HOOFDSTUK 26
Iets over onbetrouwbaarheid in het mediumschap
Dit werk zou nooit compleet genoemd kunnen worden wanneer ik daar aan voorbij zou gaan, want ook dit is een zeer belangrijk punt. Wat verstaat men eigenlijk onder een bedrog medium?
Natuurlijk iemand die anderen maar iets op de mouw speldt en zegt dit te hebben ontvangen vanuit een andere wereld.
Dat is het dan kort en goed, maar met deze uitspraak zijn wij allerminst waar wij zijn moeten.
Het komt voor, dat een natuurlijke nerveuze aandoening een medium parten gaat spelen, b.v. bij een wetenschappelijk onderzoek.
Dat ook Emed dit weet, getuige het feit dat hij nadrukkelijk verbood om in te gaan op voorstellen om als proefpersoon te fungeren. Men moet goed begrijpen dat Emed beslist geen tegenstander van een wetenschappelijk gericht onderzoek is, maar men moet ook tevens begrip hebben op welke leest een dergelijk onderzoek vaak is geschoeid. Slaat men oude lectuur op, dan leest men hoe een medium in strak sluitend tricot, de armen en benen kenbaar gemaakt door lichtgevende banden, maar bovendien nog vastgehouden aan armen en benen door de onderzoekers, zijn werk moest verrichten en bovendien dikwijls nog in een soort kooi geplaatst werd, opdat hij toch maar vooral geen bewegingsvrijheid zou kunnen hebben.
Wanneer men al van het standpunt wilde uitgaan dat het fenomeen werkelijk in contact kwam met een hogere wereld, dan vraag ik mij af of die Hogere Wezens zich niet diep gegriefd hebben moeten gevoelen bij het ten toon spreiden van een dergelijk wantrouwen tegenover het door hen uitverkoren medium.
Stelt men zich dan tevens voor dat ik zelf, zoals ik reeds eerder heb beschreven, graag rondloop tijdens mijn werk, dan kan men ook wel begrijpen dat het zien van een kooi, gesteld dat deze ook nu nog wordt gebruikt, mij alles behalve op mijn gemak zou stellen.
Een tweede factor is, dat de wetenschappelijke onderzoeker een medium op een bepaalde tijd kan bestellen.
Zou men ook al een afspraak maken met de controle van het medium, dan is de vraag toch nog open, of een medium juist op die vastgestelde tijd, juist op die dag, wel in conditie is.
Dit is een belangrijk punt. Men kan zich niet gedisponeerd voelen, maar dan zitten de wetenschappelijke onderzoekers te wachten en dat wil een proefpersoon gewoonlijk ook niet op zich laden, dus dan toch maar naar de afspraak gaan.
Deze twee punten, de omstandigheden waaronder het onderzoek zal plaats vinden en het al of niet gedisponeerd zijn, mogen wij nooit uit het oog verliezen.
Emed vraagt altijd om muziek en wierook; de eerste als een hulp voor de ontwikkeling van krachten, door de trillingen welke muziek teweeg brengt en ten tweede de wierook om aan het vertrek waar de séance zal worden gehouden een wijdingssfeer te brengen.
Dit laatste dus bepaald niet omdat ik R.K. groot gebracht ben, zoals iemand uit onze kringen eens heel hatelijk placht op te merken. Ik schrijf dit om te voorkomen dat anderen precies dezelfde fout zouden maken.
Toen de Drie Wijzen uit het Oosten Jezus in de Geboortegrot wierook aanboden, deden zij dat toch ook niet omdat er uit Zijn Geboorte misschien eenmaal een Kerk zou ontstaan, maar wel omdat het een kostbare, wijdingsvolle gave was.
Wij willen onze geestelijke vrienden met deze kleine gave een vreugde bereiden.
Wanneer men zo dom kan zijn in onze eigen kring met een dergelijke veronderstelling, dan vraag ik mij af, wat voor gezicht de wetenschappelijke onderzoeker zou trekken wanneer ik, in plaats van in een nauwsluitend tricot in een kooi te stappen, om muziek van Chopin en wierook zou vragen.
Zelfs wanneer ik een séance met deze onderzoekers zou mogen hebben, dan zou men er reeds van moeten uitgaan, dat een medium gedurende 1½ à 2 uur, doodstil en ernstig wacht op datgene wat te komen vermag en daarvoor is meer nodig dan de gehele wetenschappelijke wereld van onderzoek kan begrijpen, laat staan verklaren.
Het is dwaas te veronderstellen dat een gewoon mensenkind gedurende die tijd actief bezig zou zijn medeschepselen voor de gek te houden.
Tijdens onze bijeenkomsten werden door de aanwezige kringleden alle bewegingen en houdingen genoegzaam gecontroleerd en men kwam tot de algemene conclusie, dat deze niets te maken hadden met mijn persoonlijke houding of gewoontebewegingen.
Daarbij komt ook nog, dat men tracht te verklaren, wat nog niet half begrepen is, en dergelijke verklaringen vallen meestentijds ten nadele van het medium uit.
Dit kunnen wij echter rustig verwijzen naar de innerlijke angst, te moeten erkennen wat stoer en stevig tot nu toe ontkend werd. Leest men verslagen of boeken over wetenschappelijk onderzoek, dan ontkomt men stellig niet aan de gedachte dat men voor iedere onverklaarbare belevenis, gedurende een séance toch wel een verklaring heeft al is deze verklaring vlees noch vis.
Ik heb een medium gekend dat door „wetenschappelijk” onderzoek, totaal uitgeput en zenuwziek is geworden en overdekt was met zenuwexceem. Ging in de aanvang het onderzoek vrij gemakkelijk en welwillend, de „duimschroeven” werden hoe langer hoe meer aangedraaid en het gevolg was dat de man zijn werk verknoeide. Misschien heeft hij wel nooit de bedoeling gehad om enig bedrog te plegen, misschien heeft hij wel in de uiterste wanhoop gehandeld, maar vast staat dat hij als een bedrieger werd gedoodverfd en tot het eind van zijn leven daaronder te lijden heeft gehad.
Hij wilde ook totaal niets meer doen, er was een lethargische toestand ontstaan waaruit niemand vermocht hem weg te halen.
Ik herinner mij heel goed zijn tot het laatst geuite klacht: „zij hebben mij van Gene Zijde in de steek gelaten, ik was volkomen weerloos.”
Ik kende zijn controle niet, maar had op een avond toen wij bij hem op bezoek waren, kort voor zijn heengaan, het geluk deze waar te nemen achter de stoel waarin zijn vrouw was gezeten.
Ik moest een boodschap voor hem overbrengen en deze luidde:
„zeg aan hem (het medium) dat wij hem niet in de steek lieten, maar dat hij met zijn rug naar ons toe is gaan staan.”
Ten bewijze dat hij het werkelijk was, noemde de Intelligentie de naam: Herremijntje, iets wat mij niets kon zeggen omdat beide mensen een geheel andere naam droegen.
De naam Herremijntje was wel degelijk de naam die de vrouw des huizes in werkelijkheid bezat en de naam waaronder ik haar kende was een zelfgekozen naam die zij prettiger vond, zoals wel meer in het leven voorkomt.
Er bleef nog over het vraagstuk wat de controle bedoeld kon hebben met de woorden die hij had geuit.
Wat betekende „hij is met zijn rug naar ons toe gaan staan?”
Er kunnen twee mogelijkheden zijn. Ten eerste, wanneer het medium onweerlegbaar bedrog zou hebben gepleegd, dan kan het zijn dat hij zich schaamde en zijn controle niet meer durfde aanzien.
Ten tweede de mogelijkheid dat hij zich niet bewust is geweest van enige handeling die op bedrog geleek waardoor hij zich in een gevoel van wrok van zijn geestelijke vrienden afkeerde omdat hij zich alleen gelaten voelde.
Er is nog een derde mogelijkheid waaraan ik zelf veel waarde hecht. Hij kan zich gejaagd en onzeker hebben gevoeld tegenover het wetenschappelijk onderzoek, daardoor kan hij zichzelf niet meer geweest zijn; er trad misschien wel een soort minderwaardigheidsgevoel op t.a.v. zijn mediumschap. Hoe dan ook, hij moest en zou de bevestiging hebben van dat mediumschap en ik kan mij voorstellen dat alleen de bevestiging daarvan voor hem nog maar primair werd gesteld.
Hij is zichzelf niet meer geweest en maakte zijn werk tot een aanfluiting van dat mediumschap. Ik begrijp zijn lijden daarna toch wel goed. Ik kan het niet goed praten, ik heb de bewijzen van zijn knoeierijen in handen gehad, ze stuk voor stuk onder de loupe gelegd en besproken en ik mocht niet ontkennen dat er inderdaad bedrog was gepleegd.
Innerlijk was hij totaal gebroken, maar zijn ogen lichtten altijd blij óp wanneer ik hem bezocht, maar meestentijds was hij toch apatisch en kreeg men de indruk dat niets op deze wereld nog zijn interesse kon wekken.
Zijn levenseinde was even triest, troosteloos, vergeten door hen door wien hij eerst op een voetstuk was geplaatst.
Ik heb mij tijdens de gesprekken die wij samen nog hebben gehad en waarin ik hem trachtte op te beuren, absoluut gedistancieerd van de veroordeling die over hem werd uitgesproken.
Ik heb van dichtbij de enorme zielestrijd gezien, maar ik was machteloos. Dit alles moest hij doormaken om na zijn stoffelijk leven weer gelukkig te kunnen worden.
De vraag drong zich echter wel aan mij op of hij, indien er geen angst voor het onderzoek was geweest wel ooit tot bedrog zou zijn gekomen. Op onze studiekring heeft hij nog wel eens over zijn werk gesproken, eerlijk en eenvoudig en hij was er gelukkig mee, door ons, voor zo'n lezing te worden uitgenodigd.
Misschien is hij helemaal fout geweest in zijn reacties, maar laat ons het dan in Godsnaam zien in het licht van barmharigheid, want het is geen kunst om een mens die in de modder ligt een trap na te geven.
In hoeverre men bedrog overigens beoordelen kan, men moet toch ook rekening houden met het feit dat een medium in trance-toestand, door een verkeerde invloed op een verkeerd spoor kan worden geplaatst. Het bewustzijn van een medium in trance is dermate uitgesloten dat er dingen gebeuren kunnen, waarvoor het medium beslist niet aansprakelijk kan worden gesteld.
Wanneer men dan maar direct gaat spreken van bedrog, bewijst men alleen nog maar, dat men zich eenzijdig op de hoogte heeft gesteld van datgene wat de gedachte aan bedrog in de hand zou kunnen werken.
Ik wil een voorbeeld stellen met een eigen ervaring.
Op onze particuliere kringavond verscheen een Intelligentie, die wij niet kenden.
Ik geraakte in een trance-toestand en de Intelligentie gaf allerlei aanwijzingen om zijn bewust voortbestaan te bewijzen.
Hij vertelde o.m. dat zijn naam Pieter van der Heijde was geweest en dat hij in de buurt van de Overtoom in Amsterdam had geleefd. Hij wist niet precies waar het huis was, maar er was, een banketbakkerij in dat huis gevestigd.
Men begrijpt dat wij op onderzoek uitgingen.
Er waren diverse banketbakkerijen in de buurt van de Overtoom, maar het onderzoek leidde tot niets.
Na enige zittingen kwam de Intelligentie terug en begon met zijn excuses te maken, hij had nl. zijn naam verwisseld voor de straatnaam. Hij had gewoond in de J. P. Heijestraat boven een banketbakker. Zijn naam was T. (In verband met het feit dat een van zijn dochters een zaak drijft in religieuze artikelen te Amsterdam, moet ik de naam tot de voorletter beperken) .
Nu ging alles op rolletjes. Alle gegevens van de Intelligentie klopten en daardoor kwamen wij op het spoor van zijn dochter die bovengenoemde winkel heeft.
Ofschoon hij ons vroeg om haar zijn groeten over te brengen, had ons kringlid welke deze opdracht zou uitvoeren, niet het minste succes, hij werd zeer onvriendelijk bejegend en zo verliep het eigenlijke doel van deze Intelligentie.
Wanneer wij nu de zaak gaan beredeneren naar een mogelijk bedrog, dan ziet men dat bij de aanvang de Intelligentie volkomen verward was. Dit gebeurde echter geheel buiten mijn verantwoording.
Ik moest de naam uitspreken en zei Pieter van der Heijde. Wanneer er nu verder niets gebeurd was, zou men kunnen zeggen dat dit ons een kleine teleurstelling zou hebben bezorgd, maar men zou dit toch wel niet als bedrog hebben bestempeld.
Hoe echter de wetenschappelijke onderzoeker daar tegenover zou hebben gestaan is een open vraag.
Mild gesproken zouden zij het hebben kunnen aanmerken als een werking van het onderbewustzijn, een woord waar toch nogal raar mee wordt omgesprongen.
Het gebied van het onderbewustzijn is zoals Emed het placht uit te drukken, een enorme doos, waarin men alles wat een mens, van af zijn prilste jeugd tot aan het stervensuur ervaart, opbergt.
De „doos” is stevig gesloten, maar er zijn momenten waarop zij open springt en dan komen er reeds lang „vergeten” zaken tevoorschijn.
Bij een medium zou zo iets kunnen leiden tot het zeggen van gebeurtenissen, die door het medium dus vroeger werden meegemaakt, althans zich af hebben kunnen spelen in haar omgeving, die werden opgeborgen in de „doos” van het onderbewustzijn en in een trancetoestand naar voren konden komen.
Het is de eenvoudigste manier om dit enorme onderbewustzijn te bespreken en ik ben mij bewust van het feit, dat dit wetenschappelijk bezien lang niet zo eenvoudig is, maar wij dienen rekening te houden met het feit dat ik hier geen wetenschappelijke verhandeling schrijf, maar eerlijk en eenvoudig tracht weer te geven wat mijn ervaringen voor overtuigingen hebben gebracht.
De narigheid van wetenschappelijk onderzoek is, indien men de verschillende verslagen er over naleest, dat een wetenschappelijk getest medium na een aantal zittingen welke toch wel succes opleverden, na een mislukking van een experiment, toch als bedrieger werd uitgemaakt en zg. ontmaskerd.
Hoe dat mogelijk was na een aantal succesvolle zittingen, waarbij men toch geconfronteerd werd met psychische verschijnselen waar niet meteen een verklaring voor te vinden was, is mij een raadsel. Ook hier vraag ik mij af, of de angst te zullen mislukken, het „bedrog” niet in de hand werkte.
Genoeg hierover, ik zou volgens mijn karaktereigenschappen al direct falen op dat wetenschappelijk onderzoekingsterrein, want ik zou de onderzoekers waarschijnlijk van een niet mals repliek dienen en daarom kan ik er maar beter niet aan beginnen.
Bernadette Soubirous wees op de plaats van haar hart en zei: „ik hoor de stem van de Dame hier!”
Zo is het ook want diep in ons klinkt de stem die opdracht geeft. Onze geestelijke ogen „zien” de Intelligentie.
De handen worden bestuurd om een opdracht uit te voeren.
Welke wetenschappelijke oplossingen zijn daar tegenover te stellen? De tere en hartelijke wijze waarop wij door hen die aan Gene Zijde leven worden benaderd, kan onmogelijk beschreven worden door koude wetenschappelijke verslagen, binnen in ons ligt de Bron die hier voedsel geeft aan de buitenzinnelijke waarnemingen.
Met geheel ons hart horen wij de klanken die zij vermogen tot ons te brengen en waarvan de liefderijke invloed nooit beschreven zal kunnen worden; wij hebben geleerd met ons hart te luisteren omdat dit hart een instrument geworden is om louter liefde te geven. Onze ogen zien hun wondere verschijningen en dat kan men slechts zeer gebrekkig beschrijven.
Geen speelkaarten die in een wetenschappelijk onderzoek de helderziendheid moeten bewijzen, kunnen de stralende schoonheid van die hogere wereld overtreffen.
Een speelkaart is een papieren ding, waar men geluk mee kan hebben, een Intelligentie zien is een levend wonder, dat men als een groot geluk dient te ervaren.
Er zijn nu eenmaal meer dingen tussen hemel en aarde dan een mens vermag te ontsluieren.
Misschien komt er een tijd dat men eerlijk en openlijk toegeeft dat het mogelijk is met de wereld van Gene Zijde te communiceren, het zou de mens waarlijk gelukkiger maken.
Laten wij ons alleen reeds voorstellen dat ieder ervan overtuigd zou zijn dat een geliefde „dode” niet werkelijk dood is maar dat deze „dode”, zij het ook in een andere vorm, voortbestaat en dat onder bepaalde omstandigheden contact met hen mogelijk is, dat zij zich openbaren in de huidige toestand en vertellen van het rijk daarginds, waar zij werken en leven en liefde ontvangen uit de Bron die de Liefde Zelve is. Dat alleen reeds zou de wereld een geheel ander aanzien geven.
Er zouden geen zinloze oorlogen meer zijn, geen slachtoffers die daarin hun jonge kostbare levens verliezen, de mensen zouden weten dat zij als broeders en zusters te leven hebben om het geluk aan Gene Zijde deelachtig te worden.
Rijken zouden de armen helpen, gezonden de zieken, bedroefden zouden vertroost worden door hen die blij zijn en blinden zouden door de zienden geleid worden in de wetenschap dat het zó en niet anders moet worden uitgevoerd.
Zolang echter machten kunnen ontketend worden die de mensen tot duivels maken, die in haat en verwording miljoenen slachtoffers maken, zolang het geld de plaats inneemt van liefde, zolang zullen wij er goed aan doen de vrede in ons eigen hart te bewaren en gul uit te delen van wat ons werd gegeven en stil onze weg vervolgen, hier en daar een klein lichtje ontstekend op de weg van onze medepelgrims.
Eerst wanneer wij allen die op de wereld leven, door ellende en verdriet en onherstelbaar leed, hebben leren luisteren naar de stemmen in ons hart, zal het Licht van de waarheid over leven en dood de wereld overstralen en de mens doen bezielen met nieuwe hoop.
Zover zijn wij helaas nog niet; voorlopig zijn er velen uitgegaan om het leven aan gene zijde op hun wijze te verklaren.
Men tracht het leven aan de andere zijde van het graf, een wetenschappelijk pakje aan te trekken en hoewel het patroon niet past, kan men door een menigte versierselen, het scheef getrokken geheel wel verbergen.
Wanneer men zich maar niet teveel met een ernstig onderzoek gaat bemoeien, dan is het gevaar nog niet zo heel erg groot.
Zo hebben wij eens van R.K. zijde een lezing meegemaakt De plaats doet er niet toe, evenmin de naam van de spreker.
Wij waren met een groep van ongeveer 20 personen naar die lezing gegaan om het Spiritualisme van die zijde belicht te zien; voorop was door mij gesteld, alle eerbied voor de omgeving in acht te nemen.
De lezing nam een aanvang met het bidden van het Onze Vader. Nu is juist dit gebed een van de gebeden welke mij altijd het meest heeft aangesproken; men vindt in dit prachtige gebed alles wat men maar nodig kan hebben, maar ik ben geschrokken van de wijze waarop dit Onze Vader afgeraffeld werd in een gewoontegebed, wanneer ik het woord gebed dan nog gebruiken wil.
Mensen uit onze groep vroegen mij: „wat zegt die pater?” Zij verstonden het Nederlandse Onze Vader niet eens.
Daarna werd een soort inleiding gehouden, die ook al geen eerbied kon afdwingen. De pater vertelde dat de spreker van die avond een koffer had meegebracht, die hij straks zou openen en waaruit allerlei geesten tevoorschijn zouden komen.
Hij gaf het woord daarna maar aan de spreker.
Deze pater begon met te vertellen dat vrijwel alles op het gebied van het Spiritualisme bedrog was.
Hij had diverse zittingen ter onderzoek bijgewoond, maar had niets kunnen vinden wat de waarheid van de verschijnselen zouden bevestigen.
Nu stond naast deze Pater van uit de Geestenwereld een allerliefst boerenvrouwtje; ik zag haar duidelijk en was vast besloten de spreker deze verschijning te beschrijven. De Intelligentie liep mank. Intussen maakte ik ijverig aantekeningen omtrent het besprokene, want men kon na de pauze vragen gaan stellen.
Het werd een hele waslijst.
Toch was er een eigenaardige sfeer waar te nemen; ik kreeg sterk de indruk dat men wist wie zich met een bepaalde groep in de zaal bevond, temeer daar men mij bij de entrée om mijn handtekening had gevraagd en aan niemand van de groep die mij vergezelde, was deze presentielijst voorgelegd.
Dat was niet tot mij doorgedrongen, maar telkens richtte de spreker zich naar de ene zijde van de zaal, wanneer hij zich laatdunkend over de psychische verschijnselen uitsprak en naar de andere (onze) kant wanneer er sprake was van een meer wetenschappelijke verklaring.
Toen de helderziendheid ter sprake kwam, vertelde de spreker, hoe een eenvoudige vrouw waar hij op bezoek was, zijn moeder welke was heengegaan, ten voeten uit beschreef, met haar Brabantse klederdracht.
„Mijn moeder liep mank,” vertelde de spreker...
Daar ging mijn prachtige helderziende waarneming. Voor geen goud had ik deze nog beschreven, want dat had geen enkele zin en kon slechts als bedrog werken in deze omgeving.
De spreker ging over tot psychometrie en nodigde de aanwezigen uit om een psychometrische bijeenkomst bij te wonen in een daarvoor beschikbaar gestelde zaal, dan zou hij ieder laten zien dat het alleen op bedrog was gebaseerd. Er was een mijnheer die dat wel wilde demonstreren.
Na de pauze werd de gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen en iedereen zal begrijpen dat ik meteen omhoog sprong.
Mijn eerste vraag: „pater, gelooft u in een bewust voortbestaan na de stoffelijke dood?”
Na minuten van aarzelen kreeg ik ten antwoord: „ja, mevrouw.” Ik vertelde hem dat ik nu een aantal vragen kon overslaan omdat deze slechts van nut hadden kunnen zijn, indien mijn eerste vraag ontkennend was beantwoord geworden.
Mijn tweede vraag: „u heeft de mensen uitgenodigd om een psychometrische avond te bezoeken, teneinde hun het bedrog daarvan te demonstreren, wilt u mij toestaan dat ik een avond verzorg om het tegendeel te bewijzen?” Antwoord: „ik heb meen ik over een dergelijke avond niet gesproken.”
Ik stond een ogenblik verbluft, ik had het n.b. genoteerd, maar ik had buiten de „andere” zijde van de zaal gerekend, er ontstond een tumult, de uitroep: „dat heeft u wel gedaan pater”, overstemde een ogenblik alles.
Er ontspon zich daarna een debat tussen mij en de spreker, waar ieder ademloos naar zat te luisteren, ik maakte zelfs op een ogenblik excuses dat ik zoveel tijd in beslag nam, maar ik zei tevens: „uit mijn opmerkingen moet u begrepen hebben dat ik een Rooms Katholieke opvoeding heb gekregen, laat ik er dan bij zeggen dat het Spiritualisme mij van een enorm aantal helse angsten en twijfels verlost heeft.”
Toen kwam de pater naar voren die de avond met zo'n fraai „Onze Vader” had geopend en deze zei: „nu is het genoeg, u moet allemaal heengaan, ik heb hier anders nog een pook staan, waar ik de zaal mee ontruimen kan.”
Een dergelijk onheuse behandeling had ik niet verwacht, er werd immers gelegenheid gegeven voor debat en indien men een debat verliest, dan behoort men een „good looser” te zijn en niet in de wiek geschoten.
Enfin, wij maakten ons allemaal gereed om te vertrekken, mijn man had echter wat meer werk om op de been te komen dan de overige bezoekers en zo geviel het dat wij achterbleven.
Ik kreeg het gevoel alsof er een paar ogen op mijn rug bleven staren en draaide met een ruk mijn hoofd om.
Daar stond de spreker en maakte een gebaar of ik bij hem wilde komen en natuurlijk keerde ik mij onmiddellijk om en liep op hem toe.
„Pater?” vroeg ik.
„Mevrouw, bent u niet mevrouw Mulder-Schalekamp?”
„Ja pater,” antwoordde ik, eigenlijk niet eens meer verwonderd.
„U heeft een boek geschreven nietwaar?”
Ik bevestigde dit en toen vroeg hij mij of ik hem mijn boek zou willen zenden. (De Doden spreken).
Hij zou mij dan op zijn beurt het boek sturen dat door hem geschreven was.
Wij namen vriendelijk afscheid van elkander, nadat ik hem beloofd had mijn boek de volgende morgen te laten bezorgen; omdat ik in België moest gaan spreken en reeds vroeg in de morgen op reis moest, heb ik het laten wegbrengen.
Ik heb het boek van de pater echter nimmer ontvangen.
Rest mij nog over deze ervaring te vertellen dat wij, na het verlaten van de zaal, door een menigte werden opgewacht die ons naschreeuwden op de stille gracht.
De woorden „heks” en „duivelskind” en „afvallig lelijk wijf” waren niet van de lucht.
Hoewel met een even grote groep zijnde, lieten wij hen kalm en waardig schelden; het was de wijze van optreden zoals wij het tijdens Emed's lessen hadden geleerd.
De avond werd door onze groep besloten met een kopje koffie, waarbij wij alle gebeurtenissen nog eens lachend bespraken.
De, overigens zeer sympathieke, spreker van die avond heb ik nooit weergezien.
Ik vind het echter wel jammer dat wij nooit in de gelegenheid gekomen zijn om de „psychometrist” die de pater aan zijn gehoor beloofde, te zien werken, want er zijn twee mogelijkheden: of de man wás geen psychometrist, of hij was er voor te vinden bewust te knoeien.
Op deze manier kan bedrog al heel goedkoop bewezen worden. Ik had heel graag voor die scheldende en tierende groep een psychometrische bijeenkomst gehouden.
Men was vast geen Spiritualist geworden, maar men was misschien wel tot de conclusie gekomen dat hun optreden, voorbarig en het R.K. geloof onwaardig was geweest.
Wat u nog meer te vertellen over bedriegerij en onwaardige vertoningen?
Ik geloof dat de beste wijze om dit alles te leren kennen is: het onderzoek! Onderzoekt alle dingen en behoudt het goede en dat is nu juist dátgene dat krachtens aanleg en inzichten ons religieus gevoel het meest aanspreekt.