HOOFDSTUK 3

 

 

 

Emed

 

Het wordt beslist tijd en noodzakelijk dat wij Emed aan u gaan voorstellen zoals hij nu bestaat.

Toen ik voor het eerst vernam dat er een Geestelijke Leider voor mij beschikbaar was, een Intelligentie die mij zou helpen en de verborgen gaven zou gaan ontwikkelen, was ik daar allerminst blij mee. Ik wist niet genoeg van dit terrein en wilde het wel verkennen maar om er op te gaan werken en de ploeg ter hand te nemen en te gaan zaaien, ik zag er werkelijk geen heil in.

Emed was reeds verscheidene keren, door van elkander onafhankelijke media aan mij beschreven.

Het was mevrouw Akkeringa, een pionierster op dit gebied, die mij ronduit zei, dat ik de opdracht in mijn leven toch niet kon ontlopen en dat mijn geestelijke leider alleen wachtte op mijn eigen toestemming om aan het werk te kunnen gaan.

Het was alsof er van alle kanten pressie werd uitgeoefend dat ik die toestemming zou geven.

Er kwam een eerste Psychometrische proef, half ernstig, half schertsend tot stand gebracht, eigenlijk buiten mijn wil, op aandrang van een goede kennis die ons werk zeer was toegedaan.

Ik spreek nu dus over de aanvang van mijn mediumschap, maar wil liever niet in herhalingen vervallen omdat dit alles beschreven is in mijn boek „De Doden spreken”.

Toch moet er hier en daar wel iets worden aangehaald om een duidelijk beeld te kunnen geven.

Emed werd aan ons beschreven als een oosterling, wiens kleding fonkelde van licht, of zoals het werd uitgedrukt, van allerlei prachtige edelstenen.

Het witte kleed werd omvat gehouden door een schitterende gordel en deze gordel werd zelfs in kleuren afgetekend.

Wat moet men toch veel leren, alvorens te kunnen begrijpen dat het de kracht van Liefde tegenover de op aarde levende mens is, die deze geestes-schittering teweeg brengt.

Nooit hebben wij een onvriendelijk woord van Emed gehoord, zelfs in zijn strengste optreden bleef zijn stem en zijn manier van doen rustig, weloverwogen en liefderijk, alsof hij wist dat we maar kleine zwakke mensjes zijn die heel veel tussen hemel en aarde niet konden begrijpen en hij was er immers om ons te onderwijzen!

Men kon zich bijna niet voorstellen dat deze van licht schitterende gestalte een menselijk wezen, zoals wij nu zijn, was geweest. Zijn uitspraak en zinsbouw wanneer hij tot ons sprak, waren van een uitzonderlijke schoonheid, geen medeklinker werd ooit verwaarloosd, geen zin die niet met een bepaalde zwier werd uitgesproken, alsof het op aarde zijn dagelijks werk zou zijn geweest grote menigten toe te spreken.

Onder zijn leiding leerde ik spreken, maar daarover later. Natuurlijk wilden we allemaal graag weten wie die Emed nu eigenlijk was geweest, waar hij geleefd en gewerkt had en waaruit dat werk had bestaan. Hoe en onder welke omstandigheden hij was heengegaan en of wij nog familie zouden kunnen bereiken om zijn boodschap aan hen over te brengen.

Emed vertelde ons zijn geschiedenis en het nam vele avonden in beslag.

„Wij waren thuis met drie zusters en nog een jongere broer, mijn ouders waren goede mensen, maar mijn moeder was de allerliefste vrouw van de wereld; haar heb ik veel leed gedaan, ik was driftig en trots en daardoor gauw gekwetst.

Ik wilde veel en deed weinig om hen plezier te doen en na de schooltijd wist men niet goed welke richting ik uit zou gaan, ook al omdat ik geen enkele voorkeur had.

Ik had sterke anti- en sympathieën en hen die ik niet kon uitstaan, kregen te maken met mijn ver doorgevoerde plaagzucht. Mijn oudste zuster had hier wel het meest van te lijden, we konden elkander gewoon niet verdragen en ik liet geen gelegenheid onbenut om haar de voet dwars te zetten.

De middelste zuster kon geen kwaad bij mij doen en de jongste was nog maar zo'n piepklein ding dat zij iedereen vertederde. Mijn jongere broer was te klein voor mij om er iets aan te hebben, want ik was meer dan tien jaren ouder en voelde mij dus al een hele knaap.

Er werd besloten dat ik een militaire opleiding zou gaan volgen, maar mijn gehele wezen was dáár nu juist niet op ingesteld. Alles wat militair was stuitte mij tegen de borst en toch wilde ik mijn ouders hierin niet teleurstellen.

Het waren onprettige ervaringen en het eind was dat ik toch maar een andere weg zou moeten kiezen.

Het zou werkelijk te ver voeren wanneer ik u al mijn pogen om een nuttig lid van de maatschappij te worden en de daaraan verbonden teleurstellingen en mislukkingen zou gaan vertellen. Inplaats van te trachten mij door te vechten met mij zelf een plaats te veroveren, verloor ik de moed, kwam verslagen weer thuis en had het gevoel toch nergens voor te deugen.

Dat waren de momenten dat ik mijn lieve moeder verdriet deed; ik had slechte vrienden en kwam dronken thuis en vloekte dat het voor mij geen zin had, dat ik toch nergens gewenst werd en door dit vloeken wist ik mijn ouders te kwetsen die zeer gelovig waren en geen ruwe vloeken in hun huis toestonden.

Wanneer ik op het kookpunt was gekomen schreeuwde ik: „Och krijg de pest allemaal, wat kan mij alles verd...”

Moeder schreide en vader liep de deur uit en dan kwam het ogenblik dat ik schreiende voor moeder neerknielde en voor de zoveelste maal om vergeving smeekte, voor de zoveelste keer beloofde niet meer te zullen drinken en evenveel keren omarmde ze mij en schonk mij haar tedere liefde.

Nooit zal ik deze moeder kunnen vergeten, want ook nu, in dit nieuwe leven waar ik haar dikwijls ontmoeten mag, staat zij voor mijn geest als de goede, geduldige moeder die haar kinderen met de tederste zorgen en liefde omringde en hun zoveel gaf dat zij zichzelf erdoor moest ontzeggen, wat ze toch nodig bleek te hebben. Vader begreep niet veel van mij. Hij vroeg zich misschien af hoe hij aan zo'n zoon gekomen was.

Och vrienden ik was niet werkelijk slecht, alleen maar zwak en omdat ik niet de juiste gevoelens had voor een maatschappelijk geordende samenleving vaak dwars en onevenwichtig.

Ik zwierf graag door ons stadje, zwalkte soms dagen door de duinen en liet mijn ogen over de wijde zee dwalen.

Ik had dit alles lief, vooral de zee.

Ik moet u nog vertellen dat ik in bijna niets uitmuntte, behalve in het leren van talen. Vreemde talen trokken mij aan en zonder moeite maakte ik ze mij eigen.

Maar van die talenkennis kwam ook geen enkel nut; ik probeerde het ook niet, wilde misschien niet trachten hierdoor een positie te veroveren.

Neen, ik wilde weg. Weg van huis, weg van alle bekende gezichten, over de aarde en over de zeeën zwerven, die vreemde volkeren wier taal ik wilde leren spreken of reeds sprak, leren kennen.

Ik ging, trots, gelijk „de verloren zoon” uit de Bijbel.

Het werd een geluk voor mij, vreemde havens binnen te varen, het werk dat ik deed, kwam niet met mijn opvoeding overeen, maar dat kon mij niet weerhouden om over de gehele wereld rond te zwerven. Soms kwam ik thuis, maar steeds weer vertrok ik om langer weg te blijven. Ik sprak Spaans als een Spanjaard en Italiaans als een Italiaan. Varen, drinken, vrouwen, dit alles nam in mijn leven een plaats in, die door niets meer vervangen scheen te kunnen worden.

Amerika, Chili, Turkije, Engels-Indië, * Nederlands-Indië, * Australië en vele, vele landen kwamen aan de beurt.

* Toenmalige koloniën. Emed spreekt hier van ± 70 jaar geleden.

Thuis kregen ze kaarten uit China en Japan, vooral Japan was van een grote bekoring voor mij.

Die rare papieren huizen, met schuifmuren, de mensen die hun schoenen uittrokken zodra ze over hun eigen drempels gingen, die drempels dan in de zin die u er onder verstaat want de vloeren waren allen even glad en over een drempel behoefde ik voor zover ik het mij herinneren kan nooit heen te stappen.

De Japanse tuinen, de veelkleurige lampions en de bloesemtakken die bij elke gelegenheid tot versiering van het huis dienden, soms maar één enkele tak in een vaas, men had dan de indruk dat er een vaas vol bloemen stond, zo werden de bloesems op onnavolgbare wijze geschikt.

De grappige kleine vrouwen van Japan met hun ene-teen-kousen zoals ik het uitdrukte.

Brits-Indië waar ik grote heersers op witte olifanten zag rijden alsof de wereld aan hen behoorde, schitterend van juwelen, de bepluimde tulband versierd met een grote gesp van edelgesteenten. Wie zal mij kwalijk nemen dat ik verlangde om in een dergelijke omgeving te leven?

Ik weet dat ik prachtlievend was. De schittering van een enkele diamant kon mij gevangen houden en de schoonheid van een voorwerp kon uren boeien, maar ik kon het niet bezitten, ik had geen geld en als ik geld had, kon ik het weer niet nalaten om iets van datgene wat door mij gezien werd, naar huis te zenden.

Ze kregen daar grappige houten vazen uit Japan, schilderijtjes op echt zijdepapier getekend, blauwe voorwerpen uit China en grote bontgekleurde vazen.

De zusjes moesten wel hele albums vol met ansichtkaarten bezitten, want naar huis gaan was een gedachte die mij overal ter wereld vergezeld heeft. Naar huis... heimwee!

Laat nooit iemand vertellen dat heimwee alleen maar bij zwakke figuren voorkomt, grote sterke kerels die voor niets uit de weg gingen heb ik zien huilen als kleine jongens, geplaagd door heimwee.

Van tijd tot tijd kreeg ik wel eens de gelegenheid om thuis te komen, maar ik verkoos de „wilde vaart” en wist vaak wel van weggaan, maar nooit wanneer het een terugkomen zou zijn. Negen talen sprak ik nu vloeiend toen ik nog geen vijf en twintig jaren oud was.

Het Andes-gebergte bracht een heel andere schoonheid. Voor mijn ogen ontrolde zich een macht en een woestheid die moeilijk te beschrijven zijn, ik vond zelf dat men hier het eind van de wereld zou kunnen vinden.

Dit woeste gebied trok mij niet erg, al vond ik de daar wonende Indianen vreemd en van een geheel ander ras, dan waar ik tot dusverre mee in aanraking was gekomen.

De ontzaglijke lasten die zij vermochten te vervoeren op rug en schouders, gaven mij de indruk van kracht en ik vroeg mij onwillekeurig af, over welke krachten deze mensen vroeger de beschikking moesten hebben gehad, voor zij aan verslaving waren gaan lijden.

Ik bewonderde Lima, de hoofdstad van Peru en weinig vermoedde ik dat dáár eens mijn lichaam ter ruste zou worden gelegd.

Nog eenmaal zou ik thuis komen, luttele dagen en wederom vertrok ik, ditmaal zonder te weten, voorgoed.

Vijf jaren zwierf ik nog rond, vond vaste voet in Turkije, waar ik tolk werd.

Het was een betrekkelijk rustige periode, ik deed mijn werk, raakte meer en meer onder de invloed van het oosterse leven, bezat vrienden en een lieve vrouw, waar ik echter niet mee kon huwen. Ondanks mijn interesse voor oosterse volkeren, voor hun religie, hun leefwijze en dikwijls ver doorgevoerde beschaving, kon ik de enorme tegenstellingen niet aanvaarden en bleef ergens in mij de opvoeding die ik had ontvangen, nawerken.

De positie van de vrouw was zo geheel anders dan die van de vrouwen in het eigen land, dat het een steeds terugkerende bron van verbazing en ergernis werd.

Soms kon ik mijn eigen vrienden verwijten, dat zij hun vrouwen (de meesten bezaten er meer dan één) allerlei werk lieten doen, dat in mijn ogen veel te zwaar voor haar was en zelf rustig zaten te kijken hoe die vrouwen zich afbeulden.

Een tegenstelling met de dames uit hogere kringen, die lui, de gehele lieve dag niets deden, uitgestrekt op een ottoman, doorlopend zoetigheden aten en dik en vet werden, overigens zeer gewaardeerd door haar echtgenoot.

Dikwijls werd ik overvallen door een verlangen naar de zee; dacht terug aan de woestijnen die ik gezien had, met de eigenaardige afscheidingen van geel, rood en bruin zand en van een aparte schoonheid, maar ik gaf niet toe aan dat verlangen omdat ik vreesde voor het oude gevoel van heimwee...

Toch overviel het mij plotseling en wel zo enorm, dat ik naar huis het bericht stuurde dat ik spoedig dacht terug te keren. Dagelijks zag ik het beeld van moeder, van de zusjes, waarvan er reeds één gehuwd was. Waar een dochtertje geboren was, Tineke, zoals zij schreven en waar een tweede kindje op komst was. Ik moest erheen en zou thuis eindelijk gelukkig zijn en een positie hebben, met al mijn kennis.

Ik kon uiteindelijk niet meer tegen het grote verlangen vechten en ging mijn laatste reis op aarde ondernemen.

Als werkend passagier ging ik op een vrachtboot die na enige maanden van havens aandoen, mij thuis zou brengen.

In Aden ging ik voor het laatst van boord.

Er werden ratten aan boord gesignaleerd en we zouden alles moeten doen om ze de baas te worden.

Ik hielp ook bij dit razend vuile werk, maar mijn haat voor dit ongedierte gaf mij het gevoel van nuttig zijn wanneer ik hielp ze te verdelgen.

Voor we in Peru aankwamen had ik builenpest.

In mijn ijl-koortsen, afgewisseld door een onvoorstelbare dorst, riep ik om allen die ik thuis had willen weerzien en het werd een lijden zo groot, dat het bezit nam van mijn gehele wezen en van mijn geest, die gekweld werd door het wéten: „dit is het einde.” Ik werd achtergelaten. De boot voer weg en na enige dagen, misschien drie, wellicht vier, stond ik voor „de Brug”.”

 

Hier eindigde het relaas van Emed.

Aan ons was nu de taak om te onderzoeken, te ondervragen en weer te onderzoeken.

Wat Emed vertelde was door een van onze kringleden stenografisch opgenomen en wij hadden dus de beschikking over mededelingen, die wij met ons onderzoek zouden kunnen vergelijken en beoordelen.

Wij wisten van Emed dat zijn zusters nog in leven waren en hen moesten wij zien te benaderen.

Het moeilijke was om te gaan spreken over het contact dat wij met de geestenwereld hadden verkregen en te komen tot het onderzoek, waardoor alles wat Emed vertelde ook bevestigd zou kunnen worden.

Emed zelf zou ons hierbij helpen.

Hij gaf ons aanwijzingen, hoe wij te werk konden gaan; door zijn zusters te benaderen en met hen over de reeds lang gestorven broer te spreken en over zijn werk op aarde, hoorden wij dat Emed inderdaad tolk was geweest.

Op een voorzichtige vraag, dat hij dan zeker wel drie of vier talen moest hebben gesproken, kregen we het antwoord: welneen, hij sprak negen talen vloeiend en Spaans alsof hij in Spanje was geboren. Ik kreeg een foto van Emed als achttienjarige en veel later, nog twee Japanse schilderijen op zijdepapier; ook een bontgekleurde en een blauwe chinese vaas zijn in mijn bezit.

Toen ik eens met die bonte vaas naar een winkel ging om te vragen of ik zo'n exemplaar zou kunnen kopen, het is nl. een deel van twee vazen, gaf de eigenaar de vaas aan mij terug met de woorden: „ik weet niet hoe u daaraan komt, maar dit is iets wat wij met de beste wil ter wereld niet meer kunnen maken. Ik geef u de raad er zuinig op te zijn, maar wanneer u verkopen wilt, kunt u bij mij terecht.”

We denken er niet over dit stukje te verkopen, zelfs al zou ze niets waard zijn geweest, de waarde is voor óns niet te bepalen. Er zijn natuurlijk nog veel meer onderzoekingen verricht, het zou te ver voeren om heel die moeizame arbeid te beschrijven.

Wij kwamen echter aan de weet dat Emed vijf jaren niet meer thuis was geweest, hoe zijn laatste brieven getuigden van dat enorme verlangen, hoe heimwee hem steeds weer overvallen had, zijn reis naar huis, het huis dat hij nooit meer bereiken zou.

Wij hoorden van het doodsbericht, via de burgemeester aan zijn vader meegedeeld, men vertelde ons dat Emed in Lima, de hoofdstad van Peru, begraven lag, we hoorden dat een fotootje van „Tineke” waar zijn verlangen naar was uitgegaan, bestempeld met allerlei post en havenstempels, nagezonden was en uiteindelijk terugkwam op de plaats van afzending.

Maar geen van de drie zusters, waarvan op heden nog alleen de jongste in leven is, wilde iets weten van „Emed”.

Hoewel hij het nooit tegenover ons heeft uitgesproken, weet ik hoe hij hier geestelijk onder geleden heeft en nog steeds zal trachten de muur van vooroordeel af te breken, ofschoon ik bang ben dat daarvoor niet veel tijd meer is, want de jongste zuster is nu reeds meer dan zeventig jaren oud.

Allen die hem lief waren op aarde, heeft hij ginds reeds ontmoet, ook Tineke zoals hij haar steeds bleef noemen is reeds daar aangekomen, waar zij geconfronteerd zal worden met alle dingen die ik haar vertelde, maar die zij stug van de hand wees.

 

Lieve lezer, wanneer wij niet door Emed in aanraking waren gekomen met de geweldige liefdemacht, die hij ons meedeelde, wanneer wij niet zo volkomen begrepen hadden, dat hij op de allereerste plaats moest lijden onder deze afwijzing van zijn, nog in leven zijnde familie, dan zouden wij zeker geen verdere pogingen hebben gedaan om met onze ervaringen te trachten hun denkwijze hieromtrent te wijzigen. Maar door zijn liefde, waarvan wij zo dikwijls mochten getuigen en welke wij op zo ingrijpende wijze mochten ervaren, kregen we kracht en moed om op de ingeslagen. weg voort te gaan.

Ik, die beslist geen aanspraak wil maken op de naam van schrijfster, hoop dat ik u, die dit alles wilt lezen, niet verveel met mijn verhaal.

Eenmaal zullen wij Emed ontmoeten en zal hij ons wachten daar bij

 

„De Brug”.

 

Het bleef niet alleen bij aanzitten en gesprekken voeren. Emed gaf mij opdrachten: ik moest pastel-papier gaan kopen en pastel krijt.

Hoewel ik geen lijn kan tekenen, dacht ik er niet aan hieraan geen gevolg te geven en ik ging dus naar een winkel waar men dergelijke benodigdheden verkoopt.

Ik had ook helemaal geen verstand van die zaken en stond een beetje besluiteloos, met krijtjes in mijn handen.

„U moet franse pastels vragen,” hoorde ik Emed zeggen, „en wanneer u ze voor u heeft, zal ik u de kleuren laten bepalen.

Het papier dat u uitzocht is niet goed, vraag frans pastelpapier.” De winkelier keek mij een beetje vreemd aan omdat ik plotseling alles veranderen wilde, waarin ik reeds een keus gemaakt had, maar ik deed maar alsof ik mij vergist had.

Beladen met de attributen kwam ik thuis en ging zitten om te zien wat er nu wel zou gebeuren.

Juist zoals bij automatisch schrift, verkreeg ik nu een pasteltekening: „de Brug”.

Om een goed beeld hiervan te kunnen geven, moet ik eerst vertellen dat Emed al eens over die brug gesproken had, maar dat wij ons er toch geen goede voorstelling van konden maken.

Nu ontstond een tekening van een zeer bouwvallige brug, hangende over een onpeilbare afgrond.

De brug werd met touwtjes aaneen gehouden, de halve leuning was weggeslagen; in de aan elkander verbonden planken, die de brug vormde, waren grote gaten.

Ze hing volkomen scheef en helde naar de afgrond.

Wanneer ik in mijn leven een dergelijke bouwval als brug zou moeten betreden, zou ik er niet over denken er één voet op te zetten.

Aan de overzijde van de brug stond een kleine in het wit geklede gestalte met een brandende lantaarn.

De pastel werd gesigneerd door Emed, in zijn fijne regelmatige handschrift en op de volgende zitting werd de verklaring van „de Brug” gegeven:

„Ziet vrienden,” begon Emed, „wanneer de mens afscheid moet nemen van het stofleven, wordt hij door angsten voor het onbekende overvallen.

Niemand die niet met deze angst, in mindere of meerdere mate wordt geconfronteerd.

Vaak is het zo dat de mens tijdens zijn leven, wanneer er zelfs geen sprake is van ziekte of dood, hierdoor te lijden heeft.

Ik gaf u de Brug, om u een indruk te geven hoe de mens zijn Overgang naar een andere, voor hem totaal onbekende wereld, ziet.

Men kan zich geen andere voorstelling maken dan de afgrond, waarin men door de dood gestort wordt, men ziet de stap uit het leven, als de brug, waarop men zich niet wagen kan, zonder in de afgrond te vallen en men verzet zich tegen het betreden van de Brug (doodsangst) ; men klemt zich vast aan alles wat maar bereikbaar is (levensdrang) totdat men de strijd op moet geven want de dood is onherroepelijk en geen uwer kan daaraan ontkomen.

Nu staat u dus voor de „Brug”, misschien wendt u zich nog eenmaal om, terugziende op het voorbije leven, maar uw geest heeft reeds de brug betreden.”

Hiermee doelt Emed op het feit dat een stervende dikwijls nog uit een coma ontwaakt en een allerlaatste blik werpt op hen die achterblijven.

„Tot grote vreugde van hen die de brug betreden, blijkt dit geen bouwval, hangende over een onpeilbare afgrond, maar een vaste hechte overgang naar een nieuw land.

Men moet tot goed begrip komen dat de angsten welke bezit kunnen nemen van de mens, het sterven doen zien als een val in een peilloze diepte, al leven de mensen ook in een geloofsovertuiging die hen een leven na de dood doet aanvaarden, zij moeten toch het onbekende tegemoet treden en met de angst komt de twijfel in hun ziel.

Wanneer zij in uiteindelijke berusting de brug betreden, zien zij dat er een „gedachten-beeld” was, dat door hun doodsangsten bezit nam van hun gehele wezen.

Aan Gene Zijde van de Brug is hulp aanwezig, niemand wordt aan zijn lot overgelaten; hier de symbolisering van de brandende lantaren en de witte gestalte, welke u zal geleiden naar dat oord waar men krachtens zijn leven, thuis zal behoren.

Want men moet zich niet voorstellen dat men aan Gene Zijde geen enkele confrontatie meer heeft met het stoffelijk leven; de geest komt aan met alle fouten, gebreken en misdaden, maar ook met alle goede eigenschappen en goede werken die in werkelijke naasten-liefde tot stand gekomen zijn.

Men kan zijn misdaden echter niet afkopen.

Slechts door inzicht van de gemaakte fouten, door erkenning van een misdrijf, door berouw en boete, komt men tot het allesomvattende Licht dat wij kennen en de kleine lantaren is een symbool, dat het Licht bestaat. Er zullen wetenschappelijke beredeneringen komen van dit alles, er zullen altijd mensen zijn die zeggen: dood is dood, maar staan zij voor de brug, dan zullen zij anders redeneren of denken.

Ook ik ging die brug over, misschien in mijn ogen bouwvalliger dan ooit, maar ook voor mij brandde het lichtje en was hulp aanwezig.

De eerste die ik zelf over de Brug zou geleiden en ontvangen was mijn lieve moeder.

Hoe groot mijn vreugde ook was, ik wist dat zij niet aan mijn zijde zou mogen blijven, haar leven was zo geheel Anders geweest, ik had nog zoveel goed te maken, maar dat ik haar kon zien en vergeving kon vragen voor alles wat ik tegen haar misdreven had, voor mijn onverschilligheid en veronachtzaming, voor mijn trots en egoïsme, was een verlichting en alvorens weer mijn eigen zwerftocht te aanvaarden daar in dat nieuwe gebied, schonk de vergiffenis van moeder en haar stralende glimlach mij kracht en ongeëvenaarde moed.”

Emed's moeder is dikwijls in gezelschap van Emed verschenen en door diverse helderzienden beschreven.

(Deze beschrijvingen waren door de in mijn bezit zijnde foto's volkomen controleerbaar en klopten nagenoeg allen met elkander.)

Na de Brug volgden nog vele, vele pasteltekeningen en ook schilderijen in olieverf, waar natuurlijk ook weer de onkunde op dat gebied situaties bracht waar ik mij uit moest zien te werken. Zo stond ik weer in de winkel van teken- en schildersbehoeften en vroeg penselen.

„Wat voor penselen wenst u?” Ik had geen flauw idee. „Om te schilderen natuurlijk,” verklaarde ik.

„Water- of olieverf?”

Dat wist ik gelukkig, want ik moest ook olieverf kopen.

Ik kreeg een aantal penselen uitgestald en stond er weer besluiteloos mee te draaien.

Ik wist nu eenmaal niets van penselen en de kwaliteiten die daarin verwerkt worden noch van de verschillende haar-soorten. Ik had juist in mijn ogen geschikte penseeltjes uitgezocht toen ik Emed hoorde: „Wilt u marterharen penselen kopen; dit is varkenshaar en ik vind dat minder geschikt.”

Kunt u zich de verbazing voorstellen van de winkelier, die natuurlijk reeds lang gezien had wat voor een knik ik was op dat gebied, toen ik heel spontaan maar zeer beslist uitriep:

„Mijnheer dit is helemaal verkeerd, ik moet marterharen penselen hebben en de dikten moeten van 0 tot 10 variëren.”

„Maar marterhaar is het duurste penseel waarover wij beschikken,” zei hij.

„Oh, dat geeft niet, ik moet ze hebben,” antwoordde ik, dolblij dat die penselen bestonden en dat wij er dus weer een klein steentje bij hadden om onze overtuiging op te kunnen bouwen.

Ik dacht niet eens aan de ruïne die deze aankoop in mijn beurs veroorzaakte, maar wij spraken er wél over met Emed en zeiden eerlijk dat wij ons dergelijke uitgaven niet konden permitteren. Wij zeiden dat we volkomen begrepen dat hij niets meer te maken had met geld etc. maar dat wij in het stof-leven staande dit artikel nu eenmaal wel nodig hadden en dat wij er gezien de omstandigheden waarin wij op dat moment in ons leven waren, er ook beslist niet te veel van bezaten.

Emed was heel vriendelijk en zei tot ons: „maakt u zich geen zorgen lieve vrienden, ik zal zorgen dat u opnieuw kunt inkopen waar wij om vragen want ieder stukje werk is een bewijs van mijn bestaan.”

Logisch denkende, begrepen we niet hoe Emed nu aan geld moest komen om ons van het benodigde te kunnen voorzien en lachende bouwden we een sprookje op waar een zak geld zo maar in de kamer viel.

Natuurlijk was dat een sprookje en hechtten we er geen waarde aan, maar hoe meesterlijk Emed dat oploste, mag ik u niet onthouden.

Naast pastel- en schilderwerk werd nu ook boetseerklei gevraagd en vol goede moed gingen we ook hiermede aan de gang.

Die werkdagen met Emed zal ik nooit vergeten en in dankbare herinnering denken we dikwijls terug aan alles wat tot stand kwam.

Misschien maakt men uit deze laatste zinsnede op, dat ik nu geen werk van dien aard meer tot stand breng, niets is minder waar want kort geleden ontving ik nog een pastel van een fijn meisjeskopje, bestemd voor een echtpaar wiens dochtertje was overgegaan en deze tekening was een beeld voor hen van hun dochter in de huidige staat van leven.

Het openbare werk zoals ik dat jaren heb moeten doen, is momenteel echter voor mij afgelopen, maar wanneer ik daartoe weer geroepen zou worden, zou ik gaan, wetend dat ik onder bescherming van Emed, geen enkele angst zou behoeven te voelen.

Maar nu terug naar het mediamiek ontvangen werk.

Er kwamen mooie beeldjes tot stand; ik zelf vond het een vieze materie om mee te werken, maar toch kreeg ik er hoe langer hoe meer genoegen in om de voorstellingen te zien ontstaan.

Soms, wanneer het een grote groep betrof, stonden er in mijn werkkamer alle mogelijke stukken en onderdelen, zoals handen en hoofden en benen met voetjes eraan, het was alsof zij van Gene Zijde uit, alles probeerden om mij scholing te geven; en zo was het eigenlijk ook, want ik moest bruikbaar gemaakt worden en het allereerste beeldje kon niet meer vergeleken worden met later werk, waarin de scholing duidelijk te zien was.

Na verloop van enige tijd bezat ik een groep boetseerwerk, een map vol tekeningen en diverse olieverfschilderijen.

Nu zei Emed dat wij een expositie moesten gaan houden.

We gingen dus op zoek naar een geschikte ruimte en het duurde niet lang of wij hadden de beschikking over een zaal waar wij gedurende 14 dagen zouden kunnen exposeren.

We waren echt wel een beetje angstig; stel dat er geen mens zou komen; we hadden een contract moeten tekenen en zouden dus enorme kosten krijgen.

Natuurlijk twijfelden wij aan het welslagen van deze opzet, maar ergens was er toch ook dat onbeperkte vertrouwen in Emed, dat hij wel zou weten waar wij aan moesten beginnen.

Bij de opening van de expositie brachten onze kringleden en vrienden al nieuwe moed door de prachtige bloemstukken en de beste wensen voor succes die ons werden gezonden.

Het werden veertien dagen om nooit meer te vergeten; alle pastels en schilderijen werden verkocht. Uit het boetseerwerk redde ik de eerste twee werkstukjes, anders zou ik nu niets meer bezitten en... door die 0.50 ct. entrée en de verkoop van al het werk, bezaten we meer dan voldoende om nieuwe materialen aan te schaffen.

Emed had zijn belofte aan ons ingelost.

Het zou niet bij deze ene tentoonstelling blijven, maar daarover later. Naast het boven omschreven werk, ontstonden ook zeer kleine beeldjes van paraffine, een wasachtig product, hetwelk men ook in vaste vorm kan kopen voor het maken van kaarsen en vaseline.

Emed vroeg om een blok van deze materie en wij, die allang verleerd hadden te vragen waar dit nu weer voor moest dienen, verkregen het bij een drogist en verfhandelaar.

Deze paraffine nu werd verhit, daarna gesmolten uitgestort en in stollende toestand werd er een beeldje van gemaakt, met de vingers en als enig werkinstrument een speld of een fijn gepuntte lucifer. Het was zulk ragfijn kantwerk, dat het werkelijk uit die andere wereld scheen te komen en de voorstellingen die zij te zien gaven waren daar ook geheel naar gericht. Maar ook vervaardigde men veel bloemen en zo stond dan ook op de boven omschreven tentoonstelling een tafel vol van dit werk, met als middenstuk een uit klei vervaardigde mand vol witte paraffine rozen, die wij voor wij de expositie openden even besproeiden met water, waardoor het licht van de kroon de illusie wekte alsof deze rozen juist een verfrissende bui hadden ontvangen en in de zon te glinsteren stonden. Ook dit werk werd veel gevraagd en ofschoon ik er op wees dat het uiterst breekbaar en niet tegen hitte bestand was, wilde men iets meenemen van die wondere expositie en gaf ik dus hier en daar de kleine figuurtjes weg. Natuurlijk wisten we toen nog niet, konden ook niet weten, want er werd door Emed over gezwegen, dat zo'n enkel figuurtje oorzaak zou worden dat ik een ontmoeting zou hebben met een van mijn meest geliefde vrienden aan Gene Zijde.

Op uitnodiging van de vereniging „Nieuw Leven” te Tilburg moest ik daar een Psychometrische avond gaan verzorgen.

Zoals gewoonlijk zorgden wij ervoor tijdig aanwezig te zijn en begaven ons wandelende naar het opgegeven adres.

Wij werden zeer vriendelijk ontvangen door een reeds oudere dame, die ons voorging naar een prachtig ingerichte kamer en zei dat ze vlug een kopje thee voor ons verzorgen ging.

Ik bezit (net als Emed) gevoel voor mooie dingen en zonder onbescheiden te willen zijn, dwaalden mijn ogen naar een chiffonnière vol zilver en kristal, genietende van de schoonheid van deze dingen.

Opeens werd ik getroffen door een 5 cm hoog wit beeldje en op datzelfde ogenblik kwam de thee.

„Mevrouw,” riep ik, „hoe komt u hier in 's hemelsnaam aan een paraffine werkje van mij?”

Ze antwoordde: „dat is een hele geschiedenis. Ik wilde graag uw tentoonstelling bezoeken, maar werd door allerlei omstandigheden hierin verhinderd. Ik schreef mijn zuster over de teleurstelling die dit voor mij betekende en zij bezocht uw tentoonstelling. Zij kocht er niets, maar keerde later weer terug met een paar dameskennissen. Op die avond (dat moet dus de laatste tentoonstellingsdag geweest zijn) was er bijna niets meer waar niet het kaartje „verkocht” op stond en hoewel ik haar dus gevraagd had iets voor mij uit te zoeken, wist zij niet waar zij mij nu genoegen mee zou kunnen doen. Enige dagen daarna ontving ik van mijn zuster een pakje waaruit in watten verpakt dit beeldje kwam en een brief, waarin zij schreef:

Mevrouw Mulder leidde de bezoekers(sters) allemaal persoonlijk rond in kleine groepjes en gaf een explicatie van haar werk waardoor alles veel duidelijker tot ons begrip werd gebracht. Bij een tafel vol van dit werk gekomen, gaf zij mij dit beeldje met de woorden: ik moet dit aan u geven mevrouw en u zult zelf het beste weten dat dit een teleurstelling een klein beetje moet vergoeden, maar pakt u het goed in want het is zeer breekbaar en het gaat hier uit de stad vandaan.

Natuurlijk wist ik toen, dat dit beeldje voor jou bestemd was, aldus de briefschrijfster.

„Ik ben er heel blij mee en u ziet, het staat tussen mijn kostbaarste bezittingen,” vervolgde onze gastvrouw, „maar ik wil u er eerst persoonlijk voor bedanken en vragen waarom u dit juist aan mijn zuster gaf.”

Ik vertelde haar, dat ik daar helemaal niet bij stilgestaan had en dat dit een spontane opdracht moest zijn geweest, waar ik persoonlijk geen enkel aandeel in gehad kon hebben en alleen maar gedaan had wat mij op dat ogenblik werd opgedragen.

's Avonds op de bijeenkomst die heel prettig was en druk bezocht, iets waar ik zelf in het R.K. Tilburg nog al sceptisch tegenover gestaan had, zag ik bij onze gastvrouw een vriendelijke Intelligentie, hij moest gezien zijn kleding dominee geweest zijn. Het prachtige witte haar straalde alsof hij in een gouden licht stond.

Ik beschreef hem ”bij haar en zij antwoordde eenvoudig: „dat is mijn zwager mevrouw, de overgegane echtgenoot van mijn zuster die uw beeldje aan mij gezonden heeft.” De Intelligentie glimlachte en zei: „Mijn naam was Dijkema.” Natuurlijk riep ik dit onmiddellijk uit en onze gastvrouw was zo ontroerd dat zij haar tranen niet meer verbergen kon.

De Intelligentie groette allen en gaf de zegen en vertelde mij persoonlijk: „Ik zal nog dikwijls bij u terugkeren, ik zal een van uw vrienden zijn.”

We waren er alleen maar gelukkiger om.

Later op een bijeenkomst in Hilversum sprak ds. Dijkema daar een rede uit zoals hij reeds meer gedaan had.

Er waren twee heren aanwezig die met spanning ieder woord en ieder gebaar volgden en toen de pauze was aangekondigd, kwamen zij naar mijn man omdat zij mij die korte rustperiode niet wilden onthouden en vroegen: „Mijnheer, u kunt ons misschien helpen, wij horen en zien dat deze spreker slechts één dominee kan zijn. Mogen wij zeggen wie dat is?”

Mijn man wachtte rustig af en zei: „Zegt u het dan maar eens.” De heren vervolgden: „Wij zijn beide bij ds. Dijkema op catechisatie geweest en de hele manier van doen, de spreekwijze en de vermaningen kunnen slechts van deze dominee zijn.”

Het was een ongevraagd bewijs, maar voor ons van grote waarde. Ds. Dijkema zal door mij nog eenmaal in dit boek worden genoemd, maar dat hoort wel elders hierin thuis.