HOOFDSTUK 18
Paranormale verschijnselen
Hoewel in diverse hoofdstukken reeds verschillende eigenschappen op paranormaal gebied zijn besproken, wil ik toch uw aandacht vragen om de uitingen van paranormale begaafdheid nader te bespreken.
Op de eerste plaats noem ik als verschijnsel de helderziendheid. Mocht men de indruk hebben dat men tegenover een geest komt te staan, zowel zichtbaar als tastbaar, dan moet ik dat met klem tegenspreken. Een geest, of liever gesproken een Intelligentie, openbaart zich bijna uitsluitend voor onze „geestelijke” ogen en is in de meeste gevallen niet tastbaar.
Toch bestaan, hoewel sterk bestreden, de verschijnselen van de materialisatie die onder bepaalde omstandigheden plaats kunnen vinden en waardoor de Intelligentie ook tastbaar is.
Wij hebben onze proeven op dat gebied wel genomen, maar tot op heden zonder bevredigend resultaat.
Emed zegt ons dat wij niet in contact zijn met de juiste personen. Hij eist daarvoor mensen die evenals wij, willen leren en proeven willen nemen en die het om het even is, of zij wel of niet een persoonlijke boodschap ontvangen.
Voor wij een dergelijke harmonische kring hebben samengesteld kunnen de materialisatiemogelijkheden slechts gebrekkig worden genoemd en wij hebben voor het ogenblik althans geduldig af te wachten en iedere gedachte aan de materialisatie, waardoor ieder der aanwezigen ook de Intelligentie zou kunnen waarnemen, terzijde geschoven.
Wij weten echter dat deze proeven t.z.t. tot stand zullen komen en succes zullen opleveren.
De helderziende waarnemingen kunnen zich in het heden, in het verleden en in de toekomst aan ons openbaren, maar mijn eigen ervaring is dat de meeste indrukken spontaan worden gegeven zonder bepaling van tijd. Enerzijds kan men verbluffende dingen zeggen die reeds na enige dagen, ja, zelfs na enkele uren in vervulling gaan, anderzijds liggen er weer jaren of maanden tussen.
Dikwijls worden wij in het verleden geplaatst met de daaraan verbonden omstandigheden en schijnbaar is er geen enkele reden om die dingen aan te roeren, maar mijn ervaringen leerden mij dat de moeilijkheden in een mensenleven dikwijls een gevolg waren van de problemen in het verleden, waardoor in combinatie van het, een met het ander, de problemen veel beter konden worden opgelost. Wanneer men ons vraagt of wij onbeperkt kunnen „zien” dan moet ik met een beslist „neen” antwoorden.
Wij zijn beperkt en zelfs zo, dat wij voor ons zelf practisch niets kunnen waarnemen.
Het komt ook wel voor dat een mens in moeilijkheden verkeert en dat wij deze zuiver waarnemen, maar niet vermogen te zien dat andere en dikwijls veel grotere moeilijkheden daaraan verbonden zijn.
Tot voorbeeld dien het volgende:
Ik had een gesprek met iemand die in zeer grote moeilijkheden verkeerde, ik zag hoe zij deze tot een goed einde zou brengen, wanneer zij direct zou terugkeren naar de omgeving waaruit zij was weggelopen.
Zij nam mijn raad aan en keerde dezelfde dag terug.
Ook dat was geen ideale toestand, want zij verzorgde de huishouding voor een oud, drankzuchtig en wellustig mannetje, maar ik had gewezen op het feit dat deze omgeving voorlopig nog was te prefereren boven het huis waar zij nu vertoefde; ook dat dit nog maar zeer tijdelijk zou zijn.
Enkele dagen later ontving ik een brief van haar waarin zij mij schreef in het ziekenhuis te liggen, omdat zij door onachtzaam oversteken van de weg onder een auto was gekomen.
Hoewel de brief vriendelijk was gesteld, las ik toch tussen de regels door het bedekte verwijt dat ik dat niet had gezien.
Ik schreef haar terug dat deze weg door haar moest worden afgelegd om tot een beter leven te komen en dat klinkt misschien; nogal „goedkoop”, maar de waarheid van deze woorden bleek uit een volgend schrijven, waarin zij mij vertelde dat zij in het ziekenhuis een dame had leren kennen, die een huisgenote zocht voor lichte werkzaamheden en dat zij zodra zij weer genezen zou zijn, daar een nieuw tehuis hoopte te vinden.
Zij schreef mij eerlijk: het ongeluk was mijn eigen schuld, ik stak zonder uitkijken de rijksweg over en daar kan ik u toch niet de schuld van geven, dit moest mij inderdaad overkomen om een nieuwe weg te mogen bereiken.
Een soortgelijk geval met een helderziende waarneming in de tijd, speelde zich als volgt af :
In ons huis hadden wij een assistente en haar oudere zuster kwam ons ook dikwijls helpen, vooral in de drukke zomermaanden was vleze hulp voor ons van grote waarde.
Zij lette echter nooit op bij het oversteken van de straat en ik moest haar meerdere keren een waarschuwing geven.
Eenmaal zei ik haar: „let toch op bij het oversteken, want ik zie dat ik je in het ziekenhuis bezoek, maar dan zal het te laat zijn.” Zij lachte mij hartelijk uit en er gingen een paar jaren voorbij. Op een avond in de zomer zat ik omstreeks half tien de registers in te vullen van onze hotelgasten.
De bedoelde dame was reeds lang naar huis vertrokken en ik was alleen met mijn man.
Ik hoorde plotseling een gierend remmen en een enorme klap.
Ik stond direct op en zei tegen mijn man: „dat is Stientje,” waarop deze antwoordde: „dat kan niet, ze is allang thuis.”
Ik pakte echter een mantel en liep naar buiten, naar de plaats van het ongeluk.
Dit was al tegen mijn gewoonte in, want ik weet dat men meestentijds niet kan helpen en dat het voor een slachtoffer een benauwende ervaring moet zijn wanneer iedereen zich verdringt om op de eerste rij te komen. Nu echter werd ik gedreven en natuurlijk was het Stientje die bewusteloos op straat lag.
Het eerste wat ik deed was mijn man te laten waarschuwen en te vragen om politie en ambulance en het tweede was dat ik alle publiek dat toegestroomd was in een wijde kring van haar verwijderde.
Het gebeurde op de Overtoom en bij een van de drukste kruispunten van de stad, dus men kan zich voorstellen hoeveel mensen er reeds rond haar stonden te dringen.
Ik ging natuurlijk mee naar het ziekenhuis en heb haar daar meerdere malen bezocht, maar zij bleef diep bewusteloos.
De zuster vroeg mij altijd tijdens zo'n bezoek haar naam heel hard te willen roepen, omdat zij op mijn stem scheen te reageren en zij kwam dan ook wel enkele ogenblikken terug en herhaalde mijn naam, die ik doordringend aan haar opdrong, maar bijna direct daarna viel zij terug in een coma waaruit zij tenslotte niet meer ontwaken zou.
Ik heb beide gevallen beschreven omdat zij duidelijk weergeven dat een ongeval om zo te zeggen vlak naast mij, niet werd waargenomen en een ongeluk dat zich na enige jaren pas realiseerde wel werd gezien.
Naast de helderziendheid kennen wij de helderhorendheid.
Ook hier weer het mysterie; er staat beslist niet iemand aan onze oren te schreeuwen maar wij horen met onze „geestelijke” oren en dikwijls met verbazingwekkende duidelijkheid.
De wijze van spreken is weer geheel verschillend en ik leerde duidelijk de zinsbouw van Emed te onderscheiden naast die van ds. Dijkema of professor Bolk.
Ik hoor een opdracht en zie een Intelligentie en toch komen beide gewaarwordingen van binnen uit.
Bekend is echter dat men ook spontaan een helderziende waarneming kan ontvangen in gevallen van ziekten, gevaar of angst om een geliefd wezen. Meestentijds berust zo'n waarneming op een werkelijke waarschuwing en in de literatuur die over dit alles reeds het licht zag, treft men voorbeelden te over aan. Het is mogelijk dat men zich geestelijk kan verplaatsen, omdat men in angst verkeerd b.v. om een kind in levensgevaar en dat men dan ook kan ingrijpen door een waarschuwing te geven, die het kind „horen” kan, zodat het zich van de gevaarlijke plaats gaat verwijderen. Het is best mogelijk dat men nadien nooit meer een helderziende waarneming heeft, maar het heeft niets te maken met inbeelding Vele mensen zullen een onbeheerste angst kennen die hen innerlijk in paniek bracht, zonder dat zij daarvoor een verklaring hadden om later te moeten ervaren dat deze paniekstemming te maken had met een tragisch gebeuren hetwelk op dezelfde tijd plaats vond.
Misschien dat men daardoor in wetenschappelijke kringen van de veronderstelling uitgaat dat iedere mens paranormale eigenschappen bezit, ik kan voor deze zienswijze wel iets voelen, maar het is geen uitgemaakte zaak voor mij.
Wanneer dat werkelijk zo zou zijn, dan zouden de geleerden immers een andere weg inslaan bij hun onderzoek, zij zullen het eerlijk en nuchter genoeg stellen maar in plaats van een proefpersoon, die eerlijkheid en betrouwbaarheid toch nog voor hen bewijzen moet, zouden zij zelf als proefpersoon kunnen fungeren en de heren zouden zich dan toch zelf niets gaan zitten wijsmaken.
Mij dunkt dat dan voor hen een heel probleem is opgelost.
Zij kunnen om beurten proefpersoon zijn en de anderen behoeven geen vrees te hebben bedrogen te worden.
Naast de helderziendheid en de helderhorendheid kennen wij ook nog het automatisch schrift.
Er bestaat ook paranormaal of direct schrift, maar onze proeven op dat gebied zijn op niets uitgelopen, zodat ik daar geen enkel oordeel over kan vellen, maar over het automatisch schrift des te beter.
Ik heb dikwijls met behulp van papier en potlood een boodschap moeten opnemen waarbij mijn hand bestuurd werd en het ontvangen schrift bleek nimmer iets te maken te hebben met mijn eigen handschrift.
Het was altijd van iemand die men reeds lang „dood” wist.
De beeldhouwer André Potteau, uit Gent, gaf zijn vrouw een briefje geschreven in zijn eigen handschrift.
Wij hebben het onderzocht en vergeleken en er waren slechts nauw merkbare afwijkingen waar te nemen.
Het handschrift van Emed werd direct herkend ofschoon hij toen reeds meer dan 30 jaren aan Gene Zijde verbleef.
Zelfs een graphologisch onderzoek toonde aan dat niet de minste overeenkomst in de karaktertypen van de letters te vinden waren met mijn eigen handschrift en een astrologisch onderzoek gaf dezelfde uitkomst, ook hier geen twijfel dat dit van Emed afkomstig moest zijn.
Het schrijven in het handschrift van de persoon die aan Gene Zijde leeft, moet men wel degelijk zien als een paranormaal verschijnsel, maar intussen schijnt het mij een geweldige kracht toe, die een op aarde levende mens kan besturen, zodat dergelijk herkenbaar schrift kan ontstaan.
Men kan niet beweren dat iedereen maar met papier en potlood in een afwachtende houding kan gaan zitten om een briefje te ontvangen van een niet meer op aarde levende persoon.
Men moet niet uit het oog verliezen dat noch het schrift, noch de stijl van dergelijke brieven, vergeleken konden worden met mijn eigen schrift.
Wij hebben ook schrift gezien van een Intelligentie, neergeschreven op een dubbele lei, waartussen men dan een griffel placht te leggen. De boodschap betrof een samenkomst van de séancekring, maar ik kan er geen verantwoording voor nemen, hoewel deze lei het eigendom van Ph. de Laat de Kanter was, een ernstig en nuchter onderzoeker die tijdens zijn leven diverse werkjes het licht deed zien over zijn bevindingen aangaande het onderzoek van het leven na de dood.
Naast de genoemde verschijnselen kennen wij ook de trancetoestand, maar deze is te verdelen in meerdere vormen.
Het komt dus voor dat een medium in een toestand verkeert waarin het vermogen om zelf te denken en te handelen is uitgeschakeld, maar in welker toestand men toch kan horen wat rondom gezegd wordt, zoals bij tekenen, boetseren en schilderen het geval was. Mijn handelingen en denken waren niet van mijzelf, maar ik kon horen wat voor opmerkingen in mijn naaste omgeving werden' gemaakt.
Het eigenaardige is wel dat men de uitspraken of de mededelingen. van Intelligenties tijdens deze toestand wel kan horen, maar nooit: kan herhalen, men is het weer direct vergeten.
Het is een half-trance toestand die in Spiritualistische kringen zelfs. nog niet goed begrepen wordt, omdat men de deur voor bedrog teveel open ziet staan.
Ik ben het daarmede niet eens, want voor een goede ontvangst moet het medium garant zijn en men moet anderzijds beginnen.. met een medium te ver- en niet te wantrouwen.
Ik bedoel hier tevens mee dat een mens die een dergelijk terrein: wil gaan onderzoeken voorop moet stellen vertrouwen te willen schenken aan het medium en geen oordeel moet gaan vormen over iets wat men nog maar ten dele begrijpen kan.
Een medium in een dergelijke halftrance toestand heeft het al moeilijk genoeg, want iedere paranormaal begaafde met een greintje verantwoordelijkheidsgevoel, zal zich nauwgezet afvragen of het onderbewustzijn of een telepathische invloed een rol kan hebben. gespeeld.
Het onderzoek naar de werkelijkheid van alles wat tijdens een. séance tot ons komt is niet alleen een zaak van de aanwezigen, maar zeer zeker ook van het medium die als contactpersoon dienst deed.
Misschien ben ik wel te voorzichtig geweest in mijn werk, maar ik heb mij altijd weer opnieuw afgevraagd of ik persoonlijk verbonden moest worden geacht aan de doorgegeven boodschappen, of er iets van mij zelf in kon opgesloten liggen, of ik met een bericht reeds tevoren bekend was, of de Intelligentie die zich aanmeldde bekend kon zijn geweest en ik ging daarmee tot in mijn jeugdjaren door, rekende op het feit dat iets wat mij getroffen had in mijn kinderjaren bewaard bleef in mijn onderbewustzijn en in een bepaalde toestand naar boven kon komen.
Met dergelijke vragen heb ik het mij waarachtig niet gemakkelijk gemaakt, maar ik was niet gebaat bij een half onderzoek, ik wilde mijzelf niets wijs maken omtrent het raadsel van de dood.
Ik rustte niet alvorens ik voldoende bewijzen omtrent Emed had verkregen. Ik was er niet tevreden mee dat hij beschreven werd in zijn prachtige kledij, dat men sprak over zijn liefde en goedheid, ik wilde weten of hij er werkelijk geweest was, of het waarheid was dat hij negen talen vloeiend sprak ondanks het feit dat hij vrij en gemakkelijk voor ons uit het Italiaans zinnen vertaalde die niemand van de aanwezigen kon vertalen.
Ik wilde weten of het werkelijk waar was dat Emed aan builenpest was heengegaan en ik was allerminst geneigd om voor zoete koek op te nemen wat zulke grote vraagstukken omtrent het voortbestaan verborgen hield, wanneer het niet bewezen werd.
Ik was nuchter en eerlijk genoeg om, wanneer de bij mij en door mij waargenomen verschijnselen, niet volkomen zouden beantwoorden aan het door ons gestelde onderzoek, ik mijzelf wel rijp zou hebben geacht voor een psychiatrische inrichting.
Een andere trancetoestand die wij kennen, is de „slaap” waarin wij niets horen en alleen antwoord kunnen geven op de gestelde vragen, of boodschappen of lessen kunnen uitspreken, zonder enig bewustzijn daarvan.
Hier ligt natuurlijk een heerlijk terrein om te zwendelen en menig „slapende juffrouw” heeft valse illusies gewekt bij haar bezoekers. Het is vreselijk jammer dat dit terrein zo misbruikt wordt en dat gewetenloze parasieten de mensen die hen bezoeken, grote sommen geld vragen voor het niets dat zij te bieden hebben.
Toevalligerwijze hoorde ik tijdens het schrijven van dit hoofdstuk van zo'n geval:
Een heer die zijn lieve vrouw verloren heeft, kwam om troost bij mij en ofschoon ik eigenlijk geen tijd voor hem had, kon ik het niet over mij verkrijgen om hem ongetroost heen te zenden.
Hij vertelde mij het verhaal van zo'n trancetoestand. Het was allemaal waardeloos gebleken wat er verteld was.
Toen ik de naam van het „medium” hoorde, wist ik genoeg, want hij was juist bij zo'n parasiet terecht gekomen.
„Mevrouw,” vroeg hij mij, „kunt u mij eerlijk antwoord geven op mijn volgende vraag: dat medium zegt dat haar geleider op aarde pastoor geweest is en dat is dan toch een geestelijke, zou die dan zo maar al die leugens toestaan?”
Ik heb hem eerlijk verteld dat ik van mening was, dat hij helemaal niet in contact geweest was met de Hogere Wereld, gezien de kwaliteiten van het medium, maar dat hij, indien hij zich zou voorstellen dat het contact nu eens wel goed was geweest, toch rekening diende te houden met het feit dat er ook lagere machten leven en dat het heel gemakkelijk is om zich voor pastoor uit te geven tegenover iemand die het toch niet zien kan!
Gelukkig heb ik deze zeer terneergeslagen man een betere boodschap mogen geven van zijn vrouw en haar moeder, een boodschap die ondersteund werd door waarnemingen waarvan hij de waar heid moest erkennen en die hem de moed gaven weer verder te gaan.
Wat zou ik graag al die gewetenloze oplichters willen zeggen dal zij éénmaal met hun eigen daden geconfronteerd zullen worden er dat het voor hen dan niet gemakkelijk zal zijn in dat land aan Gene Zijde.
Emed vertelde mij dat er nog een toestand was waarin men de boodschappen kon overbrengen, zonder dat er een of andere trance-toestand nodig was. „Maar,” zei hij, „om dat te kunnen ontwikkelen, moet u beslist een zeer groot vertrouwen hebben in ons kunnen.”
Hij zei mij dat hij het niet prettig vond, dat ik in een halve of gehele bewusteloosheid verkeerde, wanneer hij zijn lessen aan ons bracht, die soms gebrekkig of helemaal verminkt aan mij werden oververteld en zo ontstond een samenwerking tussen hem en mij die later ook door andere Intelligenties werd overgenomen.
Zonder aarzeling gaf ik gehoor aan de nieuwe opdracht: te spreken en boodschappen over te brengen in volkomen bewustzijn, alleen heel scherp luisterende naar datgene wat van Gene Zijde tot mij kwam. Zo ontstonden de redevoeringen tijdens de Morgenwijdingen en de Allerzielendiensten, de debatten, waarin ik mij met feilloze zekerheid durfde uit te spreken, of dat nu artsen, geestelijken of andere wetenschappelijke mensen betrof.
Ik heb na zo'n debat een R.K. professor horen verklaren: „mevrouw, indien ik mocht hopen op de werkelijkheid van uw omschrijvingen, wat zou ik dan veel gelukkiger leven en veel gemakkelijker aanvaarden.” Voor mij hield deze uitspraak in dat ik met een mens te doen had, die in grote twijfel verkeerde.
In een ander debat met een dominee, ontstaan tijdens een gewoon huisbezoek, moest hij eerlijk toegeven dat hij de zaken altijd vanuit een ander gezichtspunt had bezien en deze nam afscheid met een verzoek, of ik bij een zieke een bezoekje zou willen afleggen. Zij wilde van hem niets weten, maar hij was ervan overtuigd, dat ik toegang tot haar zou krijgen.
Dat is mij inderdaad ook gelukt, zelfs zonder enige moeite, maar zij had zulke vreselijke pijnen dat ik maar enkele ogenblikken met haar kon spreken, maar toen ik reeds bij de deur was, riep zij uit: „wat lief van u mevrouw om mij dit alles te zeggen, ik heb hoop en vertrouwen gekregen, ik dank u hartelijk.”
Enige dagen daarna was zij overleden.
De dominee heb ik nog enkele malen terug gezien, hij is echter naar een andere gemeente beroepen zodat hij niet meer hier woonachtig is, jammer, ik geloof dat hier vriendschap en samenwerking uit voort gekomen zouden zijn.
Emed zegt, hoe meer wij experimenteren met een medium, hoe verder wij kunnen komen met de bewijzen te verstrekken van ons werkelijk bewust voortbestaan, maar er moet wederzijds vertrouwen zijn, als dat niet bestaat, dan kunnen wij gerust ophouden.
Wanneer men zekerheid heeft verkregen dat de verschijnselen van werkelijke waarde zijn en op volledige waarheid berusten, moet men niet op het standpunt gaan staan van: „ik heb het onderzocht en ik erken de waarde, dat is „voldoende”, maar men moet van deze rijkdom kunnen meedelen, zodat ook anderen het geluk zullen leren kennen geen angst te hebben voor de stoffelijke dood.
Door het vertrouwen in Emed en op zijn kunnen, heb ik reeds sedert lange) tijd geen séancetafel nodig om zijn boodschappen aan anderen te brengen en wordt de séancetafel toch gebruikt, dan is dat alleen maar om te laten zien, dat men niets geheimzinnigs uitvoert en dat alle lichten in de kamer branden mogen.
Waarom zou men in een soort mysterieus duister een séance beleggen, er kan altijd licht ontstoken worden, maar ik begrijp dat men de zekere rust die van getemperd licht uit kan gaan, heeft willen overdrijven.
Toch zijn er wel degelijk zittingen waarin alleen rood licht gebruikt wordt en wel tijdens de materialistische séance.
Deze kennen wij hier te lande niet zo goed, maar in Engeland en Amerika zijn diverse kringen waar materialisatie een bekend verschijnsel is en meerdere vrienden van ons zijn er geweest om te onderzoeken en zij hebben geen bedrog kunnen ontdekken.
Er zullen natuurlijk wel wetenschappelijke onderzoekers zijn die beweren dat de materialisatie-zittingen uitsluitend bedrog blijken te zijn, maar laten wij dat dan een ogenblik aan een andere beschouwing onderwerpen.
Sir William Crookes heeft talrijke zittingen, geheel gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, bijgewoond en er tevens een behoorlijke uiteenzetting aangewijd; mag men van een physicus als Sir William verwachten dat hij zonder kritiek onderzocht, of past het niet beter bij zijn wetenschappen dat hij juist alle omstandigheden, alle mogelijk- en onmogelijkheden haarfijn heeft uitgezocht?
Men kan niet altijd voor iets, wat voor het ogenblik onverklaarbaar
schijnt, het woord bedrog bezigen.
Dat proefnemingen niet op ,,bevel” kunnen geschieden dient door, iedere onderzoeker goed begrepen te worden; men kan dan een, medium opdragen om op die of die tijd aanwezig te zijn, maar? men kan een Intelligentie geen bevel geven, want daarmede zou, „het oproepen van geesten” bewezen worden.
Emed laat zich niet bevelen, hij beveelt zélf ook nooit!
Hij vraagt: „indien het mogelijk is” en heeft ons op dezelfde wijze leren vragen.
De wetenschappelijke onderzoeker verliest dit helaas wel eens uit, het oog en wanneer de proefpersoon, zich tot het uiterste inspannende, tijdens zo'n zitting geen gewenste resultaten heeft, dan is men heel gauw geneigd om van bedrog te spreken of op zijn zachtst, gesproken heeft men dan geen vaststaande bewijzen kunnen verkrijgen. Dat een proefpersoon zelf ook de macht mist om zijn, geestelijke leiders vanuit die hogere wereld te bevelen, is beslist nog niet voldoende tot de onderzoeker doorgedrongen.
Een op aarde levende professor, onderwijzer, kruidenier, dokter en in het algemeen iedere werkende is gebonden aan tijd en daardoor aan arbeidstijd; op grond daarvan kunnen zij echter niet eisen dat een Intelligentie zich ook aan een soort arbeidstijd houdt, het zijn, nu eenmaal geen fabrikanten van verschijnselen.
Slechts met geduldig en regelmatig onderzoek dat zowel met de Intelligentie als met het medium van tevoren reeds is vastgelegd, zal men tot resultaten komen die het woord „bedrog” wel eens geheel zouden kunnen uitvlakken.
Wat is het gevolg van een zekere dwang op een medium?
Het medium voelt zich misschien niet eens gedisponeerd, maar men verwacht hem als proefpersoon, hij heeft aan bepaalde eisen te, voldoen en gaat zich, omdat hij niet in conditie is, forceren. Inplaats van te zeggen: „ik ben niet in staat om voor u bevredigende resultaten te brengen,” gaat de proefpersoon er toch toe over, om aan een bepaald experiment mede te werken en het resultaat, daarvan is veel harder te verwerken dan een ruiterlijk toegeven van eigen, tijdelijke, onmacht.
Zelf heb ik dit op een avond ervaren. Ik was buitengewoon gespannen geweest gedurende de dag en moest 's avonds een séance houden, waarin ik als medium dienen moest.
Toen wij aanzaten voelde ik totaal niets, er was geen spoor van een Intelligentie te bekennen en ik hield er mee op, waarschijnlijk tot teleurstelling van velen, maar tot een bewijs van hen die werkelijk tot onderzoek waren gekomen. Teleurstelling, omdat ik ronduit verklaarde dat geen enkele Intelligentie zich zou aanmelden en zij waren daarvoor toch naar onze bijeenkomst gekomen; een bewijs, voor anderen, van mijn eerlijk pogen hen in wezenlijk contact met de wereld aan Gene Zijde te brengen en een bewijs ervoor, dat ik ze toch niet aan touwtjes in mijn handen hield.
Mevrouw Akkeringa zei tijdens haar leven altijd over een avond waarop zij geen resultaten had kunnen boeken het volgende:
„Het is in ieder geval het bewijs dat ik het niet zélf in de hand heb.”
Ik wil mij hier heel graag bij aansluiten.
De overige verschijnselen van paranormale begaafdheid heeft men reeds kunnen lezen in mijn verhaal over het schilderen en boetseren en de prachtige pastellen die ik heb mogen ontvangen, zodat de lezer zeker een vrij goed overzicht van alle gaven heeft ontvangen.
Men dien echter te begrijpen, dat ik als een kind geleid werd en dat men langzaam aan, al deze gaven heeft ontwikkeld, men heeft mij nimmer gedwongen tot iets, men heeft steeds vriendelijk verzocht en men was bepaald niet gekrenkt, wanneer mijn aardse tijd tekort schoot om mij met hen bezig te kunnen houden. Wat dat aangaat, zou ik wensen dat de op aarde levende mens hieraan een lesje zou nemen, dat zou bepaald reeds iets goed teweeg brengen.
Emed heeft ons altijd voorgehouden dat dit alles een vrijwillig onderzoek betrof om tot weten te komen en daardoor heeft hij ook nooit een z.g. „kerk” willen stichten.
Hij verzekerde ons dat wij het onderzoek omwille van het weten moesten verrichten en niet om nog meer verscheurdheid in de kerken teweeg te brengen, want dit is volgens hem erg genoeg, omdat het een totaal verwrongen beeld dreigt te doen ontstaan omtrent de Schepper van alle dingen.
De door Emed geleide Allerzielendiensten moet men dan ook beslist niet zien als een kerkje spelen, want het is een herdenking waarin iedere mens zijn overgegane geliefden herdenken kan. Men dien dus deze Allerzielenherdenking volkomen gescheiden te houden van de R.K. Allerzielendiensten.
Op onze Allerzielenherdenkingen zitten allerlei mensen, Protestanten, Katholieken, Joden, Vrijmetselaars en Atheïsten, en natuurlijk onze geestverwanten, die op deze herdenkingsavond wel bijzonder willen medewerken om het tot een belangrijke gebeurtenis te maken. Legio zijn de mensen die mij bezoeken, omdat zij zich een Allerzielenavond welke ik moest leiden herinneren en dikwijls heb ik bij de meest onverschillige mensen, tranen gezien van grote ontroering, om de schoonheid van die bijeenkomst. In lange rijen liepen we
vlak na de oorlog na afloop van de avond naar de fusilladeplaatsen om daar bloemen neer te leggen die een gehele avond lang, de goede, en liefderijke gedachten hadden weergegeven.
Door de opzet van deze dienst, kan ieder zich betrokken gevoelen hierin, er wordt duidelijke taal gesproken, een taal die men volgen kan en waarin de troost wordt gelegd dat een mens, hoe fout hij in het leven ook geweest is, niet verloren kan gaan omdat hij in het Universum thuis behoort en moge zijn weg dan ook moeilijk zijn, er zal uiteindelijk ook voor hem Licht en Genade komen opdagen. Toen ik kind was werd mij geleerd dat de Allerzielendag diende om te bidden dat de zielen in het Vagevuur verlost zouden kunnen worden en natuurlijk was er niet veel nodig om voor mijn levendige geest dat vagevuur als een realiteit te toveren; ik heb eronder geleden omdat alles mij zo hopeloos toescheen.
Het kón bijna niet anders dat ik, een vreemd kind als ik was, bijna iedere avond ging slapen met de gedachte: „ik heb gejokt, of ik heb een appel weggenomen zonder het te vragen, of ik heb mijn zusje een klap gegeven, als ik vannacht doodga, moet ik naar het vagevuur.”
Waarom werd mij niet geleerd het symbolisch te zien?
Waarom werd op een vraag, door mij gesteld, gezegd dat mijn lieve oma eerst naar het vagevuur zou moeten alvorens in de hemel te kunnen komen?
Ware het niet veel beter om een kind te vertellen dat God Liefde is en dat de hel en het vagevuur symbolische vormen zijn die feitelijk alleen maar aantonen dat wij de consequenties van onze daden, min of meer moeilijk, moeten aanvaarden, zodat wij het in eigen handen hebben of wij er wel ooit mee geconfronteerd zullen worden?
Hoevelen keren na een leven van zonden en misdaden, aan het of bij het ouder worden terug naar de kerk, omdat zij in leven voor datgene wat hen misschien te wachten staat? Ze zijn dan in de schoot van de Kerk teruggekeerd en menen dat daarmede alle schulden van hen weggenomen zijn, maar op grond ons onderzoek ben ik ervan overtuigd, dat de consequenties hun daden nooit van hen kunnen worden afgenomen door het enkele feit dat zij na een „doe maar raak-leven” plotseling zo nodig weer naar de kerk moesten gaan; hier spreekt immers alleen de angst een woordje mee! Denk vooral niet dat ik een mens welke
de kerk van zijn jeugd terugkeert, zal veroordelen; wanneer zij daar gelukkig en vredig door kunnen worden, is het toe te juichen, maar laat men dan vooral ook trachten de gemaakte fouten indien het kan, nog goed te maken en niet alleen maar tevreden zijn met de kerk of de biecht vervolgens op dezelfde nare manier door te gaan.
Zo een egoïst bang is voor de dood en daarom zijn kerk weer opzoekt, zal hij moeten beginnen zijn egoïsme te overwinnen, want anders had hij wel uit die kerk vandaan kunnen blijven, dat is dan alleen maar een medicijn tegen de, hem beheersende, angst. Heeft men de gelegenheid om op aarde toch nog verschillende fouten die men gemaakt heeft goed te maken en te herstellen, dan kan men veel meer verwachten van goedheid en begrip van God, dan wanneer men domweg voort gaat in een gemaakte fout met de gedachte: „ik ga nu weer naar de kerk, ik doe weer mijn plicht”, want ik meen te mogen geloven, dat ieder soort huichelarij nergens zo goed zichtbaar is dan in het onzichtbare land aan Gene Zijde. God strooit men geen zand in de ogen met een kerkgang die uit een benauwdheid voor een volgend leven voortkomt en ook niet met een berouw uit dezelfde bron ontsproten.
Ik geloof zelf helemaal niet dat men er zo gemakkelijk af komt, ik heb in ons onderzoek daarvoor te veel gehoord en gezien om mij daarover ook maar enige illusie te scheppen.
Emed zegt hierover: „Wanneer u een medemens hebt benadeeld of bedrogen en u kunt het in uw aardse leven nog goed maken, al zou het u schatten kosten, doe het dan, want aan Gene Zijde is het nog veel moeilijker en indien u het nagelaten heeft, ondanks het bewustzijn dat u een fout maakte, zal het nog veel zwaarder wegen.”
Hoewel dus het geloof in God zeer levend is in het leven van de Spiritualisten, weten zij dat náást de allesomvattende Liefde van God, de wet van oorzaak en gevolg beslist niet onderschat mag worden. Zo zij berouw hebben over een bepaalde daad, zullen zij wanneer zij daartoe in staat zijn, trachten hun schuld in te lossen. Daarom zijn wij doordrongen van het feit dat iedere huichelachtige boetedoening geen enkel resultaat zal opleveren.
Wanneer men in zijn leven alle wetten met de voeten heeft getreden en alle godsdiensten bespot heeft en God verloochende en Hem doorlopend heeft willen beledigen, dan is het mij tot nu toe een raadsel waaruit het plotselinge berouw, vaak op het sterfbed eerst, vandaan moet komen, tenzij men de angst als de aanstichter van dat berouw kan zien.
Men denke niet dat ik berouw op het doodsbed voor onmogelijk acht, reeds tijdens een korte of langere ziekte zal menigeen zich bewust worden van gemaakte fouten en deze betreuren, maar wacht
dan niet totdat de dood zich werkelijk als de eerstvolgende geleider, laat zien, maar ga eerder de weg van berouw en van het inlossen der schulden.
Er zullen zeer zeker mensen zijn die menen, wanneer zij de vergeving van hun zonden hebben verkregen door middel van een; priester, dat zij verder nergens meer mee te maken hebben, zij hebben immers de biecht uitgesproken, maar ik ben ervan overtuigd dat die biecht geen werkelijke waarde heeft, zo men niet, tracht alle nog goed te maken schulden uit te vlakken, door deze te betalen.
Alle moeite om tot God terug te keren door middel van de biecht zal tevergeefs zijn, indien men niet bereid is om door het inlossen van zijn schulden, dit berouw en deze terugkeer te realiseren.
De Spiritualist is zich bewust van het gevolg die iedere verkeerde daad kan hebben en zo dit alles uit duivelse bronnen heeft moeten komen, dan is die duivel zoals ik reeds schreef een slechte dienstknecht van zichzelf, een machteloos project, geschapen uit een donkere geest, niet in staat tot het brengen van enig logisch inzicht. Tot slot van dit hoofdstuk wil ik dan nog een verschijnsel bespreken dat ik tot nu toe niet heb kunnen aanroeren, omdat mijn kennis op dat gebied beperkt is.
Ik wil nl. niet schrijven over wat men schreef, maar over mijn eigen bevindingen en over ons eigen onderzoek.
In een van de vorige hoofdstukken schreef ik reeds over het opheffen van tafels.
In verband hiermede wil ik ook mededelen dat mensen opgeheven kunnen worden.
Men zou dit een soort telekinese kunnen noemen.
Een medium wordt dan boven de aanzittenden uit opgeheven en kan blijven zweven, dit gedurende langere of kortere tijd.
De pogingen daartoe heb ik bewust meegemaakt, maar mijn tenen bleven als bij een prima ballerina nog juist op de grond, de gewaarwording van opgetild te worden bestond echter wel degelijk, maar zolang ik niet werkelijk helemaal vrij kom, zou ik dit verschijnsel nooit willen aanmerken als een geslaagd experiment.
Men moet dus genoegen nemen met datgene wat er op dit gebied reeds bekend is. Staat men hier sceptisch tegenover, dan zou ik willen adviseren om het leven van St. Thomas van Aquino te bestuderen, omdat men daar met het verschijnsel levitatie bekend wordt gemaakt. Wanneer men dan weet dat Thomas van Aquino een zeer zware lichaamsbouw heeft bezeten, dan kan men toch niet spreken van eigen krachten die daarbij in het spel waren.
Men kan ook niet gaan beweren dat het bij genoemde Heilige een soort extase zou zijn geweest, terwijl men het bij een medium zou beoordelen als soort hypnotische verstijving, berustende op het aanwezig zijn van een hypnotiseur.
Mijn overtuiging is dat men niet alleen maar een klein stukje van dit terrein moet onderzoeken, maar wel alles wat wij maar dienstig kunnen vinden voor het onderzoek; men zal echter stellig tot de wetenschap komen dat men een slip van de sluier zal mogen oplichten, maar dat het raadsel van de dood, gedurende dit leven niet geheel kan worden opgelost.