HOOFDSTUK 2
Psychometrische avonden
Voor mij was de tijd aangebroken dat ik mij in het openbare leven zou begeven en overal uit het land kwamen uitnodigingen om een Psychometrische avond te komen houden.
Wij reisden door het gehele land en kwamen in streken die volslagen onbekend voor ons waren.
Psychometreren betekent aan de hand van een voorwerp of foto van een op aarde levende of reeds overgegane mens, gegevens verstrekken, die aanleiding kunnen zijn tot: het opsporen van vermisten, het vaststellen van huwelijksmoeilijkheden of narigheid met kinderen. Men kan ook via zo'n ingeleverd voorwerp in contact komen met de geest van een overgegane, kortom er zijn duizend en één mogelijkheden.
Hier en daar wil ik een greep doen uit mijn talrijke ervaringen op dit gebied.
Eerst dus naar Utrecht, waar ik voor de Nederl. Vereniging van Spiritualisten een avond moest verzorgen.
Natuurlijk geef ik geen letterlijk verslag van zo'n avond maar ik neem de momenten die mij interessant genoeg toe schijnen om de onderzoekende lezer iets te bieden.
Bij deze psychometrische behandelingen komen dikwijls helderziende waarnemingen voor, die spontaan door mij worden beschreven, meestentijds zelfs met onderbreking van de psychometrie. Zo was ik dus in Utrecht. De zaal was geheel gevuld met belangstellenden en u begrijpt dat er dan veel voorwerpen en foto's worden gedeponeerd, want men wil graag een kans hebben dat dit in behandeling wordt genomen. Ik kreeg een klein voorwerp in handen, een geslepen kristal, zo te zien een sieraad of een gebruiksvoorwerpje in luxe uitvoering en ik werd verplaatst (geestelijk) naar een omgeving die aan de vorige eeuw deed denken. Ik zag een grote tafel voor mij vol boeken en geschriften en daar achter een dame die zo'n vriendelijke en vastberaden indruk op mij maakte, dat ik dit zelfs na jaren nog kan beschrijven.
Zij droeg een japon die hoog gesloten was, van een lichte kleur, maar de versierselen en de garnering waren zwart. Het prachtige witte haar lag rond haar hoofd en hing in dikke krullen tot bijna op haar schouders. Zij had een ovaal, zacht gezichtje en lachte vriendelijk tegen mij.
Ik stond maar met het ding in mijn handen en beschreef haar zo goed ik kon want ik wilde geen detail missen.
Opeens schreef ze met sierlijke letters in de lucht: E. v. C.
Ik begreep dat dit initialen waren en keerde tot de dame die mij het voorwerp had gegeven terug. „Kent u deze beschrijving mevrouw en weet u wat de letters kunnen beduiden?”
Ik kreeg ten antwoord: „ja mevrouw, de beschrijving van deze dame is volkomen juist, zij is schrijfster van diverse boeken, u heeft een voorwerp in uw hand dat zij altijd gebruikt heeft, haar naam is: Elise van Calcar.”
Het voorwerp was een naamstempel of lakcachet.
Op diezelfde avond nam ik een fotootje in handen, het was een gewone pasfoto en nog vrij slecht gemaakt.
Ik kreeg een schok en een ijskoud bad, want ik viel hals over kop in het water.
Natuurlijk vertelde ik dit aan de toehoorders en dit werd direct als juist bevestigd, maar ik moest verder.
Ik zag in een auto een vrouw en een kind, ik hoorde de naam Tine en de naam Ben. De auto was in het water gereden en Tine en de andere inzittenden waren gered. Ben was verdronken en vertelde mij dat zijn nog niet gevonden lichaam vast zat onder een brug. Dit alles bleek volkomen juist te zijn en het lichaam van Ben werd gevonden op de plaats die hij door middel van mij had aangegeven, de Hoge of de Rode brug in Utrecht, de naam weet ik niet juist meer.
Alkmaar. Ik heb u in mijn voorwoord reeds verteld over de bijzondere wetten die in verband met ons werk waren ingesteld en als eerste „slachtoffer” hiervan werd ik op het politiebureau ontboden.
Hoewel ik natuurlijk niet wist waarom ik bij Hermandad op bezoek moest, verdiepte ik mij helemaal niet in die bijzondere wetten, want daar bleef ik geen moment bij stilstaan. Ik werkte voor een Nederl. Gemeenschap met Kon. Goedkeuring en dus ging ik er, nieuwsgierig naar wat men mij daar nu te vertellen had, heen, in gezelschap van mijn man, die mij overal vergezeld heeft. Ik werd binnen gelaten bij de Commissaris waar reeds een heer die ik heel goed kende, omdat hij in het zelfde hotel logeerde waar wij altijd kwamen, aanwezig was. Deze heer was Officier van Justitie.
Wij konden gaan zitten en de Commissaris vertelde mij dat ik, alvorens die avond te mogen werken, proeven van bekwaamheid moest afleggen.
Eerlijk, ik kreeg een gevoel van ergernis en voelde er niet veel voor, maar Emed zei mij dat ik heel rustig moest blijven en niet moest beginnen met driftig te worden. (Wanneer ik over de Aura ga schrijven, zal ik vertellen hoe zij dat kunnen waarnemen.)
Ik deed dus mijn uiterste best, om mijn drift meester te worden maar het gelukte niet helemaal, vooral niet toen de Officier van Justitie mij een gewone glazen asbak gaf, met de bemerking dat ik daar maar eens iets van vertellen moest.
Ik antwoordde: „dat kan ik niet, omdat dit geen persoonlijk voorwerp is, hoeveel werkvrouwen die hier de boel schoonhouden hebben het ding misschien in hun handen gehad. Wanneer een onontwikkeld mens mij dit gegeven had, zou ik het begrijpen, maar van u met een universitaire opleiding kan ik dat niet.” Ik zat meteen midden in de roos, de Officier schaamde zich wel een beetje. Mij tot de Commissaris wendende vroeg ik: „Mag ik alstublieft de foto van uw twee dochtertjes die u in uw portefeuille draagt, hebben, want een van die meisjes heeft buikklachten. Zij lijdt ook dikwijls veel pijn, dat is geen aanstellerij.”
De Commissaris keek mij met grote ogen aan, zijn hand ging langzaam naar zijn binnenzak en even later lag de bedoelde foto voor mij.
Na een recept te hebben gegeven om deze klachten te doen ophouden, kreeg de Officier een beurt, door middel van zijn zakmes, een voorwerp waar ik een grote hekel aan heb in verband met een ervaring die ik ook zal beschrijven. Hetgeen ik aan de Officier vertelde, moet geheim blijven. Of het juist was? 's Avonds werden wij door de kelner van het Hotel opgewacht die ons mededeelde dat de Officier van Justitie ons voor de volgende dag een diner aanbood. We hebben vele, vele avonden daarna wanneer ik weer in Alkmaar was met hem gepraat over ons werk, hij wachtte ons op, wanneer wij van de bijeenkomst kwamen en soms tot middernacht vertelden wij, we raakten immers nooit uitgesproken.
Bussum. Ik beloofde zoëven u te vertellen waarom ik een hekel heb aan het behandelen van een mes.
Het was een avond met alle gewone dingen, veel mensen in de zaal, veel voorwerpen en foto's voor mij op de tafel.
Zoals gewoonlijk hield ik eerst een korte inleiding omtrent het doel van mijn werk en steeds weer werd ik afgeleid door dat mes dat op de tafel te blinken lag.
Ik moest dat maar het eerste behandelen, want het maakte mij bepaald onrustig en op een of andere manier kreeg ik een gevoel van angst. Toen dus de inleiding uitgesproken was, nam ik meteen het mes in mijn handen. Het bleek te zijn ingeleverd door een dame.
„Dit mes is van uw man mevrouw,” begon ik, „maar ik moet u toch zeggen — gooi het zo vlug u kunt weg — want ik zie uw man ermee steken.”
Zij begon te lachen en zei: „mevrouw, mijn man zal geen vlieg kwaad doen, laat staan iemand met een mes steken”.
Het gevoel van onrust in mij nam toe, ik vertelde dat haar man heel onrustig was de laatste tijd en erg nerveus.
Zodra ik dit gezegd had, nam mijn gewone kalmte tijdens mijn werk, weer bezit van mij.
Ik kreeg een duidelijk beeld van de vrouw en van haar man en zei haar: „Uw man werkt niet in deze plaats, hij gaat 's maandags met de trein mee en komt aan het eind van de week thuis.
In uw huis kan ik voor en achter binnenkomen, de slaapkamers zijn boven.”
Dit alles klopte. Verder mocht ik niet gaan in de zaal, dus in het openbaar, maar ik vroeg de vrouw, na afloop van de avond even bij mij te komen, daar ik haar noodzakelijk nog iets moest zeggen. De avond verliep goed en na afloop van de bijeenkomst kwam de vrouw, zoals ik gevraagd had, bij mij.
„Mevrouw,” begon ik, „in het openbaar mocht ik niets meer zeggen, maar u heeft een verhouding met een andere man. Uw echtgenoot voelt dit en is onrustig en nerveus hierdoor. Hij wil zekerheid hebben daarover en zal op een morgen gewoon naar zijn werk gaan, buiten dit dorp, maar terugkeren. Dan zal hij u met uw vriend vinden en hij zal u doodsteken.
Gooi dat mes weg en verbreek die verkeerde verhouding, u heeft kinderen, denkt u toch ook aan hen.”
Ze is heengegaan. Twee weken later werd mij na een nieuwe avond in Bussum verteld dat deze vrouw het lot dat ik haar voorspeld had, heeft ondergaan. Ik schrok hevig van dit feit dat zo dicht in mijn herinnering kwam te liggen dat ik het nooit meer kan vergeten, ik heb er van overgehouden dat ik een afkeer heb van het behandelen van een mes.
Wel heb ik nog geschreven aan de Officier van Justitie die deze zaak behandelde, ik vond dat mijn plicht en ik heb hem ingelicht over mijn waarnemingen zo goed ik kon, al wist ik geen enkele rechtsgeldigheid te bezitten.
Nu ik zelf in Bussum woon, hoor ik nog wel eens spreken over dit geval, soms zonder dat men weet dat ik er zo nauw bij betrokken was.
Gelukkig heeft de man geen zware straf gekregen en wordt door ieder geacht. Zou Emed misschien toch iets gedaan hebben? Heeft Emed misschien invloed hierop uitgeoefend? Wij weten het niet en... Emed zwijgt erover.
Gorredijk. Ook in de kleine plaatsen van ons land werd ik geroepen en de taal van Friesland leverde uiteraard nog wel eens misverstanden op. Er waren namen en uitdrukkingen die wij in het westen van het land, niet kennen en vooral wanneer men voor de eerste maal Friesland bezoekt, kan dit tot onbegrip leiden. Wij zijn van Friesland gaan houden, wij kennen het moeilijke, snaar door en door eerlijke karakter van de Friezen, die zonder een enkele opmerking, rustig luisteren naar datgene wat naar voren wordt gebracht. Later merkt men wel of men er terug kan komen.
Die avond in Gorredijk zal ik ook niet gemakkelijk vergeten. Een vrouwelijke Intelligentie liet mij haar gehele boerderij beschrijven, de keuken met een schouw van Friese tegels en mooi antiek huisraad. Ik moest tegen een aanwezige heer voornamelijk het woord richten en vroeg hem, namens deze Moeder een hartelijke groet te brengen aan Anne. De man zat rustig te luisteren en zei boe noch bah, waardoor ik meende dat hij mij niet begreep.
Ik begon dus opnieuw een beschrijving te geven van de Intelligentie in de hoop dat hij mijn Hollands zou kunnen volgen.
Hij kreeg het er warm van, zette zijn petje af, veegde zijn gezicht droog en plakte het petje op zijn knie.
Maar ik kreeg het ook wel een beetje benauwd, stel je voor dat ik er niets van terecht kon brengen en die eerste avond in Friesland een fiasco werd, we moesten toch rekening houden met het feit dat ik fouten kon maken, maar ik kreeg toch wel de moed om verbeten door te gaan.
Ik vervolgde dus mijn betoog met de opmerking dat er een mooi gesneden bankje voor een bedstede stond en dat de deuren van die bedstede prachtig beschilderd waren met een uitgesneden hartje erin.
Ik kreeg geen ontkenning, maar ook geen bevestiging. Moeder vraagt mij u te zeggen dat Anne goed op zichzelf moet passen, nu zij er niet meer is en zij geeft weer een hartelijke groet voor Anne.
Hij luisterde vol aandacht, veegde steeds maar weer langs zijn gezicht.
Ik deed een laatste poging. „Heeft u een zuster thuis die de naam Anne draagt?”
De Intelligentie liet het niet los: dag Anne, dag Anne herhaalde zij en ik deed wat zij mij voordeed, ik zei ook „dag Anne”. Plotseling stond de man op, in de volle zaal keek iedereen naar hem en toen zei hij: dank u wel mevrouw, het is allemaal precies zoals u zegt en weet u... ik ben Anne.
Het was de Friese naam die ik maar steeds bij een vrouw wilde brengen, omdat wij in Holland de naam Anne voor een man niet kennen.
Het werd een fijne avond daar in Gorredijk en ik ben er meermalen terug geweest.
Niet alleen in Gorredijk, want Heerenveen, Sneek, Leeuwarden en Drachten volgden; ja over Drachten wil ik toch wel iets vertellen: Ons werk werd met lede ogen gade geslagen. Het gebeurde wel dat een dominee of een priester ronduit verbood om avonden als boven omschreven te bezoeken.
Hoewel er in de Bijbel staat: „Onderzoekt alle dingen en behoudt het goede”, mocht dit onderzoek zich waarschijnlijk niet uitstrekken tot het gehate Spiritualisme, dat zonder meer hel en verdoemenis verloochende en een allesomvattende liefdekracht verkondigde, waarin alles leeft en niets verloren gaat.
De woorden van Christus: „die in Mij gelooft zal leven” werden wel heel eenzijdig onderwezen. Men kon misschien beter zeggen: „Kom tot mijn kerk en dan is er geen dood”.
Enfin, die avond in Drachten was ik alleen. Mijn man moest door zaken gedwongen thuis blijven. De avond werd gehouden in een soort bioscoop of concertzaal en ik liep niets vermoedend naar binnen.
Het was propvol. Een dikke politieagent stond voor de deur een beetje toezicht uit te oefenen.
Ik maakte, omdat ik toch nog de tijd had en er niets voor voelde om in die zaal door honderden ogen te worden geobserveerd, een praatje met hem: „Er is nogal belangstelling voor deze avond vindt u niet,” zo opende ik het gesprek.
Hij begon te lachen en zei: „Juist goed, het is eigenlijk de schuld van de dominee.”
„Het is erg vriendelijk van die dominee, dat hij de mensen gezegd heeft dat ze eens moesten gaan luisteren, het geeft toch altijd weer een andere kijk op heel veel dingen,” zei ik.
Hij keek mij opmerkzaam aan en vroeg: „U bent hier vreemd hé, hoort u soms bij die mevrouw die deze avond spreken moet?”
„Nou, dat ben ik zelf hoor,” lachte ik, „en daarom vind ik het toch wel fijn dat er zoveel belangstelling is, al geeft u de schuld aan de dominee.”
„Het zal niet gemakkelijk zijn voor u, want de dominee heeft de mensen verboden hier heen te gaan en nou zit het zo vol als een mud aardappelen, daar moet ik om lachen. U komt uit naam van de duivel en eerlijk als de duivel hier dan bij hoort, dan heeft dat sinjeur geen slechte smaak, ik hoop tenminste maar dat u veel succes heeft.”
Het was acht uur en ik moest naar binnen. De avond werd goed, jammer voor de dominee.
Maar er kwam ook een andere dominee op ons pad.
Er zou een avond in Hoorn worden gehouden; ik moest de hele kop van Noord-Holland door met mijn werk en ik vond het een heerlijke opgave. De liefde voor dit alles groeide immers hoe langer hoe meer en ik kon mij haast niet indenken dat dit ooit een einde zou kunnen nemen.
In Hoorn was de belangstelling groot, het was een ruime zaal en ik heb het geluk dat ik over een heldere, doordringende stem de beschikking heb gekregen, want er was nooit een microfoon aanwezig zodat ik mijn stem moest uitzetten om ieder te kunnen bereiken. De avond nam een aanvang en zal ongeveer een kwartier aan de gang geweest zijn, toen de deur open ging en een nieuwe bezoeker op zijn tenen binnen sloop.
Hij beduidde mij rustig door te gaan en ging naast mijn man zitten.
Vol aandacht volgde hij de avond, keek met belangstelling naar een grote flinke man, waar ik het woord tegen gericht had.
Ik zag dat deze man smid was en vertelde hem dat hij na verloop van korte tijd ingrijpende veranderingen zou aanbrengen in zijn bedrijf. Ik moest een groet brengen aan Bram, van vader, die aanwezig was. De smid beaamde dat hij Bram heette maar van veranderingen kon hij niets zeggen; ik heb jaren contact met deze smid gehad, wiens naam ik niet wil vermelden omdat hij lid is van de Nederlandsche Werkgroep van Paranormaal begaafden. Ik had de genezing brengende kracht bij hem waargenomen. Toch wil ik hier aan toevoegen dat zijn hoefsmederij geheel werd veranderd in een Installatie-inrichting voor centrale verwarming. Maar nu die dominee. De avond was afgelopen en hij kwam met uitgestoken handen op mij af. „U drinkt met mij nog een kopje koffie en vertel eens hoe lang blijft u hier?”
Ik zei de koffie graag te accepteren en vertelde dat wij de volgende avond in Den Helder moesten zijn, zodat ik de stad Hoorn nog even bekijken kon.
„Maar morgenmiddag zijn jullie mijn gast, in de pastorie.” De schrik sloeg om mijn hart, wilde hij een debat, goed, maar niet wanneer ik een avond in Den Helder moest gaan houden met alle spanningen daaraan verbonden.
Ik zei dit eerlijk tegen hem, maar hij verklaarde lachend dat hij het alleen maar heerlijk vond ons in de pastorie te ontvangen, en ons met zijn vrouw te laten kennismaken, prettig gezamenlijk de maaltijd te gebruiken en een beetje te praten over deze dingen die hij vanavond beluisterd had. „Ik zie er een beetje plechtig uit,” vervolgde hij, „maar er was een diner, waar avondtoilet was gevraagd en ik heb de benen genomen om hierheen te kunnen.” Hij was net een ondeugende schooljongen en ik gaf mij gewonnen.
Hij kwam ons de volgende middag van het hotel halen en we reden langs een echt Noordhollands landschap. Het was allemaal zo gemoedelijk, dat ik bijna niet kon geloven dat dit een dominee kon zijn.
Zijn vrouw wachtte ons met een gezellige koffietafel en als goede vrienden babbelden wij over allerlei.
Na de maaltijd, zei de dominee: „nu gaan we rustig nog wat roken en ik breng jullie straks met de auto naar Den Helder, zodat je niet op de klok hoeft te kijken.”
Die kamer waar we in kwamen, grote schilderijen met voorvaderen van de heer des huizes, boeken, grote gemakkelijke stoelen, die alleen al in staat waren iedere afstand te niet te doen. Terwijl we onze gesprekken voortzetten, verscheen er voor mij een oude dame, die vroeg of ik haar wilde beschrijven en zeggen dat zij Elsa was.
Natuurlijk gehoorzaamde ik onmiddellijk. Verrast keek dominee op en riep: „tante Elsa!”
Ik vervolgde: „zij moet zeer slecht ter been zijn geweest, want zij steunde op een stok, dit stokje laat zij zien, het heeft een zilveren knop, ze heeft iets met Brabant te maken maar ik begrijp het niet goed.” „Maar ik wel,” riep een enthousiaste dominee, „mijn tante Elsa was schrijfster en haar boeken verschenen onder de naam: Elsa van Brabant.” Het was zo'n innig mooie belevenis.
Ik heb contact gehouden met deze dominee en wanneer ik in Hoorn moest werken liet hij zich wanneer het maar even kon, toch zien. Later nodigde ik hem zelfs uit om een Allerzielendienst voor ons te leiden en hij aanvaardde het volgaarne.
Deze dienst zou echter nooit gehouden worden, daar hij na een waarschuwing van de kerkeraad, de dienst moest afzeggen en nadien hebben wij hem ook niet weer gezien.
Maar wij vergeten hem niet en hopen dat hij ook nog wel eens aan ons zal denken.
Men zal kunnen begrijpen dat het niet op mijn weg ligt, zijn naam te vermelden.
In een ander gedeelte van dit boek zal ik nog wel eens terug komen tot deze landelijke tournee’s waar een schat van herinneringen aan verbonden zijn, maar nu eerst Emed aan het woord.