HOOFDSTUK 15
Het Spiritualisme
Er wordt over het Spiritualisme veel geschreven en ik geloof nog veel meer gedacht.
Waar grote geleerden zich met het onderzoek van de verschijnselen en verschijningen hebben bezig gehouden kan ik op grond van mijn eigen ervaringen een oordeel vormen.
Leest men aandachtig de vele boeken die omtrent deze onderzoekingen reeds geschreven en verschenen zijn, dan moet men bij een objectief oordeel wel tot de conclusie komen dat het de moeite waard is dit alles aan een onderzoek te onderwerpen, te meer omdat de verschijnselen over de gehele wereld precies eender zijn.
Zo wordt Emed op verschillende plaatsen volkomen gelijkluidend beschreven en de opmerkingen of mededelingen over .het Land aan Gene Zijde wijken nagenoeg niet van elkander af.
Dat men van diverse richtingen zo'n afwerende, ja zelfs vijandige houding aanneemt heeft natuurlijk een reden en deze zal ik ook zeker in dit boek bespreken.
Ik wil niemand een overtuiging opdringen en zou zelf liever een ernstige waarschuwing willen richten tot ieder die zich tot het onderzoek naar een bewust voortbestaan voelt aangetrokken.
Dit is geen speelgoed en in handen van mensen die niet weten hoe hiermede om te gaan, beslist gevaarlijk.
Men laat immers maar al te spoedig het eigenlijke doel verloren gaan omdat men zo graag een gesprek wil voeren met hen die men zelf aan de dood heeft moeten afstaan.
Vergeet echter niet dat wanneer wij ook al het geluk mogen hebben met één van de ouders in aanraking te komen, dat ook zij onderworpen dienen te worden aan het onderzoek en dat wij de waarheid van hun woorden evenzo bevestigd moeten zien. Omdat het onze ouders betreft, mogen wij het onderzoek niet verwaarlozen.
De ouders van mijn man en van mij zijn ook aan Gene Zijde en ik verzeker u dat wij slechts een enkele maal contact met hen mochten hebben, al werden zij meerdere keren helderziend bij ons waargenomen. Wij moeten hiermee tevreden zijn en dit waarnemen ligt dan over een periode van meer dan 20 jaren verspreidt. Men mag nimmer een illusie koesteren; men moet aanvaarden wat ons gebracht wordt en men mag, zo men dit althans zou kunnen, geen enkele invloed uitoefenen door een wens gerealiseerd te willen zien. De slechte naam die het Spiritualisme in vele kringen heeft, is te danken aan de vaak belachelijke dingen die men lukraak uitkraamde, zichzelf mede de spotlust op de hals halende.
Een ernstig onderzoek zal men echter nooit kunnen aanvallen, want dat zou een domheid betekenen die niet goed te praten valt.
Het is dan ook nimmer ons doel geweest om een nieuwe godsdienst te stichten, waar geloof ik nog de meeste angst voor ontstaan is. Ik geef onmiddellijk toe dat tijdens de Allerzielen of Morgendiensten wel Psalmen worden gezongen, maar dat houdt de behoefte aan een zekere wijding in en daarvoor zijn de door ons uitgezochte liederen wel het beste geschikt.
Deze zondagmorgendiensten worden tevens gehouden voor mensen die toch reeds korte of langere tijd buitenkerkelijk zijn en daardoor in de gelegenheid worden gesteld de dag des Heren in een bepaalde vorm te beleven.
Natuurlijk worden er geen „preken” gehouden zoals men dat in de kerken kan mee maken, maar het goede wordt onderricht, men wijst de mens op het kwade dat de geest schade toebrengt en waar men de gevolgen van dragen moet.
Men spreekt over een God .van Liefde en Erbarmen en men wijst op de verplichtingen van de mens tegenover zijn medemensen. Is dat zó aanvechtbaar dat men het Spiritisme daarom vijandig gestemd is?
Er zijn dominees in ons land die er geen enkel bezwaar tegen hebben in de kringen van de Spiritisten de Zondag- en Allerzielendiensten te leiden, op gevaar af uitgestoten te worden.
Ik heb nog nimmer bespeurd dat onze gehouden diensten afbreuk hebben gedaan aan het innerlijk leven van de mens, integendeel, mensen die beslist niets meer van God en Zijn Gebod wilden weten, werden door ons werk omgevormd en geloven in Zijn alles overheersende Kracht.
Natuurlijk komt men met de duivel op de proppen en ik ben de laatste die zijn bestaan ontkennen zal!
Tegenover de Goddelijke Kracht staat beslist de duivelse macht, zoals Licht staat tegenover de duisternis, wit tegenover zwart, maar daarmede kan men zich toch niet het recht toeëigenen om het Spiritisme te veroordelen als voortkomende uit duivelse machten. Indien dit zo ware, dan zou ons ernstig, jarenlang onderzoek ons vast hebben doen inzien, dat alles waardeloos was en komende vanuit een bron die wij beter niet konden trachten te benaderen. Dat niet enkel Geesten van een Hogere Orde voor ons verschijnen, weten wij maar al te goed, maar bij enig nadenken zal men moeten toegeven dat de aarde bevolkt is met goede en slechte mensen en dat deze slechte of misdadige personen, niet direct na hun sterven een paar vleugeltjes aangemeten krijgen en engelen van God kunnen zijn; integendeel, zij zullen alles in het werk stellen om de op aarde levende mensen en vooral de paranormalen, te plagen en te beïnvloeden.
Wil men echter tot een gedegen onderzoek komen, dan zal men de kringen van de Spiritisten moeten betreden, want ik ken tot op heden geen enkele Kerk, die ons wegwijs zou willen maken. Waarom moeten wij op gezag geloven, terwijl wij een redelijk verstand meegekregen hebben en een vrije wil om zelf te handelen? Ik wijs er nogmaals met klem op dat ik geen enkele kerk en haar godsdienst wil aanvallen, maar men moet de feiten weten te erkennen zonder er maar direct de duivel bij te halen.
Ik ben R.K. groot gebracht en nimmer is er ook maar enige twijfel in mij geweest omtrent de werken van de heilig verklaarde schepselen, al heb ik deze leren zien als Geesten, levende in die Hogere Wereld die door de Spiritisten als het Zomerland wordt aangeduid en door de kerken als de Hemel.
Of ik het bestaan van een „hel” wil ontkennen?
Beslist niet! In de beschrijving die Emed ons gaf van de duisternis, kan dit de vergelijking met de hel gerust doorstaan, maar mét mij weigeren miljoenen over de wereld God's Volmaakte Liefde te vereenzelvigen met een door Hem uitgesproken oordeel van eeuwige verdoemenis.
Waar volmaakte Liefde is, is geen plaats voor een dergelijke wraak! Dan zou God ophouden Volmaakte Liefde te zijn en dat aanvaard ik persoonlijk onder geen enkele voorwaarde!
Probeert men dus alleen maar de mensen angst aan te jagen met de baarlijke duivel?
Wij willen duivelse krachten niet ontkennen, maar wij hebben geleerd, deze te onderscheiden van hen die in een Hogere Wereld leven en werken. Wanneer men met lagere krachten in aanraking komt en zelfs komen moet, dan zal men dit niet alleen slechts in Spiritualistische kringen kunnen beleven, maar deze zullen ook in iedere kerk voorkomen, waar trouwens bewijzen voor te over zijn. Men denke slechts aan de verzoekingen van de H. Antonius, van St. Thomas van Aquino, de strijd van de H. Augustinus om maar enkele te noemen. Vrijelijk kunnen wij aannemen dat de verschijnselen en verschijningen waar genoemde heiligen mee te kampen hadden tot stand kwamen zonder een Spiritualistische bijeenkomst. Ik heb zelf nooit klappen gekregen van dergelijke machten, men heeft mij nimmer voorwerpen naar het hoofd geslingerd, verschijnselen die in de R.K. literatuur omtrent de paranormale verschijnselen herhaaldelijk worden beschreven.
Men moet de séance tafel zien als een middel om tot het doel te geraken en niet om gezellige „babbeltjes” te houden met hen die in het hiernamaals leven.
Een Intelligentie heeft aan Gene Zijde werk en dat werk houdt verband met de gehele Kosmos, met inspiratie en nieuwe ontdekkingen in het Heelal en vernieuwing van reeds weer verouderde ideeën.
De mens die durft te zoeken zal geholpen worden al weten wij dat de verworven kennis, gegeven tot heil van de mensheid, misbruikt wordt en een bedreiging gaat uitmaken tegenover alle leven op aarde.
Wij kunnen Emed niet vragen welk nummer wij in de loterij moeten spelen maar wel hoe wij een ongelukkig medeschepsel het best kunnen helpen. Wij zelf zijn nergens in bevoorrecht, evenals ieder menselijk wezen hebben wij te strijden en te lijden en ik onderschrijf gaarne de woorden van Bernadette Soubirous: „Het water van Lourdes is niet voor mij”, daarmede aantonende, dat de verkregen gaven op de eerste plaats het doel hebben anderen te helpen en een weg te wijzen.
Men moet echter niet aanvaarden dat een Intelligentie zich wel kan openbaren aan Bernadette Soubirous, aan de kinderen van la Sa-lette of Fatima in Domremy of in allerhande kloosters welke maar heiligen hebben voortgebracht en verder alles op de duivel schuiven, alleen omdat het niet past in het raam van de Roomse Kerk. Wanneer wij de geschiedenis van Jeanne d'Arc bestuderen dan komen wij al lezende tot onderscheid dat hogere en lagere machten met elkander kunnen strijden, men zou dit symbolisch willen zien in het leven van Jeanne en de naast haar levende Gilles de Rais. De ene geroepen om een opdracht te volbrengen, de ander ten prooi aan duivelse machten waardoor hij misdaden zou begaan die ongelofelijk schijnen ware het niet dat wij zelve geconfronteerd werden met dergelijke ongeloofwaardige daden tijdens de tweede wereldoorlog.
Is het vreemd dat Emed zegt: „een oorlog zal steeds opnieuw de laagste machten ontketenen en zal dat steeds blijven doen totdat de mens de overtuiging heeft verkregen dat iedere oorlog zinloos is en de mens tot daden dwingt, welke hij nooit met zijn geweten in overeenstemming zal kunnen brengen.”
Eerst wanneer de mens geleerd heeft dat hij zichzelf verlaagt door medeschepselen te martelen en te doden, zullen de duivelse machten die de mens kunnen beïnvloeden op dat punt althans de verliezende partij zijn. Ik kan nooit de gedachte kwijtraken dat indien Jeanne d'Arc haar „Stemmen” niet had afgezworen, haar roeping zo'n tragisch einde zou hebben gevonden.
Men moet de geschiedenis van Jeanne d'Arc natuurlijk ook wel zien in het raam van de Middeleeuwen, waarin men bijzonder bijgelovig was, allerlei „occultisten” raadpleegde en wanneer deze de groten der aarde niet te bevredigen wisten, dan werd de arme astroloog of wichelaar al spoedig verwezen naar martelkamer en brandstapel.
Hoe men de zending van Jeanne d'Arc ook wil beschouwen, ik kan haar nooit los maken van een zwarte bladzijde in de kerkelijke geschiedenis, alleen al om het feit dat toen alles goed scheen te gaan, Jeanne geaccepteerd werd en men haar alle eer bewees die „la Pucelle” toe kwam en toen er iets mis ging, haar, zonder een vinger uit te steken tot de brandstapel liet veroordelen en haar zonder blikken of blozen tot „heks” degradeerde.
Goed, er is dan wel een eerherstel en een heiligverklaring gekomen, maar ergens blijft de smet op Frankrijk en de Kerk onuitwisbaar. Wanneer Jeanne trouw was gebleven aan haar geestelijke leiders dan waren waarschijnlijk door haar niet de fouten gemaakt die haar noopten het werk zelf te gaan doen, zonder de opdracht daarvoor te hebben ontvangen.
Mogen wij echter in haar veroordelen wat zo na aan de mens verwant is, de ijdelheid, die ons vertroebeling brengt van het zuivere zien en horen; Jeanne was in een omgeving gebracht waarin zij niet was opgevoed, zij ontving kleding die zij waarschijnlijk nooit eerder in haar leven gezien had. Wat zal het zilveren harnas dat Charles VII haar schonk, innerlijk niet teweeg gebracht hebben? Mogen wij van een kind als Jeanne, misschien 16 jaren oud anders verwachten dan zich op een voetstuk verheven te zien?
Ik weet zeker dat wij om minder belangrijke zaken door de knieën zouden gaan.
Met de beste wil ter wereld kan ik in haar verbranding niets anders zien dan de vernietiging van een wezen dat teveel zag en teveel wist en scheen te moeten handelen in opdracht van ongekende of ongeziene wezens die na Jeanne's afzweren, meteen tot duivelen werden verklaard. Al het goede door Jeanne en haar helpers teweeg gebracht werd in het belang van de machthebbers, met één pennestreek verwezen naar het rijk van Satan en dat terwijl men haar zo dikwijls besproeid had met wijwater; dan had toch moeten gebeuren wat men zo graag wilde zien, dat Jeanne schuimbekkend en kronkelend was neergevallen onder de invloed van het zuiverende water!
Mijn lieve lezer, ergens heb ik een diepe verontwaardiging gevoeld bij het aanschouwen van haar beeltenis in de Dom te Reims, ik weet dat velen haar lot hebben gedeeld en om veel minder ter dood werden gebracht op de brandstapel en mensen zoals ik, moeten waarschijnlijk heel dankbaar zijn dat die vreselijke vuurdood is afgeschaft.
Misschien zouden wij niet de moed bezitten om de brandstapel te beklimmen en daarom wil ik een saluut brengen aan Jeanne de Maagd, die ondanks de gemaakte fouten moedig de mutsaert beklom, daarmede de Kerk een nimmer te vergeten Martelares brengende en de overtuiging tevens dat haar „stemmen” écht waren en de verschijningen niet te ontkennen.
Dat de ernstige onderzoeker de paranormale verschijnselen erkent, weten wij; wij zijn het echter bepaald niet eens met het feit dat de erkenning van de verschijningen en verschijnselen van zekere zijde eerst dan voor zuiver en echt worden verklaard wanneer deze zich in een klooster afspelen of althans door kerkelijke autoriteiten werden gecontroleerd. Wij hebben niets tegen een onderzoek van welke richting ook, maar dan moet men beginnen een open oog te hebben voor de waarheid dat het grootste deel van de onderzoekingen naar een bewust voortbestaan, verricht werd in de kringen van de Spiritualisten en dan moet men ophouden met alles wat uit deze kringen voortkomt naar het rijk der fantasie en satan te verwijzen.
Men kan een kind dat met een geestelijk vriendinnetje zit te spelen niet betichten dat het onder invloed van de duivel staat.
Ik heb zelf mogen zien hoe een driejarig meisje haar speelgoed en lekkers deelde, een bordje liet neerzetten voor haar geestelijk vriendinnetje dat zij ,,Coddée” noemde.
Natuurlijk nam het geestelijke wezentje geen voedsel tot zich en het was vermakelijk hoe gedecideerd het kleine ding dan zei: „wil je weer niet eten, ik moet ook mijn bordje leegmaken van mammie, anders word ik ziek.” De kleine Intelligentie kwam nagenoeg iedere dag bij het kleine meisje spelen en ik heb zelf de blonde schoonheid van het wezentje mogen waarnemen; de liefelijkheid die van haar reine wezentje uitstraalde, is niet weer te geven en dat zou uit de duivel voortkomen? Och kom!
Zou het stoffelijk kind, dat dit vriendinnetje bezat dan niet een prooi zijn geweest van de duivel, lastig, leugenachtig of gemeen? Het kind was echter buitengewoon lief en nam ieder voor zich in met haar vrolijke vriendelijke lach.
Het kleine meisje is nu reeds een zeer zelfstandige jongedame en van Coddée horen wij niets meer, maar het kan best zijn dat dit alles in haar later leven nog een zegenende invloed heeft.
Emed zegt hierover: „dit komt zeer veel voor bij jonge gevoelige kinderen, hun Geest leeft nog zo dicht bij Hem die hen geschapen heeft; de mens volwassen geworden dwaalt soms zo heel ver weg van de Bron van oorsprong. Het is juist als met de planten en kruiden die de mens toch altijd nog omringen, zij dwalen ook hiervan weg en zien door chemische middelen het nut van God's kruidentuin niet meer zo duidelijk.
Al is de plant tegenover de mens dan van een lagere orde, zij is voor de mens geschapen ter heling en genezing en ter bevordering van de gezondheid.” Kan men bij enig logisch nadenken dit alles maar verwijzen naar een ongezonde, ziekelijke uiting van de menselijke geest?
Het Spiritualisme wordt vaak belachelijk gemaakt door haar eigen aanhangers omdat men maar niet begrijpen kan, dat het eigenlijke doel van dit gehele onderzoek uitsluitend gericht moet zijn naar het bewuste voortleven en de werken die men na de dood verrichten kan.
Het heeft mij dikwijls met ergernis vervuld dat men het Spiritualisme belachelijk maakte, maar niet zodra de dood een offer had geëist, kon men de zo dikwijls gehoonde weg met het grootste gemak inslaan, omdat men toch hoopte in contact te kunnen komen met het geliefde wezen. Wanneer men dan echter tot de ontdekking kwam dat men geen doden op kan roepen, dan werd het Spiritualisme meteen weer waardeloos verklaard.
Emed zei dikwijls: „wanneer een ander een bewijs mag ontvangen van ons voortbestaan, dan moet dit tevens als bewijs voor ieder der aanwezigen dienen. Dat zou ook beslist wel kunnen wanneer de mens minder egoïst zou zijn en alleen maar een familielid verwacht als bewijs van voortleven. Wanneer dan het gewenste familielid uitblijft, werpt men alles wat men reeds heeft mogen ontvangen overboord in plaats van met de kleine bewijzen een grote overtuiging op te bouwen.”
De kwalijke naam die het Spiritualisme soms heeft, is mede voortgekomen uit het feit dat men zo dolgraag medium wil zijn, men vindt het apart en interessant, echt iets wat niet iedereen bezit, en het leger would-be media is waarschijnlijk groter dan dat van hen die deze gaven werkelijk ontvangen hebben.
Het nadenken en bestuderen van de verschijnselen hebben mij de conclusie gebracht dat onze geestelijke oren en ogen reeds op aarde geopend zijn en dat dit geschiedde om te dienen.
Het Spiritualisme leert, dat als Geest en stof tesamen verbonden worden dat bepaalde beperkingen aan de Geest oplegt, zodat wanneer zij van elkander gescheiden warden, de Geest wederom onafhankelijk wordt.
De afhankelijkheid van de Geest aan de stof, (het aardse leven) beperkt m.i. de geestelijke vermogens, want deze worden door de stof verbonden aan tijd en ruimte en aan gezicht en gehoor van een stoffelijk lichaam. Is de geest eenmaal door het sterven van de mens van die stof bevrijd, dan zijn tevens die beperkingen opgeheven en kan zij zich vrij en onafhankelijk verplaatsen, beter werken en waarnemen.
Het is dan ook begrijpelijk dat wanneer de stof tot ontbinding overgaat, de geest de weg der evolutie vervolgt en deze evolutie wordt volmaakter, wanneer men aan Gene Zijde werkt en dienen wil.
Het dienen van de op aarde levende mens en de evolutie daaraan verbonden hebben wij dikwijls door de ons bekende Intelligenties horen verklaren. De aard van het werk is zeer uiteenlopend, deze is vooral gericht naar de geaardheid, maar ook naar de wens en de daarbij behorende wil.
Zo geschiedt het dat een medisch onderzoeker plotseling inspiratie kan ontvangen waardoor zijn jaren en jaren durend onderzoek met succes wordt bekroond tot heil van de mensheid.
Grote denkers twijfelen aan deze mogelijkheid allerminst.
Ik bezit een foto van professor Einstein die een langdurig onderhoud heeft gehad met mevrouw Akkeringa en haar na afloop daarvan zijn foto gaf voorzien van zijn handtekening en de dank voor het, voor hem, zo belangrijke gesprek.
Grote schrijvers en schrijfsters geven dikwijls uiting in hun werken aan het feit dat zij geloven in een bewust voortbestaan en erkennen inspiratie te ontvangen vanuit de hogere wereld.
De werken van Selma Lagerlof geven herhaaldelijk blijk van haar overtuiging in bovenzinnelijke gebeurtenissen, helderziende waarnemingen, inspiratie, het vernemen van geluiden en ik geloof toch rustig te mogen verklaren dat zij volkomen toerekeningsvatbaar was.
Ook dat is een geliefd en steeds terugkerend wapen van onze tegenstanders: het Spiritualisme is niet geheel te ontkennen, maar men wordt er krankzinnig door.
Ik ben er echter van overtuigd dat iemand die dag en nacht in de kerk te bidden ligt, minstens even grote kansen heeft op godsdienstwaanzin en dat de Spiritualist die dag en nacht in de geestenwereld vertoeft met zijn gedachten ook niet aan een soortgelijk gevaar ontkomen kan. Maar daartegenover staat gelukkig dat ernstige onderzoekers, die onze kringen voor dat onderzoek gebruiken, allerminst tekenen van waanzin vertonen, waarmee ik zeggen wil, dat men moet weten wat men doet.
Men eet geen kilo onrijpe appels zonder buikpijn te krijgen.
wist daarom heb ik in een van de vorige hoofdstukken in dit werk gewezen op de gevaren, het bedrog en wat meer zij, zie maar naar de z.g. séance in Gent.
De geest van de mens heeft, los van de stof, een veel hogere functie te verrichten en een veel meer omvattend werkterrein dan aan de stof verbonden.
Dat de geest van de mens reeds tijdens de bevruchting haar intrede doet, moet bijna met zekerheid worden gesteld en volgens Emed, kan alleen God het doel van het leven op aarde aan deze geest kenbaar maken.
Door deze uitspraak alleen reeds is de onsterfelijkheid van de geest vaststaande en kan de evolutie niet worden ontkend.
Het verband dat te vinden is in de lessen en uitspraken van de verschillende Intelligenties ontstaat door hun eensluidende opdracht: te dienen opdat zij ons en zichzelf kunnen vervolmaken. Het zijn de woorden van Emed tot ons gericht:
„Wij zijn er, ook al kunt u zich daar misschien geen enkele voorstelling over vormen, wij laten ons zien door onze wil en denken terug aan het stoflichaam zoals dat op aarde geweest is en daardoor kunnen wij in combinatie met de aanwezige stoffen (ectoplasma of teleplasma) ons laten zien of materialiseren.”
Op onze vraag hoe ectoplasma ontstaat, vertelt Emed dat ieder mens deze substantie bezit en dat zij een weinig daarvan aan alle aanwezigen onttrekken, waardoor zij een materialisatie tot stand kunnen brengen.
Het denken en willen is onherroepelijk aan hun geest verbonden, ook zonder dat zij zich op welke wijze ook willen materialiseren. Het door God gestelde doel van dit onsterfelijke zal zich eerst openbaren wanneer wij tot de bron van herkomst terugkeren.
Men zal zich afvragen hoe wij tegenover een miskraam staan. In alle gevallen van Abortus en de daaruit voortkomende vernietiging van het leven, beschouwen wij dat als een absolute moord. Wanneer een miskraam ontstaat door een ongeval, door ziekte of anderszins, komt dit natuurlijk op een geheel ander vlak te liggen. Wanneer de bovenomschreven intrede van de geest tijdens de bevruchting dus als reëel mag worden gezien, dan betekent het dat door een abortus de geest voortijdig haar leven op aarde moet beëindigen en dat de weg naar evolutie dientengevolge ook tijdelijk is afgesloten.
Ik hoop intussen dat vele spiritisten dit zullen lezen.
Er ontstaat nl. nog wel eens een verschil van mening of een voortijdige geestelijke bevrijding, lees: abortus, ook niet moet gezien worden als de wil van God, waardoor de geest een aards bestaan bespaard is gebleven, maar Emed en prof. Bolk, hebben de abortus provocatus nooit anders betiteld dan als een moord, veroorzaakt door ongeoorloofd ingrijpen van de mens, met uitzondering van de noodzakelijkheid, om b.v. de moeder te behouden.
Door hun wil en denken in dienst van de mens te stellen zullen de Intelligenties bereiken dat de kennis van de op aarde wonenden, een steeds hogere vlucht zal nemen en de verworven kennis meer en meer in dienst van de medemens zal worden gesteld en niet meer gebruikt zal worden om te vernietigen.
Zij trachten er toe bij te dragen dat de mens zich meer en meer leert beheersen en door te leren zijn gaven te vermeerderen en te putten uit de bronnen van eeuwig leven, zijn „ik” op het tweede plan zal gaan stellen.
Natuurlijk is dit „ik” onverbrekelijk gebonden aan het geestelijk bewustzijn, want in iedere vorm van dit bewustzijn behoort de persoonlijkheid, de Geest.
Wanneer men de weg betreedt tot onderzoek van dit alles, zal men moeten proberen om in de eerste plaats het eigen verlangen uit te schakelen; jaloezie om wat een ander wordt gegeven in te tomen; niet lukraak maar te gaan experimenteren en daardoor meer af te breken dan op te bouwen.
De lessen die wij ontvingen wijzen beslist niet op gezellige babbeltjes met vader of moeder, maar op een diep ingrijpend en vaak ontroerend verrijken van onze kennis.
Dat is het werkelijke doel van het Spiritisme.
Door kennis te nemen van de lessen, ons gegeven en te trachten deze in ons leven van praktisch nut te maken, vinden wij het gewoon en helemaal geen verdienste om de naast ons levende mens vriendelijk te bejegenen en wanneer het nodig is te steunen. Maar wij hebben geen bordje op ons rug hangen met de woorden:
„Ik ben Spiritist”.
Wij hebben leren inzien dat het Spiritisme en de daaraan verbonden verschijnselen, een weg is naar weten en dat heeft met geloven niets te maken.
Omdat ik overtuigd ben van een bewust voortbestaan, zal ik hoogstwaarschijnlijk overtuigender de woorden: „ik geloof in God en Zijn allesomvattende Kracht,” hebben leren uitspreken dan ooit tevoren en ik heb geleerd eerbied te hebben voor elke geestelijke overtuiging, omdat ik dat heb leren zien als een weg die ingeslagen werd en het meest aansloot op de innerlijke geaardheid van de mens.
Daardoor ontstond natuurlijk ook de vaste overtuiging dat wij als een instrument dienstbaar kunnen zijn en dat God geen bepaalde voorkeur heeft om Zijn Liefde te tonen.
Verborgen krachten behoren God toe en zo Hij het wil, zal Hij de mens welke Hij daartoe verkoos, van die krachten geven, opdat Zijn Licht zich over de aarde verspreide.
God zal deze krachten wanneer Hij dat wenst in actie brengen en niet wanneer de mens dat wil.
Gedurende een ziekendienst, welke door mij onder inspiratie van Emed geleid werd, krijgt een verlamde jongen (wiens moeder met ons bad om genezing van haar kind) de suggestie op te kunnen staan en vertelt dit bij thuiskomst aan zijn moeder.
De moeder antwoordt hem: „Dan was je vast lelijk gevallen.” (gebrek aan geloof en vertrouwen.)
Toen zij het aan mij vertelde voor de aanvang van de daarop volgende ziekendienst, vroeg Emed mij haar te zeggen:
„Wanneer uw zoon tijdens de ziekendienst wil opstaan, is er in zijn wil een werkzaamheid aanwezig, die hem tot actie wil brengen. Wanneer God wil, dat hij loopt, zal hij zich niet bezeren noch vallen, want dan wil God dit doen; wij vragen slechts.”
De jongen is onder dezelfde gevoelens die zich in hem herhaalde opgestaan en hij is niet gevallen.
Er is mij helaas niets bekend over het verdere verloop hiervan, daar de moeder om welke reden ook haar bezoeken aan de ziekendiensten heeft gestaakt.
Moeten wij zoiets zien als een wonder zoals door de Roomse Kerk een wonder wordt beschreven, een werking van krachten die niet te verklaren zijn langs de gewone weg der rede?
Emed zegt hierover: „God schenkt Zijn Liefde aan de gehele mensheid, niet aan een bepaalde groep, van welke omvang zo'n groep ook zijn moge; misschien dat de ene groep de daden van God eerder erkent dan de ander; maar in alle gemeenschappen is kaf onder het koren te vinden doch ook dat kan God's Wil niet veranderen.”
Dikwijls dient persoonlijke onmacht als „kaf”.
Ik wil u het volgende voorval niet onthouden opdat u een inzicht krijgt met wat Emed onder „kaf” wil verstaan.
Door een arts werd een meisje naar mij gezonden. Hij zelf stond' machteloos tegenover haar ziekte, die te maken had met plotselinge onmacht in de benen en rugklachten waardoor zij reeds meerdere malen op straat gevallen was.
Ik heb haar onder Emed's toezicht en aanwijzingen mogen helpen, steeds voor de aanvang van de behandeling biddende: „Vader, indien het mogelijk is, geef haar dan kracht!”
Na ongeveer een half jaar deed zich geen enkel verschijnsel van de ziekte meer voor en stuurde ik haar, zoals ik mijn plicht achtte, naar de arts terug.
's Middags kwam zij huilende en geheel van streek bij mij en op mijn vragen antwoordde zij: „de dokter was heel vriendelijk, in het begin, hij onderzocht mij en zei: het is mooi dat dit mogelijk is” maar (nu komt het) het is allemaal suggestie en wanneer deze opgehouden is, komt de ziekte weer terug.”
Emed zei: „dat is een laffe streek! Die dokter stond zelf machteloos en wil dat niet eerlijk erkennen, en verder behandelt men een patiënt niet op deze wijze.
Dit is kaf onder het koren van de medische wetenschap en het zal werken als een boemerang, want hij vernietigt alleen het ver trouwen in zijn eigen kunde, al trachtte hij het vertrouwen in God te vernietigen.”
Ik wil hieraan toevoegen dat het meisje nu gehuwd is en de gehele dag in de bloemenwinkel van haar man werkt.
Zij heeft geen rugklachten, gelukkig werkt de „suggestie” dus na ongeveer 15 jaren nog!
Een ander geval. Bij mij werd een man gebracht, die niet alleen de trappen op kon komen.
Toen ik vriendelijk over zijn ziekte met hem sprak en vertelde dat niet de moed mocht verliezen, begon hij te schreien en vertelde mij dat de hem behandelende geneesheer gesproken had over het amputeren van zijn been, i.v.m. bloedvatenvemauwing.
„Mevrouw, ik ben typograaf, weet u wat het voor mij betekent als dit gebeuren zou?”
Ik trachtte hem te troosten en legde mijn hand op zijn schouder, toen zei Emed: „dat been is er nog lang niet af!”
ik gaf deze woorden direct aan hem door en u begrijpt natuurlijk, dat dit op zichzelf al een grote steun werd.
Hij moest beloven 1½ jaar getrouw bij mij te komen en nooit, wanneer er geen geldige reden was, weg te blijven en Emed toog aan het werk.
De patiënt kreeg bloedsomloop verbeterende kruiden en moest iedere dag ½ teentje knoflook in een kopje melk fijn gesnipperd drinken, tevens kreeg hij magnetische behandelingen.
Wanneer hij ter controle naar het ziekenhuis moest, spoorde ik hem aan beslist niet weg te blijven.
Na drie maanden trok het stijve gevoel uit zijn benen weg, en kort daarop kon hij van de Dam naar het ziekenhuis lopen, hij die, toen hij bij mij kwam, niet eens van het hek, naar de polikliniek van het ziekenhuis kon komen.
Na ruim een half jaar wandelde hij, zij het onder leiding, gedurende drie uren over de Veluwe, zijn dochter woonde destijds in Putten. Na een jaar stuurde ik hem op verzoek van Emed naar de behandelende geneesheer die natuurlijk verwonderd was over zijn vooruitgang.
Eerlijk heeft de heer v. G. aan zijn arts verteld hoe hij ten einde raad en op aanraden van iemand anders, naar mij was gegaan en wat ik gedaan had.
Een onderzoek wees uit dat amputatie absoluut overbodig was. Die arts zei spontaan: „man, je hebt enorm geluk gehad.”
In mijn boekenkast prijkt een prachtwerk waarin geschreven staat: „Van een dankbare patiënt” Januari 1953. J. v. G.
Natuurlijk weet ik zijn naam precies, maar ik vind het onnodig om deze voluit te vermelden.
Duivelse krachten? Och oordeelt u zelf maar, ik geloof dat dit alles u reeds tot nadenken stemde.
Emed spreekt steeds van God's Wil in verband met deze gebeurtenissen en het zij verre van mij dat te betwijfelen.
Zouden deze gebeurtenissen echter alleen maar in een bepaalde kerkelijke gemeenschap kunnen voorkomen dan zouden deze verschijnselen ook beslist niet plaats vinden buiten die gemeenschap en zouden wij moeten leren dat God wil dat wij ons allen tot één groep of gemeenschap zouden verenigen.
Waar er echter zoveel wegen leiden naar God, geloof ik te mogen; aannemen, dat al die wegen ook God's wil zijn en dat Hij naar Zijn Kracht en Liefde al deze wegen bepaald heeft.
Ik geef toe dat vele paranormaal begaafden uit de R.K. Kerk voortkomen, maar is dat zo'n wonder?
Reeds van jongsaf aan worden wij geconfronteerd met het feit dat; wonderen, door middel van bepaalde heilig levende personen, aan de mensen gegeven konden worden.
Wij leren te vragen om bijstand, om steun, om hulp in de nood en, ik schaam mij er allerminst voor te verklaren dat ik mij dikwijls tot de H. Theresia van Liseux heb gewend wanneer ik in grote nood verkeerde en dat ik bij haar beeltenis bloemen heb geplaatst uit dankbaarheid omdat mijn gebed verhoord was.
Een niet katholiek zal dit misschien op toevallige omstandigheden willen schuiven, maar gezien ons later onderzoek, kan en wil ik dat in geen geval onderschrijven.
Wanneer Theresia van Liseux iets vermag te doen of een voorspraak wil en kan zijn, dan moeten wij dat van haar net zo goed erkennen als van Emed, die ook in de hogere wereld thuis hoort en ons wil helpen met steun en bemoediging al is hij dan toevallig niet heilig verklaard.
Van jongs af aan worden wij vertrouwd gemaakt met onze Engelbewaarder en het verdriet dat wij deze plachten te veroorzaken wanneer wij afdwalen en door verkeerde daden in gevaar komen te verkeren.
Ik wil hier graag getuigen dat iedere afdwaling en iedere verkeerde daad door Emed scherp werd beoordeeld en dat hij mij wees op de gemaakte fout en aanspoorde ter wille van Jezus Christus te trachten het goed te maken.
Daardoor alleen reeds is het verre van mij de krachten en machten van niet meer op aarde levende wezens, hoe men deze ook wil betitelen, te betwijfelen.
Dat men het Spiritualisme een verbond met de duivel wil noemen, dat men het grote getal Spiritualisten over de gehele wereld ziet als een gevaar voor de kerk, komt volgens mij alleen voort uit angst dat de evolutie van de menselijke geest medebrengt dat men tot zelf denken en zelf zoeken zal worden gedwongen en niet meer kan aanvaarden dat als „alleen zaligmakend” voorgeschoteld wordt.
Met de kennis op welhaast ieder terrein neemt ook de kennis van bovenzinnelijke krachten toe en niemand vermag de door God gewilde evolutie tegen houden, hoe gaarne men dat ook misschien in het belang van zijn eigen gemeenschap zou willen doen.
Wanneer het Spiritualisme slechts een middel zou zijn om de mens bewust te maken van de evolutie waaraan alles onderhevig is dan heeft zij daarmede alleen reeds haar bestaansrecht bewezen. Wanneer de kerken na 20 eeuwen niet kunnen aanvaarden dat God wel eens een andere weg zou willen inslaan, omdat de mens de kerkelijke uitspraken in dikwijls zeer verouderde vormen niet meer aanvaarden kan, dan zal men daar mettertijd toch wel genoegen mee moeten nemen en leren vreedzaam met ieder andersdenkende samen te werken.
Maar bij het besluiten van dit hoofdstuk wil ik nogmaals Emed aan het woord laten met de opmerking: „Gebruik bij uw onderzoek niet alleen uw sentiment maar bovenal uw verstand om uw kennis te vermeerderen, zodat het onderzoek naar de verschijnselen gericht is op de wetenschap omtrent het leven aan Gene Zijde en niet uitsluitend om, hoewel zeer begrijpelijk, in contact te komen met uw familie.”