HOOFDSTUK 6

 

 

 

Mediumschap

 

Men zal zich afvragen bij het lezen van deze ervaringen, op welke wijze ik mij bewust werd van mijn mediumschap.

In mijn eerste boek „De Doden spreken” heb ik hierover uitvoerig geschreven, maar om misverstanden te voorkomen en de indruk weg te nemen als zou dit mij zonder meer overvallen zijn, moet ik de ontdekking van mijn gaven in het kort herhalen.

Ik voelde reeds op jeugdige leeftijd misschien intuïtief, dat het leven met dit tijdelijk verblijf op aarde niet voltooid kon zijn. Het scheen mij onlogisch toe dat men hier strijdt en lijdt en de geest ontwikkelt, somtijds onder de meest slechte omstandigheden en tracht daardoor een betere plaats in de maatschappij te veroveren, of door het vermeerderen van kennis de mensheid te dienen, zonder enig vooruitzicht dan de dood.

Ik kon niet aanvaarden dat alle vergaarde kennis van grote mannen en vrouwen zonder meer vernietigd zou worden door de stoffelijke ontbinding.

Er was in mij altijd een soort opstand omdat ik niet geloofde dat de mens na zijn dood in de hel of op een andere plaats terecht zou komen, omdat hij op deze levensweg fouten had gemaakt. Ik kon de Liefde van God hier nooit mee verenigen, al werd mij geleerd dat zij die in staat van zonde, doodzonde wel te verstaan, sterven, nimmer de hemel zouden kunnen binnentreden en in een eeuwige wroeging en hellepijn ten onder zouden gaan.

De innerlijke opstand tegen de liefdeloosheid van die God, bracht mij ertoe al deze zaken op zijn manier te overwegen.

Waren wij kinderen van die Vader, hoe kon Hij ons dan voor eeuwig vervloeken, want wie vervloekt nu voor eeuwig zijn eigen kinderen? Was er alleen maar een dood, zonder enige hoop op voortbestaan, waartoe diende dan alle kennis die de mens zich eigen trachtte te maken? Wanneer er werkelijk, zo mij geleerd werd, een hemel bestond waarin de gelukzaligen en Heiligen met elkander in gemeenschap leven, waarom mochten dan alleen maar die mensen datgene aanschouwen wat hen na hun eigen dood, in die gemeenschap zou opnemen.

Ik vond het allemaal eenzijdig en ontstellend onrechtvaardig, want toen reeds overwoog ik dat men in de wereld, met alle strijd van het leven, veel meer moeite zou hebben om een goed mens te worden en te blijven, dan in de kloostercel, waar men waarschijnlijk op de eerste plaats te strijden heeft tegen de eenzaamheid of sexuele nood.

De geloften „zuiver in gedachten, woorden en daden” welke afgelegd wordt door priester of kloosterling, scheen mij een bijna onmogelijke opgave toe, daar de daden en woorden beheerst kunnen worden maar de gedachten nooit onder controle kunnen worden gebracht.

Toch wist ik dat er een wereld aan de andere zijde van het graf moest bestaan, dat zij ons op de een of andere wijze kunnen horen, misschien wel waarnemen; de geschiedenissen van Jeanne d’Arc, Bernadette Soubirous, Thérse van Lisieux, Antonius van Padua, Thomas van Aquino wezen er op, dat zij niet alleen waarnemingen hadden, maar ook waargenomen werden.

Waarom zou dat aan de ene mens wel en aan de andere niet gegeven zijn? Reeds als kind van zeven jaren zag ik meer dan andere kinderen en de grote mensen schenen te zien, maar wanneer ik daarover sprak werd ik altijd beschuldigd van leugens en tomeloze fantasie.

Toen mijn geliefde grootmoeder stierf, ik was toen nog geen zeven jaren oud, zag ik haar op een avond naast mijn bed staan en hoewel ik in begrijpelijke en onbeschrijfelijke angst, onder de dekens kroop, geloofde niemand natuurlijk mijn bewering dat zij zich over mij heengebogen had en dus niet dood kon zijn.

Dat ik haar meerdere malen in gezelschap van een stralenwezen zag, die ik niet kende en dat zij altijd blij scheen te zijn, verwees men naar het land van mijn grenzeloze „fantasie”.

Toen ik ten einde raad met een kapelaan van onze parochie over dit alles sprak, kreeg ik ten antwoord: „Je bent wel bevoorrecht maar het komt uit de duivel voort, dus wees voorzichtig.”

Was het wonderlijk dat toen ik de leeftijd van een volwassen meisje naderende, mij van al die tegenstrijdigheden afkeerde en besloot een andere weg te zoeken?

Soms weken de waarnemingen voor jaren van mij en dacht ik zelfs heel weinig aan de voorbije gebeurtenissen, maar altijd, onder welke omstandigheden, bleef de overtuiging, dat het leven in het hiernamaals niet voor slechts één groep, maar voor Allen bereikbaar moest zijn, kon ik die eenzijdige God nooit aanvaarden. Voor mij was de dood en de vernietiging van het stoflichaam, nooit te vereenzelvigen met een einde waaruit niets meer kan voortkomen. Ik las Frederik van Eeden’s „Paul’s Ontwaken”, maar Van Eeden was nadien Katholiek geworden. Ik vond het toen een dood spoor.

Toch trof mij zijn gedicht:

 

’t Geruisch der zee, zal ik dan nog gedenken

Als diep in 't zand mijn hoorloos oor vergaat,

Als lichten mild, mijn ogen niet meer drenken

Als zonder woon, mijn ijle wezen staat.

 

Hier was dus een overtuiging dat men na de dood zijn stoflichaam wel verlaten had, maar dat men daarna nog zou kunnen denken, zich herinneren...

Allengs naderde de tijd dat ik met al deze dingen in aanraking zou worden gebracht.

Wij waren toen nog maar een paar jaren getrouwd en ik zie het als een bijzondere zegen, dat wij beiden dit pad konden volgen, zonder dat de ene de andere belemmeringen zou opleggen.

Ik heb het altijd dom gevonden dat man en vrouw ruzie konden maken over een geloofsovertuiging.

Het is natuurlijk mooi, wanneer men beide dezelfde religie heeft, maar waarom moet men elkander beschimpen of bespotten wanneer men zich niet kan verenigen met elkanders geloof?

Het was in ons huwelijksleven juist een afspraak, dat wij elkander niet zouden beletten naar welke kerk ook te gaan, indien wij daar behoefte aan hadden, maar toen wij in aanraking kwamen met dat wondere leven na de dood, konden wij het beiden aanvaarden, al moesten wij al spoedig ervaren, dat er heel veel mensen zijn, mannen of vrouwen, die voor hun echtgenoot(e) verzwijgen dat zij het leven na de dood onderzoeken en de overtuiging van voortbestaan zijn toegedaan.

De eerste keer dat wij een Psychometrische avond bezochten, deels uit nieuwsgierigheid, deels ook omdat wij wilden onderzoeken, werden naast mij staande, mijn grootmoeder en Emed beschreven.

Het was mevrouw Akkeringa * die mij attent maakte op mijn gaven en direct een oplossing bracht voor mijn eigen waarnemingen.

* Tijdens de tweede wereldoorlog heengegaan. Pionierster op dit gebied. (Bekend in Nederland en Indonesië).

Het was natuurlijk een weg van ontwikkeling. De eerste keer dat ik een voorwerp in mijn hand kreeg teneinde een proef te nemen, met mijn gaven omtrent de woorden van mevrouw Akkeringa, was datgene wat ik erover te vertellen wist maar heel gering, al bleek het onomstotelijk juist te zijn.

De eerste keer dat Emed tegen mij sprak was dit door een ander medium en hij vertelde mij dingen die dat medium onmogelijk bekend konden zijn.

Zaken waaraan ik in de verste verte ook niet gedacht had, anders zou men nog van telepathie hebben kunnen spreken.

Hoewel het dus vast stond voor ons dat er een leven na de dood moest zijn, was het onderzoek naar dit alles pas in de kinderschoenen en moesten we de moed op zien te brengen na elke teleurstelling verder te gaan, of opnieuw te beginnen.

Dat wij telepathie niet geheel terzijde mogen en kunnen schuiven weten wij maar al te goed maar dat daarnaast nog mogelijkheden zijn om de mens moed en vertrouwen te geven voor het leven in het hiernamaals weten wij evenzeer.

De bewustwording van dit alles is als een wedergeboorte, nieuw leven waarin men nog wel niet precies de weg weet, maar waar toch richtingwijzers staan opgesteld.

Men moet het onderzoek niet afbreken om een misleiding of een teleurstelling, het is té belangrijk om meteen bij een eerste mislukte poging de moed te verliezen en alles overboord te werpen. Wanneer men bedenkt, dat in vroeger eeuwen volkomen onschuldige mensen op de brandstapel gebracht werden omdat zij over vermogens beschikten die voor anderen onbegrijpelijk waren, dan moet men van kerkelijke zijde toch wel angst hebben gehad dat deze mensen een gevaar op konden leveren voor het welzijn van die kerk.

Wanneer men overweegt dat men reeds in de vroegste tijden geconfronteerd werd met profetieën, wonderen en waarnemingen, dan schijnt dit thuis te behoren in het raam van de gehele Schepping. Zo men hieraan geen geloof kan hechten en dit alles wil verloochenen, werpt dan uw Bijbel in het vuur, want dan is dit een boek vol leugens.

Wij zochten in de Bijbel naar dergelijke beschrijvingen en zowel in het Oude als Nieuwe Testament vonden wij de bevestiging. Toen ik tot het openbare leven werd geroepen, was mijn overtuiging gegrondvest al zou deze op grond van de ervaringen die ik met allerlei slag mensen zou hebben dit nog doen uitgroeien, maar geen enkele loot is meteen maar een volwassen boom; alles moet zijn tijd hebben.

Ik leerde begrijpen hoe de herderskinderen van La Salette in 1846 de verschijning in het veld konden waarnemen en haar stem konden horen, haar kleding beschrijven en een opdracht konden ontvangen.

Het is beslist niet zo dat men helderhorend een stem hoort brullen of fluisteren, maar het wordt a.h.w. op besliste en niet te ontkomen wijze in het eigen gedachtenleven neergelegd en men hoort aan de zinsbouw en de liefelijkheid dat dit on-aards is.

Men kan met gesloten ogen de beelden evengoed waarnemen als met geopende en ik ben van mening dat met helderziendheid onze geestelijke ogen reeds in het stofleven worden geopend opdat wij getuigen kunnen van die andere wereld.

De abstraktie van het terrein maakt dat er zoveel ondeugdelijke praktijken in kunnen worden uitgeoefend, maar men mag met het waswater het kind niet wegwerpen.

De kinderen van La Salette beschreven een Intelligentie met schitterende kleding; bezaaid met licht en rozen om haar hoofdtooi, maar zij konden haar niet aanraken.

Jezus sprak na Zijn opstanding met Maria van Magdala en toen zij Zijn voeten wilde omvatten zei Hij: „Raak Mij niet aan!” Emed wordt beschreven door andere helderzienden als een Intelligentie in schitterende kledij, getooid met stralende edelstenen, maar ook Emed sprak: „U kunt mij niet aanraken.”

Toen de kinderen van La Salette de verschijning toch wilden vastgrijpen, loste deze op en ook Jezus verdween plotseling uit het gezichtsveld van Maria van Magdala.

Er zijn echter ook momenten waarop er geen beletsel schijnt te zijn om hen aan te raken, maar deze ogenblikken kunnen slechts tot stand komen onder bepaalde omstandigheden, van veel geestelijke kracht en heilige ontroering, zoals geschiedde toen Jezus Zijn discipelen bezocht en Thomas zijn vingers liet leggen in Zijn wonden.

Gewoonlijk komen zij echter tot ons en blijven op enige afstand, opdat wij hen goed kunnen waarnemen maar de kans missen om hen aan te raken.

Proeven welke in Amerika en Engeland zijn genomen getuigen echter van deze materialisatiemogelijkheden en de meest bekende gematerialiseerde is Kathy King, die zich door alle aanwezigen liet aanraken en, zoals beschreven is, een huid bezat koel en zacht en een schoon gevormd lichaam.

Dat dit alles een enorm geduld vereist behoeft zeker geen betoog, ook wij hebben jaren en jaren de steentjes van bewijzen verzameld

alvorens wij de tempel van overtuiging konden gaan opbouwen. Meen echter niet dat wij met dit alles klaar zijn, want steeds opnieuw onderzoeken wij en bouwen wij aan een kring welke harmonisch genoeg zal zijn om het onderzoek verder uit te breiden. De zoekende mens moet tegen desillusie kunnen strijden, na iedere mislukking opnieuw trachten tot de waarheid te komen en is men aan dit onderzoek begonnen en wordt men teruggeworpen in de zee van twijfel, dan moet men leren die twijfel te doden en door een vernieuwd en nog voorzichtiger onderzoek tot betere resultaten zien te komen; het is alleszins de moeite waard.

De kinderen van La Salette die een „vuurbol” zagen waaruit de verschijning tevoorschijn kwam, hebben hun opdracht ontvangen en volbracht. Zouden deze kinderen gelogen hebben, dan zou paus Pius XII zich aan dezelfde leugen schuldig hebben gemaakt, want Z.H. mocht dezelfde waarneming aanschouwen welke de kinderen van Fatima hadden, die de zon zagen dansen. Dat deze verschijning zich éérst uitdrukte in de Franse taal en daarna in het dialect der kinderen is niet vreemd, want een Intelligentie kan zich in alle talen verstaanbaar maken.

Wij kregen op een van onze bijeenkomsten een leider van een Engelse groep, de Geestelijke Leider wel te verstaan. Deze drukte zich in onze Nederlandse taal uit, maar in de Engelse home circle zoals hij ons uitlegde, in het Engels, hoewel hij Indiaan was tijdens zijn stofleven. Hij liet zich overhalen tot het geven van zijn beeltenis en ik kreeg die pastel waarop „Red Eagle” in heel zijn grootheid van opperhoofd te zien was.

„Ik zal u nog een ander bewijs geven en u in verbinding brengen met mijn Engelse vrienden,” beloofde hij.

Ik had de pastel met zijn beeltenis in mijn huiskamer gehangen en zou deze niet graag willen missen en nooit afstaan, zo dacht ik toen. In de oorlog echter bezorgde iemand uit Den Haag mij een heel prettige dag, bij de lunch kreeg ik allerlei dingen waar reeds lang geen sprake meer van kon zijn in de meeste families.

Zij was het die mij na enkele weken opzocht en uitriep: „wat prachtig, wat zou ik dat graag willen bezitten” en ik was zo spontaan om de pastel meteen aan haar te geven.

Toen wij na de oorlog een openbare avond gaven in „Krasnapolsky” vroeg een Engelse heer naar mij en toen ik bij hem kwam om te vragen wat hij verlangde, deed hij zijn portefeuille open en vroeg: „Kent u deze Intelligentie?”

Ik riep uit: „Maar dat is „Red Eagle”,” het was een zwart-witte tekening. Ik kreeg zijn kaartje en beloofde om de prachtige pastel die ik in mijn bezit gehad had op te sporen en naar Engeland te brengen, maar helaas is het mij tot nu toe niet gelukt, de dame, die uit Den Haag vertrokken is, te vinden; de mogelijkheid is groot dat zij niet meer op aarde leeft, omdat zij reeds niet jong meer was toen ik haar de bewuste pastel ten geschenke gaf.

Intelligenties zijn dus beslist niet gebonden aan een bepaalde plaats of een land; het is zoals Emed zei: „Wij komen over de gehele wereld.”

Lezen wij de geschiedenis van Bernadette Soubirous en verdiepen wij ons in de verschijnselen die door haar, in opdracht van haar „Dame”, ontstonden, dan moeten wij tevens een open oog hebben voor de enorme strijd die Bernadette heeft moeten voeren om enig geloof te ontvangen in de mededelingen die zij brengen moest.

De helderziende waarnemingen van Bernadette duurden een betrekkelijk korte periode; haar beschrijving was, hoe men haar ook ondervroeg, eensluidend: „een vriendelijke dame in het wit gekleed, met prachtige rozen op haar voeten.”

Op welke wijze men het kind Bernadette ook trachtte te ontmaskeren, een verbod uitvaardigde om naar de grot van Massabielle te gaan, Bernadette was niet te weerhouden om, gehoorzaam aan haar „Dame”, gedurende vastgestelde dagen de grot te bezoeken.

Toen de opdracht (door Bernadette uitgevoerd) kwam, om in de grond te graven en hierdoor een geneeskrachtige bron ontstond, geloofde men Bernadette nog slechts ten dele en door scherpe ondervragingen, ja zelfs met dreigementen, trachtte men haar over te halen haar ervaringen te herroepen en haar „leugen” te erkennen. Bernadette bleef echter standvastig en aanvaardde ieder lijden, ook het lichamelijke en wanneer men haar soms spottend, soms liefderijk aanraadde het water uit de bron zélf te drinken, antwoordde Bernadette eenvoudig: „Het water van Lourdes is niet voor mij bestemd.” Het is ontroerend hoe dit kind trouw bleef aan haar „Dame” en in haar later kloosterleven bleef vertrouwen dat de „Dame” haar eenmaal, zoals zij beloofd had, zou komen halen.

Bernadette ontwierp in het klooster van de Zusters van Nevers prachtige motieven voor de altaarkleding, maar plotseling keek zij niet meer naar dat werk om; dit verschijnsel is mij bekend, dagen en maanden kunnen er tekeningen en schilderijen worden gegeven, men kan er als het ware niet afblijven en ineens houdt de „bron hiervan op te vloeien”, maanden, soms jaren ontvangt men geen enkele opdracht voor dit werk.

Jeanne d'Arc beschreef de verschijningen die zij zag als de Engel Michael en de Heilige Margaretha, hun kleding is schitterend wit en hun stemmen klinken hemels.

Juist als Bernadette vertelde zij bij ondervraging, dat zij de stemmen niet „hoorde”, maar dat zij binnenin haar klonken. Bernadette wees bij ondervraging de plaats van haar hart aan.

Ook bij hen spraken de Intelligenties van „u” en nimmer van „jij”. Evenals Emed, die nimmer Anders aanspreekt dan met „u”. Waarom men echter Bernadette tot een leven lokte dat zij allerminst ambieerde: het kloosterleven, kan maar voor één uitleg vatbaar zijn. Men wilde dit beslist reserveren voor een R.K. onderzoek en niet voor een wetenschappelijk.

Toen de bron in Lourdes begon te vloeien, waren er talrijke wonderbaarlijke genezingen, die allen nauwkeurig werden onderzocht; zo men ook aan Bernadette mocht twijfelen, men twijfelde beslist niet aan de welvaart die deze ontdekking met zich bracht, vooral niet toen keizerin Eugenie de geneeskracht van het bronwater met succes beproefde.

Bernadette bleef trouw tot het einde en de bron van Massabielle vloeit nog; Bernadette werd door Paus Pius XI heilig verklaard en Lourdes werd een grote souvenirwinkel!

De woorden van Bernadette: „het water van Lourdes is niet voor mij”, kan ik volkomen onderschrijven, want waar ook anderen geholpen kunnen worden, welke steun ook gegeven wordt aan zieken en gezonden, hoeveel waarnemingen ook door mij aan de mensen werden gegeven, voor mijzelf kan ik beslist niets zien.

Iedere strijd in het leven moet ik aanvaarden en ik kan daar niet onderuit door een helderziende waarneming.

Natuurlijk hebben wij waarschuwingen ontvangen in verband met moeilijkheden in ons eigen leven, maar dan betrof het niet mijn eigen gezondheid of anderszins, al moest ik dat wel meemaken in de eigen omgeving. Op een vraag aan Emed waarom hij mij niet tevoren gezegd had dat een dergelijke strijd op mijn weg zou komen, gaf hij ten antwoord: „Indien wij u voor alles wat de levensweg minder aangenaam maakt, zouden waarschuwen, dan zou uw strijd ophouden en uw evolutie niet meer tot stand komen.”

Ook voor Bernadette scheen dezelfde regel te gelden. Mediumschap is gegeven voor anderen, niet voor het medium zelf, maar wel wil ik getuigen van het feit, wanneer wij midden in de strijd geworpen worden, dat onvoorstelbare krachten in ons aanwezig zijn om te vechten. Evenals Bernadette en Jeanne d'Arc kennen wij de twijfel en ik erken dat wij ons altijd weer diep moeten schamen, omdat in zo'n periode van twijfel de onweerlegbare bewijzen van het voortbestaan na de dood weer aan ons gebracht worden, soms door maar heel kleine dingen, nauwelijks waard er aandacht aan te besteden en toch van zo'n enorme waarde wanneer men in menselijke zwakheid twijfelende, hiermede geconfronteerd wordt.

Men zal zich afvragen of een Intelligentie zich nooit gekwetst voelt door die ondankbare twijfel, maar Emed antwoordde op een desbetreffende vraag:

„De twijfel in de mens is een onverbrekelijke metgezel in zijn bestaan, reeds in zijn jeugd maakt deze zich van hem meester en blijft dit doen tot aan de laatste ogenblikken van zijn stoffelijk leven.

Alsof een schaduw ons besluipt, die al het goede en mooie in ons leven dreigt te vernietigen, zo komt de twijfel.

Zij komt wanneer wij zelfstandig besluiten willen gaan nemen en zij komt met dubbele kracht in ons terug, wanneer wij falen.

Zij wordt versterkt door de tegenstand, door ons in anderen verwekt, waardoor men tracht te weerleggen, datgene wat men door een nauwkeurig onderzoek reeds zelf als vaststaande feiten mocht erkennen.

De twijfel komt terug, wanneer men ons wil laten geloven, wat wij met gezond verstand en logische beredenering niet meer geloven kunnen en men gaat zich onwillekeurig afvragen: „maar indien ik ongelijk heb en zij gelijk...”

Maar niet altijd moet men de twijfel zien als iets wat ons op een dwaalspoor zou kunnen brengen, want grote uitvindingen werden vervolmaakt omdat de uitvinder twijfelde aan de juistheid van zijn vinding en ging zoeken of het niet beter, volmaakter tot stand kon worden gebracht.

Wanneer men gaat onderzoeken, op welk gebied ook, zal steeds de twijfel aan alles wat tot stand kwam, een woordje meespreken.

Het beste wat in de mens leeft kan door twijfel vernietigd worden maar ook veroorzaakt zij een naarstig zoeken naar beter en hoger.

Zij brengt ons van de paden die wij op hoger bevel, door ouderlijke of kerkelijke machten gehoorzaam volgden, tot een zelfstandig onderzoek, weer vol met twijfel, maar in ieder geval zelfstandig, waardoor het denken en overdenken een fascinerende rol gaat spelen.

Wanneer men het pad van het onderzoek en het weten wil betreden, dan moet men de twijfel mede aanvaarden, maar er geen angst voor hebben.

Wij moeten nooit uit het oog verliezen dat ieder onderzoek, van welke aard, logisch denkend moet geschieden en zo mogen we nimmer de realiteit van een onderzoek uit het oog verliezen, we moeten onze gedachten bepalen naar de gewenste uitkomst en haar eventuele mogelijkheden en zolang de zoeker bezig is, zal de twijfel zijn getrouwe metgezel zijn.

Wanneer wij alles wat ons gegeven wordt aanvaarden, alleen omdat het zo goed en zo mooi schijnt, en wij niet durven onderzoeken uit angst dat deze schoonheid irreëel is, dan zijn wij niet tegen een onderzoek opgewassen en kan men het beter nalaten. Overgevoelige mensen zullen meer met twijfel te maken hebben dan de naast hen levende, zeer nuchtere mens.

De nuchter denkende mens heeft, omdat hij alles vanuit een ander gezichtspunt ziet, minder zin voor het poëtische, het ideaal, dan de overgevoelige medemens en hij staat dan ook meer open voor de realiteit van het bestaan, maar misschien ook minder twijfelende.

Er zijn immers van die stoere lieden die nooit aan het eigen inzicht kunnen twijfelen, nooit een moeilijkheid uit de weg willen gaan omdat zij zonder meer geloven dit alles wel aan te kunnen en onverslaanbaar in het leven te staan.

Er zijn ook anderen die altijd door de twijfel beslopen zullen worden en in wier tere kinderziel reeds pijn ontstaat, omdat een geliefd sprookje slechts een sprookje bleek te zijn.

Een kind gelooft onomstotelijk het verhaal of het sprookje door de ouders verteld en wanneer de schone schijn in stukken valt, twijfelt het kind mede aan de waarheidsliefde van de verteller. Toch zouden wij,” vervolgde Emed, „het kind de sprookjes of sagen niet willen onthouden, want ofschoon het deze ontgroeit, het behoort thuis in zijn geestelijke vorming, omdat het erover leert denken, leert twijfelen en zo leert onderzoeken.

Het kind is nog te jong om te begrijpen dat zijn kinderjaren inhoud kregen door sprookjes en vertellingen over Sinterklaas en Kerstman, het ziet de realiteit van dat ogenblik en ziet het beslist niet als een bewuste leugen, ook niet wanneer het sprookje plaats moet gaan maken voor andere dingen.

Veel eerder zal het kind aanvaarden dat men hem de sprookjes vertelde om zijn kindertijd te accentueren.

Later zal het kind immers dezelfde sprookjes gaan vertellen aan de eigen kleuters.

Iets van de schoonheid ervan is gebleven, daaraan is geen twijfel mogelijk.

Moeilijker wordt het wanneer men met problemen in aanraking komt die het geestelijke leven van de mens raken, want hier kan de twijfel een grote omkeer teweeg brengen, een omkeer die niet voorzien, maar wel beslist was.

De twijfel in het geestelijke denken kan een revolutie teweeg brengen, die misschien een evolutie kan worden, maar daarover is van te voren nooit iets met zekerheid te zeggen.

De twijfel aan het Gods bestaan neemt bij velen een ruime plaats in, al wordt de mens door een soort oer-instinct gedreven iets te aanvaarden dat boven hem staat, waar orde en regelmaat heersen en waar hij onbewust naar uit wil gaan.

Wanneer al de twijfel aanwezig is, aan de persoon God, dan ontkomt men toch niet aan het gevoel dat alles door welke kracht ook in een scheppende vorm wordt gegoten.

Zelfs in een Godloochenaar mogen we de twijfelende en onderzoekende mens niet ontkennen, want juist zijn onzekerheid omtrent het bestaan van hogere machten, waarover hij dus in twijfel was, maakte hem tot atheïst.

God en de waarheid zoeken brengt twijfel mee en alles is hierin verweven; leven en waarheid, God en de natuur, dood en voortbestaan, liefde en haat, de zoekende mens richt zijn oog op alles, vaak zonder zich bewust te zijn, dat hij zoekt naar de Alkracht waaruit alles vloeit, waarin alles leeft.

Welk een twijfel moeten mensen als Luther en Calvijn bewogen hebben om hun kerk en leer de rug toe te draaien, welk een diepe twijfel moet Johannes Huss gevoeld hebben alvorens hij bereid was te sterven voor zijn, door zoeken, gevestigde overtuiging.

Wij weten dat de tijd voorbij is, dat alles wat met de christelijke leer verband houdt, uitsluitend Rooms moest zijn en wij weten ook dat de scheuringen in de kerken alleen ontstonden door de twijfel in de mens.

Maar evenals zij getwijfeld hadden alvorens een andere weg in te slaan, kwam opnieuw de twijfel een scheuring brengen in de door hen gestichte godsdiensten.

Men trachtte door streng uitgevoerde regels de twijfel in de mens reeds in de aanvang te smoren, door de alleen zaligmakende kerk de grootste plaats in hun leven te doen geven, men verafschuwde iedere afvallige, men wilde de evolutie van de menselijke geest

belemmeren, door hen een eenzijdige richting voor te houden en men begreep niet of wilde niet begrijpen dat evolutie nooit tegengehouden kan worden.

Er was destijds grote moed nodig om onder een dogma uit te komen en zelf een weg te kiezen en ik verzeker u dat de toen levende mens veel groter risico's nam, dan u die vrijheid van godsdienst heeft.

Ik ben in landen geweest waar de mens de tong werd uitgesneden omdat hij zijn twijfel durfde uitspreken omtrent datgene wat men hem wilde doen geloven, maar deze straf bracht dikwijls meer nadenken dan angst teweeg.

Vindt u dit afschuwelijke maatregelen? Wilt u dan eens heel goed de geschiedenis van uw eigen land en volk lezen en nadenken over de velen die verbrand en gehangen of gemarteld werden door de Inquisitie, die een diepzwarte bladzijde uit de kerkelijke geschiedenis laat zien.

Het is niet alleen de Roomse Kerk die deze schulden draagt; anderen bleven in wreedheid niet achter; wat dat betreft behoeft de mens geen enkele twijfel te hebben.

Het is de wet van de evolutie waarin geschreven staat dat de mens zijn eigen weg zal moeten kiezen, die misschien mijlen ver ligt van datgene ons door onze ouders onderwezen, maar dat niettemin toch zal leiden tot een overtuiging die vrijelijk verkozen werd en dus geestelijke vrede geeft.

De Godskracht leeft in u en op welke wijze deze ook tot uiting komt, zij behoort tot het Geheel.”

Emed zou later nog wel eens spreken over de verscheurende twijfel waaronder iedere mens gebukt kan gaan, ook over zijn eigen twijfel ten opzichte van zijn leven wat hij zo dikwijls zag als een korte beproeving waaruit hij ontwaken moest in het bewustzijn dat een andere weg ingeslagen moest worden om zijn grote gaven en onuitsprekelijke liefde in dienst van de mensheid te stellen.

Ondanks alle onzekerheid, welke ik zelf zo goed kende en de twijfel omtrent de waarheid die ik zo graag onder de mensen wilde brengen, ben ik trouw gebleven aan mijn mediumschap.

Nooit heb ik willen verloochenen dat wat mij aan gaven werd geschonken en ik heb deze gaven en het beleven ervan verdedigd, vaak in scherpe debatten met dominees en kloosterlingen.

Maar evenals Bernadette haar „Dame” trouw bleef tot het einde, ben ik trouw gebleven aan de dingen die ik met eigen ogen aanschouwen mag.

Misschien is hiervoor wel een of andere wetenschappelijke verklaring opgeworpen, maar wat kan men wetenschappelijk verklaren wanneer men de gave mist om die wondere wereld rondom ons te zien?