HOOFDSTUK 25
De uitkomst van het onderzoek
Dat men door het bijwonen van enkele Psychometrische bijeenkomsten, geen vaste burcht van overtuiging kan opbouwen, zal iedere ernstige onderzoeker begrijpen.
Het doel van dergelijke bijeenkomsten is dan ook louter gericht om in staat te stellen, kennis te nemen van het feit dat aan de hand van een levenloos voorwerp of van een foto, boodschappen vanuit een andere wereld kunnen worden opgevangen.
Hoewel het gevaar van sensatiejacht niet denkbeeldig was, besloten wij in overleg met Emed, om ook de séances toegankelijk te maken voor het publiek, zodat men niet alleen met de vorm van de psychometrische verschijnselen bekend zou zijn, maar tot hogere inzichten gebracht zou kunnen worden.
Het moest uiteindelijk tot een openlijke belijdenis worden van mijn mediumschap, al was ik mij zeer wel bewust, dat mij dit tot een breuk zou kunnen leiden van familie en vrienden, die slechts een soort „waarzeggerij” in dit alles konden zien.
Er waren echter zoveel mensen, wier levensopvattingen door het weten van een voortbestaan na de stoffelijke dood volkomen gewijzigd waren en die nog op allerlei gebied met dringende vragen rondliepen, dat ik duidelijk de weg ging zien die mij gewezen werd en deze, wat het ook zou kosten, gaan wilde.
Wij besloten dus een studiekring op te richten en deze gaven wij de naam van „Geestelijk Leven”.
Emed wilde niets weten van het woord „vereniging” in dit verband, want zo zei hij, de Geest laat zich niet verenigen.
„Ik heb geen enkel bezwaar tegen verenigingen wanneer dit een vakbond of een bepaalde sport betreft, maar in dit verband wil ik dat woord niet bezigen.
Wij hebben een vrije geest en onze vrije inzichten en verenigingen welke door de mensen op aarde worden gesticht, verworden dikwijls tot bronnen van kleinzielig denken en grenzeloze heerszucht.
Wij kunnen ons niet onderwerpen aan de statuten of reglementen van een aardse vereniging.”
Zo werd „Geestelijk Leven” dus een studiekring, waar iedere belangstellende toegang had.
Wanneer men in ernst de psychische verschijnselen wilde onderzoeken, dan kon men iedere week bij ons terecht.
Voorlopig diende ik zelf uitsluitend als medium, want wij wilden beginnen met de bezoekers het begrip van het leven na de dood op de eenvoudigste wijze bij te brengen.
Emed zei: „u moet het beschouwen als een kleuterschool, daar begint men spelenderwijs tot begrip te komen van schrijven en tekenen. Wanneer men dan wat verder is, gaan ook wij tot moeilijker vraagstukken ter behandeling over.”
Eigenlijk is dat een zeer logische beredenering, want wij beginnen onze kennis met 1 + 1 = 2 en nooit met het oplossen van een wiskundig vraagstuk.
De uitkomst, die het inslaan van de weg tot onderzoek naar voortleven echter brengt, is lang niet zo eenvoudig als 1 + 1 = 2, want wij kennen de uitkomst helemaal niet en het is onmogelijk vast te stellen waar dit alles heenvoert.
Logisch is het echter dat men bij de aanvang niet zal willen blijven staan, maar zal pogen grotere resultaten te verkrijgen.
Het terrein van de psychische verschijnselen gelijkt in de aanvang dan ook op een soort jungle waarin men al direct dreigt te verdwalen, maar naarmate men dieper doordringt verliest het alle duisternis en leidt tot verbazingwekkende ontdekkingen.
Vaak zijn de eerste pogingen om tot een overtuiging te komen van lachwekkende eenvoud.
Wanneer men ooit met kruishout en letterbord in aanraking is geweest dan begrijpt men volledig wat ik hiermede bedoel.
Ik zou beter de vraag kunnen stellen: „wie kent het letterbord en het kruishout nog niet?”
Het zullen er slechts weinigen zijn, want het is bekend dat men tijdens de tweede wereldoorlog, in welhaast ieder concentratiekamp, pogingen deed om door middel van dit primitieve communicatiemiddel aan de weet te komen hoe lang de ellende nog zou duren. Rijp en groen maakte van het letterbord gebruik en daardoor kwam natuurlijk ook rijp en groen een „boodschap” brengen.
Wanneer men niet met volkomen vertrouwde en betrouwbare personen aan dit soort séances deelneemt, zal men moeten ervaren dat er dingen worden verteld, waaraan de geestenwereld part noch deel heeft en men zal teleurgesteld alle pogingen staken.
Natuurlijk zal men zich dan zeer groot houden en vertellen dat het onderzoek naar een voortbestaan gestaakt werd, omdat het niet de gewenste resultaten opleverde; dikwijls voegt men er dan nog aan toe dat de gehele geestenwereld nogal onbetrouwbaar is, want, dat er berichten gegeven werden, die op geen stukken na de waarheid konden benaderen.
Nu zullen wij echter onder leiding van Emed de bespreking over het kruishout en letterbord gaan volgen zoals deze op de studiekring werden behandeld.
Men begrijpe goed, dit is dus het 1 + 1 = 2.
Het kruishout is gemaakt van twee gelijke platte latten, waar precies in het midden een gaatje geboord is waardoor men een ronde pen kan steken. Deze houten pen heeft aan één zijde een punt. Het letterbord, waarbij het kruishout onverbrekelijk behoort, is een grote kartonnen of houten plaat, waarop het gehele alfabet staat getekend en voorts nog wat eenvoudige woorden zoals „ja” en „neen”, de maanden van het jaar, en cijfers van 1-12 of meer al naar gelang er plaats op het letterbord is.
Er zijn vier aanzittenden nodig, maar men kan deze pogingen tot onderzoek ook met twee personen verrichten.
Men neemt daartoe een van de uiteinden van het kruishout, want door de pen in het midden zijn de twee latten tot een kruis gevormd, en plaatst dit geval op de voorvingers van de handen.
Men moet het beslist los op de vingers laten liggen en niet met de duimen het uiteinde vast pakken.
Daarna wacht men rustig af. Na enig geduld ziet men dat het kruishout in beweging komt en van de ene naar de andere letter beweegt waardoor men woorden kan gaan vormen.
Tot zover gaat alles wel eenvoudig en ogenschijnlijk goed, maar dan begint een geheel andere factor een woordje mee te spreken en wel het egoïsme van de mens.
Ieder wil voor zich een boodschap ontvangen, ieder wil als medium fungeren, dikwijls gunt de een de ander niets in dat opzicht en dan behoeft men waarlijk niet veel fantasie te bezitten om te kunnen begrijpen hoe dit af gaat lopen.
Er komt een disharmonie die bij voorbaat al ieder eerlijk pogen tot een fiasco maakt.
Er komt ruzie in de kleuterklas, want de ene wil dat vader of moeder komt, de ander stelt meer belang in een oom of een neef. Het resultaat is dat de gekste boodschappen „door' komen.
Pas wanneer de mensen zichzelf zouden onderzoeken, zouden zij aan de weet komen dat de chaos niet van Gene Zijde komt, maar uit hun eigen innerlijk.
Natuurlijk hebben wij zelf ook met kruishout en letterbord het 1 + 1 = 2 moeten leren en daardoor zal ik het zeker nimmer veroordelen hoe men dit ook wil beredeneren.
Wij hebben in een geduldig onderzoek, met veel teleurstelling ook, goede en mooie resultaten verkregen met het kruishout en letterbord (zie „De Doden spreken”) . De eerste stappen werden door ons juist zo genomen zoals het ons werd aangeraden, toen wij het onbekende gebied gingen betreden.
Nu kan het kruishout door mij niet meer gebruikt worden. Wanneer ik het op mijn vingers leg, vliegt het in minder dan geen tijd door de kamer; een bewijs overigens dat men wijzer, ouder en sterker is geworden.
De ontwikkeling als medium gedoogt niet meer dat het meest primitieve middel gebruikt wordt.
Na de volledige uiteenzetting op onze bijeenkomsten van het hierboven besproken instrument, lieten wij de mensen, die aanwezig waren om beurten ook met het kruishout werken en een opmerkzame toeschouwer kon na enige tijd reeds precies bepalen, wanneer het instrument van nul en gener waarde ging worden, om dezelfde redenen die ik hier boven reeds beschreven heb.
Weinig mensen waren in staat zichzelf geheel uit te schakelen en daardoor geloof ik ook dat het mediumschap bij zo weinigen ontwikkeld wordt tot die hoogte die men bereiken moet om in direct contact met de hogere wereld te komen.
Velen slaan de weg wel in maar blijven lang voor de grens van de twee werelden staan om zich overhaast om te draaien. Mediumschap vereist offers, men moet er op voorbedacht zijn dat men hoon en verachting gaat ontmoeten.
Wij moeten ons dit reeds gedurende het onderzoek gaan realiseren, want hoon en minachting zijn dikwijls het loon voor een moeizaam onderzoek; zodat men hen, die het mediumschap de rug toekeren, niet eens kan veroordelen.
Emed vond het de gewoonste zaak van de wereld.
„Wat denkt u anders te ondervinden dan spot en verachting? Eer en roem, erkenning op grote schaal?
Toen Jezus predikte op aarde, heeft Hij destijds iets anders ondervonden, dan een „Hosanna” en een „Kruisigt Hem?”
Zoals men in die tijd angst had voor de invloed van Jezus, zo heeft men nu angst voor de invloed van het Spiritualisme, zo u dat niet vergeet, kan u niets te zeer teleurstellen, en u zult zich er steeds opnieuw bovenuit geheven weten.”
Hoe Emed gelijk kreeg! Het waren niet alleen spot en hoon, maar dikwijls ook persoonlijke beledigingen die mijn deel werden, maar ik greep als troost steeds opnieuw naar de dankbaarheid van zo
heel veel mensen die geluk hadden gevonden en rust, geen angst meer kenden voor de dood en hun geliefden wisten in een oord van liefde en harmonie.
Wat kon het mij verder schelen dat familie en vrienden de rug naar mij toekeerden.
Na ruim een eeuw van onderzoek is men in dat opzicht geen stap verder gekomen; het is een abstract terrein, men begrijpt het niet en verder basta.
Gelukkig dat wij zovele voorbeelden hebben die het onderzoek voor ons vergemakkelijkte en waarop wij wilden bouwen.
Geleerden, die na jaren van moeizaam zoeken, de weg licht en volkomen onaantastbaar voor zich vonden.
Natuurkundigen die, gelijk Saulus waren uitgegaan om te ontmaskeren en een Paulus werden, die hun gehele persoonlijkheid instelden om de mensen de waarheid van het bewuste voortbestaan te verkondigen. Deze mensen brachten wellicht offers, waarvoor wij nu dankbaar dienen te zijn, want zij hebben voor ons de weg gemakkelijker gemaakt.
De tegenstand die men 100 jaren geleden en ook nu nog, weer steeds opnieuw ontmoet, komt waarschijnlijk voort uit de eigen angst voor het onbekende, maar wij mogen tevens niet uit het oog verliezen, dat er zeer veel tegenstand wordt gegeven door kerkelijke instanties, die vrezen zo zij de wereld van het bewuste voortbestaan en de mogelijkheden om met die wereld in contact te komen, erkennen, dat het hek van de dam is en velen de rug toe zullen keren aan de verouderde dogma's of bekrompen inzichten en leerstellingen.
Wanneer wij ook maar iets van de geschiedenis af weten, zullen wij tot de ontdekking komen dat iedere nieuwe leer en iedere jonge wetenschap reeds bij voorbaat scheen gedoemd om te verdwijnen, en meestentijds ontdeed men zich dan en passant maar even van de beoefenaars ervan!
De lessen die Emed in de studiekring gaarne aan ieder die wilde weten gaf, droegen in niet geringe mate bij, tot de verspreiding van ons onderzoek en mijn naam als medium, werd welhaast in iedere kring bekend; dat was niet iets om er een persoonlijke verdienste in te zien, want ik wil hier beklemtonen, dat ik mij nooit Anders en méér heb gevoeld dan een zeer nietig instrument, een middel om tot het doel te geraken en ik heb alleen getracht door het zuiver houden van mijn persoonlijk leven te bouwen aan grotere mogelijkheden.
Ik hoop dat men mij nu niet gaat zien als een soort supermens, dat ben ik beslist niet, maar op school zittende, gaat men onwillekeurig proberen om béter te lezen of te schrijven, mooier te zingen of te spreken, men laat geen poging na om tot betere en grotere resultaten te komen en juist zoals op school, kan dat alleen maar door inspanning bereikt worden, of door persoonlijke offertjes, die het denken en leven minder vertroebelen.
Natuurlijk wilde ik dus mijn best doen om mijn grote geestelijke vriend Emed zo zuiver en goed mogelijk te dienen en dit zal iedereen wel kunnen begrijpen die ooit met hem in aanraking kwam. Het was zoals een mevrouw zei, die mij even een bezoekje kwam brengen: „zo'n Vriend te bezitten als Emed, wat zou ik dan goed en gelukkig kunnen zijn.”
Wanneer mij zoiets gezegd wordt, vloeit mijn hart steeds over van dankbaarheid want Emed heeft waarlijk in de loop van de jaren wel bewezen welk een vriend hij voor ons geworden is.
Ik hoop eenmaal de gehele identiteit van Emed te mogen onthullen. Nu leven er nog leden van zijn familie welke aanstoot zouden kunnen nemen, maar ik hunker naar de onthulling van zijn werkelijke wezen, zijn plaats op aarde, zoals wij die kennen, maar tot nu toe ging hij niet verder dan zijn afschuwelijke dood.
Nadat wij voldoende aandacht hadden besteed aan de meest primitieve vorm van contact zoeken, kwam de tafelbeweging aan de beurt; een zeer eigenaardige gewaarwording wanneer men voor de eerste keer de tafel onder zijn handen voelt trillen en plotseling omhoog ziet gaan.
Ik heb reeds beschreven hoe wij een tafel tegen de muur op zagen klauteren. Wie er een andere uitleg voor heeft, mag deze gerust behouden, wij zijn ervan overtuigd dat de tafel door onzichtbare handen werd vastgehouden of verplaatst.
Ik tart iedereen te proberen om een tafel van ongeveer 80 X 100 cm op één poot langs de muur te laten wandelen.
In de studiekring „Geestelijk Leven”, zaten de mensen dikwijls drie rijen dik en aanschouwde de manipulaties van de tafel; deze ging met grote zekerheid door alle rijen heen om bij een bepaalde persoon onwrikbaar stil te houden; ik had dan slechts de taak te luisteren en de boodschap voor de betrokken persoon over te brengen.
Ik wil nadrukkelijk verklaren, dat deze boodschappen altijd werden herkend en gewaarmerkt konden worden als afkomstig van Gene Zijde. Emed liet niet na hetzelfde te herhalen als met het kruishout en letterbord steeds nieuwe personen werden aan de tafel geplaatst en na verloop waren maar zeer weinig bezoekers en bezoeksters van „Geestelijk Leven” in staat om te zeggen dat zij nooit zelf aan de tafel hadden plaats genomen.
Dit alles wilde ik nimmer tot eigen eer laten strekken, want mijn taak was maar ondergeschikt, de leiding berustte bij Emed, die tot iedere prijs de onervaren zoeker op dit terrein wilde wijzen op de voorzichtigheid en de grote opmerkzaamheid die bij dit alles in acht genomen diende te worden.
Emed liet nooit na, te waarschuwen dat er buiten de hogere en zeer intelligente persoonlijkheden ook anderen waren die er op uit waren de argeloze onderzoeker in de val te lokken en naar ellende en teleurstelling te leiden.
Steeds opnieuw betoogde hij dat séanceren zonder goed en betrouwbaar medium, gevaarlijk spel was.
Zo men denkt dat aan Gene Zijde alles harmonie is, dan leerde Emed ons dit wel geheel anders.
Zijn betoog over de veelheid van de geestelijke omwikkeling aan Gene Zijde, maar ook over de verdeeldheid die heersen kan, begrijpt men pas goed, wanneer men leert dat de mensen, verschillend van karakter en aanleg, juist zo aan gene zijde komen als zij hier op aarde hebben geleefd en dat het dus wel mogelijk is dat de opvatting van de ene niet aansluit bij de opvattingen van een ander. Waarom zouden twee professoren die het tijdens hun stoffelijke leven absoluut niet met elkander eens konden worden, het aan Gene Zijde wel plotseling met elkander eens zijn.
Het is dus volkomen logisch wanneer Emed zegt: „wanneer wij het in alles met elkander eens zouden zijn, dan zou er een stilstand ontstaan, de evolutie zou gedurende langere tijd geen vooruitgang meer te zien geven, want juist zoals bij u op aarde, wordt de weg tot onderzoek en de daaraan verbonden verbeteringen of ontdekkingen, ingeslagen doordat men het tot op zekere hoogte niet met elkander eens is en men het via een andere weg nogmaals gaat beproeven.
Ook aan Gene Zijde bestaat een dergelijk bestrijden van elkanders inzichten, maar het gaat bij ons niet met haat en nijd gepaard of met een mensenslachting, wij wisselen van gedachten en zo iemand het niet met de ander eens kan zijn zo staan alle wegen om tot een verder zelfstandig onderzoek te komen open.”
Op een aan hem gestelde vraag omtrent de betrouwbaarheid van een medium, antwoordde Emed dan ook:
„wanneer blijkt dat een medium onbetrouwbaar is, door domheid of onmacht of door, wat veel erger is, bewust oneerlijk te zijn, moet u trachten een ander medium op te zoeken of een andere weg tot onderzoek inslaan.
Wanneer u een beitel gebruikt om hout te bewerken en deze blijkt ondeugdelijk dan zoekt u wel een andere beitel, maar u werpt het hout toch niet weg?
Het onderzoek is te belangrijk dan dat u zich door de eerste teleurstellingen zou laten ontmoedigen.
Het kleinste voorval dat u niet als normaal kunt kwalificeren moet reeds voldoende zijn om verder te gaan, want iedere stap brengt u nader tot de overtuiging dat er een bewust voortbestaan is en dat u onder bepaalde omstandigheden met hen die overgegaan zijn, kunt communiceren.
Het medium, (middel) dient de ongeziene wereld en is als zodanig voor ons van onschatbare waarde.
De kruishoutzittingen en kloppingen (rappings) die u in de aanvang van het onderzoek meegemaakt heeft, zijn het beginstadium van iedere ontwikkeling van mediumschap, maar omdat de mens meestentijds niet weet hoe dit ontstaat, vertoont men aldra de neiging een medium te betichten dat zij zelf de geluiden voortbrengt en de tafel door oefeningen volkomen in zijn macht heeft Ik kan u verzekeren dat er aan Gene Zijde meer werk wordt verricht dan waar ook ter wereld en dat wij heel iets anders te doen hebben dan „In Vrede te rusten” zoals op de grafstenen gewoonlijk wordt aangegeven.
Onvermoeid trachten onze geleerden oplossingen te vinden voor ziekten welke nu nog de mensheid belagen.
Steeds weer opnieuw trachten zij door hun geestelijke beïnvloeding de schepselen van God te weerhouden elkander af te slachten om een, soms waardeloos, stuk grond.
Of men nu van tien of twintig kanten de wapens zegent, deze dienen om te doden en als zodanig wordt het gebod „Gij zult niet doden” verkracht, mét of zonder gezegende moordwerktuigen. Wanneer men de haat zou kennen waarmede oorlogsslachtoffers tot ons komen, de krankzinnigheid die hen beheerst in deze moordlust die de oorlog nu eenmaal in zich verborgen houdt, dan zou geen zinnig mens er nog ooit aan denken een wapen tegenover een medemens op te nemen.
Wanneer wij door onze geestelijke krachten alleen slechts kunnen bewerken dat de op aarde levende schepselen zich niet meer voor oorlogvoeren maar om hulp te bieden opmaken, dan kunt u zich nog niet voor een miljoenste deel voorstellen welk een enorme kracht wij daarvoor hebben moeten inzetten.”
Wanneer hij zo sprak, dan was het ons alsof een boodschapper vanuit die andere wereld voor de reusachtige taak was gesteld om opdrachten, die hij uit Naam van de Allerhoogste tot ons wilde brengen ook in ons leven een plaats te geven en onze eerbied voor die ongeweten krachten groeide.
Is het niet begrijpelijk dat onze gehele instelling een verandering onderging; dat wij gingen nadenken over dingen waar wij vroeger niet bij stilstonden, dat we eerbied kregen voor iedere arbeid, ook die door de maatschappij tot de minste wordt gerekend?
„Geestelijk Leven” werd op deze wijze een bron waaruit ieder kon putten al naar gelang zijn behoefte was.
Natuurlijk waren er ook mensen die zich teleurgesteld afwendden, maar dat lag bepaald niet aan Emed, het waren meestal mensen die óf dachten dat wij de gehele geestenwereld in onze handen hadden óf die dachten zelf tot medium te worden ontwikkeld.
Dat laatste verweet men mij dan.
Het was gewoon wanneer men mij vroeg hen als medium te willen ontwikkelen, maar ik weet veel te goed dat mensenhanden van zo'n ontwikkeling moeten afblijven en ik dacht er niet aan ook maar enige hulp te verstrekken, wanneer mij dat niet door Emed werd opgedragen.
Dan waren er ook nog heel wat mensen die vonden dat een medium niet betaald mocht worden.
Een rare opvatting overigens, want een arts of een advocaat of notaris betaalt men toch ook indien men hem nodig heeft.
Daar tegenover staat, dat een mens door een medium geholpen op welk gebied ook, daar graag iets voor over heeft en men zou alleen maar ontzaglijk zware verplichtingen scheppen indien men alles pro deo zou verrichten.
Alles pro deo is een aardige theorie, maar in de praktijk absoluut onhoudbaar; men dient het medium dan ook te zien als iemand die zich in dienst stelt van de mensheid en daarvoor op redelijke wijze een honorarium verlangt.
Hier is natuurlijk een zeer groot onderscheid tussen een bona fide werkend medium en een soort „haai” die tracht op de snelst mogelijke wijze rijk te worden.
Ik kan gerust getuigen dat 20 jaren mediumschap en werken in dienst van allen, mij beslist niet rijk hebben gemaakt en dat wij alles wat wij bezitten met hard werken hebben verdiend. Wie dit betwijfelt, die mag dat mijnentwege rustig doen.
De geestelijke arbeid die een bona fide medium verricht, is te vergelijken met de zwaarste arbeid die men als zodanig kent.
Keren wij weer terug naar onze studiekring, die naar gelang zij meer bekendheid verkreeg, steeds meer bezoekers moest teleurstellen, zodat wij een splitsing gingen maken en de bezoekers uit Haarlem in het vervolg in de stad zelf kwamen bezoeken.
Dat betekende voor mij een avond meer werken, maar dat vond ik niet erg, want het betekende tevens, dat de belangstelling gewekt was of versterkt en dat men ging begrijpen dat een werkelijk contact met die wondere wereld helemaal niet zo onmogelijk was als het vroeger scheen te zijn.
Toen na enige tijd opnieuw een splitsing ontstond, nu met de bewoners van Hilversum werden ook daar regelmatig bijeenkomsten gehouden en nog steeds moest ik het alleen doen.
Dat er verenigingen waren die de groei van studiekring „Geestelijk Leven” met lede ogen aanzagen en deze graag wilden belemmeren, begrijpt ieder die iets afweet van animositeit.
Mij kon het niet deren, ik ging rustig mijn gang, maar wel leefde heel sterk het ideaal in mij dat alle Spiritualisten zich moesten aaneensluiten waardoor onze kracht van overtuiging vertienvoudigd zou worden.
In onze studiekring ging Emed onvervaard door met het geven van zijn wijze lessen en zijn kracht scheen nog steeds te groeien, zodat het mogelijk werd hem vrijwel allerlei levensvraagstukken voor te leggen.
Natuurlijk kwamen er ook wel eens onzinnige vragen die wezen op een totaal onbegrip van de vrager of vraagster zoals b.v. de vraag van een oudere vrouw: „waar is Henk?”
Emed antwoordde logisch dat het hem onbekend was, want dat hij niet zou weten waar hij „Henk” zou moeten zoeken, maar dat hij zijn best zou doen om „Henk” te zoeken, wanneer de dame aan mij een foto van haar zoon ter hand stelde.
Zij had helemaal niet over haar zoon gesproken, maar het scheen volkomen juist te zijn.
Een ander vroeg welk nummer hij moest kopen om een prijs in de staatsloterij te bemachtigen.
Vriendelijk zei Emed hem niet te kunnen helpen; de vrager nam het hem nog kwalijk bovendien, hij vond dat Spiritualisme niet veel om het lijf had.
Maar toen Emed hem daarop vertelde dat deze materiële aangelegenheden voor hen aan Gene Zijde geen enkele betekenis meer hadden, dat de vrager eens diep in zich zelf moest kijken om de begeerten en hebzucht in zijn ziel te ontdekken zoals Emed deze kon waarnemen, dat hij vrouw en kinderen verwaarloosde door zijn spilzucht en dat hij bezig was de liefde en achting van allen die om hem heen leefden te vernietigen, zei de man niets meer. Wij hebben hem ook nooit weergezien en ik hoop alleen maar dat Emed's woorden doel getroffen hebben.
Waar Emed ook steeds op aan drong, was onderlinge harmonie. Ik trachtte dit zoveel mogelijk te doen groeien door ieder een persoonlijk woord of een groet toe te voegen voor de aanvang van de bijeenkomsten en ofschoon ik mij niet vlei met de gedachte dat ik beslist geslaagd ben in het aankweken van dit onderling verband, durf ik gerust beweren dat de goedheid en vriendelijkheid onderling heel veel bijdroegen tot het welslagen van de bijeenkomsten. Een voorzitter van een van de grootste afdelingen van de Nederl. Vereniging van Spiritualisten vroeg mij toen hij een lezing kwam houden in onze studiekring: „hoe speelt u het klaar mevrouw, om 160 personen op een lezing te krijgen, wij hebben er nooit meer dan 30-40, voor een lezing komt men niet.”
Ik antwoordde dat dit kwam omdat onze studiekring onder geestelijke leiding stond en omdat ik begreep zelf slechts een middel tot het contact te zijn.
Dikwijls werd mij de vraag gesteld of een Intelligentie ons kan aanraken en ik geloof dat ik dit niet mag nalaten te bespreken. Emed raakt mij dikwijls aan.
In ogenblikken dat ik het écht niet zelf aan kon, op momenten dat ik mij door de houding van familie of vrienden ontmoedigd gevoelde, in tijden dat ik zijn hulp persoonlijk nodig had, zoals tijdens de ernstige ziekte van mijn man.
Ik kan niet het gevoel beschrijven, maar ik geloof dat het 't allerbeste te vergelijken is met een zachte streling, een zegenende hand op je hoofd, een gebaar zo oneindig goed en teder, dat de kracht door heel het lichaam stroomt en moed en vertrouwen geeft. Het is als een zwakke elektrische stroom, of het water van een douche. Er is echter een ontstellend tekort aan goede media.
Het is alsof een zachte koele hand steunt en kracht geeft.
Ik geloof niet dat wij op aarde een dergelijke aanraking kunnen imiteren, want alles doet te grof, te hard aan.
Op onze studiekring zijn op deze wijze zeer velen aangeraakt en de reacties waren natuurlijk ook geheel verschillend.
Zo zit mijn man vaak over zijn gezicht te wrijven tijdens een séance omdat hij het gevoel heeft of er een web van fijne onzichtbare draden over zijn gezicht ligt, net als herfstdraden, maar die zijn veel grover.
Een vriend van ons had de gewaarwording alsof er een elektrische draad door zijn haren liep die onder zwakstroom gezet was.
Dit alles moet men echter beleven en voor hen die nooit een séance hebben bijgewoond, geloof ik wel dat dit alles ongeloofwaardig is; maar het onderzoek staat immers vrij?
Door de weinige nieuwe boeken op dit gebied, de meeste dateren van ver voor de tweede wereldoorlog, is men ook al heel gauw geneigd te veronderstellen dat op dit gebied alles op een dood spoor is gekomen, maar niets is minder waar.
Er is echter een ontstellend tekort aan goede media.
Het is niet zo dat er geen medium te vinden zou zijn, maar de wereld in alle facetten van onze tegenwoordige tijd, eist de mens zo intens op dat nog maar weinigen de roepstem van hen aan Gene Zijde wensen te horen, laat staan hierop te antwoorden.
Emed zei eens op een vraag die ik aan hem stelde over de tekorten die wij hebben om het werk uit te dragen:
„wanneer de wereld opnieuw geschokt zal worden door rampen, ziekten die uitgroeien tot epidemieën, door een derde wereldoorlog, door springvloeden en aardbevingen, dan zal men zich realiseren dat er een geestelijk gebied is, waarbij alle materie in het niet verzinkt.”
Met een huivering denk ik terug aan een tekening die in 1943 door mij werd ontvangen en welke ik expres nog niet eerder beschreven heb.
Deze tekening werd op een zwarte ondergrond gemaakt.
Op de voorgrond stond een grote bruine beer, uit wiens muil het bloed droop.
Het ondier had de klauwen opgeheven alsof hij tot een aanval moest overgaan.
In de verte lag een dorpje te glinsteren in een heldere zonneglans. De vertrapte aarde op de voorgrond was rood van bloed en gescheurd alsof er jarenlange droogte was geweest en het bloed nu als voedsel voor de grond werd opgezogen.
Tijdens het maken van deze tekening, werd ik door zo'n overweldigend verdriet bevangen, dat de tranen over mijn gezicht stroomden. Ik was blij toen de tekenstiften werden neergelegd en had bijna geen moed te vragen wat dit voor een vreselijk gebeuren was.
Emed trachtte mij te troosten door te zeggen dat hij ons beschermen zou en dat hij deze tekening had gegeven om het bewijs van voortbestaan te leveren en hun ver-ziendheid, hun kennis van nog ongekende gebeurtenissen.
De tekening werd als volgt uitgelegd:
„ziet de beer komt in de aanval; gehele steden en dorpen zullen worden vernietigd, hij staat met zijn rug naar het Westen en gaat naar het Oosten, want in het Oosten zal het tot een treffen van de wereldmachten komen; het Westen wordt uitgebeeld door het dorpje in het licht, want het Westen zal een zending te vervullen krijgen, die vanuit een Hogere Wereld wordt opgedragen.”
Deze tekening was naar mijn gevoel zo luguber, dat ik haar nooit meer wilde zien; diep in mijn hart echter is zij opgesloten omdat ik reeds lang geleden heb geleerd, dat deze profetie wel degelijk te maken heeft met onze eigen tijd waarin wij leven, verwachten en vrezen, maar waarin het geloof in God en de erkenning van Zijn Wil, groeit en groeit, ook al is dit ogenschijnlijk niet zo.
Tijdens de séances in onze studiekring „Geestelijk Leven” leerden wij begrijpen dat de liefde voor de op aarde achtergeblevenen, één van de grote drijfveren is om te trachten contact met ons op te nemen.
Welk een enorme inspanning hen dat kost, kunnen wij slechts ten dele benaderen.
Er verscheen eens een jonge Intelligentie op een van onze séances; zijn moeder, die reeds lange tijd bij ons op de bijeenkomsten verscheen was ook die avond aanwezig.
Na het noemen van zijn naam vertelde hij hoe hij omgekomen was tijdens de tweede wereldoorlog, op de top van een van onze duinen. Hij vertelde dat hij met het vroege licht van de opgaande zon op zijn gezicht nog éénmaal het wonderschone panorama in zich had opgenomen; toen was er plotseling niets meer...
„Het ontwaken was voor mij een belevenis; ik vroeg mij af of men ten leste het vonnis toch niet voltrokken had en de geestelijke vrijheid die ik mijn gehele wezen voelde doorstromen, gaf mij het verlangen moeder, om dit zo gauw ik maar kon aan jou te vertellen.
Ik was vrij en ik leefde!
Natuurlijk was het anders, ik had de stoffelijke dood moeten ondergaan en de omstandigheden waren veel moeilijker geworden om je te bereiken; ik moest zoeken en trachten je naar een gelegenheid te voeren waarin ik mijn voortleven kon vertellen opdat je getroost zou zijn door het weten dat ik niet werkelijk dood ben.
Dit heeft heel veel inspanning gekost, maar mijn liefde voor je is zó groot dat geen inspanning teveel was.
Wij zullen elkander weerzien, ik ben dankbaar voor alles wat je voor mij deed en ben blij met de bloemen die je mij steeds in je gedachten brengt; alles zal wel niet tevergeefs geweest zijn, dat weet ik niet, maar het is beslist zo dat ik heb moeten medewerken om tot vernieuwing van de geestelijke wereld in de mens te komen. Ik moet nog veel leren, maar ik ben gelukkig nu ik je eindelijk heb weten te bereiken.”
Wanneer dergelijke momenten voorkomen in een kring als de onze, is de algemene ontroering zeer groot; men leert begrijpen dat Liefde de hoogste wet is en geen utopie, geen onbereikbaar ideaal, maar een werkelijkheid.
Op de grens van twee werelden staande, ben ik het middel om de zielen aan beide kanten een kans tot communicatie te geven en daarvoor is één ding zeer belangrijk, de liefde voor hen die aan Gene Zijde leven en de liefde voor de mens op aarde.
Ik weet dat men niet ver kan komen wanneer deze liefde ontbreekt en ik begrijp maar al te goed dat de apostel Paulus eenmaal heeft neergeschreven:
En nu blijft Geloof, Hoop en Liefde, deze drie. Maar de meeste van alles is toch de Liefde.
Zo ge de liefde niet bezit, ge zijt als een rammelend bekken of een luidende schel.
Buiten de liefde voor ons, die wij leerden kennen, werden wij ook geconfronteerd met hun zin voor orde.
Dit bleek uit de wijze waarop zij met feilloze zekerheid een séancetafel weer op de plaats neerzetten waar men haar had weggeschoven. Bloemen, die waren behandeld, werden voorzichtig op een andere plaats neergelegd, met een omzichtigheid die steeds weer opnieuw liet zien, dat zij er voor waakten de bloemen niet te beschadigen.
Ook de wijze waarop Emed de briefjes rangschikte met de vragen aan hem gesteld, wezen op die zin voor orde; vragen welke uiteraard gezamenlijk konden worden beantwoord, werden zorgvuldig op elkander gelegd en hierin is nooit door slordigheid een fout geslopen.
U vraagt zich misschien af of deze zin voor orde wellicht een karaktertrek van mij zelf is, die onwillekeurig tot uiting komt in dit geestelijke werk; ik kan echter volkomen naar waarheid verklaren dat dit beslist niet zo is en als kind heb ik mijn moeder dikwijls genoeg tot wanhoop gebracht door verregaande slordigheid. „Als ik het maar kwijt ben,” was stellig mijn devies en als ik de speelgoedkast moest opruimen, dan kwam alles mij al zeer bereidwillig tegemoet, omdat ik alles erin placht te stoppen, met de deur op een kier! Hoe het erin kwam te liggen, daar dacht ik niet eens aan. Natuurlijk is dit bij het ouder worden veranderd en verbeterd, ik bedoel dan ook alleen maar dat deze zin voor orde beslist geen aangeboren karaktertrek van mij is.
Emed leerde mij ook daarin wel iets, hij zei: „berg het meteen op, dat kost immers straks veel minder moeite en u voorkomt ergernis.” Het was waar, ik borg wel vaker iets op wat ik met de beste wil ter wereld niet meer terug kon vinden omdat ik geen aandacht had besteed aan de plaats waar ik het voorwerp had opgeborgen; dit oude gevoel van „als ik het maar kwijt ben”.
Dat dit lesje van Emed bepaald bedoeld was om mij te scholen in het concentreren heb ik later ondervonden, want in mijn werk is concentratie wel een beslissende factor.
Ik ben altijd heel snel afgeleid geworden. Op school natuurlijk een bron van ellende, want ik zat met de beste voornemens bezield naar de les te luisteren, maar als ik b.v. een vlinder of een vlieg zag of mijn aandacht werd getrokken naar een plaat aan de muur — wég was mijn aandacht voor de les en natuurlijk kreeg ik een beurt om te vertellen waarover gesproken was en even natuurlijk wist ik er niets van.
Emed wist dit, want hij ging mij trainen in concentratie.
„Denk er bij na,” verzocht hij mij; „nu nog eens en dan nog weer een keer.” U moet op mij letten en niet op de dingen rond u; dat voorwerp is voor mij belangrijk, tracht u erop te concentreren.” Luister goed naar mij, helderhorendheid is zeer belangrijk, want door te leren luisteren, kunt u mijn woorden precies herhalen, maar dat kost concentratie.”
De lessen werden allerminst te zwaar, het was ook helemaal niet vervelend, het werd interessant om in „de huid van een ander te kruipen” zoals Emed het wel noemde en de zielsconflicten waar te nemen.
Dit was geen ziekelijke nieuwsgierigheid, maar een alles omvattende drang om de helpende hand te mogen reiken.
Ik ging voelen dat ik opgenomen was in een kracht, waar liefde van uitging en waardoor het mogelijk bleek, in alle moeilijkheden, in diepe wanhoop en verslagenheid de mens op te beuren en nieuwe kracht te geven. Ik begreep ook waarom Emed van mij gevraagd had om mijn concentratievermogen te ontwikkelen, want steeds weer opnieuw blijkt welk een enorme kracht daarin schuil gaat. Deze ontwikkelde kracht is een niet te onderschatten waarde, want ik kan mij nu gemakkelijk verplaatsen, de dingen waarnemen waarin ik moet helpen, de ellende van het tegenover mij geplaatste wezen ondergaan en de radeloosheid, waardoor men naar mij werd toe gedreven, begrijpen. Ik voel in mijn lichaam de teisterende ziekte, onderga door een geestelijke verwarring, het lijden van een zenuwzieke of krankzinnige.
Méér dan een foto of een voorwerp soms vermag te doen, doet mijn persoonlijk concentratiegevoel; ik ontkom niet aan de kennis van het waarnemen zonder inductor.
De inductor is secundair geworden.
Het liefste werk ik tegenwoordig op de volgende wijze:
wanneer ik naar mijn spreekkamer ga, laat ik de gehele persoonlijkheid van mijn bezoekster of bezoeker reeds op mij inwerken. Daardoor onderga ik zelf een totale verandering, want er onstaat een bepaalde persoonsverwisseling.
Ik ben niet langer die ik ben, maar ik word gesplitst en word gedeeltelijk in de moeilijkheden geplaatst van de ander, met onstelbare zekerheid zien mijn geestelijk geopende ogen de weg die afgelegd werd door de ander tegenover mij. Ik zie de gemaakte fouten in verband met anderen, waardoor hun leven kapot ging.
Ik word geconfronteerd met de meest verborgen zaken, soms op maatschappelijk, ook wel op sexueel gebied.
De tijd heeft geen enkele invloed meer op mij, het is alsof die is weggevallen; er beheerst mij nog maar één belangrijke zaak, helpen, helpen!
Dan is daar altijd weer Emed, die mij moed geeft om alle dingen onder de ogen te zien, hij aarzelt nooit om datgene te zeggen wat gezegd dient te worden, ook al laat mijn gevoel, dat hij alles nog zeer discreet behandelt, mij niet los.
Het behoeft geen betoog dat men dikwijls verbaasd is dat ik geen inductor vraag, maar ook geen vragen stel.
De stelregel: „wanneer men mij alles vertelt, wordt mijn werk totaal overbodig,” is ook nu nog van kracht.
Toch moet men begrijpen dat wanneer mijn werk volbracht is, ik het relaas van een mislukt leven of van een moeilijk probleem, een gederailleerd huwelijk etc. etc. nog geduldig aan moet horen. De mens tegenover mij heeft begrepen dat zij rustig tegen mij uit mogen spreken, zonder schaamte uit kunnen schreien en het doet hen goed zich van alle knellende banden voor een ogenblik althans bevrijd te weten.
Hoe dikwijls word ik niet bedankt met kleine attenties, bloemen of een doos bonbons of wat ook maar uitdrukking moet geven aan innige dankbaarheid. Dit treft mij altijd, omdat ik daaruit begrijp, dat er weer geholpen mocht worden.
Men vraagt mij soms of ik niet een vreselijk moeilijk leven heb door al die narigheid waarmede men tot mij komt, maar dan zeg ik lachend dat dit beslist niet het geval is, omdat ik met het eindigen van hun bezoek, het probleem ook de deur uit schuif.
Dit behoeft wel enige uitleg.
Vroeger, toen ik nog niet zo heel lang met mijn werk bezig was, gebeurde het wel, dat ik uren lang rond liep met de problemen van anderen. Ik liep wel te huilen om de ellende die ik van anderen moest ondergaan die toch niets te maken hadden met mijn privéleven.
Mijn man was daar niet gelukkig mee, want hij zag mij verdrietig en dat maakte hem op zijn beurt weer neerslachtig.
Emed leerde mij toen om een behandeld geval direct van mij af te werpen. Dat is nu wel heel gemakkelijk neergeschreven, maar ook dit was een vorm van concentratie.
Hij leerde mij direct van een geval afstand te nemen, door mijn aandacht gedurende enige seconden op een geheel ander iets te concentreren, een boek of een plaat, desnoods een bloem of een ander voor de hand liggend voorwerp.
Na enige oefening werd dat natuurlijk steeds gemakkelijker en zo komt het dat ik met mijn bezoeker, hun probleem mede vaarwel zeg.
Hoewel wij regelmatig avonden organiseerden en getracht hebben om ieder die er maar iets van wilde weten, bekend te maken met het bewust voortbestaan na de stoffelijke dood, hebben wij volstrekt nog niet het recht te kunnen zeggen dat ook iedereen waar wij mee in aanraking kwamen, tot het Spiritualisme hebben gebracht.
Er zijn zovele factoren aan het onderzoek verbonden, er is zoveel te leren en te verwerken dat de uitkomst van dit alles nog niet gevonden is, behalve en dat is ten slotte toch wel van het grootste belang, dat wij het bewust voortbestaan aan tallozen hebben bewezen.
Het geduld dat vereist wordt om tot een dergelijke overtuiging te brengen, is niet te beschrijven, er moet van binnen ook iets open liggen of zoals Emed het zegt:
„de akker moet geploegd en geëgd zijn om het zaad te kunnen ontvangen en het hart van de mens is de meest vruchtbare akkergrond.”