HOOFDSTUK 23
Wat verder ter sprake komt
Wanneer de séancekring bijeen was, dan voelde ik steeds opnieuw een persoonlijke wijding, alsof een Hoge Gast aanwezig was en mij de blijdschap van een weerzien bracht.
Het kón niet uitblijven dat iedere gehoorde dissonant op mij inwerkte als een donderslag bij heldere hemel.
Wanneer een van de aanwezigen in een dergelijke stemming verkeerde, dan was het mij alsof die avond een geliefde bezoeker een vergeefse reis had gemaakt van uit het verre land en de deur van het hart gesloten vond.
Emed bracht altijd opnieuw in ons huis de wil tot onderlinge liefde, de kracht om te steunen, de vergevingsgezindheid en in de moeilijke ogenblikken van ons gezinsleven kwamen deze krachten in de beste vormen tot uiting.
Het vriendelijke verwijt van Emed, bij begane fouten, deden veel meer dan de grofste verwijten hadden kunnen doen.
Zijn geestelijke opvoeding bracht meer teweeg dan welke godsdienst ook in mij had kunnen levend maken.
Zijn absolute uitspraken omtrent het leven van Jezus, het doel van Zijn Lijden en Kruisdood, veroorzaakte dat twijfel daaromtrent werd omgezet tot louter, zuiver inzicht, ver verheven boven iedere twijfel.
Het bezoek van Emed en zijn geestelijke vrienden aan onze kring, was een gebeurtenis die helaas door velen nog niet op de juiste waarde kon worden geschat, door hun gebrek aan kennis, of door ongeloof ten opzichte van de verschijnselen, maar Emed stond hier tegenover met een geestelijke rust die reeds niet meer van deze wereld kón zijn.
Zijn onuitputtelijk geduld om de zoekende mens te helpen, zijn zoeken hoe gebrekkig soms met resultaten te belonen, moet men leren zien als zijn taak.
Emed werd uitgezonden om te verkondigen, zoals eenmaal Paulus van Tarsus werd uitgezonden om te getuigen.
De driftige emotionele Saul, die de volgelingen van Jezus tot het meest bittere einde vervolgde, werd de leraar van de hoogste liefdewet die ons door Jezus werd gegeven.
Onverschrokken ging Paulus zijn vijanden tegemoet, vijanden welke eerst zijn vrienden waren en hem nu als een verrader zagen. Onverschrokken ook treedt Emed in contact met ieder die dit van hem wenst en onverzettelijk beantwoord hij de vragen die betrekking hebben op hel en eeuwige verdoemenis.
Onverzettelijk ook in zijn getuigenis dat God enkel Liefde is en niets verloren zal laten gaan wat in Zijn Schepping thuis behoort. Emed is niet bang de „vijanden” van de nog jonge wetenschap die het onderzoek van een bewust voortbestaan en de psychische verschijnselen daaraan verbonden nu eenmaal is, te antwoorden op de vragen door hen gesteld, maar hij legt onverbiddellijk de vinger op de rotte plekken die in verschillende godsdiensten zijn te vinden.
Emed laat zich niet verjagen door een gebed of een andere raad die men gaf, om hem de krachten te ontnemen zijn voortbestaan te kunnen bevestigen, om mij als medium te kunnen „ontmaskeren”.
In verband met deze laatste zin, herinner ik mij een Psychometrische séance die in Sneek moest worden gehouden.
Op de achterste rij van de eivolle zaal zaten drie heren, die weigerden, toen hen dat gevraagd werd, ook een voorwerp of een foto in te leveren.
Ik ben mij van zoiets niet bewust, omdat ik deze inductors nooit zelf inzamel, maar dit door een helpster laat doen, meestal diegene die de zaalhuur ook verzorgde.
Dit heeft mede ten doel, dat ik niet kan weten welk voorwerp van een bepaalde persoon zou zijn.
Op die avond werden talloze bewijzen van het bewust voortbestaan gegeven, veel te veel om hier op dit moment ter sprake te brengen, want het gaat om de drie heertjes.
Ik zag wel steeds hun lippen bewegen, maar dacht dat zij op zachte toon met elkander spraken, misschien op- of aanmerkingen over mijn werk.
Plotseling en schijnbaar zonder enige noodzaak, vroeg Emed mij om van een dezer heren de penhouder te vragen die hij bij zich droeg; het deed zich als volgt voor:
Ik: „Mijnheer, ik moet even naar u uitgaan en vragen of u iets heeft ingeleverd dat voor mij op tafel kan liggen.”
Bezoeker. „Neen mevrouw, ik heb niets ingeleverd!”
(Dit werd op een manier gezegd alsof zijn voorwerp door mijn handen voorgoed zou zijn besmet.)
Ik: „Toch wil ik wel graag even de vulpen van u hebben die u in uw borstzakje draagt.”
Bezoeker: „Ik geloof niet dat ik een vulpen bij mij heb.
Ik: „Ik geloof het ook niet, want ik weet het zeker en dus behoef ik het niet meer te geloven.
Uw vader die overleden is, staat naast u en zegt mij dat u de pen van hem heeft gekregen; tevens vertelt hij dat u zendeling wilt worden, maar dat die weg voor u niet bestemd is.
Mag ik nu de vulpenhouder?”
Bezoeker: „Ik begrijp er niets meer van, nu heeft de dominee ons verteld dat wij op deze avond moesten bidden, dan zou er niets gebeuren, dan zou u niets kunnen uitvoeren, want dan zouden uw handen gebonden en uw tong lam zijn.
Wij hebben hier met ons drieën zitten bidden en staan versteld over alles wat wij hoorden.
Wat moet ik nu aan onze dominee zeggen?
Hier heb ik de vulpen van mijn vader, ik wil hem liever niet geven maar wil hem wel laten zien, zodat men weten kan dat u de waarheid sprak.”
Emed antwoordde voor mij: „Ga heen, onderzoekt alle dingen en behoudt het goede en zeg aan uw dominee dat hij niet star op één punt moet staren, maar dat ook hem het redelijk verstand is gegeven om te denken.”
Meermalen trad Emed in debat met theologen en nooit wist men hem te verslaan, welke voetangels en klemmen men ook had uitgezet.
Dat deze voetangels ook wel door de gewone bezoeker van onze bijeenkomsten werden aangebracht zal ieder medium mét mij wel hebben ervaren. De lust tot ontmaskering komt zelfs in onze eigen kringen van geestverwanten voor.
Door hun beperkt denkvermogen, de vergiftiging van hun geest door afgunst en animositeit, trachten zij in te grijpen in wetten die voor hen heilig zouden moeten zijn.
Op een avond in Haarlem werd ik begroet door de voorzitter van de vereniging waar ik voor zou werken.
De man had zelf zeer goede mediamieke gaven en daardoor wordt het te meer onbegrijpelijk wat hij met mij ging doen.
Zijn woord van welkom bestond uit het volgende:
,,Mevrouw Mulder heeft de naam een goede propagandiste te zijn en een sterk psychometriste, wij in Haarlem zijn echter verwend en zij zal van goede huize moeten komen om ons van haar gaven te overtuigen.” Met deze woorden werd ik „welkom” geheten en tegelijkertijd ging hij alle foto's omdraaien zodat het beeld onzichtbaar werd.
„Ziezo,” vervolgde hij, „gaat uw gang, zo doen wij dit hier, daar heeft u zeker geen bezwaar tegen.”
Mijn gehele wezen kwam in opstand tegen een dergelijke behandeling en het liefste had ik hem met zijn foto's van het podium afgegooid. Mijn man gaf mij een teken om alles te laten zoals het lag en heen te gaan.
Emed echter hield mij op de plaats vast en zei:
„Probeer rustig te zijn, beheers u, ik ben er en ik zal tonen dat u mijn instrument bent en goed afgestemd.”
Toch wel een tikje sarcastisch begon ik met de voorzitter te bedanken voor zijn vriendelijke en waarderende woorden, waarmede ik meteen de lachers op mijn hand had. Zij waren het, die het gemene van deze ontvangst hadden begrepen en begonnen te lachen om de wijze waarop die jaloerse man op zijn nummer werd gezet. Maar het mooiste kwam nog.
Er werd die avond geen enkele foto opgenomen.
Brillen, trouwringen, kerkboeken, rozenkransen, armbanden en horloges, daarmede verkreeg men het volle pond van de bewijzen van voortbestaan en... van mijn mediumschap.
Bij het beëindigen van de bijeenkomst, werd het slotwoord van de voorzitter niet eens afgewacht. Met een hartelijk applaus, iets wat in onze kringen volkomen vreemd is, werd ik door de aanwezigen, geestverwant of niet, uitgeleide gedaan.
Ik kon zelf niet eens meer boos zijn op de stakker, die mijn geestelijke leider had willen aanvallen en zelf de gevallen grootheid werd.
In Assen bestond het bestuur van de afdeling aldaar voornamelijk uit dames die zich als bestuurslid ver verheven voelden boven de gewone leden en deze kregen van Emed een lesje dat zij wel nooit meer zullen vergeten:
Allen namen zij plaats achter mij op het podium. Als vorstinnen troonden zij op de gereedgezette stoelen.
Ik verzocht hen vriendelijk niet achter mij te willen gaan zitten omdat ik mij tijdens mijn werk dikwijls beweeg en over het podium heen en weer loop.
Zij weigerden dit met de woorden dat hun plaats nu eenmaal op het podium was omdat zij het bestuur van de vereniging uitmaakten.
Emed liet mij op vriendelijke toon zeggen: „Dan wordt het tijd dat u eens plaats neemt tussen de leden, want u hindert mij wanneer er een transfiguratie zou plaatsvinden.”
„Wanneer u hier niet op in wilt gaan, zal ik niet gaan werken, want een ander bestuur maakt hier op het ogenblik uit wat geschieden moet.”
Zij sukkelden het podium af en ik begon aan mijn werk. Het gehele podium had ik die avond nodig, zij konden niet zeggen dat het verzoek om heen te gaan en mij de ruimte te laten onnodig was geweest.
Ze hebben het mij echter nooit vergeven. De afdeling Assen vroeg mij niet meer om een avond voor hen te verzorgen.
Gelukkig dat de meesten echter reeds beter begrip hadden ontwikkeld, zodat dergelijke voorvallen altijd in de minderheid waren, maar Emed was er verdrietig onder.
Mij vertelde hij dat zijn taak door dergelijke dingen zo veel zwaarder werd dan door vriendelijke ontvangst en belangstelling.
Het gevoel dat wij ons inspannen om ten slotte op de domheid van bepaalde mensen te stranden, maakt het niet eenvoudig; men kan ons niet zien, ware het toch mogelijk dat éénmaal in zijn leven, iedere mens een blik zou mogen werpen in de wereld aan Gene Zijnde, dan zou de aardse wereld er zo geheel anders uitzien.
Mijn goede, trouwe vriend, die met zijn lessen en zijn werk zovelen reeds steun en moed gegeven had, moest ik nu troosten en mijn woorden moesten gebrekkig zijn tegenover de zijne, mijn kracht moest wel tekort schieten.
Maar ik kreeg de kracht en de woorden die nodig waren. Onvervaard ging ik weer naar Haarlem, nu voor een Morgenwijding en opnieuw zette ik de bekrompen voorzitter volkomen schaakmat. Emed heeft ervan genoten, vertelde hij mij, omdat de vriendelijke woorden en de manier waarop ik de voorzitter liet zien hoe klein hij was, volkomen in overeenstemming waren met de lessen die Emed aan mij had geleerd.
Elkander liefhebben is goed, zei Emed, maar liefde mag ook streng zijn en wij mogen elkander op onze fouten wijzen, in de wetenschap dat wij onze liefde verzaken, wanneer wij het kwade wortel laten schieten.
Gelukkig waren er velen die Emed en mij vriendelijk ontvingen en hartelijk dankbaar waren voor het gebodene; en in mijn herinnering leven als zodanig voort Utrecht, Alkmaar, Rotterdam en vele andere door mij bezochte plaatsen en steden.
Leert dit alles ons echter niet dat de meest moeilijke of betreurenswaardige zaken voortkomen uit de bekrompenheid van de menselijke geest?
Hoevelen kunnen zich niet los maken uit het harnas van hun verstarde gevoelens en inzichten!
De lichtende geest die baanbrekend werk verricht, staat dan steeds opnieuw voor een muur die omver gehaald dient te worden alvorens het licht van weten kan doordringen.
De miljoenen die op de aarde het weten van voortbestaan en de bewijzen daaromtrent helpen uitdragen, zijn nog gering in aantal, tegenover de gehele bevolking van onze planeet, maar een troost is het te weten dat het Christendom ook niet in één dag de wereld veroverde.
Langzaam maar onfeilbaar, voorzichtig maar onversaagd, zal de wereld tot ontwaken worden gebracht.
Niet de dwang, maar de vrijheid, niet het bekrompene, maar de verruiming zal ieder individu ten slotte tot de overtuiging brengen dat de dood geen enge, bange weg is met een wraakgierige God op het einde daarvan, maar een lichtende wijd opengestelde poort naar nieuw leven, waarvan in het middelpunt de God staat van liefde en erbarmen.
Stellig vraagt men zich af, wat door mij bedoeld wordt met het woord transfiguratie.
Eigenlijk houdt dit woord het wezen van het verschijnsel al ingesloten; wanneer men het gaat delen, dan komt men aan het woord trance en het woord figuratie.
Men kan zich hierdoor gemakkelijk voorstellen wat dit woord beoogt en na deze uiteenzetting zal het gemakkelijk te begrijpen zijn dat in een trance toestand een figuur kan ontstaan, zichtbaar, voor alle aanzittenden.
Zo kreeg ik tijdens een séance het figuur van een ongelukkige vrouw; de benen waren krom en de hoge schouder met het scheve hoofd, getuigden van een ongelukkig stoffelijk lichaam. Deze vrouw had in haar leven een bochel gedragen en werd door haar naam op de séance onmiddellijk herkend, omdat degene waar zij voor gekomen was, haar reeds herkende aan het figuur, dat ik tijdens deze trance-toestand had gekregen.
Dat is dus de transfiguratie, waarover wel geschreven wordt, maar die in feite zeer weinig bekend is.
Op de bijeenkomst in Assen had ik het gehele podium nodig omdat een man zich op deze wijze manifesteerde en over het podium heen en weer ging; men herkende de figuur direct en men „zag” hoe deze man met een stok liep, welke hij bij iedere stap behoedzaam neerzette.
De transfiguratie van mijn schoonmoeder werd direct herkend door mijn man en schoonzuster, die haar hadden gekend als een vrouw, krom van de gewrichtsrheuma; opgemerkt zij hierbij dat ik mijn schoonmoeder niet gekend heb.
Ook mijn schoonvader herkende men aan de figuratie en wel door de uitermate grote handen, die mijn man direct te zien gaven dat deze Intelligentie zijn vader moest zijn, maar mijn man, zeer voorzichtig en kritisch, wachtte rustig af alvorens daarover een mededeling te doen aan de andere kringleden.
Eerst toen hij mijn man noemde bij de naam die hij hem altijd had gegeven en die bij niemand van de aanwezigen bekend was, gaf mijn man te kennen dat hij zijn vader reeds door de transfiguratie herkend had.
Ik wil toevoegen dat ik mijn schoonvader nooit gezien had. De ouders van mijn man waren beide reeds overgegaan toen wij elkander leerden kennen.
Burgemeester Joost Buick van Amsterdam vertelde dat hij een enorme omvang had gehad, maar dat was van tevoren reeds zichtbaar geweest voor alle aanzittenden.
Een oude blinde dame werd direct herkend door de wijze van lopen en haar tastend langs de meubelen gaan; een manier welke voor een ziende beslist niet aan te leren is.
De houding van een trance-medium kan dus ook bepalend werken voor een bewijs van het voortbestaan.
Men kan een familielid, welke zich in een rolstoel voortbewoog, moeilijk met rolstoel aan Gene Zijde voorstellen en dat is dan ook gelukkig niet meer het geval, maar men kan een Intelligentie niet verbieden op die wijze een concrete vorm te brengen van zijn voorbije stofleven.
Evenals de figuren welke men ten bewijze van het leven na de dood wil geven, zijn er ook beroepen, die de Intelligentie zich herinnert en welke als een bewijs kunnen dienen. Dat zich daardoor wel vreemde situaties kunnen voordoen, zal men begrijpen.
Zo verscheen op onze séance een R.K. geestelijke, die over zijn werk sprak op aarde en die van het leven aan Gene Zijde geen enkel inzicht had gehad en nu verrast maar gelukkig zijn bevindingen aan ons mededeelde.
Een andere Intelligentie liet mij een scherp geluid horen en toonde een kist met allerlei gereedschappen; zijn dochter die mij bezocht op mijn spreekuur, herkende dit onmiddellijk, want haar vader was eigenaar van een timmermanswerkplaats geweest.
In Gent had ik de waarneming van een oude vrouw, met een kussen op haar schoot.
Dit was natuurlijk een zeer vreemde gewaarwording en ik kon zelf niet begrijpen waarom zij maar steeds over dat kussen ,,streek” . Haar kleindochter verzekerde mij echter dat dit voor haar niet vreemd was omdat grootmoeder altijd met kantklossen bezig was geweest en daarbij op een bepaalde manier, juist zoals ik het demonstreerde, over het kussen streek, wanneer het kantwerk klaar was.
Een laborant toonde kolven met vloeistof; ook dit beroep werd direct herkend.
Men moet echter wel begrijpen dat dit alleen maar diende om een bewijs te leveren, want op een vraag of zij zwarte of bruine schoenen droegen tijdens hun leven kan geen enkele Intelligentie antwoord geven.
Ook de vraag „waar hield u veel van tijdens uw leven?” werd voor het merendeel negatief beantwoord.
Een liefhebberij zoals b.v. vissen of biljarten kan eerder positief worden beantwoord, maar ofschoon wij door ons onderzoek weten dat Emed tijdens zijn leven op aarde veel voor de biljartsport voelde, heeft hij zich daar zelf nooit over uitgelaten.
Maar een beroepsvisser liet mij weer duidelijk een sleepnet zien om zijn zoon te vertellen dat hij inderdaad aanwezig was en bij enig nadenken zal de objectieve lezer moeten toegeven, dat ik niet aan dergelijke dingen zit te denken, wanneer ik spreek over de levensproblemen van een bezoeker.
Ik weet trouwens zelf niet eens hoe een sleepnet er uit ziet, ik kom niet uit een familie die dergelijk materiaal gebruikt heeft en draag dus zo'n net beslist niet in mijn onderbewustzijn mee. Hiermede verwijs ik dan naar een lezing welke prof. Tenhaeff gehouden heeft en welke door mij in dit boek werd beschreven, m.a.w. het geval van de advocaat die met een politieagent in de cel zou gaan schaken.
Een echtpaar, dat onze openbare bijeenkomst bezocht in de hoop dat door mij klaarheid zou worden gebracht in de vermissing van hun zoon, tijdens de oorlog, herkende de houding van hun jongen en hij vertelde hen, na zijn naam „Jan” te hebben genoemd, dat hij gefusilleerd was. Hij ging tegen de muur staan en liet hen door middel van mijn lichaam zien hoe een en ander in zijn werk was gegaan.
Emed, die tijdens zijn stoffelijk leven over de gehele aarde heeft gereisd, vertelde ons wel hoe een woestijn er uit ziet en zij die een dergelijke dorre vlakte nimmer hebben gezien, zijn wellicht even verbaasd als wij waren toen Emed verklaarde dat een woestijn niet altijd uit geel zand, maar ook uit rode en bruine zandvlakten bestaat.
Op onze vraag echter welk voedsel hij prefereerde op aarde, antwoordde hij dat beslist niet meer te weten.
Zijn beschrijvingen omtrent het volk van Spanje, wekte mijn diepste belangstelling hiervoor op en wij hebben enige jaren geleden kunnen onderzoeken dat Emed daar zeer goed bekend moet zijn geweest.
Dat zij zich niet op een bepaalde plaats manifesteren, maar vrij zijn om over de gehele wereld uit te trekken, weten wij door de manifestatie van Red Eagle; maar ook Emed komt op meerdere plaatsen van de wereld om zijn werk te doen.
Misschien dat dit werk er nog eens toe bijdraagt om dergelijke bezoeken van Emed te kunnen controleren.
Tijdens onze reizen gebeurde het meermalen dat Emed mij aanraadde deze of gene bezienswaardigheid te gaan bezoeken omdat ik daar iets zou vinden wat hij ook gezien had en dan volgde een nauwkeurige beschrijving, waardoor ik het schilderij of beeldhouwwerk direct herkende.
Zo zijn wij tot de conclusie gekomen dat het voedsel op aarde belangrijk is om het stoffelijk lichaam in stand te houden maar geestelijk geen enkel nut bezit.
De geestelijke opname van schoonheid, bepaalde omstandigheden, mogelijk ook levensgewoonten of zeden, werden bewaard; ook geestelijk lijden van welke oorsprong het zijn mocht, werd niet vergeten.
Men komt vanzelf tot de ontdekking dat kleding of voedsel voor het lichaam noodzakelijk zijn, maar dat de Geest van de mens daar in feite weinig of niets mee te maken heeft.
Dat zij een beroep uitkiezen om een bewijs te leveren, is evenzeer hun recht als het doen beschrijven van een kerkboek met een zilveren slot.
Een vrouwelijke Intelligentie werd op een bijeenkomst niet herkend, maar toen zij mij liet zien, dat zij op zondag naar de kerk ging met een kerkboek met zilveren slot, waaromheen zij een schone zakdoek had gewikkeld, herkende de bezoeker haar direct, en hem werd er netjes bij verteld, dat dit kerkboek op Terschelling werd bewaard maar dat het aan hem zou worden gegeven, wanneer hij er om vroeg.
Tot mijn grote vreugde heeft deze heer, wiens naam mij bekend is, mij het kerkboek laten zien, blij dat hij het mocht hebben en zeer verwonderd dat zijn zuster die het in bezit had, geen enkele tegenwerping had gemaakt maar het onmiddellijk aan hem had gegeven. Een oud medaillon dat ik in handen kreeg, vertoonde op de achterzijde een glazen deurtje, waarachter men een kleine foto kon plaatsen. Het medaillon interesseerde mij zodanig dat ik de draagster verzocht dat te mogen behandelen.
Zij maakte tegenwerpingen met de opmerking dat zij niet voor dat medaillon bij mij was gekomen maar voor zichzelf; ik antwoordde haar dat dit mij voor dat moment onverschillig was, maar dat ik het medaillon moest behandelen.
Toen zij mij het voorwerp overhandigde, kreeg ik een familietragedie te zien, waarvan zij wel eens iets vernomen had, maar waarvan men haar nimmer het juiste had willen vertellen. De foto die ik in het ledige medaillon te zien kreeg, was de grootmoeder, waarvan nog een oud portretje in haar bezit is.
Men kan hieruit wel degelijk opmaken dat de inductor welke ons in handen wordt gegeven, niet altijd dient om het héden te behandelen, maar dat het naar een ver verleden kan terugvoeren. Kledingstukken die zij beschrijven, zijn in zoverre van nut, dat zij ons naar een bepaalde tijd in de geschiedenis kunnen brengen. Een vrouw met een muts die daarop bovendien nog een strohoed draagt met kanten strookjes erin, komt men momenteel wel niet meer tegen, het dient tot bewijs van haar voortbestaan.
Zou zij zich manifesteren in de kleding welke zij aan Gene Zijde ter beschikking heeft, dan zou men haar zeker niet herkennen.
Een Intelligentie waarvan wij de naam kennen, maar welke wij beslist niet mogen noemen, vertelde ons dat H.M. Koningin Wilhelmina evenals haar gemaal een witte begrafenis zou hebben.
Dit werd ons medegedeeld lang voor haar boek „Eenzaam maar niet Alleen” werd uitgegeven, zodat dit niet te controleren viel, anders dan door rustig af te wachten.
Talloos zijn de bewijzen die op dergelijke manier tot ons gebracht werden en wij hebben deze kleine dingen bewaard, opdat wij met deze kleine steentjes de tempel van onze overtuiging zouden kunnen opbouwen.
Het is te betreuren dat men deze kleine, fijne trekjes van het bewuste voortbestaan, zo dikwijls terzijde werpt.
Het is als een carillon, men hoort de grote klokken wel luiden, maar de liefelijke klanken van de kleine, speelse klokjes bereiken dikwijls het menselijk oor niet, daarvoor moet men ook het hart openen en slechts tot ons wijd geopende hart, kunnen de tere klanken van het klokkenspel aan Gene Zijde doordringen.