HOOFDSTUK 27
Over allerlei en een standpunt van professor Bolk
aangaande galstenen
Te weinig heb ik nog gesproken over geestelijke vrienden, die ons zeer waardevolle séances lieten beleven.
Vooropgesteld dient te worden dat daar dan op de eerste plaats altijd Emed als hoofdcontrole aan debet was.
De beschrijvingen welke wij van hem mochten ontvangen via andere media of helderzienden, bleken allen, ofschoon volkomen afhankelijk van elkander, dezelfde te zijn.
Emed, gehuld in het sneeuwwitte kleed, dat omgord was door een sjerp van fijne, pastelkleurige, op zijde gelijkende stof.
De hoofdtooi een witte burnouskap en op de plaats van zijn hart een schitterende vijfpuntige ster.
Soms droeg hij een gordel van op edelstenen gelijkend licht, de voeten waren gestoken in zachte moccasins-achtige schoenen.
Een enkele keer droeg hij een soort tulband, met edelstenen, maar dat was bij een feestelijke gelegenheid.
Tina van Erp droeg altijd een zacht kleed, op fluweel gelijkend, met een vierkant uitgesneden keurslijfje en een fijn volkomen doorzichtig kanten kapje.
De mouwen waren getooid met brede, kanten manchetten en ook rond haar schouders droeg zij een fijn kanten sjaal.
Haar kleding veranderde wat de kleuren betrof, nu eens zacht blauw, dan weer nijlgroen of wit, maar steeds werd het vriendelijk geestige gezichtje er als het ware door geaccentueerd.
Broeder Martinus was al heel eenvoudig gekleed, meestentijds in een korenblauw kleed met gouden randen om de zoom en de wijde mouwen. Op onze vraag waarom hij steeds datzelfde kleed droeg, antwoordde hij eenvoudig: „omdat ik behoor tot de Orde van de Broeders van Goede Diensten.
Deze orde bestaat aan Gene Zijde en heeft zich ten doel gesteld om allen die in nood verkeren, te helpen.”
Zo weten wij van Emed dat de Broeders en Zusters die in deze Orde zijn opgenomen, in de diepste duisternis afdalen om ongelukkige zielen te helpen, maar dat zij ook in hogere regionen komen om vraagstukken betreffende het wereldgebeuren mede op te lossen
en naar de aarde gaan, hoofdzakelijk om hun invloed uit te oefenen op de aldaar zoekende en strijdende mens.
Prof. Bolk heeft zich nooit Anders laten zien dan in een wit kleed, dat deed denken aan een laboratoriumjas.
Mogelijk dat hij daarmede te kennen wilde geven dat hij op aarde medicus geweest is.
Pierre Noiselles werd door mij gezien en door anderen mede beschreven met een wijde kiel aan, waarvan de bovenste knoop niet gesloten was; een echt Franse baskenbaret voltooide het geheel. Dominee Dijkema was gekleed in een eenvoudige witte toga, die zijn open gelaat, met de prachtige zilverwitte lokken, een waardig aanzicht gaf.
Stuk voor stuk mijn vrienden aan Gene Zijde beschrijvende, kom ik tot de conclusie dat ik nog steeds over een van deze heb gezwegen. Toch heeft hij zulk mooi werk aan ons gegeven.
Zijn naam is Ramon José Garcia.
Hij werd in 1852 in Sevilla geboren. Hij stierf in Barcelona in 1912. De wijze waarop hij zijn olieverfschilderijen door middel van mijn handen maakte, liet geen enkele twijfel bestaan omtrent zijn land en werk.
Deze man moest schilder geweest zijn, de wijze waarop hij de doeken borstelde en de contouren aanbracht, was niet het werk van een liefhebber of een beginneling; met vaste streken zette hij zijn schetsen en bijna nooit moest er een verandering worden gemaakt. De verf werd met zulk een vaardigheid en een zekerheid vermengd, dat dat op zichzelf reeds tot een overtuiging leidde.
Het waren allemaal zigeunertypen welke door hem werden geschilderd. Nu wil ik best aannemen dat iemand mediamiek ontvangen schilderijen met zeer kritische ogen gaat bekijken, maar wanneer men nu aan de ene muur niets dan bloemstukken ziet hangen en aan een andere muur berglandschappen en symbolische voorstellingen van het land aan Gene Zijde, daarnaast weer allerlei Chinese en Japanse prenten, verderop weer klooster- en kerkinterieuren en dan bovendien nog een aantal zigeunertypen, dan moest men toch bij zo'n veelzijdigheid wel aan het nadenken toe zijn.
Wij zouden echter niet zijn geweest die wij nu zijn in onze overtuiging, wanneer wij ook hier niet trachtten om bewijzen te verkrijgen omtrent deze Ramon José Garcia.
Na lang zoeken en vragen kwamen de volgende gegevens bij ons binnen:
Ramon José Garcia. Geboren 1852 in Sevilla.
Stamt uit een grote schildersfamilie.
Maakte in hoofdzaak kleine doeken en was gespecialiseerd in het uitbeelden van het Zigeunerras.
Hij had een grote voorliefde voor torero's.
Hij was een groot colorist en maakte veel illustratief werk en een groot aantal portretten in wit en zwart.
Garcia stierf in 1912 te Barcelona.
Aan de hand van de door hem vervaardigde schilderstukjes, konden wij genoeg vergelijken.
Deze waren meestentijds zigeunertypen. Torero's (toreadors) heb ik in allerlei standen en kledij ontvangen en de kleuren waren stuk voor stuk vol gloed en gedurfde combinaties.
Natuurlijk weten wij in Nederland weinig af van al deze Spaanse typen en tot mijn grote vreugde zijn wij naar Spanje geweest en wij hebben in Andalusië menig levend schilderijtje van Garcia kunnen aanschouwen. Ook de toreador's welke men in Spanje torero's noemt, hebben wij gezien in de kledij welke José Garcia ons reeds jaren van tevoren in zijn werk beschreven had.
Naast deze zwierige en vurige Spaanse Garcia leek Pierre Noiselles een bijna arme, ziekelijke figuur.
Maar beiden waren en zijn zij mij lief en ik weet dat zij eenmaal weer door mij hun werk, dat zij op aarde ongetwijfeld zeer lief hadden, zullen brengen, de mens wederom confronterende met het feit dat het na de dood mogelijk is om het geliefde werk voort te zetten.
Er zijn ook wel Intelligenties tot ons gekomen die na enkele bezoeken niet meer bij ons terug kwamen.
Wanneer wij Emed dan naar de oorzaak vroegen vertelde hij ons dat zij zoekende waren en hoopten in een of andere kring een geliefd wezen terug te vinden om hun de blijde boodschap van voortbestaan te brengen.
Zo zullen er nog tallozen rondgaan, moedig, van de ene Spirituele kring naar de andere, gedreven door hun liefde, invloed uitoefenende op hen die zij lief hebben, maar die om welke reden ook voor hen op aarde nooit meer bereikbaar zijn.
Die redenen kunnen zijn: angst, ontwetendheid of star dogma, wij kunnen dat nooit bepalen, ons alleen maar aansluiten bij de woorden van Emed: „dat alle mensen éénmaal in hun leven helderziend mochten zijn, hoe anders zou de wereld en haar bewoners er uit zien.”
Alle séance’s die wij hielden te beschrijven zou niet mogelijk zijn in dit werk; ik geloof dat er een apart boek over geschreven zou kunnen worden, want de verscheidenheid van lessen en de verschillende uitingen van werkzaamheid, de waarnemingen en de psychische verschijnselen, vullen een groot deel van mijn leven en het is ten enenmale onmogelijk om dit alles in één werk samen te vatten.
Ik heb hier en daar een stukje gelicht uit de veelheid van mijn ervaringen, dankbaar dat ik zovelen mocht dienen en hopende dat ik met dit werk even zovelen tot nadenken mag zetten.
Men zou stellig het geloof aan duistere wezens of spoken, geheel of althans gedeeltelijk verliezen.
Men zou leren inzien dat, zo er duistere verschijningen op onze weg worden gebracht, het menselijke zielen zijn, ondergaande in de wroeging om de gemaakte misdrijven in het voorbije leven. Zij zouden leren inzien dat de gestalten die zo liefdeloos uitgemaakt worden voor spoken, slechts zielen zijn die elkander begeleiden naar een plaats (séance-kamer) waar zij althans de kans hebben om waargenomen te worden en enkele liefdevolle woorden te ontvangen.
Deze in het duister levende geesten hebben de weg van immense boetedoening betreden en derhalve heb ik hen nooit Anders willen zien en begroeten als boetelingen die eerbied afdwingen omdat zij in de erkenning van schulden ook de weg van loutering willen gaan.
Het zien van die wereld aan Gene Zijde en haar bewoners is geen wonder.
Men moet zich bewust worden van het feit op de grens van die twee werelden geplaatst te zijn, teneinde een opdracht uit te voeren, niet tot eigen nut of genoegen, maar tot dienen.
Zo men niet de voet durft te zetten op de weg van het onderzoek, zo zal men altijd voor raadsels geplaatst worden die door het aan te durven een Spiritualistische zitting bij te wonen, voor altijd ontraadseld zouden kunnen worden.
Dat er van bepaalde zijden een verbod is uitgevaardigd om een Spiritualistische séance bij te wonen, maar dat men wel een onderzoek mag instellen naar het voortbestaan, geeft nogal stof tot nadenken.
Men kan een onderzoek na de dood eenvoudig heel moeilijk aanvangen zonder enige kennis en beslist niet zonder medium en waar moet men een medium vandaan halen, wanneer de toegang tot de Spiritualistische kring eenvoudig verboden is?
Er zijn nog veel meer dingen welke tot nadenken stemmen wanneer men met de séancekring in aanraking komt.
Zo is het b.v. verboden om in de séance-kamer te roken. Gebruik van alcohol wordt voor of tijdens de séance absoluut ontraden; en ruwe woorden of grappen zouden door Emed beslist niet getolereerd worden.
Hoewel Emed steeds opnieuw blijk geeft van gezonde humor, is zijn opmerking, die tot lachen dwingt, nooit onbetamelijk of in de verste verte een grap ten koste van anderen.
De wijze waarop Emed of dominee Dijkema optreden om met mijn bezoekers te spreken, geeft blijk van een hoge beschaving, zij zullen de waarheid zeggen, maar nooit beledigend, noch indiscreet zijn. Wanneer dit machten zouden betekenen die uit een ellendig oord van duisternis komen, dan kan ik mij maar moeilijk voorstellen hoe een wezen uit hogere werelden er dan wel uit zou zien en hoe zij in gevallen van mislukte huwelijken, ziekten, angsten, geloofstwijfel en zenuwziekten zouden handelen.
Men mag mede nimmer uit het oog verliezen dat wonderen niet slechts de waarnemingen of handelingen zijn waarop de Roomse Kerk haar predicaat heeft gedrukt. Beschouwen wij het van uit een nuchter oogpunt, dan komen wij tot de ontdekking dat al die wonderlijke waarnemingen en wondere daden, geopenbaard werden aan kinderen of eenvoudige lieden.
Toen ik mij reeds als jong meisje bezig hield met dat vraagstuk, werd mij geantwoord: „ja, maar zij die wonderen veroorzaakten of waarnemingen hadden welke tot een wonder leiden konden, waren stuk voor stuk heiligen.”
Ik wil helemaal niet bestrijden dat zij heiligen zijn, want daar zorgde de kerk wel voor, maar toen zij „het” zagen, toen zij „de” opdracht kregen, toen waren het geen heiligen, maar doodgewone kinderen of lieden die er in de verste verte niet aan denken zouden ooit „heilig” verklaard te worden.
Vroeger aanvaardde ik de uitspraak: „dat waren heiligen.” Nu weet ik dat die heiligverklaring eerst jaren en jaren later tot stand kwam, dus op het ogenblik dat zij van helderziendheid blijk gaven, waren het nog gewone, dikwijls niet eens de allerbraafste mensen. De waarnemingen kwamen spontaan, in het open veld, in een kamertje of misschien bij een meer of de zee, maar er was beslist geen trance of hypnotische toestand voor nodig.
Men is zich vaak niet eens bewust of een waarneming met het verleden te maken heeft of in de toekomst geplaatst moet worden en proeven bewezen dat helderziendheid in de tijd dus in de toekomst, beslist niet te ontkennen valt.
Valt helderziendheid te bewijzen met speelkaarten, dan kan in wezen de helderziendheid ook van wetenschappelijke zijde nooit meer ontkend worden.
Ik heb eens in Nice voor de grap een nummer aangewezen op de roulettetafel. Het was voor een dame uit ons gezelschap en haar man was een bekend chirurg uit een R.K. ziekenverpleging.
Zij kreeg 13 X haar inzet, het cijfer won dus, maar voor mij is het altijd stom geluk gebleven, want mijn gehele wezen was verre van alle psychische verschijnselen, ik was op reis, met vakantie en zocht alleen maar wat ieder ander zoekt, ontspanning.
Ik heb trouwens geweigerd om nog maar één nummer op de speeltafel te noemen en speelde zelf helemaal niet, om de eenvoudige reden dat ik een hekel aan dergelijke spelen heb.
Misschien zou het wel een bevestiging van mijn helderziendheid geweest zijn, wetenschappelijk bezien, maar dan liever geen wetenschappelijke bevestigingen.
Er zijn overigens wel heel andere factoren die er toe bijdragen de psychische verschijnselen op de voorgrond te doen treden. Er moet met vele dingen rekening worden gehouden en men kan niet in iedere omgeving een séance beleggen.
Zelfs in kringen waar men toch bepaald op intellect kon rekenen werden zulke stommiteiten naar voren gebracht dat daardoor alleen reeds de voorwaarden tot het houden van een goede séance werden teniet gedaan.
De sfeer van een séance wordt bepaald door rust en door een volkomen ontspannen aanzitten.
Hierdoor voorkomt men dat een séance vervelend of nietszeggend wordt; het is als een visite die wij maken, het kan mee- maar ook tegenvallen, dat ligt aan het gehalte van de mensen waarmede wij in aanraking komen.
Wanneer wij koele en beredeneerde mensen tesamen brengen met spontane of sensitieve persoonlijkheden, dan zal de sfeer in het vertrek op een geheel ander niveau komen te liggen, dan wanneer wij alleen hoger gestemde mensen bijeen brengen in hetzelfde vertrek.
Twee verschillende polen kunnen elkander aantrekken, maar ook finaal afstoten, daardoor kan men op een hoger plan komen, maar ook zou men in de diepte kunnen wegzinken.
Door het ontwikkelen van het mediumschap wordt tevens een zeer subtiel gevoel ontwikkeld, wat overgevoelig maakt voor de mentaliteit van de tegenover ons gestelde mens.
Mentaal ontvangen behoort tot het mediumschap, anders zou het onmogelijk zijn, de mentale instructies van onze geestelijke leiders te ontvangen.
Ten onrechte bestaat ook wel de mening dat een séance bepaald in de avond of in het donker zou moeten plaats vinden.
Wij hebben zeer vele séances gehouden bij vol daglicht en zonder enige afscherming van gordijnen of iets dergelijks.
Een punt van belang is tevens dat de persoonlijke visie op de een of andere zaak ook aan Gene Zijde blijft voortbestaan.
Hun inzichten omtrent diverse ziektebeelden waaraan de op aarde levende mens nog lijden kan of waartegen de geleerden op aarde de strijd hebben aangebonden, verschillen wel van elkander, zoals het ook op aarde wel voorkomt dat de ene professor het lang niet met de andere eens is; maar zij bespreken deze problemen zonder enige vijandschap met elkander en zullen elkaar steeds helpen een onderzoek te doen slagen en een werk te voltooien.
De opvatting dat de Spiritualistische séances door een stel goedaardige gekken zou worden gehouden, zal uiteindelijk geen stand houden omdat de intellectuele mens zich te intensief is gaan bezig houden met het leven na de dood.
Men heeft reeds lang ingezien dat de liefde van God geen afschuwelijke hel kan gedogen en dat een hemel geen plaats is waar men uitsluitend God's Eer bezingt.
Wanneer de mens zelfstandig wil en leert denken dan ontstaat vanzelfsprekend het begrip, dat de consequenties van ons leven de hemel of de hel in zich verborgen houden.
Wanneer wij ons zelfstandig denken slechts aanvangen met de vraag: „wat is onze planeet in de ruimte?, dan begrijpen wij dat wij niet het recht kunnen bezitten te denken dat onze planeet het enige is dat belangrijk zou kunnen zijn in de schepping, want het is als een stofje in het heelal.
Wij hebben een vrije wil ontvangen, en deze mogen wij gebruiken om zelfstandig te zoeken en te onderzoeken en die vrije wil is niet verkregen om door andere schepselen in een bepaalde vorm te worden gegoten.
Dat het beslist moeilijkheden oplevert om zelfstandig naar het leven na de stoffelijke dood een onderzoek in te stellen, zal wel niemand die daartoe een poging heeft gedaan, ontkennen, maar deze zoeker zal tevens moeten erkennen, dat de materie hem niet meer los laat en dat het verlangen om het onderzoek voort te zetten, zich steeds opnieuw op zal dringen.
Het is echter wel zo, dat men bij een eerste pogen niet afgeschrikt moet worden omdat het resultaat niet meteen bevredigend is. Het is mogelijk dat een onderzoeker, reeds direct tijdens het bijwonen van een séance, een bevestiging ontvangt van het voortbestaan na de dood, anderen moeten soms wel een jaar wachten en dan wordt er werkelijk iets vereist van het uithoudingsvermogen. Men zal zich misschien afvragen waarom de ene niet en de andere wel een dergelijk geduld moet opbrengen en daar kan ik u meteen antwoord op geven.
Stelt men zich voor aan een séancetafel plaats te nemen, dan draagt men een innerlijke hoop met zich mee om contact te mogen hebben, zo niet direct met familieleden, maar in ieder geval met een geestelijke leider of een andere Intelligentie die iets te zeggen heeft, waardoor men op zijn minst indrukken van een dergelijke séance ontvangt, waard om over na te denken.
Bij een volgende zitting zal het verlangen om met een lid van de eigen familie contact te verkrijgen reeds sterker op de voorgrond staan en men zal de hoop in zich voeden zich met hem te mogen onderhouden.
Deze familieleden kunnen echter bestaan uit Intelligenties welke er op dat ogenblik, nog niets voor gevoelen om in contact te treden via een medium; er zijn op aarde immers mensen die fel gekant zijn tegen deze bovenzinnelijke dingen en men heeft juist kunnen lezen dat men zijn persoonlijke opvattingen behoudt.
Een andere zaak is, dat men eerst moet leren op de juiste wijze bij een séance te kunnen spreken.
Men blijft immers steeds het medium zien, ondanks stemverandering of een totaal gewijzigde houding, die de transfiguratie met zich brengt en wanneer zich dan een familielid aanmeldt, staat, of liever zit men, met de mond vol tanden.
Het is een teleurstelling voor een Intelligentie die zich misschien zeer grote moeite heeft getroost om tot ons te komen, om ontvangen te worden met de woorden: „hoe gaat het met u” of „is u wel gelukkig?” Verder weet men vrijwel niets te zeggen, mede misschien door het feit, dat een Intelligentie altijd onverwacht komt, want al zit men met verwachtingen aan de séancetafel, wanneer de lang verwachtte inderdaad op „bezoek” komt, dan geeft dit altijd weer opnieuw de schok van het onverwachtte.
Men moet eerst nog leren, dat een Intelligentie een medium als een instrument pleegt te gebruiken en dit instrument waarlijk nog dient te leren bespelen.
Emed gaf ons volop de gelegenheid om daarmede geconfronteerd te worden en de verwarring die geestelijk kan ontstaan, door het naderen van een onbekend wezen, in een vreemde omgeving, kan storend werken, want het is alsof men bij vreemden wordt ontvangen en daar de opdracht krijgt, de intiemste zaken uit het privéleven te gaan bespreken.
Wij die op aarde leven en de beschikking hebben over onze organen, hebben daar reeds last mee, laat staan een wezen dat eerst nog eens alle voorwaarden dient te scheppen om te kunnen spreken. Zelfs Emed, in zijn absoluut hogere functie, heeft deze moeilijkheden gekend en kon eerst na herhaalde pogingen tot mij spreken door middel van een ander medium, om op zijn eigen rustige wijze, uiteen te kunnen zetten, tot welke taak ik geroepen was.
Door een onverwacht en dus onvoorbereid gebruik maken van een medium, kan meer worden afgebroken dan opgebouwd.
Ik vlei mij beslist niet met de gedachte dat ik dapper de gebeurtenissen tegemoet heb gezien, integendeel, ik ben bang geweest voor alle verschijnselen, totdat ik leerde dat Emed goed en trouw en vriendelijk is en er nooit op uit was iemand schrik aan te jagen.
Daarnaast dienen wij ook rekening te houden met het karakter van de Intelligentie.
Ik herinner mij een séance waarop een Fransman verscheen, die de wens te kennen gaf om te tekenen.
Nadat door ons de verschillende benodigdheden waren gereed gelegd, begon hij een groots opgezet werkstuk.
Het was een vijver, vol waterlelies; het krijt dat wij echter op dat ogenblik ter beschikking hadden voldeed allerminst aan zijn wensen in dat opzicht en driftig smeet hij de pastels door de séance-kamer met de opmerking dat hij nooit tevoren met zulk ondeugdelijk materiaal had gearbeid.
Emed tolereerde dit allerminst en ontnam hem de gelegenheid verder te werken of opnieuw te beginnen.
Emed beschermde mij ogenblikkelijk tegen zulk een driftuiting en de tekening werd nooit afgemaakt, ook heeft deze tekenaar zich nimmer meer gemeld.
Op onze vraag of dit een soort strafmaatregel was, zei Emed:
„alleen het feit dat hem de gelegenheid is ontnomen om hier nog als gast te mogen komen, is een straf ; elders zal hij echter opnieuw in de gelegenheid worden gesteld, misschien met dezelfde resultaten, maar dan zal hij in ieder geval reeds geleerd hebben zich te beheersen, zo niet, dan zullen wij het steeds opnieuw proberen, hij krijgt steeds weer de gelegenheid om zichzelf te leren beheersen; waardoor dit niet gezien moet worden als een straf, maar als een leerschool.”
Men heeft aan Gene Zijde dus nog wel degelijk te maken met karaktereigenschappen die ontsierend kunnen zijn en wij moeten tijdens een séance rekening houden met de mogelijkheid, kennis te moeten maken met dergelijke eigenschappen.
Dit heeft echter niets te maken met de wezens die zich in de duistere gebieden hebben teruggetrokken.
Men kan ons niet tot misdadigers stempelen alleen omdat wij driftig of onbeheerst kunnen zijn en deze Intelligentie had dus bepaald niets gemeen met duistere krachten die wij echt ook wel hebben leren kennen. In mijn boek „De Doden Spreken” heb ik een séance beschreven waar wij in kennis kwamen met zo'n duistere figuur en het onderzoek ons naar de Zeedijk in Amsterdam bracht.
Toch zijn wij in staat geweest door vriendelijkheid en vertrouwen deze ongelukkige te helpen, zodat hij zijn duistere gedachten leerde loslaten en zich ging richten op liefde en goedheid, al hadden wij natuurlijk nog lang niet bereikt dat hij zijn vertrouwen op God ging stellen. Wij waren dan wel vrienden van hem geworden, maar een God wilde hij allerminst erkennen en eerst na lange ernstige besprekingen, ging hij er toe over om althans een Hoger Macht te willen accepteren. Nu, na zoveel jaren is er weinig meer wat aan „Goud Jantje” doet denken.
Hij was een bekende figuur uit de Amsterdamse onderwereld, maar daar is totaal niets meer van over.
Hij sprak altijd vol eerbied over zijn moeder en de belofte dat hij moeder zou mogen bezoeken aan Gene Zijde, indien hij zijn inzichten zou verbeteren, waren een stimulans voor hem om aandachtig naar onze woorden te luisteren.
Voor Emed had hij het diepste respect.
„Ik heb hem uitgescholden voor alles wat lelijk was, maar nooit werd hij boos; hij vertelde mij dat hij slechts helpen wilde en omdat ik dat weer wilde ervaren als een soort medelijden, begon ik opnieuw te schelden omdat ik zijn medelijden niet wenste.
Op een keer zei hij (Emed) helemaal niets terug, hij keek mij alleen maar aan, zijn ogen geleken zeeën van goedheid en ik begon mij diep te schamen. Toen zei hij: „kom Jan, ik zal je iets laten zien.” Hij bracht mij terug in de oude omgeving en ik walgde ervan. Hij liet mij de uitwerking van de verdovende middelen zien, waarin ik naarstig had gehandeld, hij bracht mij in bordelen waarvan ik geleefd heb en vroeg mij of ik lust had om terug te keren.
Toen brak er iets in mij en mijn berouw was echt, waarna Emed mij bij moeder bracht.
Ik heb geleerd aan Gene Zijde en ben nu een van de, meest gewaardeerde helpers van professor Bolk.
Zo ben ik uit de hel van mijn eigen consequenties verlost en Emed is een steun voor mij in moeilijke ogenblikken, wanneer mijn kennis tekort schiet of wanneer ik mij geraakt voel als er iets niet naar mijn wens gaat.
Steeds weer opnieuw houdt Emed mij dan voor ogen, dat een totale ommekeer, totaal andere verhoudingen schept.
Ik ben hem innig dankbaar en doe mijn best goed te worden zoals hij is.”
Wij geloven dat niemand „Goud Jantje” meer zou herkennen, maar een ding heeft hij nooit vergeten, noch veranderd; wanneer hij ons tijdens een séance bezoekt, tikt hij zachtjes op de tafel.
„Mijn moeder heeft mij als kind geleerd, netjes aan te kloppen voor ik ergens naar binnen ging en mijn petje af te zetten; dat petje bezit ik niet meer, maar ik kan wel netjes aankloppen en nederig afwachten toegelaten te warden,” vertelde hij ons.
Ja, „Goud Jantje”, eenmaal een bewoner van de duistere sferen, nu een goede en gelukkige Intelligentie; wij vergeten hem nooit! Zo komen wij dan via ,,Goud Jantje” bij professor Bolk.
De mentaliteit van deze is wel zo geheel afwijkend van onze reeds beschreven geestelijke vrienden, dat er eigenlijk geen sprake van enige overeenkomst kan zijn.
Professor Louis Bolk is omstreeks 1930 heengegaan. De juiste datum is onbekend.
Hij was hoogleraar te Amsterdam, aan de medische faculteit.
„Ik ben „de man van de botjes,” vertelde hij ons. (Anatomie.) Op onze vraag of hij wist waar hij geboren was, zei hij: „in Hol.. land, ergens in de buurt van Rotterdam.”
Het is dus mogelijk dat hij het niet meer precies weet, maar het kan natuurlijk ook mogelijk zijn dat hij een dergelijke vraag zeer onbelangrijk vond.
Eerst toen wij hem in contact konden brengen met dr. De C. Z., een oud student van hem, welke hij zich zeer wel herinnerde, was het alsof hij tegenover ons veranderde en zijn zeer gereserveerde houding liet varen.
In het begin vonden wij het niet eens zo prettig om prof. Bolk in onze kring te ontvangen. Zijn optreden was in de aanvang altijd zo dat men onwillekeurig het gevoel kreeg college te lopen en hij daar doceerde, maar wij leerden zijn eigenaardigheden begrijpen.
Hij kon nooit goed hebben
dat iemand zijn kunde betwijfelde.
Woordelijk zei hij eens: „omdat ik nu een onzichtbaar wezen voor u
ben, daarom ben ik niet irreëel, ik heb mijn kunde niet verloren en
indien ik u zeg, dat u direct een operatie moet ondergaan om uw
gezondheid te redden, dan heeft u toevallig met iemand te doen die
dat beoordelen kan; gelooft u mij niet, dan vind ik dat best, maar
uitermate dom, want u kunt de proef op de som nemen.”
Gelukkig was dat niet tegen mij, maar tegenover een van onze kringleden, die last had van galstenen.
Nu moet men weten dat dit kringlid jarenlang in de verpleging was geweest en onherroepelijk volgde de vraag:
„wat denkt u, professor, hoe ontstaan galstenen eigenlijk?” Hetgeen hier volgt, ligt geheel buiten mijn terrein en ik kan er dus geen verantwoording voor nemen, maar misschien is de mogelijkheid niet uitgesloten dat door deze uiteenzetting van professor Bolk, een nieuw licht wordt geworpen over deze lastige en pijnlijke ziekte.
Prof. Bolk vertelde ons hierover:
„De galblaas dient u te zien als een zakje dat het galvocht inhoudt. De blaas dient helder te zijn waardoor men de groen-bruine substantie die de gal is, zou kunnen waarnemen.
Nu komt het voor dat de blaas er reeds troebel en vuil uitziet, waardoor men, als men dit zonder incisie zou kunnen waarnemen, zou zien dat er moeilijkheden op komst zijn of ontstonden.
In de gal kan zich een soort gruis afscheiden, waardoor zich een steen gaat vormen.
De onderzoekingen op dit terrein hebben nog steeds geen klaarheid gebracht in het vraagstuk hoe de stenen eigenlijk ontstaan.
Het vormen van stenen wordt in de hand gewerkt door het nuttigen van overvette, zware spijzen, waardoor het galvocht verdikt.
Men verkrijgt dan dezelfde werking als wanneer men in een flesje met suiker een druppel water laat vallen, er ontstaat een kristalletje, (de suiker) dat zich afscheidt van de overigen, omdat dit het vocht opnam Laat men dit rustig staan, dan heeft zich na enkele dagen reeds een dikke korrel gevormd en na nog enige dagen geduld, is het een steenharde substantie geworden.
De afgescheiden sekretie die in de gal optreedt, is dikwijls niet groter dan een suikerkorrel en wordt door verkeerde voeding, ook tot zo'n „kristalletje” omgevormd en langzaamaan verloopt het juist zoals in het flesje suiker, er vormt zich een keiharde steen.
De mogelijkheid is niet uitgesloten dat zich meerdere stenen vormen en door de beweging in de galblaas van het galvocht, ontstaat een afslijpende werking, zodat de steentjes er net zo gaan uitzien zoals men kan zien bij riviergrint, hetwelk door de beweging van het water over elkaar heen schuift.
Ofschoon een operatief ingrijpen niet direct levensgevaar betekent, dient men rekening te houden met het feit dat een operatie altijd een ingreep is, waar zich complicaties bij kunnen voordoen. Doordat er tijdens de drainering van het galvocht, na de operatie ontstekingen kunnen optreden, kan het mede daardoor geruime tijd duren alvorens de patiënt weer geheel de oude is.
Er moet zich nl. een geheel nieuwe galblaas gaan vormen en daarom moet men zich in acht blijven nemen aangaande de voeding. Een juiste voedingsmethode kan overigens heel veel narigheid voorkomen en ik raad ieder aan, na het nuttigen van een zware maaltijd, zoals een feestelijk diner, een paar uitgeperste citroenen te gebruiken, en de eerstvolgende dagen slappe thee met beschuiten te nuttigen, daar gaat u bepaald niet dood aan. Het geeft de gal voldoende gelegenheid zich van de innerlijke belediging, die zulk een zware maaltijd is, te herstellen.
Wanneer men zich na het eten onpasselijk voelt, wanneer men na het gebruik van koude spijzen acuut optredende maagklachten heeft of hoofdpijnen, waarbij men hevig begint te transpireren en veel pijn tussen de schouderbladen heeft, wacht dan niet langer, maar ga naar uw arts, zodat nog veel narigheid kan worden voorkomen en men mogelijk zelfs een operatie kan vermijden.
Na de operatie, wanneer die niet meer te ontkomen is geweest, moet men ook niet denken, ziezo, ik ben weer klaar, mij kan niets meer gebeuren, men moet ten opzichte van de voeding, altijd verstandig blijven, want er kunnen zich opnieuw steentjes gaan vormen waardoor weer moeilijkheden dreigen te ontstaan.
Hoewel men niet alles behoeft te vermijden wat men lekker vindt, moet men er mee rekening houden, dat taart, hoe verleidelijk overigens ook, aanleiding kan geven tot nieuwe conflicten.
Wanneer men iets wil eten wat men als lekkernij wenst te beschouwen, dan moet men dit met mate doen, zoals trouwens iedere onmatigheid in welke vorm ook, nadelig of zelfs funest is voor het menselijk lichaam.
Men moet zich kunnen beheersen, „iets” kunnen laten staan, ook al is men er verzot op, want de gezondheid is een onzegbare schat, die door de mens dikwijls op ergerlijke manier verwaarloosd wordt. Door op verstandige wijze het juiste voedsel te gebruiken, voorkomt men allerhande pijnlijke en krachtvernietigende ziekten.”
Tot zover professor Bolk.
Ik hoop dat men er zijn voordeel mee zal kunnen doen, want ik ben geen medicus en kan dus deze lezing over galstenen en het ontstaan daarvan onmogelijk op de juiste waarde schatten.
Ik wil hieraan nog toevoegen, dat professor Bolk nog eens een visie weergaf over de werking van de schildklier.
Dit gehele werk was als tijdens zoveel zittingen het geval was, stenografisch opgenomen en bedroeg ettelijke folio vellen.
Een bevriende arts heeft het met veel belangstelling gelezen en mij toestemming gevraagd het mee te mogen nemen naar het ziekenhuis waarin hij werkzaam was.
Wat er daar mee gebeurd is weet ik niet, maar ik heb het nooit meer teruggezien, het is best mogelijk dat het ergens vergeten ligt. Zo over allerlei schrijvende, komt mijn geestelijke vriend „Leonardo” weer sterk op de voorgrond getreden.
In mijn boek „De Doden Spreken” heb ik reeds over deze Intelligentie geschreven, maar omdat na het verschijnen van mijn eerste boek de bewijzen, ons door Leonardo gegeven, op ongelofelijke wijze werden bevestigd, wil ik in dit werk toch nog enige regels aan hem wijden. Leonardo vervaardigde door mij prachtig beeldhouwwerk.
Hij liet mij rode aarde door gewone boetseerklei mengen, waardoor de prachtige terra cotta kleur ontstond, welke men in beeldhouw- of boetseerwerkjes van Italiaanse oorsprong, zo zeer bewonderd. Wij wisten van deze Intelligentie in het begin niets anders, dan dat hij in Italië was geboren en daar een groot deel van zijn leven had geleefd en gewerkt.
Op onze vraag, wat hij voor werk verricht had, antwoordde hij: „O, ingenieur en nog een paar andere dingen.”
Daarmee moesten wij het gedurende enige tijd maar doen.
De prachtige stijl van zijn werk viel wel heel erg op en de boetseerwerken van Leonardo, met als onderwerp Jezus en Johannes, Petrus en Johannes, Maria van Magdala en de voetwassing, Jezus en de voetwassing, vormden met nog vele andere stukken een aparte afdeling op de door mij gehouden exposities.
Maar er zou iets komen, waardoor wij op het spoor kwamen van de Leonardo, zoals hij op aarde had geleefd.
Leonardo vertelde mij dat de tijd gekomen was, om te weten wie hij op aarde geweest was en dat hij daardoor een „zelfportret” zou boetseren.
Er ontstond een prachtige kop, vol uitdrukking en kracht. De kale schedel was van een massieve vorm, de krans van haren, rond de schedel, hingen tot op de schouders en vermengden zich met een warrelig, golvende baard.
De krachtige neus gaf het gelaat iets eigens, wat niet te beschrijven valt en de diep liggende ogen schenen door iemand heen te willen kijken.
Opvallend was de fijn getekende, brede mond, waarvan vriendelijkheid en goedheid uit gingen.
Ademloos stond ik te kijken, toen het werk af was.
Leonardo, riep ik uit, Leonardo da Vinci!
Nadien kwam er welhaast geen einde aan zijn verhalen.
Hij beschreef ons Florence, zoals het was in zijn tijd, de Arno, de heuvels rond de stad, hij vertelde ons tot zijn grote leed niet in Italië, maar in Frankrijk zijn aardse leven te hebben beëindigd, waardoor hij zijn geliefd Florence, (Firenze zoals hij het noemde), niet meer had terug gezien.
Ik bezit nog diverse foto's van zijn werk, waaronder een actiefoto door een geïllustreerd blad gemaakt, maar helaas maakte het uitbreken van de tweede oorlog een einde aan dat blad en werden de foto's nooit geplaatst.
Jaren later echter bezochten wij voor een enkele dag Florence; dat was tenminste het plan, maar wij bleven er een week rondzwerven, het was alsof wij een gids naast ons hadden, we vonden de stad in het geheel niet vreemd, ademloos liepen wij van de ene naar de andere beschreven plaats, stonden op de bruggen over de Arno en hingen erover om naar het geel-bruine water te kijken, de kleur die Leonardo ons had beschreven.
We klommen boven op de toren van Palazzo Pitti en van Palazzo Vecchio om uit te kijken naar de heuvels die liefelijk rond Florence liggen.
Wij konden ons bijna niet los maken, maar wij wilden ook nog zijn werk „Het Laatste Avondmaal” zien en de tijd drong, wij moesten het schone Florence verlaten.
Voor het „Laatste Avondmaal” in Milaan, hebben we uren gestaan; het was zó bekend, de figuren hadden allen overeenstemming met het werk dat hij door mijn handen gemaakt had.
Nooit heb ik Leonardo dichter bij mij geweten, dan op onze tocht door Florence en Milaan, maar vooral in de eerste stad, hadden wij het gevoel alsof wij er reeds dikwijls geweest waren, hij had ons met zoveel verve over zijn geboortestad verteld dat herkenning niet uit kón blijven.
Emed zegt dat Leonardo een van zijn grootste vrienden is en dat hij spoedig weer door mij zal werken. De tijd daarvoor nadert.
In mij leeft het verlangen om Florence weer te bezoeken, dat kan niet uitblijven, want na al onze reizen, is dit de stad waaraan ik mij in den vreemde het meest verbonden voel.
Is het wonder dat ik na al deze ervaringen, een hevige interesse bezit voor alles wat met schilder- en beeldhouwkunst te maken heeft? Ik ben door hen die aan Gene Zijde leven, onderwezen, weet een kunstwerk te „zien” en de vaak verborgen bedoelingen op te lossen en het zal niemand verwonderen dat ik innig dankbaar ben.