HOOFDSTUK 10

 

 

 

Wij houden een bijeenkomst, waarin Emed spot

met de zwaartekracht

 

Onder alle werkzaamheden die mij werden opgedragen, trachten wij toch zo geregeld als onder die omstandigheden mogelijk was, onze kringavonden te houden.

Tijdens die kringavonden leerden wij immers en werden ons lessen gegeven en nieuwe experimenten opgedragen, waardoor ieder van ons in staat was, om op gestelde vragen antwoord te geven.

Het was immers zó, dat wanneer men over deze bijeenkomsten sprak, er na enige tijd steeds weer nieuwe vragen voor de dag kwamen. De ene begreep dit en de andere dát niet goed en steeds weer opnieuw bewonderden wij Emed, die met oneindig geduld trachtte het alles begrijpelijk te doen worden voor elk die een ernstige poging tot onderzoek deed.

Natuurlijk is het niet zo gemakkelijk om een basis te vormen, waarop een overtuiging kan worden gebouwd, maar Emed zei altijd: „wanneer u de moed kunt opbrengen om een jaar lang te onderzoeken, verzeker ik u dat uw overtuiging in een bewust voortbestaan na de stoffelijke dood gevestigd is.”

Natuurlijk moesten wij ook altijd rekening houden met sensatie- zoekenden en menige avond waren zij op onze openbare bijeenkomsten aanwezig. Ondanks het feit dat ik door Emed voor hen gewaarschuwd werd, lieten wij hen, met zijn instemming, altijd gewoon plaats nemen en eerst wanneer men anderen lastig viel of de spot dreef met een boodschap van Gene Zijde ontvangen, greep ik in.

Het kwam soms voor, dat Emed eerst nog een vermaning gaf; hij zei dan met zijn vriendelijke stem, waarin een ernstige donkere toon, voor ons natuurlijk kenbaar, blijk gaf dat hij een vermaning uit ging spreken: „Vriend, wanneer u deze dingen niet begrijpt, ga dan uit en onderzoek deze. Tracht uzelf niet bespottelijk te maken door te lachen om zaken waarmee u een geheel onbekend terrein betreedt.

Wij zouden ons even dom gedragen als u, wanneer wij in uw kerk gingen zitten om ons te vermaken met datgene wat uw priester of dominee te zeggen heeft.”

Meestentijds keek men dan beschaamd voor zich en het kwam ook wel voor, dat men mij na afloop van de avond excuus kwam aanbieden voor het onhebbelijk gedrag.

Er werden ook wel eens andere maatregelen genomen en ik herinner mij zeer goed dat ik de spotter vriendelijk moest verzoeken even met mij mee te gaan, iets wat zij tot mijn innerlijke pret, even verbaasd als nieuwsgierig, ook deden.

Buiten de deur van de zaal, die zorgvuldig door mij gesloten werd, zei ik dan: „Het spijt mij, maar u bent beslist nog niet rijp genoeg om deze belangrijke dingen te onderzoeken, gaat u voorlopig nog maar naar een bioscoop.”

Met een vriendelijke groet keerde ik dan naar de zaal terug, ze waren er gewoon uit gezet.

Nooit heeft in zo'n geval iemand geprotesteerd, mijn optreden scheen hun zo te imponeren, misschien waren zij ook eenvoudig overbluft, zodat zij nooit in de zaal terugkeerden om hun plaats die zij hadden moeten verlaten, weer op te zoeken.

Nooit had ik het gevoel boos of driftig te zijn, wel heb ik altijd de indruk gehad dat het Emed was wiens kracht zich in mij manifesteerde. Ik schreef reeds dat in onze kring experimenten tot stand kwamen en één ervan wil ik hier beschrijven.

Het is een bekend verschijnsel dat tijdens een séance de tafel waaraan de aanwezigen plaats nemen, in beweging komt.

In onze kring én op de openbare bijeenkomsten, trad dit verschijnsel regelmatig op.

Meestentijds ging de tafel met een enorme snelheid door de zaal, om dan plotseling stil te staan bij een van de aanwezigen.

Voor mij een teken om nauwkeurig te luisteren en de boodschap aan haar of hem, voor wie deze bestemd zou zijn over te brengen. Dit overbrengen van die boodschappen heeft nooit gefaald.

Altijd weer opnieuw kregen wij de bevestiging van de juistheid en de beschrijving van de aanwezige Intelligentie werd dan als ondersteuning van deze mededelingen verstrekt.

Men kan dat nu op een of andere manier wetenschappelijk trachten te verklaren, door te beweren dat dit „een putten uit het onderbewustzijn” van de aanwezigen is, maar ik verklaar met nadruk, dat zich Intelligente persoonlijkheden bij ons aanmeldden, waarvan men niet eens wist dat zij waren overgegaan en waarvan men eerst na onderzoek, dikwijls in het buitenland, de bevestiging kreeg.

Zo kon het gebeuren dat een dame die bij ons aanwezig was, door middel van haar overleden zuster Lien, een bericht kreeg, dat haar man die arts was in Indonesië (na de overdracht daar gebleven) niet meer zou terugkeren omdat hij in een ravijn gestort was, in gezelschap van twee Indonesische assistenten.

Daar zij reeds gedurende enige tijd zonder berichten van haar man was gebleven, stelde zij een onderzoek in en het bleek dat haar man van een inspectiereis niet was teruggekeerd, maar dat men geen bevestiging kon geven van zijn ongeluk.

Zij heeft nimmer meer iets van haar man vernomen en het heeft zelfs jaren in beslag genomen alvorens zij het pensioen waarop zij recht had, uitbetaald kreeg, omdat men van Rijkswege niet kon bevestigen, dat haar man inderdaad verongelukt was.

De nauwkeurige beschrijving van het ongeval kwam eerst aan het licht, toen de berichten uit Indonesië naar Nederland wat soepeler loskwamen. Deze dame wiens naam hier niets ter zake doet, zou te allen tijde de waarheid omtrent dat doorgekomen bericht willen bevestigen. Dit bericht is één van de velen die door middel van tafelbeweging werd overgebracht.

Emed zei dat zij op die wijze hele gesprekken konden voeren, maar dat ik hen te goed kon horen om dergelijke tijdrovende arbeid te prefereren.

Hij vertelde ons dat zij van ectoplasma, dat is een vrij dunne substantie, welke aan de krachten van alle aanwezigen wordt onttrokken, een soort „hefboom” opbouwen, waardoor zij een voorwerp in beweging kunnen brengen.

Ik sprak over het verschuiven van een tafel, maar honderden met mij hebben waargenomen dat een tafeltje op één poot in het rond draaide en dat men op het overige deel van de tafel rustig plaats kon nemen zonder dat de tafel omviel.

Wij zagen een ongebruikte stoel, in onze eigen kring, van de ene naar de andere kant van de kamer glijden zonder dat iemand deze stoel aanraakte.

Ik vertelde u reeds dat wanneer een van onze kringleden verhinderd was de bijeenkomst bij te wonen haar of zijn stoel eenvoudig uit de kring werd gezet en de anderen opnieuw aansloten.

Dat gebeurde op die avond toen wij met één persoon minder aanzaten.

Natuurlijk wordt dit weer wetenschappelijk verklaard als de werking van moleculen, omdat de aanwezigen de handen op de tafel houden, maar niemand zat nu juist met zijn handen aan die stoel die eigener beweging zich verplaatste naar een ander gedeelte van de kamer, precies zoals iemand zou kunnen doen, wanneer die stoel in de weg had gestaan.

Het kwam voor dat de Tafel, wanneer deze in beweging kwam, met zo'n vaart weggleed, dat alle handen eraf werden geschoven en dat ik op een holletje met één hand nog maar ten dele op de tafel er achter aan moest.

Wij hebben gezien hoe een tafel langs de muur omhoog „liep” en wij met spoed de aan de wand hangende schilderijen moesten verwijderen omdat de tafelpoten ze anders misschien wel beschadigd zouden hebben; ik zelf ben wel op een stoel gaan staan om de tafel althans enige steun te kunnen geven, tot plezier van Emed, die er voor zorgde dat de tafel weer pootje voor pootje langs de muur naar beneden kwam, zachtjes neerkomende op de grond, alsof zij heel voorzichtig werd neergezet.

Maar het was niet altijd een groot voorwerp, een potlood werd op een tafel gelegd en deze werd in een hoek van 50° omhoog getild, maar het potlood rolde niet op de grond, het bleef liggen, juist zoals het was neergelegd.

Dit gebeurde niet in onze particuliere kring maar onder de ogen van meer dan honderd aanwezigen.

Enige studenten die een onderzoek wilden instellen, omdat hun studie wel enige kennis van deze zaken vereiste, gingen in de kelder van het gebouw kijken, met toestemming van de directrice, om te zien door welke elektrische toestellen dit opheffen van de tafel mogelijk werd gemaakt.

Emed vermaakte zich er ontzaglijk mee en zei tegen mij: „wij zijn immers niet meer aan de wetten van zwaartekracht onderhevig en wij spelen met die wet.”

Het waren bijna dezelfde woorden die een leraar in de natuurkunde uitriep bij het aanschouwen van de manifestaties met een tafel: „maar dit gaat tegen alle wetten van de zwaartekracht in, het is ongelofelijk, maar ik constateer een feit.”

Deze leraar wekte zijn leerlingen op een avond bij ons te gaan kijken, maar onder voorwaarde dat zij zich keurig netjes zouden gedragen, zoals één van hen verklaarde, toen wij bezwaren hadden hen, gezien hun leeftijd, op onze bijeenkomst toe te laten.

Zij hebben ons, hoewel zij een gehele reeks van deze avonden hebben bijgewoond, nimmer ergernis gegeven en de door hen gestelde vragen getuigden van hun grote, ernstige belangstelling. Emed maakte nimmer bezwaren wanneer hem een vraag werd voorgelegd deze te beantwoorden; slechts wanneer de vraag hem bracht op een terrein niet geschikt om in het openbaar behandeld te worden, verzocht hij om een particulier onderhoud en dat weigerden wij natuurlijk nimmer.

Hij hield een ieder vóór om alles toch in ernst te onderzoeken, want in ieder geval zou men beter uit die strijd tevoorschijn komen dan men was voor de aanvang van het onderzoek.

Zelfs al geeft het u geen overtuiging, wanneer u maar tot besef komt dat er veel meer dingen zijn, dan welke de mens kan waarnemen.

Het absoluut negeren van de wetten van de zwaartekracht heeft menig toeschouwer deze overtuiging gebracht.

Ik liet nooit dezelfde aanwezigen aan de tafel plaats nemen. U moet zich dat als volgt voorstellen:

Langs de muren van de zaal plaatsten wij de stoelen, zodat er een grote cirkel ontstond; vaak twee of drie rijen dik en dan in het midden van de zaal een kleine tafel, waaraan vier personen konden plaats nemen.

Was de avond begonnen, dan werd ook niemand meer toegelaten, zodat men in de zaal geen rustverstoring behoefde te vrezen.

Mét mij zaten dus altijd drie personen aan de tafel en deze werden door mij nogmaals, ongeveer op de helft van de bijeenkomst, verwisseld, zodat men ook nimmer de gedachte kon hebben: „dat is vast afgesproken werk”. Zonder enige twijfel kon men immers zelf gevraagd worden aan de tafel plaats te nemen?

Dat er ongelovige Thomassen onder hen waren, kan men begrijpen, maar Emed kende ons nimmer het recht toe, onze overtuiging aan anderen op te dringen.

Wel werden onder zijn leiding dikwijls personen uit de zaal gevraagd aan de tafel te komen zitten die naderhand eerlijk verklaarden: ik ben hier gekomen om u te ontmaskeren, maar wat ik meegemaakt heb, kan niemand mij meer ontnemen en dan was het doel van Emed, de mensen tot nadenken te brengen, bereikt.

Op zo'n avond plaatste ik een heer aan de tafel, die stilletjes gedacht had: „Wanneer ik aan die tafel kom te zitten dan moet die mevrouw van goede huize komen, wil die tafel gaan wandelen.” Enfin, hij mocht aan de tafel komen en niets vermoedende van zijn gedachtengang, verzocht ik hem zijn handen op de tafel te leggen en met ons rustig af te wachten.

Ogenschijnlijk gebeurde er niets, tot ik opeens naar die heer moest kijken die zo intens bleek zag dat ik hem vriendelijk vroeg of hij misschien onwel werd. Op dat moment gleed de tafel onder zijn handen weg.

Hij vertelde na afloop van de séance: „Ik wil u allen graag ver- klaren wat ik ondervonden heb. Ik ben aan gaan zitten met de gedachte, die tafel zal vanavond geen beweging maken en daarom klemde ik beide voeten om een poot heen, volgens 'mij bestond er geen mogelijkheid om die poot los te krijgen. Ik kreeg plotseling een gevoel alsof er tegen mijn been geschopt werd en schrok geweldig want dat kon niemand van de aanzittenden doen zonder dat men het zou hebben bemerkt.

Ik wist dat alle kleur uit mijn gezicht weg trok, dat was op het moment dat mevrouw Mulder mij aankeek en toen schoof de tafel onder mijn handen weg, ik had mijn voeten door de schrik van de tafelpoot weggenomen.”

Hoewel deze heer streng Rooms Katholiek is, was dat voor hem geen enkel bezwaar een onderzoek in te stellen naar de verschijnselen en een overtuiging te verkrijgen van een bewust voortbestaan. Emed beschouwt hem als een van zijn beste vrienden op aarde. Hij had er immers altijd plezier in wanneer men de moed kon opbrengen om kritisch te onderzoeken, we hebben niets aan „jaknikkers,” zei hij dikwijls, die knikken ook meteen weer „neen” als hen dat beter uitkomt, maar hij had een verachting voor alles wat zweemde naar oneerlijke kritiek, hij kon dan heel scherp zijn aanval richten en ondanks het feit, dat hij in de aanvang vriendelijk en rustig bleef, ontzag hij zich niet om in felle bewoordingen zijn bewust „daarzijn” te verdedigen. Toen ik eens een uitnodiging ontving voor een wetenschappelijk onderzoek, zei hij kortweg „neen, daar geef ik geen toestemming voor, indien er iets vernietigd moet worden kunnen wij dat zelf ook wel.”

Werken zonder Emed was voor mij een ondenkbare zaak, maar toch wilde ik wel weten waarom hij dat zo cru geweigerd had, iets wat wij niet van hem gewend walen.

Hij verklaarde: „wanneer het anders zou toegaan, zou er geen enkel bezwaar zijn, voor ons is helderziendheid niet te bewijzen door het draaien van speelkaarten of anderzins, dit kan op „geluk” van dat ogenblik wijzen en als alles wat tussen u en mij voorvalt wetenschappelijk verklaard wordt, zou dat in u misschien een onvoorstelbare twijfel teweeg brengen en daar geef ik u niet aan over. Wanneer een onderzoek gewijd aan de wetenschap in een concrete vorm gepubliceerd wordt, zonder vaagheden, met voor zover dat mogelijk is exacte uitspraken, dan zal ik graag medewerking verlenen, maar niet om in stukken te laten gooien wat door ons met jarenlange inspanning is opgebouwd.”

Ik kon hiertegen natuurlijk weinig inbrengen, al geloofde ik onze overtuiging wel zo sterk dat ik aan een onderzoek niet bezwijken zou.

Emed sprak er verder niet meer over, maar wij zouden zo'n wetenschappelijke verklaring toch nog eens bijwonen en ik zou er natuurlijk tegenin gaan, maar daar was op dat moment de tijd nog niet rijp voor.

Op onze séance’s werden talloze bewijzen gegeven van het voortbestaan, de ene keer sterker dan de andere keer, maar steeds opnieuw werden wij geconfronteerd met de waarheid omtrent hen die aan Gene Zijde leven. Ofschoon het een grote wens was om met andere media samen te werken, omdat het volgens mij de overtuigende kracht zou versterken, bleef dit vooralsnog een vrome wens en ik moest al het werk met Emed samen verrichten. Emed maakte echter ook graag plaats voor een andere vriend van Gene Zijde en zo kwam op een avond professor Bolk bij ons. Hij vertelde in de aanvang wat stuurs, dat hij anatomie doceerde te Amsterdam. Een kolfje naar onze hand want wij roken een onderzoek. Hij vertelde voorts dat hij ernstig ziek, door kanker was heengegaan, wanneer dat kon hij niet zeggen, wel dat er nog een been geamputeerd was, maar het heeft alles niet mogen baten. Hij wilde graag helpen wanneer de mensen daarmee gebaat zouden zijn en kort daarop vertrok hij reeds.

Eerlijk gesproken, we vonden hem niet zo vriendelijk, gewend als wij waren aan Emed's vrolijke opmerkingen, zijn zachtaardige woorden en zelfs aan zijn strenge opvattingen, zodat we niet bijster enthousiast konden zijn over deze stugge prof, die alle woorden scheen af te bijten. Maar Emed zou Emed niet geweest zijn, wanneer hij geen lans brak voor deze vriend die zoals hij zei toch gekomen was om te helpen. „U moet niet uit het oog verliezen,” zo zei hij, „dat u voor hem ook vreemden bent, juist zoals hij voor u. U zult zelf meemaken hoe goed hij zijn kan, maar het is nu eenmaal zijn gewoonte om in korte zinnen alles uiteen te willen zetten en ik geloof stellig dat wij dit moeten opvatten als een werkelijk bewijs dat hij in zijn vak op aarde geen tijd had om alle woorden te verklaren. Geloof maar dat hij op dezelfde wijze college heeft gegeven.”

Later vertelde prof. Bolk ons dat zijn voornaam Louis geweest was en hij verweet ons dat we nog niets onderzocht hadden, „alsof u niets van mij wilt weten,” zei hij.

We hebben het onderzocht, we kregen te horen dat hij aan kanker gestorven was, dat zijn been geamputeerd was geworden, dat hij doceerde in anatomie, en dat men hem de bijnaam had gegeven: „de man van 'de botjes”. Dit alles werd ons meegedeeld door een oud-student, arts in Amsterdam, die tijdens onze bijeenkomsten volop de gelegenheid kreeg met prof. Bolk te spreken en ons mededeelde dat hij door de wijze van spreken en de gewoontegebaren niet twijfelen kon aan de identiteit van deze Intelligentie. Opgemerkt zij dat deze arts niet tot onze kring behoorde en een zeer nuchter man is, die men beslist geen knollen voor citroenen kan verkopen.

Zo hebben we er nog een vriend bijgekregen en waar anderen ons vertelden over dat land aan Gene Zijde, kwam prof. Bolk altijd in verband met ziekten en ongemak van de aanwezigen en hij gaf graag en goed adviezen.

Zijn stuurse houding tegenover ons heeft hij reeds lang laten varen al zal hij tijdens zijn werk geen woord teveel gebruiken en kan hij op bijtende toon zeggen: „Vriend, wanneer u geholpen wilt worden dient u te leren gehoorzamen, ik heb u een advies gegeven, maar u heeft het niet opgevolgd, dat moet u weten, maar geeft u ons dan niet de schuld wanneer het misloopt.

Wanneer u hierover voldoende heeft nagedacht, dan wil ik u wel weer opnieuw van advies dienen.”

De betrokkene bleek dan inderdaad om welke reden ook in gebreke te zijn gebleven zijn goede raad op te volgen en... zij wisten het aan Gene Zijde zonder dat iemand dat aan hen had kunnen vertellen.

Nog steeds verschijnt prof. Bolk op onze bijeenkomsten, een raadsman voor hen die lijden en met Emed zou hij onze Ziekendiensten gaan leiden.

Maar eerst zouden wij door grote beproevingen heen moeten opdat ik zou kunnen leren dat waar geen aardse krachten of kennis meer konden baten, men door vertrouwen en liefde hulp kon ontvangen die niet van deze aarde is.

Zoals Emed zei: „U vertelt nu aan alle mensen hoe sterk men kan zijn in het vertrouwen dat er een bewust voortleven is. Er zal echter een tijd komen dat u zult moeten bewijzen dat u zelf van deze woorden overtuigd bent, omdat deze overtuiging in u tot levend, onvervreemdbaar goed moet worden.”

Hij zei niet wat ons te wachten stond en we waren mens genoeg om te denken „komen die tijden, dan zullen we het ook wel weer zien” en gingen rustig verder met de dingen van alle dag.