HOOFDSTUK 24

 

 

 

Een Internationaal Congres en een bewijs voor mij

 

Dit Congres werd te Amsterdam gehouden in het Instituut voor de Tropen, nu reeds weer een aantal jaren geleden.

Het was een bijna bovenmenselijke organisatie om de Spiritualisten van geheel de wereld komende, midden in de zomer onderdak te verschaffen en ons hotel was tot de nok met geestverwanten bezet. Zoveel wij maar konden, volgden wij de bijeenkomsten.

De heer C. Spee was de grote organisator van dit alles. Dat het niet ging om een kleine groep, daarvan getuige het feit dat de grote zaal van het Tropisch Instituut voor de gehele duur van het Congres besproken was. Iedere middag en avond kwamen de congressisten bijeen. De opening was natuurlijk heel plechtig en 's middags zou er een Psychometrische séance worden gehouden waar als medium zou optreden Mrs. Harris uit Engeland.

Men kan zich voorstellen dat ik, midden in dit werk staande, zelf zeer weinig Psychometrische avonden bezoek, maar naar deze bijeenkomst moest en zou ik heen.

„Ik heb een gevoel alsof ik daar een boodschap ga ontvangen,” zei ik tegen mijn man, dus wij probeerden het werk thuis zo te regelen dat ik gemist kon worden.

Toen wij de zaal betraden moesten wij van wege de drukte die er heerste, plaatsen zoeken en het lot wilde dat wij twee plaatsen ontdekten die vrij waren bijna vóór in de zaal.

Toen ik mij omdraaide om eens te kijken wie er zo al waren, want ik ken natuurlijk veel mensen uit onze beweging, werd ik getroffen door de aanwezigheid van een medium, wiens naam er hier nu niets toe doet.

Hij was gedoodverfd als „onbetrouwbaar” en werd nergens meer uitgenodigd.

Ik wil mij niet mengen in de uitspraak van de daarvoor ingestelde Commissie en heb er geen oordeel over, maar mij trof zijn ellendig ziek uiterlijk.

Ik begreep dat ik niet kon helpen, maar toch, onwillekeurig vroeg ik Emed: „indien ik hierheen moest gaan om een boodschap te mogen ontvangen, geef hem dan, indien het mogelijk is, mijn beurt, laat hij de troost en de steun ontvangen, die ik misschien zou mogen krijgen. Ik heb het niet nodig, maar hij wel.”

Mrs. Harris kwam het podium op en onmiddellijk richtte zij het woord tot de heer ... met een boodschap van zijn overleden vrouw, die treffend juist door haar beschreven werd.

De blijheid van de heer ... was niet te beschrijven, tranen liepen over zijn wangen en ik huilde, uit louter solidariteit, met hem mee.

Dat ik Emed met geheel mijn hart dankte, behoeft geen betoog, dit was niet alleen voor de heer... een middag vol geluk, maar ook voor mij, het was immers met alle andere ontvangen bewijzen weer een nieuw, dat toegevoegd werd aan onze schat van herinneringen. De dagen van het congres verliepen, veel was goed, andere media weer hadden niet veel te brengen.

Ik herinner mij een Franse dame, die als medium dienst zou doen, zij zou de menselijke Aura beschrijven en aangezien ik dit werk zelf ook mag doen, onder leiding van Broeder Martinus, interesseerde mij dat bovenmatig, dat zal men kunnen begrijpen.

Toen de Franse dame op het podium zat, verzocht zij een brandende kaars voor haar neer te zetten, anders kon zij de Aura niet waarnemen. Het zal alles wel goed bedoeld zijn, maar het werd een teleurstellende middag, met allerlei onbegrijpelijke uitspraken. Het taalverschil kon hierin geen beletsel zijn, want de heer Spee had tolken in allerlei talen weten te bemachtigen.

Zo brak de laatste congresdag aan en niemand zal zich verbazen dat wij deze dag geheel met onze wereldvrienden wilden doorbrengen. Mrs. Harris zou de Psychometrie weer verzorgen en ik zie nog duidelijk voor mij de lieve, vriendelijke en beschaafde gestalte van deze Engelse.

Met grote zekerheid gaf zij haar boodschappen, van Gene Zijde ontvangen aan ons; zij vertelde o.m. van een klok, die steeds weer stil stond en uiteindelijk het doodsuur bleek aan te wijzen. Plotseling riep zij in de zaal: „Hier is Diekma of Diekman, voor een van de aanwezigen.”

Ik keek rond, maar niemand reageerde.

„Jammer,” zei ik tegen mijn man, „verdrietig voor die Intelligentie, wie weet hoeveel moeite hem dit kost.”

Mrs. Harris luisterde en was schijnbaar geheel gespannen.

Toen vervolgde zij: „Oh, it is wrong! (Oh, het is verkeerd.) The name is not Diekman! (De naam is niet Diekman). It is Daikema reverend Daikema (Het is Dijkema, dominee Dijkema.)”

Ik rolde bijna van mijn stoel af en juichte: „Mrs Harris, dat is voor mij!”

Ik kon haar bijna niet verstaan, door sterke ontroering, vrienden van ons schreven het nauwkeurig op in het Engels, dat ik zelf op dat moment niet te volgen vermocht.

De boodschap luidde: „ik ben hier om een groet te brengen, ook van de andere geestelijke vrienden, speciaal van uw controle. U denkt dat u reeds het werk volbracht heeft, omdat andere zaken u bezig houden, maar een goed medium is zijn gewicht in goud waard, uw werk neemt pas een aanvang.

God zegene u. Bedankt voor het offer dat u heeft willen brengen.” Mrs. Harris vervolgde: „Wat heeft u veel met vreemde talen te maken, in uw huis hoor ik allerlei talen door elkander.”

Dat klopte, want wij hadden destijds ons hotel, dat zomers natuurlijk toeristen uit allerlei landen herbergde.

Zij richtte zich tot mijn man, vertelde over zijn ziekte en genezing. Het waren allemaal dingen waar zij niets van kón weten en het Congres, dat nu bijna voorbij was, gaf ons de laatste avond een overtuigend bewijs van de aanwezigheid van onze geestelijke vrienden. Ofschoon wij dat bewijs eigenlijk niet nodig hadden, waren wij er toch wel heel blij mee.

Het Congres zou nog een belangrijke gebeurtenis veroorzaken. Door het samenwerken van alle Spiritualisten over de wereld, en door de organisatie van de heer Spee, was gebleken hoezeer men zich voor het leven na de dood interesseerde en daardoor ontstond het plan een gezamenlijke Allerzielendienst te organiseren welke wederom in het Instituut voor de Tropen zou worden gehouden. De helderziende waarnemingen zouden door mij worden verzorgd. Er kwamen op die bewuste Allerzielendienst 1800 personen. Inderhaast werd nog een kleine zaal gehuurd om niet heel veel mensen te moeten wegzenden.

Onder het podium doorlopende, was ik afwisselend in de grote en in de kleine zaal te vinden.

Het werd een avond om nooit meer te vergeten.

Wanneer men de grote zaal van het Tropisch Instituut kent, weet men dat er een groot balkon is waar nog talrijke bezoekers een plaats kunnen vinden. Voor mij was het alsof ik tegen een berg van mensen op stond te kijken en ik dacht zo: „de mensen boven op het balkon zullen maar weinig aan deze avond hebben, zij zitten zo ver boven mij, dat het moeite zal kosten iets te horen.”

De eerste helderziende waarnemingen werden allemaal boven op het balkon tot stand gebracht!

Ik zag daar de Intelligenties tussen de mensenmenigte staan en kon van beneden op het podium duidelijke aanwijzingen geven bij wie zij zich hadden geplaatst.

Zij werden allen herkend; al moet ik er bij zeggen dat door de massa welke aanwezig was, het aantal helderziende waarnemingen natuurlijk een beetje teleurstellend moest zijn, want op 1800 personen ongeveer 45-50 helderziende waarnemingen is natuurlijk niet veel.

Op het einde van de bijeenkomst herinnerde ik mij mevrouw Akkeringa en hoe zij mij op de allereerste Psychometrische bijeenkomst die ik zelf beleefde, had gewezen op mijn gaven en toen besloot met de woorden: „u zult voor zalen staan, waar de zalen waarin ik heb moeten werken, maar kleine zaaltjes bij zullen zijn.”

Mocht ik een groter bewijs verlangen van haar helderziende gaven? Zij is nu reeds weer een jaar of twintig aan Gene Zijde en ik weet dat ook zij haar geestelijke belangstelling naar het werk van de Spiritualisten en naar die van de paranormaal begaafden in het algemeen zal laten uitgaan.

Zij zal weten dat het zaad door haar zo vlijtig gezaaid, tot wasdom gekomen is.

 

Men zal zich bij het lezen van dit hoofdstuk afvragen, hoe het mogelijk is dat een uurwerk tot staan gebracht wordt en daarbij dan nog een doodsuur aankondigt.

Wij hebben dezelfde ervaring gehad; mijn vader bezat een klok die ook reeds van mijn grootouders was geweest.

Deze klok stond regelmatig, zonder enige aanwijsbare oorzaak stil. Mijn vader mopperde er dikwijls over en liet de klok verschillende keren nazien, maar zonder resultaat.

Wanneer de klok stilstond, dan was het altijd vijf minuten over half negen.

Er gingen zeker twee jaren voorbij en de klok hield op gezette tijden op met lopen en wees onveranderlijk de hierboven beschreven tijd aan.

Op 2 januari 1953 was het zover, mijn vader werd gevonden met een hersenbloeding.

Toen wij in het ziekenhuis aankwamen, was alles juist afgelopen. In zijn huis terugkerende stond de klok stil op de bekende tijd, maar wij wisten nu wat het te betekenen had, want het ogenblik dat vader stierf, wees de ziekenhuisklok vijf minuten over half negen aan.

Men kan hierover spreken als over een toeval, maar wij hebben allang geleerd dat toeval betrekkelijk is en dat de mens dit woordje

graag gebruikt en misbruikt, wanneer het in de kraam te pas komt. Het onderzoek heeft ons geleerd dat men van gene zijde een tafel oplicht, waar normaal twee mannen aan te pas moeten komen om deze te verzetten. Waarom zou men dan niet de slinger van een hangklok kunnen stilzetten?

De klok hangt nu bij onze dochter en loopt met een zekerheid waar men van op aan kan en staat alleen stil wanneer men vergeten is haar op te winden

 

Het door mrs. Harris beschreven voorval was ons dus niet vreemd, al hoorde haar beschrijving niet bij ons thuis, maar bij iemand anders in de zaal, die het direct herkende; waaruit blijkt dat wij niet de enigen waren die met een dergelijk voorval in aanraking waren geweest.

De boodschap welke aan mrs. Harris werd gegeven t.o.v. mijn werk, heeft de vervulling gekregen tot op de huidige dag, want steeds weer opnieuw wordt ik tot werken geroepen.

Zo was ik van mening dat het tekenwerk een einde had genomen, maar eind oktober 1964 ontving ik een pastel voorstellende het portret van een jong meisje, dat een ouderpaar gelukkig moest maken en het natuurlijk ook ten volle deed.

Ik geloof dat wij die ons werk op de juiste manier verrichten en op onze panormale gaven zuinig zijn, met onbegrensde mogelijkheden te maken krijgen.

Zo is het tot een gewoonte geworden om op een Psychometrische bijeenkomst niet te vragen: „van wie is deze foto”, maar de betreffende foto éérst te gaan behandelen, de indrukken die deze direct oplevert te vertellen en eerst dan te vragen wie deze heeft ingeleverd. Daardoor wordt een groot deel van de uitspraak dat de Psychometrie voor het merendeel een putten uit het onderbewustzijn of een telepathisch verband zou zijn, teniet gedaan.

Wanneer men in de zaal niet weet van wie de foto is die ik opneem en ik weet dat dan natuurlijk zelf ook niet, met wie zou ik dan een telepathisch contact moeten leggen en uit wiens onderbewustzijn zou ik dan moeten putten?

Volgens mij, is Emed door op deze wijze te werk te gaan, er volkomen in geslaagd deze geleerde uitspraken nietig te verklaren. Dikwijls komt het ook voor dat men om adviezen vraagt in verband met huwelijksmoeilijkheden of anderzins, maar ook hier wordt vaak reeds het gehele probleem aan mij getoond zonder dat ik een inductor van de betrokkenen bezit.

Een dame die een gouden armband verloor, vertelde ik zonder enige noodzaak, want zij vroeg mij niets, „kijk maar eens tussen het ledikant en het bed, daar zie ik de armband”; zij geloofde mij niet en deed geen enkele poging, totdat haar hond in een speelse bui op het bed sprong en zij iets hoorde vallen; daar lag de armband op de grond vlak voor haar. Zij vertelde mij dit lachend omdat ze het als een grap beschouwde dat ik haar de plaats had aangewezen. Zij weet niets van paranormale begaafdheid af, maar dit stemt haar misschien wel tot nadenken.

Anders ging het met de ring van een dame uit Zwolle, die het gemis van het sieraad met mij kwam bespreken.

Zonder moeite kon ik haar ring beschrijven, maar waar deze zich bevond kon ik niet met zekerheid zeggen, alleen dat hij op een soort richel lag, maar dat zij de ring terug zou vinden.

Zij heeft alle kasten die maar een richel hadden uitgehaald, echter geen spoor van de ring.

Bij de voorjaarsschoonmaak, toen de lits jumeaux uit elkander werd geschoven, lag de ring rustig op een van de richels waar de spiraal van het bed op rust.

Een ander geval liet mij zien dat een dame, die haar gouden armband verloren had, in de tuin had gewerkt.

„Kijkt u maar tussen de rozenstruiken mevrouw, want dáár hangt uw armband.” Deze waarneming was inderdaad juist.

Ik heb enige van de voorvallen die dagelijks kunnen gebeuren aangeroerd, maar er zijn ook andere voorwerpen die mij ter hand worden gesteld zonder dat men iets naders wil zeggen, voorwerpen die ogenschijnlijk nietszeggend zijn, zoals een vierkant pakje ter grote van een hoestpoeder.

Zodra ik het pakje in handen kreeg, werd ik naar Jordanië en Israël verplaatst, ik bezocht (geestelijk althans) de Dode Stad Petra en keek neer op het meer van Tiberias.

Ik zag de Dode Zee en de Via Dolorosa en vervolgde mijn weg naar Golgotha, om vervolgens voor de Klaagmuur in Jeruzalem te staan.

De heer tegenover mij vertelde mij toen dat hij alle door mij genoemde plaatsen had bezocht op zijn reis door Jordanië en Israël. Ik vroeg hem toen: „kunt u mij vertellen waarom ik dit pakje steeds op de grond wil. leggen, ik wil mij aldoor bukken en dat begrijp ik niet goed.”

Daarop antwoordde hij: „zeker kan ik dat verklaren mevrouw, want u heeft zand in uw handen uit Jeruzalem.”

Ook hier waren de indrukken die ik kreeg beschreven alvorens ik een vraag wilde stellen en toen ik de vraag inderdaad deed, bleek het dat deze betrekking had op de inductor die ik in mijn handen hield.

Zou hier sprake van een telepathisch contact zijn, dan zou ik mij op de eerste plaats tot de inhoud van hei pakje hebben bepaald en ik zou niet eerst Petra hebben bezocht, want Petra had niets te maken met het zand dat zich in het pakje bevond.

Soms vraag ik mijn bezoeker(ster) : „mag ik de foto hebben die u bij u draagt?”, ik zeg dus niet: „heeft u misschien een foto bij u?” Dat is al door mij waargenomen en op concrete wijze naar voren gebracht. Het gebeurt dan ook wel dat men voor geheel iets anders bij mij komt, maar dat ik toch moet vragen om een bepaalde foto of voorwerp. Meestal gebeurt dit op aanwijzing van een Intelligentie.

Wanneer ik spontaan indrukken weergeef, zijn deze tot nu toe altijd juist gebleken, maar wanneer men mij vraagt: „hoort u ook een naam,” of „kunt u zeggen wie zich hier manifesteert,” dan sta ik machteloos.

Ik ben zo volkomen gewend geraakt aan deze spontane manier van werken, dat iedere inmenging bijna een storing teweeg brengt. Men zal wel opmerken dat ik door dit alles een enorme mensenkennis moet bezitten, waardoor ik wel meer kan zien dan de gewone mens, maar dan moet ik u teleurstellen, want de spontane waarnemingen kunnen zowel de doden als de levenden betreffen, precies alsof ik zelf op de grens van twee werelden sta en zowel de ene als de andere kant uit kan kijken.

Natuurlijk wil ik niet ontkennen dat ik een enorme mensenkennis heb verkregen in de loop van de jaren, maar dat betekent toch nog niet dat men tot in het diepst van de ziel zou vermogen door te dringen.

De ons bekende mensenkennis is gebaseerd op uitdrukkingen die het gelaat of de ogen weergeven, men kan goedheid zien die uit kan stralen of de slechtheid waardoor een gelaat misvormd werd, maar ik zie meer, ik voel de ziel en hoe het leven daarop een stempel drukte, ik voel innerlijk hoe de mens tegenover mij is, ik zie wat hem ontbreekt en of zijn innerlijk kapot geslagen of gekrenkt is. Dit visioen ontvang ik op de Grens van twee werelden, enerzijds in contact met de aarde, anderzijds met hen aan Gene Zijde.

Soms is het alsof ik opgeheven word en men mij de diepte van een zieleleven laat peilen en dan kom ik allerlei tegen, goedheid en vriendelijkheid, maar ook onvriendelijkheid en slechtheid; eerlijkheid maar ook valse gedachten, reinheid maar ook vuiligheid, soms zo goed door de mens verborgen dat zij of hij desondanks nog op de top van de maatschappelijke ladder vermag te staan.

Het masker valt echter onder de alziende ogen van Emed, maar zijn ogen lezen ook de bede om hulp, de geringste wens van een verslagene zal door hem vervuld worden wanneer het in zijn vermogen ligt.

Men zal zich onwillekeurig afvragen, waarom men van Gene Zijde vaak zulke kleinigheden en schijnbaar nutteloze zaken laat zien om het voortbestaan te bewijzen.

Naast de diep indringende levenslessen die wij zo dikwijls mochten ontvangen, worden dikwijls ogenschijnlijk onbelangrijke zaken naar voren geschoven.

Dit heeft echter ten doel, om het herinneringsvermogen van de persoon in kwestie op te wekken, zoals het volgende voorval zal verduidelijken.

Op een van onze bijeenkomsten was een jonge dame aanwezig, die met veel belangstelling luisterde.

Naast haar verscheen een Intelligentie, gekleed als een eenvoudige boerenvrouw.

Ik kon haar geheel waarnemen, vanaf het hoofd tot de voeten en beschreef haar duidelijk.

De jongedame gaf geen enkel blijk van een herkennen, waarop ik haar dan ook vroeg, of deze Intelligentie wel aan haar bekend was geweest.

Zij ontkende dit, maar de Intelligentie zei dat zij het waarschijnlijk niet herinnerde, maar dat zij daar wel raad op wist.

Zij toonde mij het interieur van een ouderwetse keuken, met een grote schouw.

Boven op de schouw stonden bussen en busjes en een van deze busjes toonde zij mij, schudde het en maakte het open.

Ik deed precies datgene na wat zij mij liet zien en nu riep de jonge vrouw uit: „maar natuurlijk mevrouw, natuurlijk ken ik haar, zij is geen familie van mij, maar ik kwam er als kind heel dikwijls: Het busje dat u beschrijft, bevatte rode en gele ulevellen en als ik bij haar kwam, nam zij het busje van de schouw, rammelde ermee en ik mocht kiezen.

Wat ben ik vreselijk blij, dat u mij dat mag vertellen!” Wat was nu het doel van dat busje?

Wel, de jonge vrouw kende haar natuurlijk, maar de beschrijving die ik van de Intelligentie gaf, sprak haar niet geheel aan maar na de beschrijving van de schouw en het balletjestrommeltje, kwam de herinnering weer geheel terug.

Ik herinner mij dat ik als klein meisje met mijn oma naar een oude dame ging; ik zou geen enkele beschrijving van die oude vrouw kunnen geven, maar ik kreeg er altijd een paar grote blauwe pruimen, (het was dan in de grote vakantie en tegen eind augustus.) Wanneer de vrouw bij mij beschreven zou worden, zou ik ontkennen haar óóit gezien te hebben, zou zij echter de pruimen laten zien, dan zou ik dat onmiddellijk geweten hebben.

Ik geloof dat iedereen dergelijke voorbeelden in het leven kan aanhalen, maar hier moest natuurlijk wel het „busje balletjes” kloppen, dat konden dus onmogelijk pruimen of peren zijn.

Zo ging het ook met handschriften.

Zij werden herkend als zijnde van hen die niet meer op aarde vertoefden; men gaf het als een bewijs van voortbestaan. Drukletters zouden dat bewijs nooit hebben kunnen brengen, alleen het eigen bekende handschrift kon dat wel doen.

Een Intelligentie die in een bepaalde klederdracht heeft gelopen zal trachten deze kleding voor mij als een bewijs van haar voortleven te beschrijven, zij laat mij zien of dit een Zeeuwse, Noord-Brabantse of andere nationale dracht is geweest.

Soms ken ik deze niet, maar dan lieten zij mij wel horen waar zij hadden geleefd, in Groningen of Overijssel, Gelderland of Urk; niemand kan van mij verwachten dat ik ieder onderdeel van een nationale kleding ken.

Toch werd ik wel eens gewezen op de een of andere eigenaardige vorm van een klederdracht of een onderdeel, waarvan wij de bedoeling niet kennen, zoals mij in Middelburg overkwam, toen ik een prachtige kanten kap beschreef, zoals wij die allemaal van Walcheren of elders in Zeeland wel kennen.

De moeilijkheid voor mij was op dat ogenblik, dat ik de vorm van de kap niet kon thuis brengen, maar dat mag nooit enig gewicht in de schaal leggen, want toen ik de dame met die kap beschreven had, werd zij direct herkend; ik nam echter de vrijheid om te vragen of die kanten kap, die de vorm had van een groot rond geplooid kanten kleedje, wel in Zeeland bekend was en kreeg ten antwoord dat de betreffende dame Rooms Katholiek was geweest en dat haar kap daardoor afweek van het model die door de Protestanten werd gedragen. Het is maar een weet!

Ik heb daarna nog een heel gesprek gehad met de dame die deze bijeenkomst bezocht en in Middelburg op de Turfkade woont en wij hebben samen gelachen om de verwarring waarin ik mij bevond, omdat ik dit kledingstuk niet kende; gelukkig had ik weer gehoorzaam beschreven wat mij was getoond, men moet liever niet eigenwijs te werk gaan!

In Den Haag beschreef ik bij een heer een dame die niet werd herkend. Hoe ik het ook probeerde, de heer ontkende ooit contact met haar te hebben gehad; zij toonde mij een goude broche, en vertelde erbij dat de echtgenote van onze bezoeker deze in haar bezit had. Onmiddellijk bevestigde de heer deze waarneming, maar hij zelf was inderdaad nimmer met de Intelligentie tijdens haar leven in contact geweest, het was dus niet zo verwonderlijk dat hij haar niet kende.

Dikwijls gaat een medium door zo'n ervaring overstag, begint zelf te twijfelen en raakt de draad van het geheel kwijt.

„Rustig doorgaan,” was het advies van Emed, „het komt wel in orde, er zijn kleinigheden die stuk voor stuk belangrijk kunnen zijn.” Dat is ook altijd weer opnieuw de waarheid gebleken.

Toch kan ik begrijpen dat onze tegenstanders, want die hebben wij nu eenmaal, smalend spreken over deze schijnbaar nutteloze zaken. Eens werd mij toegevoegd: „u wilt mij toch niet wijs maken dat men aan Gene Zijde nog een horlogeketting draagt?”

Natuurlijk niet, maar de Intelligentie gebruikt dit voorwerp eenvoudig als een herkenningsteken en maar al te vaak met groot succes, waardoor men dikwijls eerder nog herkend wordt, dan door een persoonsbeschrijving.

Zo beschreef ik eens een Intelligentie die niet werd herkend, maar zij toonde mij een dameshorloge dat aan een strikje op de japon was gedragen en toen bleek het dat deze Intelligentie reeds meer dan dertig jaren aan Gene Zijde was; is het zo'n wonder, dat men een gezicht dat bovendien niets stoffelijks meer heeft, dan niet zo vlug herkent als het voorwerp, waar de herinnering veel dichter aan verankerd ligt?

Dit zijn de kleine bewijzen, die zo scherp doel treffen en waarvan men zijn tempel van overtuiging moet opbouwen.

Dat het niet eenvoudig is, daarvoor heb ik wel alle begrip, wij zelf hebben op deze wijze moeten passen en meten, moeten onderzoeken en bespreken, wij hebben moeten vergelijken, bewaren en wegwerpen, maar het is de moeite ten volle waard gebleken.

Men moet echter niet van het standpunt uitgaan dat men ná de dood alles wat met het aardse leven verband hield, nog nuttig vindt. Het zijn kleinigheden waarmee zij ons bewijzen dat zij er nog zijn, het zijn ook dikwijls frappante mededelingen, die ons duidelijk maken dat zij niet alleen voortleven, maar dat zij belangrijke zaken in ons stofleven interessant vinden, dat zij zich interesseren voor ons wel en wee en dat zij trachten te steunen waar dat nodig is. Reeds het weten van deze mogelijkheden, geeft ons het recht te zeggen dat met de mogelijkheden die ons werden gegeven om met hen in verbinding te komen, ons gehele leven op een andere basis komt te staan; dat wij het goede wensen en het slechte zullen nalaten, omdat wij eenvoudig de kansen niet willen verspelen, hen straks weer te zien en met hen de volgende phase van leven te mogen genieten.

Dit wéten schenkt ons kracht, wanneer wij van een geliefd wezen afscheid moeten nemen; het laat ons duidelijk zien, dat het oude stofkleed werd afgelegd om een nieuw geestelijk kleed te aanvaarden, ook wanneer de geliefde dode, menselijkerwijze gesproken nog lang niet aan het einde van het stofleven was aangekomen.

Dat hebben wij niet in de hand; ook jonge mensen moeten heengaan wanneer voor hen de klok wordt geluid.

Emed gaf mij opdracht om zelf de rouwdienst van mijn vader te houden, ik zou hem daar zeker gelukkig mee maken.

Ik vroeg niet of vader dat reeds kon weten, ik vertrouwde op Emed en leidde de uitvaartdienst.

Levendig stond het beeld van vader mij voor de ogen, niet als een helderziende waarneming, maar zoals hij een paar dagen tevoren nog bij ons had zitten praten en zó ontroerend waren de woorden die ik met volkomen beheersing kon uitspreken, dat ieder in de Aula aanwezig erdoor getroffen werd; geen traan kwam in mijn ogen, want ik voelde en aanschouwde op dat ogenblik de heerlijkheid van het voortbestaan. Pappa werd later door andere helderzienden, die hem persoonlijk nooit gezien hadden, duidelijk bij mij waargenomen en ook volkomen juist beschreven; eenmaal verklaarde het medium, dat hij over een dubbele feestdag sprak, het was ter gelegenheid van Kerstmis. Dit medium begreep dat niet goed, maar ik wel, want vader was op 25 dec. geboren, zo leverde hij mij een bewijs dat hij tot een nieuw leven was gewekt.

Ik hoop dat mijn ouders samen de weg aan Gene Zijde vervolgen en dat veel van datgene wat hen op aarde scheidde, aan Gene Zijde tot klaarheid voor hen zal komen.

Waarom niet, ondanks struikelen en vallen, bezaten beiden de moed verder te gaan en zo vertrouw ik op mijn vrienden aan Gene Zijde om hen thuis te brengen.