.

Dat ik Anders dacht en voelde als de meeste mensen waar ik mee in contact kwam en dat mijn naaste familie niets van mij kon begrijpen, had ik aanvaard, niet omdat ik mij bewust was van het bezit van uitzonderlijke gaven, maar omdat ik mij er ten slotte maar bij neerlegde „overdreven” genoemd te worden, wanneer ik nu eens uitpraatte wat ik precies voelde en zo kwam ik door dit alles op een eenzaam vlak te staan.

Ik interesseerde mij hevig voor het leven van Heiligen en begreep de waarnemingen die zij hadden verkregen volkomen, want in dat opzicht werd mij niets wonderbaarlijks verteld.

Ik had een ongekende belangstelling voor alle verhalen over heksen die verbrand werden terwille van de Reformatie of terwille van hun Roomse geloof en reeds jong werd mij hierin een bepaald oordeel gegeven omtrent de wisselwerking, want zowel de ene als de andere partij scheen over het recht te beschikken andere mensen omwille van een geloofsovertuiging te doden.

Deze dood werd tenslotte mijn doodsvijand.

Ik kon en wilde de dood niet aanvaarden, maar kon er natuurlijk geen verandering in aanbrengen.

Dat met de dood alles was afgelopen of dat wij op de jongste dag eerst zouden worden gewekt en geoordeeld, verwierp ik omdat ik geloofde aan een God van Liefde en omdat ik die Liefde rond mij bespeurde, zonder dit onder woorden te kunnen brengen.

Het was als een woordeloos gesprek met iemand die mij begreep en wilde troosten in mijn onzegbare eenzaamheid.

Natuurlijk kwam er een periode in mijn leven dat er geen plaats was voor dergelijke overpeinzingen, maar de dood was en bleef mijn vijand, die ik zou willen vernietigen wanneer ik de macht daartoe had bezeten.

Eerst op de leeftijd van 28 jaren, werden de sluizen geopend en wanneer men mij vraagt of ik daar zielsgelukkig mee was, dan kan ik dat bepaald niet bevestigen, want de eerste stappen op deze lichtende weg waren vol voetangels en klemmen en steeds weer moest de moed worden verkregen om opnieuw of gedeeltelijk opnieuw te beginnen.

Het oneindig vertrouwen dat ik ten slotte bezit, is gebaseerd op de waarnemingen uit mijn prille kinderjaren die door geen beredenering meer weg te denken waren. Ik had het gezien en wat men ziet kan men niet zonder meer opzij schuiven.

Dat men mij eerst weer trachtte te benaderen toen de jaren van het verstandelijk beredeneren waren aangebroken, wijst op de grote wijsheid die men aan Gene Zijde bezit.

Er was door het harde, werkelijke leven niets dromerige overgebleven. Eenmaal op de grens van die twee werelden stond er een ontdekkingsreis voor mij open die zijn weerga niet vind, want bewust vroeg ik om meer geheimen voor mij te openbaren, opdat ik een ander daarmee tot steun zou kunnen worden.

Het enthousiasme dat in mij gewekt was, gaf nog geen aanleiding om het verstand het zwijgen op te leggen en Emed zorgde ervoor dat dit verstand gescherpt werd, door mij te wijzen op allerlei dingen waaraan ik vroeger in onwetendheid was voorbijgegaan. Hij zorgde er dikwijls voor dat ik in de beschouwing van natuurlijke wetten leerde er de Meesterhand in te zien.

Zodra het mogelijk was geworden mij zonder enig communicatiemiddel te bereiken door de ontwikkeling van helderhorendheid, ving Emed zijn onderwijs aan en menig lesje heeft in de praktijk haar nut reeds bewezen.

Niemand zal zich verwonderen, dat ik niet vraag waartoe dit of waarom dat, maar mij op de eerste plaats op het standpunt heb leren stellen dat alles een doel heeft, ook al kunnen wij dat doel niet onmiddellijk begrijpen.

Het waren niet alleen de dingen in het leven van de mens, waarin hij mij wijsheid leerde, maar ook in het dieren- of insectenleven lagen zijn lessen.

Ik herinner mij een wandeling in de bossen in Schoorl. Onverwacht stonden wij met ons drieën voor een uitzonderlijk grote mierenhoop.

Ik, die ergens een afkeer heb van „beestjes”, bleef als gedwongen staan kijken en het ging mij zo fascineren dat ik de anderen, die reeds waren doorgelopen, terug riep.

Wat ik hen toen vertelde, waren Emed's eigen woorden:

„wanneer de mensen nu eens waren als de mieren, dan zou niemand meer te zelfzuchtig zijn om een vrachtje voor een ander te dragen. Wanneer de mensen eens allemaal om een grote mierenhoop werden geplaatst dan zouden zij kunnen leren, dat men door alles samen op te bouwen veel verder zou komen dan wanneer men alles maar alleen voor zichzelf wil doen.

Zie naar deze mieren, het is alsof zij elkander steunen, waar de ene omrolt, vang de ander zijn vrachtje op, wanneer hij het niet alleen kan, dan staan zij met drie of vier klaar om te helpen, ze krijgen alles klaar, hun werkdrift zou een les voor menig mens kunnen zijn. Zij ruimen alles op, hun zin voor orde zou een voorbeeld kunnen worden genoemd.”

Het werd gewoon om dergelijke gesprekken met Emed te hebben. Bij het ontvouwen van een blad of een bloem, hoorde ik dikwijls wanneer ik in aandachtige beschouwing zo'n proces volgde, zijn stem en de les die hij daaraan wilde verbinden.

Emed leerde mij dat geen geleerde ter wereld een blad dat zich ontrolde weer op dezelfde wijze te vouwen wist, dat geen kennis hoe groot kon verklaren waarom dat op een wijze geschiedde die niet te imiteren was en trachtte men dit toch te doen dan werd het steeds opnieuw een grove, slechte imitatie.

Dit zijn maar kleine lesjes uit het enorme aantal lessen die ik te leren kreeg, want de lessen over de verhoudingen in de menselijke ziel waren enorm veel groter en ingewikkelder.

De conflicten in het zieleleven waardoor de mens volkomen uit het evenwicht kan worden geslagen en daardoor daden beging die de grootste ellende en rampspoeden brachten, eisten veel meer van mijn aandacht, maar mijn verstand werd geslepen en verfijnd, waardoor de kern door mij kon worden begrepen.

Het was alsof ik na een lange lagere schooltijd plotseling in een Hogere school geplaatst werd, waarin men mij het hoe en waarom wilde bijbrengen van allerlei menselijke conflicten waarmede ik in aanraking zou komen en waar hulp moest worden gebracht.

Wanneer mijn aangeboren of aangeleerde begrippen voor fatsoen of maatschappelijke orde werden geschokt door de verborgenheden in de menselijke ziel, wist Emed hierin weer het evenwicht te herstellen door mij het juiste inzicht te geven, waardoor die zielstoestand of het conflict waren ontstaan en zo leerde ik mij op de grens van twee werelden staande een helder inzicht en een zeer mild oordeel eigen te maken.

Nooit werd door Emed een onbedachtzaam oordeel uitgesproken, maar altijd opnieuw probeerde hij met mij tot de kern van alle goed of kwaad te komen.

Zo probeerde hij ook de gedachte aan een telepatisch contact op de meest voor de hand liggende manier te ontzenuwen.

 

Ik herinner mij een voorval van vrij recente datum.

Er kwam een dame bij mij die graag iets wilde weten over allerlei vraagstukken die oplossing verlangden.

Wat dit voor vraagstukken waren, doet niets ter zake, maar voor mij verscheen een Intelligentie, die mij een foto toonde waarop zij stond en die de kledij liet zien uit de negentiende eeuw.

Zij vertelde mij dat haar achterkleindochter, de dame tegenover mij, deze oude foto in haar bezit had en dat zij de naam „Van Zanten” had gedragen.

De verbazing was evenredig, want geen ogenblik had de dame die mij bezocht een gedachte aan haar overgrootmoeder gewijd.

Al denkt men misschien nog wel eens aan de grootouders, de overgrootouders zijn reeds zover weg en de meesten onder ons hebben hen niet eens gekend.

Deze Intelligentie had echter wel degelijk een waardevolle boodschap voor haar achterkleinkind, een bericht dat betrekking had op haar problemen en haar van een grote zorg bevrijdde.

Men zal zich onwillekeurig afvragen, waarom de Intelligenties zich zo dikwijls vertonen in de kledij die zij tijdens hun stofleven hebben gedragen, maar men moet bedenken dat wanneer een Intelligentie zich zou manifesteren in de geestelijke kleding welke zij aan Gene Zijde de hunne noemen, men dan zeer moeilijk, of zelfs in het geheel niet tot herkenning zou komen.

Zo manifesteert een jong kind dat heengegaan is, maar op aarde reeds lang de volwassen leeftijd bereikt zou hebben, zich als datzelfde kleine meisje of diezelfde jongen die heengegaan is en welke in de gedachtenwereld van de ouders op die wijze voortleeft. Zouden zij hun kind ooit herkennen, wanneer het beschreven zou worden als een jonge man of vrouw?

Een goede indruk hiervan is de volgende:

Bij een echtpaar dat mij wilde raadplegen, manifesteerde zich een jonge man, deze werd niet herkend, maar toen hij zijn naam aan mij vertelde, „Anne-Jan”, wist de jonge vrouw tegenover mij onmiddellijk dat dit haar „broertje” was die op jeugdige leeftijd was heengegaan. Aan mij toen de taak, haar te vertellen, dat dit kind inmiddels was opgegroeid tot een jonge man.

Men kan dan, zoals in dit geval, rekenen op de steun en de hulp van een dergelijke Intelligentie die zeker niet tot ons kwam om zijn zusje kwaad te berokkenen, maar, zoals hij zelf verklaarde, haar steeds weer had beïnvloed om contact met mij op te nemen.

Wanneer men dan weet dat beide mensen achter uit Overijssel kwamen, en dus een lange reis er voor over hadden om de séance in Bussum mee te kunnen maken, dan begrijpt men tevens, welke bezwaren en moeilijkheden men aan Gene Zijde te overwinnen heeft, alvorens een contact tot stand kan komen.

De ervaringen die ik op deze wijze heb mogen beleven zijn zo veelvoudig dat het ondoenlijk is deze allen te beschrijven. De grote steun die ik hierin van Emed mocht ontvangen, kan ik nooit onderschatten en zelfs indien ik dat zou willen, dan zijn mijn ervaringen toch nooit meer uit mijn leven weg te denken.

De grote liefde waarmede men wijst op de fouten die de op aarde levende mens maakt, geeft de indruk, dat welke die fouten ook zijn, men alles met dezelfde barmhartigheid wil beoordelen als eenmaal Jezus dit deed, in Zijn uitspraak: „die zonder zonde is werpe de eerste steen.”

Hieruit moet men echter niet willen opmaken, dat fouten door hen niet worden beoordeeld, maar dit gaat op een geheel andere wijze dan de mensen onderling dit gewoonlijk aanpakken.

Het volgende moge tot verheldering dienen. Er kwam een dame bij mij en zonder ook maar te vragen naar een foto of een andere inductor, vertelde ik haar datgene wat Emed mij op dat ogenblik zei: „u leeft in een zielsconflict dat u niet meer op te lossen weet, maar wij gaan u helpen.

Uw man is heengegaan en leed aan zware hoofdpijnen tengevolge van een tumor.

Hiervoor is u echter niet gekomen, het gaat over een vriendschap die wel enige moeilijkheden met zich brengt, omdat uw vriend gehuwd en dus niet vrij is.

Dit moet u prijsgeven, want deze man is niet van u en u bouwt uw schijnbare geluk op drijfzand.

Hieruit komt tevens uw zielsconflict voort...”

Wanneer men dit als paranormaal begaafde op deze wijze kan vertellen en het blijkt bovendien volkomen juist te zijn, dan begrijpt ieder die dit leest, dat men niet te doen heeft met een soort goedkope waarzeggerij, maar wel degelijk een boodschap heeft ontvangen van uit een andere en hogere wereld, waarbij het medium op de grens van die werelden komt te staan.

Niet alleen op geestelijk terrein en in aangelegenheden die uitsluitend het zieleleven raken, trachten de Intelligenties te helpen, maar ook op het gebied van maatschappelijk leven trachten zij moed in te spreken en sporen zij de mens aan zelf te handelen, niet fatalistisch af te wachten, maar ieder werk te aanvaarden, dat verricht kan worden, om zichzelf van een maatschappelijke ondergang te redden of te behoeden.

De woorden van Emed: „geen enkele eerlijke arbeid kan ooit tot schande zijn” heeft reeds menigeen de steun gegeven welke hij of zij op dat ogenblik zo nodig had, maar onverbiddelijk is Emed ook, wanneer een mens door eigen schuld in nood geraakt.

Het volgende getuige hiervan.

Een heer die mij consulteerde, bleek een echtgenote én een vriendin te bezitten.

Van de eerste vertelde hij het afgezaagde verhaaltje, dat hij niet begrepen werd.

De vriendin daarentegen had alle begrip voor hem, maar was in leeftijd zoveel jonger dat hij haar niet durfde voorstellen om een echtscheiding om harentwille aan te gaan.

Nu kwam hij bij mij om een oplossing van het probleem. Emed vertelde hem ongezouten de waarheid.

Dat gaat niet ruw, ongemanierd of hatelijk, maar vol goede wil, zonder echter ook maar een ogenblik te aarzelen in zijn oordeel. Hij vertelde mijn bezoeker:

„uw vrouw is altijd zeer goed voor u geweest, heeft moeilijke tijden en goede tijden met u meegemaakt, maar zij heeft nooit gemopperd wanneer het een slechte tijd was.

Integendeel, zij werkte dan hard mee om u te laten bereiken wat u op het ogenblik bent.

Er zijn reeds meer vriendinnen in uw leven geweest, maar steeds keerde u terug bij uw echtgenote.

Nu tracht u de consequenties van een gewetensconflict te ontgaan door te zeggen dat uw vrouw niet goed meer voor u is en uw vriendin te jong om een echtscheiding voor haar te forceren.

Beide argumenten zijn onwaar, maar u wilt de deur open houden om indien een samen leven met uw vriendin u op den duur niet bevredigt, naar uw echtgenote te kunnen terugkeren.

Dat uw vriendin te jong zou zijn, is nog minder waar, maar het streelt uw ijdelheid in niet geringe mate, dat een jeugdig meisje u heeft uitverkoren boven jongelui van haar eigen leeftijd.

U is in het geheel niet zeker van u zelf, omdat u eenvoudig niet trouw kunt zijn, altijd zal uw zoeken gericht zijn naar nieuwe liefdesavonturen, omdat u alleen maar van uzelf houdt.

U kunt niet beide behouden, wanneer u dus eerlijk wilt zijn, dan heeft u niet het recht uw echtgenote het leed van een echtscheiding te berokkenen, maar u heeft ook niet het recht de mooiste jaren van het jonge meisje voor u op te eisen en haar daarna misschien af te danken, omdat uw sexueel leven weer iets anders verlangt. De consequenties van deze handelingen zullen zeer zwaar voor u wegen, zodat ik u alleen de raad kan geven, terug te keren tot uw echtgenote en opnieuw te beginnen, waar zij zeer gelukkig om zal zijn; misschien dat in een boze bui dan wel eens verwijten zullen komen, maar deze heeft u verdiend en wees dan blij dat u alles nog aan uw vrouw goed kunt maken.

In de herinnering aan alles wat zij voor u deed, moest uw trouw verankerd liggen; zou er geen moment van ontrouw in uw leven moeten voorkomen, maar ik veroordeel u niet, dat is mijn werk niet, maar geef u dit alles in overweging.

God zegen uw besluit.”

Het is dan alsof men plotseling weer naar de aarde moet terugkeren, de grens vervaagt en de woorden en gestalten worden hoe langer hoe zwakker en zijn na enkele ogenblikken niet meer waar te nemen.

De indruk van dergelijke woorden blijven echter en mijn bezoeker zei: „u hebt gelijk, dit is geen leven, ik zal een besluit nemen, ik weet dat ik trouweloos ben, maar ik ga proberen hier tegen te vechten, ik ben ten slotte een kerel.”

Ik, op de grens van die beide werelden, kan alleen maar hopen dat hij zijn goede voornemen ook ten uitvoer brengt, want ik weet dat deze overwinning op zijn ijdelheid en trouweloosheid hem meer nut zal geven dan een grote zakelijke order.

Het zijn niet alleen gevallen van mislukte huwelijken waarmee ik te maken heb; er zijn dingen die ik nooit gedroomd had, waar het leven mij goddank nooit mee in aanraking bracht, al zijn persoonlijke ervaringen in het werkelijke leven van groot nut gebleken. Hoe kan men oordelen over ziekte, wanneer men altijd gezond is geweest, hoe weet men wat honger is, wanneer men steeds voldoende voedsel bezat, maar ook: hoe begrijpt men eenzaamheid wanneer men altijd beschermd is geworden door de mensen waarmede men verwant was, of wat weet men van armoede, wanneer men altijd genoeg geld bezeten heeft om te leven?

Emed sprak daarover eens en vroeg:

„hoe zou men het licht waarderen wanneer het nooit duister werd, zou men voldoende voedsel begeren, wanneer men geen honger kende, zou men genieten van het licht zijner ogen indien men geen blindheid had gezien?

Wanneer de mens stil zou staan bij al deze vraagstukken, dan zou hij dag aan dag zijn Schepper danken voor al het goede dat hem geschonken werd, dan zou veel van datgene dat nu de waarde van het leven uitmaakt als waardeloos gelden en zouden veel schijnbaar onoverkomelijke moeilijkheden van bijna geen belang meer zijn. Wanneer zullen de mensen geraken tot erkenning van het feit dat hun dag, ja zelfs iedere dag gezegend zou zijn indien zij dankbaar waren voor gezondheid, voedsel, een familiekring, ouders en kinderen. Maar de mens loopt voort, met gesloten ogen en gaat onbewust van al het schone en goede zijn weg, geraakt in wanhoop wanneer voor hem iets onbereikbaar wordt, wanneer hij zijn zin niet krijgt, of een besluit onuitvoerbaar is en hij ziet niet het schitterend licht van de nieuwe dag, de mogelijkheid om een mislukt pogen te herhalen, waardoor misschien wel succes verkregen wordt.

Zij dwalen, ziende blind en horende doof, door God's tuin die aarde heet.”

Dat men open moet staan voor dergelijke uitspraken is logisch, want wanneer men zijn hart gesloten wil houden voor deze lessen worden zij waardeloos en kunnen geen enkel nut opleveren.

Voor mij werd het de gewoonste zaak van de wereld een dergelijk onderricht te ontvangen.

Hoe nuttig dit bleek getuige het feit dat men bij mij kwam in de diepste materiële nood, veroorzaakt door ziekte of tegenslag. Wanneer men dan tegenover mijn stralende gezondheid kwam te staan dan zei men wel eens verbitterd: „u zult hiervoor wel geen begrip hebben, want wat heeft u van ziekten ervaren?”

Ook maakte men wel de opmerking: „het is in uw huis zo vriendelijk en rustig, u zult wel geen begrip hebben voor een verstoord huwelijk.”

In het eerste geval kon ik vertellen dat ik ziekte in alle troosteloosheid wel had leren kennen, al had de ziekte mij zelf niet bezocht, in het tweede geval moest ik erkennen een volkomen harmonisch huwelijksleven te mogen ondervinden, maar de ervaringen, die ik staande op de grens van twee werelden had verkregen, maakten dat ik ook in dat opzicht vermocht hulp te bieden.

Materiële nood heb ik van zo dichtbij meegemaakt en zo groot, dat het een Godswonder is dat ik er doorheen kwam op een behoorlijke wijze, maar die belevenis maakt mij niet ongelukkig, integendeel, zij stemt mij eerder dankbaar, omdat ik heb moeten ondervinden dat een enorme wilskracht meer doet dan nutteloos en vervelend klagen.

Emed's woorden: „begin maar te roeien, dan wordt u wel verder geholpen,” zijn aan mij en aan mijn man wel bewaarheid. Daardoor kan ik begrip vormen voor welhaast ieder probleem waar ik mee te maken krijg, ook in geval van een jongeman die wanhopig was door zijn homosexuele neigingen waartegen hij niet langer meer vermocht te vechten.

Zonder enig gevoel van walging was ik in staat over deze ellende met hem te spreken en ik stelde hem voor te proberen door een huwelijk te sluiten met een meisje, die van zijn neiging op de hoogte moest worden gesteld en daar begrip voor zou weten te tonen, deze onnatuurlijke neiging naar de achtergrond te drukken.

Natuurlijk haalde ik de neus op, toen ik voor de eerste keer met zo'n geval geconfronteerd werd en mijn hart bonsde, toen ik zonder schroom mijn waarneming moest uitspreken.

In plaats van een verontwaardigde jongeman die ik verwachtte, kreeg ik alleen maar blijheid en opluchting te zien en de biecht volgde.

Emed verweet mij niets, al had hij natuurlijk waargenomen dat in mij een natuurlijke afweer was ontstaan, maar hij vroeg mij slechts: „wanneer dit nu eens een geval zou zijn van volkomen verkeerde hormoonwerking, hoe zou u daar dan tegenover staan?”

Wat moest ik hierop antwoorden, ik kon immers niets tot mijn verweer inbrengen?

Naar aanleiding hiervan leerde Emed mij echter wel het verschil zien tussen de aangeboren homosexualiteit en de perverse neigingen van een niet meer te bevredigen en daardoor verdorven mens.

Het was ontstellend, maar nuttig en zo heb ik door hem ook deze zaken leren behandelen.

Genoeg hierover, dit is geen werk om over deze dingen uitvoerig te schrijven, maar ik wil toch wel heel graag begrijpelijk maken dat homosexuelen niet uitsluitend „vieze” mensen zijn en dat velen verschrikkelijk lijden onder een neiging, die zij niet weten te bestrijden Ik ben met zeer hoogstaande mensen in aanraking gekomen, die zich liever dood vechten dan aan een onnatuurlijke drift toe te geven en voor zo'n gevecht heeft Emed mij eerbied geleerd.

Ik was er misschien zelf nooit toe in staat geweest.

 

Wanneer wij de Spiritualistische ervaringen van deze zijde ook eens zouden willen bezien, dan meen ik gerust te mogen aannemen, dat scherpe veroordelingen tegen dit onderzoek geuit, veel milder zouden worden.

Het Spiritualisme in de werkelijke zin is niet de tafelbeweging, noch de séance, maar de les van waarachtige naastenliefde.

Dat wij in diverse geloofsgemeenschappen totaal verkeerd worden beoordeeld, vindt zijn basis in de handelingen en uitspraken van mensen die nog niet voor een honderdste deel tot dit moeilijke en liefde vragende werk zijn geroepen en hierin slechts een mogelijkheid zien om op een zeer gemakkelijke wijze geld te verdienen, ongeacht of zij met hun „voorspellingen” een medemens aan de afgrond van het leven brengen.

Emed leerde mij slechts „instrument” te zijn, de waarden van het leven voor ieder medeschepsel aantoonbaar te maken. Hij leerde mij van af de grens die zijn wereld en de onze scheidt, naar beide zijden te leven, te luisteren, te zien en lief te hebben, met als onverwoestbare grondslag het geloof in de Alles Overheersende Liefde van God, de wetenschap van Zijn Barmhartig vergeven, de Hoop van voortbestaan in louter Licht en het Berouw om de fouten door mij zelf gemaakt, met de ernstige wil deze goed te maken met opoffering van alle menselijke ijdelheden.

Op deze wijze het Godsbewustzijn te mogen beleven, is meer dan een goede beloning voor alle moeiten die ik mij dikwijls heb moeten getroosten om anderen een lichtbaken te zijn in de donkere levenszee.

Ten slotte leerde het Spiritualisme mij ook:

 

„Aan wie veel gegeven wordt, daarvan zal veel worden vereist.”