HOOFDSTUK 7
Nieuwe vrienden
Hoewel Emed onze „leraar” bleef en wij in alles zijn raad konden vragen, hetwelk hij zo goed mogelijk voor ons trachtte te beantwoorden, was hij toch niet de enige die op onze bijeenkomsten tot ons kwam.
Meermalen was hij vergezeld van andere Intelligenties, soms ook van een kind. Het was op een van de bijeenkomsten dat het kind „Maria” aan ons werd voorgesteld.
Dit kind, op zesjarige leeftijd overgegaan, zou een speciale rol te vervullen krijgen en aan de waarneming van haar gestalte, jong en lieflijk en schoon, hebben wij de vriendschap te danken die in ons leven ook nu nog een grote waarde heeft.
Toen ik Maria voor het eerst zag, zat zij als een kind van zes jaren op de knie van haar vader.
Het was op die avond dat zij een ontroerend bewijs gaf van haar voortbestaan door mij haar kleding en haar schoentjes, de strik in heur haren en een gewoontebeweginkje te laten beschrijven.
Haar mocht ik volgen in haar groei van kind tot jong meisje en van jong meisje tot jonge vrouw, zoals zij nu oprijst in mijn gedachten. Was eerst het leven aan Gene Zijde voor haar een speelterrein waar zij zich met andere kinderen vermaakte, allengs werd het voor haar een leerschool waarin zij de wetten van liefde leerde kennen als de meest noodzakelijke dus onontbeerlijke kracht, voor allen die om haar heen waren.
Vertoonde zij zich in het begin altijd met de grote haarstrik, later was het prachtig lange haar getooid met bloemen en waar eerst haar stem klonk als van een kind, werd deze langzamerhand ontwikkeld tot een zachte lieve klank, die steeds verzocht en nooit eiste. Wanneer zij gelijk met haar ouders bij ons aanwezig was, zou zij onveranderd vragen hen te willen groeten en dit verzoek werd steeds op onnavolgbare vriendelijke wijze tot mij gericht.
Zo zij mij al iets vroeg, dan werd dit altijd zo ingericht dat het was alsof ik haar een grote gunst bewees door aan haar verzoek te voldoen en nimmer sprak zij over de gunsten die wij mochten ontvangen door de bewijzen van haar voortbestaan.
Maria was altijd vrolijk zolang ze in de kinderverblijfplaats aan Gene Zijde vertoefde, maar groeide op tot een ernstige jonge vrouw, die de taak haar gesteld aan Gene Zijde met grote verantwoordelijkheid op zich had genomen.
Zij kon zo innig bedroefd zijn wanneer zij met snij sprak over dat gebied van duisternis, waarin zij wel kon afdalen om te helpen, maar waar zij nooit lang vermocht te verblijven.
„Er wordt zoveel geleden in wroeging om begane misdaden, dat ik iedere nog op aarde levende mens zou willen behoeden voor misdrijven.
Maar ik ben daartoe waarschijnlijk niet in staat, ik ben nog zo heel jong en dat is de taak van veel oudere en wijzere Intelligenties.”
Het was ook aardig zoals zij kon spreken over haar broers en zusjes op aarde, juist alsof zij nog helemaal bij hen hoorde en belangstelling had voor hun ondernemingen.
„Maar,” zo verklaarde zij, „ik mag lang niet iedere dag in hun omgeving komen, ik moet mijn werk hier voorbereiden.”
Wij weten nu dat haar werk bestaat uit het leiden en leren van kinderen die juist als zij zelf, slechts korte tijd op aarde mochten verblijven en het is mij een vreugde geweest de troost te kunnen brengen aan die ouders welke een kind hebben moeten afstaan, dat deze kleinen onder leiding van zulk een lieve verschijning stonden als Maria.
De laatste keer dat ik haar bij haar ouders mocht beschrijven gaf zij de boodschap: „Nu kan ik gedurende langere tijd niet komen, want ik moet mijn weg verder vervolgen, maar ik kom wel weer terug.”
„Tot weerziens,” voegde zij er aan toe, „en groet allen van mij.” Inderdaad hebben wij geruime tijd niets van haar vernomen en ik heb haar ook niet op onze bijeenkomsten waargenomen.
Eerst zeer kort geleden toen haar zuster naar dat wondere land moest reizen, mocht ik haar zwaar beproefde ouders de mededeling doen dat Maria bij hen was en dat zij haar zuster Diny onder haar goede hoede zou nemen.
Diny, die wij ook zeer goed kenden, is ten gevolge van een noodlottig ongeval kort geleden heengegaan.
Terwijl zij nog in het ziekenhuis verbleef, waarheen zij getransporteerd was, durfden wij ons niet met onze vrienden in verbinding te stellen, bang dat zij van onze telefoon zouden schrikken.
Het was 's nachts ongeveer 1 uur en hoewel ik mijn best deed om in te slapen, ik kon de slaap maar niet vatten.
Mijn gedachten gingen natuurlijk naar Diny en ik vroeg om hulp zo deze gegeven mocht worden. Ik vroeg Emed om te willen helpen en mij als het kon bericht te geven van de toestand.
Ik lag in bed te lezen, maar ook dat maakte mij onrustig en ik kon mij niet op mijn boek concentreren.
Ik besloot het weg te leggen en maar weer trachten in slaap te komen.
Toen ik mij aldus dwong om rustig te liggen, hoorde ik Emed zacht tot mij zeggen: „Diny staat voor de Brug.”
Ik viel onmiddellijk daarop in slaap.
De andere dag had ik een gewone afspraak met de kapper en liep reeds in de tuin, toen ik mij dit herinnerde en terugliep naar mijn man.
„Ik wil je even zeggen dat Emed vertelde dat Diny voor de Brug staat, als je soms berichten hoort, dan weet je dit.”
Toen ik terug kwam ongeveer anderhalf uur later, stond mijn man mij op te wachten en zei: „Diny is heengegaan, ik heb juist bericht ontvangen, maar zij is vannacht om half drie reeds overleden, je boodschap was dus niet helemaal juist.”
Niet juist? Ik had eenvoudig vergeten te zeggen dat ik die boodschap om ongeveer half twee in de nacht had gekregen.
Zo ziet men dat wij ook de allerkleinste bijzonderheden niet vergeten mogen.
Maar ondanks deze kleine fout, wij weten Diny onder bescherming van haar zusje Maria en wij weten ook, dat deze wetenschap een steun en een grote troost is voor haar ouders, onze vrienden.
Emed bracht ook een lieve vriendelijke dame bij ons. Zij wilde graag gebruik van mij maken om bloemen van Gene Zijde te tekenen.
Ik hoorde haar vrolijke stem, de blijdschap waarmee zij steeds weer bij ons terug scheen te willen komen. De pastellen door haar aan mij gegeven brachten ons een kleine visie op de wondere bloemenschat die zij aan Gene Zijde bezitten.
Het waren vreemd gevormde, exotisch aandoende, vlinderachtige bloemen in een kleurenpracht die men hier op aarde misschien alleen maar in tropische gebieden vermag te aanschouwen.
Maar zij maakte ook pastellen, waarop eenvoudige, huishoudelijke voorwerpen als een vaas of pot voor haar bloemen gebruikt werden. Een ouderwetse tuinbank, een hoedje met lange linten, die onder de kin gestrikt konden worden, gevuld met bloemen, waarnaast een paar mitaines (handschoenen met halve vingers) was ook al een geliefd onderwerp. Een tinnen kan, een Jacobapot, een ouderwets gatenmetiel (stenen vergiet), dit waren zo haar attributen. Wij wilden natuurlijk graag iets meer van haar weten en getrouw aan Emed's verzoek om vooral alles wat maar voor onderzoek vatbaar bleek, te onderzoeken, vroegen wij haar of wij haar op aarde met iets van dienst konden zijn.
„Welneen, ik heb op aarde niemand die zich nog voor mij zou interesseren,” gaf zij ten antwoord en op onze vraag of zij reeds lang van deze aarde was heengegaan kregen wij te horen: „o ja, reeds zeer lang, wel een paar honderd jaren denk ik.”
Verwonderd vroegen wij of zij dan een bepaald doel had met haar tekeningen, want dat wij ons zouden kunnen voorstellen dat zij geen enkele aantrekkingskracht voor de aarde meer zou voelen. Maar zij vertelde ons het prettig te vinden om met mij te kunnen werken en dat zij natuurlijk een taak op zich genomen had door dit te doen.
Wist zij nog wie zij op aarde was' geweest, was onze volgende vraag.
„Mijn naam is Tina, Christine voluit, maar altijd heeft men mij „Tina” genoemd.”
Toen zij haar pastellen steeds opnieuw onderschreef met de letters T. E. vroegen wij haar naar de betekenis van die letter E.
„Het is eigenlijk „van E.” zei ze ons en het betekent Tina van Erp, maar het is voor mij genoeg om T. E. te signeren.”
„Was u schilderes tijdens uw stoffelijk leven?” was een andere tot haar gerichte vraag.
„Neen, maar zoals iedere wel-opgevoede jonge dochter, werd in mijn tijd hieraan veel aandacht besteed en ik leefde in zeer kunstzinnige kringen.”
„Welke kringen?” wilden wij graag weten, maar hierop kregen we ten antwoord: „Onderzoekt alle dingen en behoudt het goede.” Kennelijk bedoelde zij dat wij dat zelf maar uit moesten zoeken. Zij vond het onnodig om ons daarvan op de hoogte te stellen.
Wij zouden het misschien nooit onderzocht hebben, zo blij waren we met Tina.
De pastellen die zij ons gaf waren ontelbaar en in menig huis zal een dergelijk werkstukje voorgoed een plaats hebben gevonden, want van deze pastellen bleef geen enkele op een expositie onverkocht. Het onderzoek naar haar leven op aarde werd door allerlei dingen geruime tijd uitgesteld en wij dachten helemaal niet aan Tina, toen wij iets op wilden zoeken en daarvoor een Encyclopedie tevoorschijn haalden.
Onder het zoeken van datgene wat wij wilden weten, ik weet niet eens meer wat het was, viel mijn oog op Erp, boven aan de bladzijde en precies de regel daaronder stond.
Erp, Christine van — 1592-1624, trouwde in 1610 met P. C. Hooft. Hier vonden wij dus de bevestiging over de kunstzinnige kring uit haar omgeving waarover zij ons gesproken had. *
* Kennelijk bedoelde zij de Muiderkring die op geregelde tijden in het Muiderslot tezamen kwam.
Is het begrijpelijk dat ik niet meer weet waar wij eigenlijk naar zochten, toen dit mij onder de ogen kwam?
Zij is een van onze liefste vriendinnen aan Gene Zijde en zij was het ook die de tekening gaf waarover ik reeds in de aanvang van mijn boek schreef, bestemd voor de ouders die hun kind hadden moeten afstaan en die deze tekening ontvingen op Allerzielenherdenking 1964.
Het gebeurde echter ook wel dat wij ons onderzoek moesten staken of beslist geen gegevens konden krijgen omtrent het stoffelijk leven van een Intelligentie. Meester Jozef was zo'n geval.
Emed bracht mij een Intelligentie' om door mij te werken en ik kreeg een gestalte te zien in zeer oude kledij.
Hij droeg een korte „frak” met uitgeschulpte kraag en aan de benen z.g. hozen; hierover een wijde mantel welke bijeengehouden werd door een grote gesp.
Hij had een vriendelijk, vrij grof gezicht en het haar hing in golvende lokken tot bijna op de schouders, waardoor het gelaat smaller scheen dan het in werkelijkheid was.
Hij vroeg mij of ik zou kunnen zorgen voor kops hout en guts beitels waarmede hij dan houten beeldjes wilde maken; dat was ook zijn werk op aarde geweest en hij wilde bewijzen geven van een bewust voortbestaan.
Op onze vraag of hij in Nederland had geleefd, ontkende hij dit, want hij had geleefd in Wartburg in „een naburig land”.
Later zou hij ons nog wel meer vertellen; wanneer ik zorgen kon voor het gevraagde materiaal, kwam hij spoedig werken.
Hoewel ik niets wist van guts beitels en evenmin van kops hout, maakte ik mij reeds lang geen zorgen omtrent het bestaan van deze dingen, want ik had altijd alles op hun aanwijzingen kunnen verkrijgen.
De guts beitels bleken echter zo duur te zijn, dat dit een voor mij onverantwoorde uitgave zou betekenen.
Ik vertelde dit aan Emed en na enige tijd vroeg deze mij, uit naam van Meester Jozef, zoals de bovenbeschreven Intelligentie zich noemde, te willen zorgen voor boetseerklei en diverse aardverven. Het werd een hele lijst van allerhande kleuren: Gebrande sienna, vermiljoen, gele oker, zwart, wit, blauw en groen en beladen met dit alles keerde ik huiswaarts.
Toen de tijd aanbrak en Meester Jozef verscheen vriendelijk als voorheen, maar zeer beslist optredend, vroeg hij mij om de verven door verscheidene stukken boetseerklei te werken.
Het was een bijzonder zwaar werkje, want het moest zo door de klei gemengd worden dat er een egale kleur ontstond.
Ik moest de hulp van mijn man inroepen, die op mijn aanwijzingen de klei mengde en kneedde, aanwijzingen die ik natuurlijk van Meester Jozef ontving.
Nadat dit voorbereidende werk klaar was, brak Meester Jozef ruwe stukken van de ballen klei af en zette deze, steeds licht knedende, op elkander en zo onstonden ruwe vormen van allerlei kleuren. Ik begreep er niet veel van en Meester Jozef scheen geen woord méér te willen bezigen dan strikt noodzakelijk was.
Nadat de klei enigermate was ingedroogd, doch beslist nog niet hard was, vroeg Meester Jozef mij om een scherp mes, maar het mocht niet groot zijn. Mij scheen een aardappelmesje het meest geschikt en ik haalde dat dus maar voor hem.
Tot mijn verbazing begon hij nu allerlei figuren te snijden uit de ruwe kleivormen.
Natuurlijk moet men begrijpen dat hij daarvoor mijn handen gebruikte, die bestuurd werden door zijn geestelijke handen.
Na vele dagen zo gewerkt te hebben stonden een dertigtal figuren in de zon te drogen; ze werden natuurlijk steenhard.
Ik kon ze beslist niet mooi vinden, wel de vormen die zij te zien gaven, maar de doffe dode kleuren spraken mijn gevoel voor schoonheid niet aan. Wij moesten echter maar afwachten wat dit alles zou worden.
Intussen werd aan een zeer groot werkstuk aandacht besteed.
Ik had opdracht ontvangen om 100 kilo boetseerklei aan te schaffen en 5 kilo rood-aarde.
Van deze hoeveelheid zou men 1 werkstuk maken en ik hoor nog mijn man uitroepen: „Heb je dat wel goed verstaan, dat kan bijna niet mogelijk zijn want dat is een kist vol!”
Maar ik had het niet verkeerd verstaan en koppig, ondanks alle beredenering, bestelde ik de hoeveelheid klei zoals mij was opgegeven.
Het was inderdaad een grote wasteil vol en de klei werd onder natte doeken in de gewenste conditie gehouden.
Na veertien dagen stonden er dertien hoofden klaar en ik was naarstig doende met handen en voeten en het maken van rompen, waarbij ons opviel, dat ieder werkstuk een andere houding te zien gaf. Toen dit alles tot stand gekomen was, werd op ieder lichaam van klei een hoofd geplaatst en vastgekneed, waarna het geheel werd afgewerkt.
Zo ontstond het „Laatste Avondmaal”.
Op mijn aanwijzingen liet mijn man een houten tafel maken en daaromheen werden de figuren van Jezus en de twaalf discipelen gegroepeerd; op de tafel kwamen bekertjes, bordjes en zoutvaatjes. Er werden ook mandjes gevormd waarin broodjes lagen van een ovale vorm waarin een soort ster gesneden was.
Toen dit alles gereed was waren de 100 kilo klei schoon op.
Geruime tijd later hebben wij op oude Joodse prenten dezelfde broden gezien.
Door de puntige inkervingen werd een ster gevormd en dit vergemakkelijkt het breken van het brood en het werd tevens mogelijk gemaakt, het brood in gelijke stukken te verdelen.
Toen nu de gehele voorstelling van „Het Laatste Avondmaal” gereed was, kwam Meester Jozef terug.
Emed had mij verzocht om blanke vernis te kopen en dat stond dus gereed.
Meester Jozef begon met de beeldjes stuk voor stuk te vernissen, na het drogen werden ze afgesponst en weer in de vernis ondergedompeld, deze bewerking werd drie keren herhaald en nu stonden de beeldjes in schitterende kleurenpracht bijeen, zoals men alleen maar op een Oosterse markt vermag aan te treffen.
Jaren later toen ik met mijn man door Marokko reisde, hebben wij ze in levende lijve gezien in de Kashba, de waterverkoper, de Fakir, de Slangenbezweerder, het waren de beeldjes van Meester Jozef in levende lijve. Ze waren prachtig en Meester Jozef vertelde heel vergenoegd: „ik ben altijd beeldsnijder geweest en in mijn tijd werden de beelden meestal buiten geplaatst, want zij gaven het beroep aan van de schoen- of kleermaker en ook buiten de Kerk stonden houten beelden op sokkels. Omdat het weer zijn invloed liet gelden, werden al die beelden op deze wijze behandeld, dat noemden wij polygromeren.”
Op onze vraag hoe lang dat reeds geleden was, kon hij geen antwoord geven, ook niet op onze vraag omtrent zijn achternaam, maar wel zei hij dat men hem altijd eenvoudig Meester Jozef heeft genoemd en dat hij lid was geweest van een gilde. „Maar daar zult u misschien niets aan hebben,” voegde hij eraan toe en inderdaad zijn wij niets wijzer geworden van het onderzoek, al staat vast dat zijn kledij beantwoordt aan de dracht van de Middeleeuwen.
Meester Jozef is er ons niet minder lief om en in onze slaapkamer staat het beeldje dat hij voor mij liet maken door Pierre Noiselles, voorstellende zijn goedig vriendelijk gezicht, een werkstukje dat nog maar heel kort geleden een begeerd voorwerp was voor een priester die ons bezocht, maar ik beging niet voor de tweede keer een fout door weg te geven wat voor mijzelf bestemd was, de verloren pastel van Red Eagle is een lesje geweest.
Meester Jozef is nadien nooit meer in onze kring verschenen. Of hij met dit werk een opdracht ten uitvoer bracht, is ons niet bekend, misschien komt hij nog wel weer eens werken, ook dat is mogelijk, doch wie kan zeggen wat er verder gaat gebeuren op dit gebied in mijn leven? Ik zeker niet!
Wat beleefden wij niet tijdens de opbouw van een expositie.
Ik was meestal heel vroeg bezig, soms reeds bij het gloren van de dageraad en gelukkig voor mij hebben wij een lieve dochter, die mij destijds het gewone huishoudelijke werk uit de hand nam en zorgde dat ik ook op tijd nog iets te eten kreeg, want daaraan had ik tijdens mijn werk geen enkele behoefte en ik dacht er meestal niet eens aan. Ik werkte gewoonlijk tot ik volkomen „leeg” was.
Soms gingen er dagen voorbij dat er geen werk ontstond, zelfs in de laatste dagen voor de expositie kwam er wel zo'n stilstand en er moest zo enorm veel gedaan worden.
Emed had zestig vellen pastelpapier gevraagd en deze lagen nog blank te wachten op de tekeningen.
Ik had zelf geen enkel gevoel van onrust, maar mijn man kreeg het wel een beetje benauwd en beweerde, dat het werk onmogelijk klaar zou komen.
Wij hadden een grote expositieruimte gehuurd waar wij veertien dagen onafgebroken de beschikking over konden hebben, zodat wij des middags en 's avonds voor het publiek het werk konden laten zien. Buiten het feit dat de pastellen nog gemaakt moesten worden, moesten zij daarna ook nog geschikt gemaakt worden om te worden geëxposeerd. Ze moesten gefixeerd worden en in passepartouts worden gezet. Dit werkje verrichtte mijn man voor mij en dit alles kostte veel tijd, zodat ik wel begrijpen kon, dat hij bang was niet klaar te komen met dit karwei.
De olieverfschilderijen stonden gelukkig reeds klaar.
Twaalf doeken van diverse afmetingen stonden ingelijst te wachten op vervoer naar de expositiezaal; maar die pastellen! Het was alsof men mij daarmee in de steek liet, maar ik was vol vertrouwen, want ik wist, dat wanneer zij een opdracht op zich hadden genomen, deze ook stipt werd uitgevoerd.
Een week voor de expositie zou openen, kwamen ze dan eindelijk, de pastellen.
Stelt u zich dat eens voor: zestig pastellen in een week.
Op allerlei maten werd het pastel-papier gesneden, maar heel veel vellen bleven ook op de normale afmetingen en men begon te werken. Tina van Erp, Emed, Pierre Noiselles en vele anderen, om de beurt brachten zij hun werk en er ontrolde zich een kleurenpracht, waarvan wij nu nog nagenieten.
Ze kwamen klaar, de zestig pastellen; als door een wonder ontstonden zij, het was alsof zij reeds kant en klaar stonden voor hun geestelijke ogen, want nooit wist ik van te voren welk werkstuk ontstaan zou, wat wist ik van contouren en schetsen, ik, die geen rechte lijn vermag te trekken; zij werkten echter met een zekerheid en een snelheid die men op aarde niet vermag te vinden want mijn man en een kennis van ons zaten met hun tweeën de passepartouts te snijden en de pastellen in te lijsten, maar konden het werk dat ontstond niet bijhouden.
Toen alles gereed was zaten de heren nog hard te werken en zo had Emed de wedloop gewonnen.
Men vraagt zich misschien af, welk nut dergelijk werk kon hebben voor ons op aarde en ik geloof dat het tijd wordt in aansluiting op het geschrevene, hiervan een uitleg te geven.
Toen de eerste pastellen door mij werden ontvangen, vertelde Emed dat ik deze goed moest leren begrijpen, want zij stelden de wereldoorlog voor. Menselijkerwijze gingen mijn gedachten uit naar de oorlog van '14-'18. Ik was toen nog geen zeven jaar oud, maar omdat wij Belgische vluchtelingetjes in huis hadden, zal ik deze oorlog natuurlijk altijd in herinnering houden.
Daarom dacht ik dat Emed mij met deze tekeningen wilde doen begrijpen welk een ellende een oorlog teweeg bracht.
Hij noemde deze tekeningen, een serie van drie: „Gesels der mensheid”. We schreven toen 1937. We bekeken ze, vonden ze wel goed, maar luguber en legden ze in een map.
Emed sprak over een wereldoorlog, maar wie dacht er nu aan dat hij kon bedoelen dat wij daar tegenover zouden komen te staan en toen Emed ronduit zei dat de wereld geteisterd zou worden,
dat de haat zich zou verspreiden, met zulk een kracht en van zulk een omvang, zoals nimmer tevoren, twijfelden wij allemaal en vroegen alle kringleden zich af waar ter wereld nu een dergelijk oorlogsgeweld zou moeten ontstaan.
Deze tekeningen staan volledig beschreven in „De Doden spreken” en ik wil hierover dus niet verder uitweiden, maar we moesten het meemaken dat de gehele wereld in brand zou staan en feller dan ooit de haat zou oplaaien, meer slachtoffers zouden vallen, dan ooit in de geschiedenis gevallen waren.
Voor eenmaal hadden we getwijfeld aan Emed's woorden, maar dat heeft wel zo moeten zijn, wie had geloof willen hechten aan deze woorden indien wij ze, overal waar men het had willen horen, verteld hadden?
Maar op onze laatste expositie hing een olieverfschilderij, voorstellende een Indische bakoel. Dat is een mand waarin men de rijst schudt zodat de vliezen met de wind worden meegevoerd. Wannen noemt men dat.
Wij zijn nooit in Indonesië geweest, want juist toen wij er heen zouden gaan, brak de oorlog uit en verdween onze familie aldaar zonder een spoor achter te laten.
Toen dit schilderij gemaakt werd, vertelde Emed de betekenis ervan. Deze bakoel wordt vol met Nederlandse veldbloemen gelegd, zei hij en zo was het inderdaad; klaprozen, korenaren, korenbloemen en margrieten kwamen in de mand en vormden samen een lieflijk tafereel. Tot goed begrip diene, dat de overdracht van Ned. Indië juist had plaatsgevonden toen dit schilderij tot stand kwam en Emed verklaarde: „u moet hieruit begrijpen, dat Nederland en Indonesië weer tot elkander zullen komen en dat de vruchtbaarheid, hier gesymboliseerd door de Nederlandse veldbloemen, weer terug zal keren in Indonesië, wanneer de samenwerking, zij het onder geheel andere omstandigheden dan in voorbije eeuwen, een feit zal worden.”
Wij weten maar al te goed hoe vijandig Indonesië in die tijd tegenover alles wat maar Nederlands was stond en hoe die samenwerking ooit opnieuw tot stand moest komen, begrepen wij niet, maar gezien de ervaring boven omschreven, dachten we er niet over om ook maar enige twijfel in ons toe te laten. De tijd zou het wel leren dachten wij en de tijd heeft het ons gegeven.
Dit schilderij hangt in Deventer en indien u daar eens komt, vraagt u dan de eigenares van Hotel „De Wereld” het te mogen zien, zij zal het niet weigeren.
Vele pastellen gaven ons ook een indruk van het leven aan Gene Zijde zoals eenmaal „de Brug” ons een indruk verschafte van de overgang naar dat wondere land.
Van heel veel pastellen zijn de foto's in mijn bezit zodat wij nog iets van dit prachtige werk hebben mogen behouden, want dat het zeer bijzonder was getuige het volgende:
Op onze laatste expositie hing een pastel die aller aandacht trok, omdat zij gemaakt was in uitsluitend zacht groene tinten met witte figuren. De voorstelling ervan betekende de levenszee, waarop men tegen de kolkende stromingen op moet roeien om in kalmer water te kunnen komen.
Op de achtergrond stond een wit kasteel dat zich spiegelde in het rustige water langs de oever.
Persoonlijk vond ik deze tekening niet eens zo bijzonder mooi, maar de kleuren waren prachtig.
Op een avond kwam op onze expositie een heer die heel lang voor deze pastel bleef staan en mij vervolgens vroeg: „Mevrouw, vertelt u mij eens wat u weet over de kleurendrempel van Oswald.”
Ik staarde hem misschien nogal dom aan, want ik had nooit van een „kleurendrempel” gehoord, laat staan over iemand die de naam Oswald droeg of had gedragen.
Ik wachtte even alvorens antwoord te geven, misschien hielp Emed mij wel hierbij, maar ik hoorde niets, zodat ik antwoordde:
„Daar weet ik helemaal niets van, ik heb nooit geleerd te tekenen, te schilderen of boetseren, alles wat hier staat en hangt is langs mediamieke weg tot stand gekomen.”
„Wát vertelt u mij daar,” riep de heer uit, „weet u niet dat deze tekening een staaltje van pasteltechniek te zien geeft dat heel bijzonder is en dat de door u gebruikte kleuren ver boven de kleurendrempel van Oswald uitgaan?”
Nou, dat wist ik helemaal niet en ik vertelde hem eerlijk dat ik de bedoelde tekening helemaal niet zo mooi vond.
„Maar ik wel,” antwoordde hij, „en ik kan het echt wel beoordelen, omdat ik directeur ben van de Kunstnijverheidschool in Amsterdam, weet u.”
Veel later zou men mij nog eens beschuldigen dat dit mediamieke werk helemaal niet langs paranormale weg was verkregen, maar dat ik de Kunstnijverheidschool bezocht zou hebben. Verontwaardigd over deze laster verzocht ik de heer Cassteelen, secr. van de Nederl. Ver. van Spiritualisten een onderzoek in te stellen bij deze school. De directeur deed hem vriendelijk een brief toekomen, waarin hij vermeldde nimmer een leerlinge van mijn naam op school te hebben ingeschreven.
Laster en animositeit gingen mijn deur niet voorbij en ik had daar bepaald onder te lijden, ik moest nog leren boven dergelijke dingen uit te groeien en dat moest immers tijd hebben.
Wanneer men met dit alles in aanraking komt, wil men zo graag aan ieder van deze schat mededelen; men weet nog niet dat de mensen tot een bepaalde rijpheid moeten komen om voor deze dingen open te staan en om de bedoeling van dit alles te verstaan, men vraagt altijd opnieuw naar de bewijzen van voortbestaan, zodat men er vaak doodmoe van wordt.
Bood een vriendelijke geestverwant ons na afloop van een bijeenkomst ergens in Nederland onderdak aan, omdat wij de laatste trein niet meer hadden kunnen halen, of een maaltijd terwijl wij op die laatste trein moesten wachten, dan kwamen na een vermoeiende avond toch weer de foto's op de tafel en vroeg men „betaling” voor zijn „gastvrijheid”. Soms kon ik er niet tegen op, maar vaker werkte ik dan nog tot diep in de nacht om hen de bewijzen te brengen van het voortbestaan en het contact te leggen met hen die zij door de dood hadden moeten afstaan. Dat in onze kringen door alles wat door Emed gegeven werd, jaloezie ontstond moest ik ervaren en dikwijls ben ik pijnlijk getroffen door de laster die men op mij afvuurde.
Nu weet ik dat dit alles een leerschool was, dat ik moest uitgroeien boven de vaak bekrompen geest van de mensen en dergelijke dingen treffen mij niet meer.
Ook wanneer men Emed had kunnen aanvallen zou mij dat niets meer doen, maar het heeft veel tijd gekost en vooral zelfoverwinning om deze „onverschilligheid” te bereiken.
Emed leerde mij in te zien dat alle laster op kleinzielige jaloezie berustte en omdat men hem niet kon treffen het maar met mij probeerde en in de aanvang had men daarmede beslist succes.
Ik wil dit hoofdstuk besluiten met het beschrijven van ons onderzoek naar Pierre Noiselles.
Dit is een Franse beeldhouwer geweest, die ons wist te vertellen waar hij op aarde geleefd had en wij gingen dus weer op onderzoek uit.
Wij ontvingen het bericht dat Pierre Noiselles in Aix en Provence gestorven was in 1872 aan tuberculose en dat hij zich voornamelijk met het vervaardigen van kleine naturelkleurige kleibusten had bezig gehouden. Als schilder was hij vrij onbetekenend geweest, maar door zijn beeldhouwwerk werd hij beschouwd als een voorloper van de Barbizonstijl.
Ik heb van Pierre Noiselles nooit ander werk gekregen dan deze kleine naturelkleurige kleibuste, alsmede enige pastellen.
Zijn beeltenis bewaren we even zuinig als dat van Meester Jozef.
In Bergen werd hij aan mij beschreven toen ik op de afdeling aldaar een bijeenkomst moest leiden, waar boetseren het onderwerp was. Ter ondersteuning van de lezing liet ik de aanwezigen zien op welke wijze zo'n beeldje tot stand komt.
Buiten mijn handen en vingers, warden nagenoeg geen instrumenten van betekenis gebruikt en al bezit ik een volledig stel boetseerspatels, een afgeslepen lucifer of een nagelvijltje schijnen voor hem voldoende te zijn en mijn spatels liggen nagenoeg ongebruikt in een kast.
Maar om terug te keren naar de lezing in Bergen.
In de zaal was een helderziende aanwezig, die na afloop van de avond vroeg of hij mocht vertellen wat hij bij mij had waargenomen.
Ik kreeg de volgende beschrijving:
„De Intelligentie die ik waarnam toen u aan het boetseren was, heeft een ziekelijk uiterlijk, alsof hij aan t.b. heeft geleden.
Hij draagt een open hemd met een platte kraag (z.g. Schillerhemd) en een baret op zwart krulhaar.
Zijn gezicht is mager met een scherp geprononceerde neus.
Ik kan verstaan dat hij Pierre heet, maar de achternaam kan ik niet uitspreken, het is iets van Wa of Wasel.”
Het medium dat deze Intelligentie bij mij beschreef juist zoals ik zijn beeltenis bezit, kon de naam Noiselles niet uitspreken, maar ik heb hem dat allerminst kwalijk genomen, voor mij was het genoeg. Ik was er heel gelukkig mee.