HOOFDSTUK 1

 

 

 

Kennismakingen

 

Om u een juist beeld te geven van datgene wat er aan de séance tafel plaats vindt, moet ik u eerst bekend maken met het volgende. Men kan niet zonder enige kennis van zaken een séance beleggen, want men weet niet welke krachten er tot leven worden gewekt en men kent beslist niet de gevaren die daaraan verbonden kunnen zijn. Het eerste wat een medium geleerd wordt is vertrouwen te hebben in een Geestelijke leider, zoals „Emed” mijn Geestelijke leider is. Hier begint voor de aanzittenden in de séance kring al direct de taak te onderzoeken of de Geestelijke leider wel zo betrouwbaar is als hij voorgeeft. Dit wordt nooit als een belediging opgevat t.a.v. het medium of zijn leider, daar in een goede séance kring de leider zelf op dat onderzoek zal aandringen of zoals „Emed” zei: „onderzoeken en alle dingen die u gegeven zijn behouden, opdat zij strekken tot meerdere wijsheid.”

Aangezien Emed ook eenmaal op aarde leefde, hebben wij naar zijn aanwijzingen een onderzoek kunnen instellen naar zijn stoffelijk leven en kwamen soms tot de meest verbluffende waarheden daaromtrent, zonder dat iemand onzer daar van te voren mee bekend kon zijn geweest.

Emed gaf de geestelijke leiding bij de séance’s, Emed vroeg mij om vertrouwen te hebben ook waar het moeilijk scheen, Emed was er in tijden van grote nood en in donkere oorlogsdagen.

Niet alleen in onze kring was Emed aanwezig, maar op andere bijeenkomsten waar men het bestaan van Emed niet kende, toonde hij zich, gaf persoonlijke boodschappen door opdat wij steun verkregen in ons moeilijk onderzoek.

Emed leeft dus niet meer op aarde, zijn dood vond plaats op het tijdstip dat ik een baby van 3 maanden was; op aarde kon ik Emed dus onmogelijk ontmoet hebben.

Emed is dus een Geest of Intelligentie zoals wij dat noemen en is onbereikbaar voor ieder die persoonlijk kennis zou willen maken, want dan moet men dit leven eerst verlaten hebben.

Het draagt echter bij tot een goed inzicht, wanneer u Emed zien kunt als een vriend wie het wel en wee van de mens na aan het

hart ligt en u zult hem in dit boek dikwijls ontmoeten in zijn werk als Geestelijk leider van onze séance kring, in zijn werk ook als Helper voor hen die een beroep op hem deden en geliefd door zeer velen en zeker door ons die zoveel aan Emed te danken hebben.

Na deze vluchtige kennismaking met Emed, wil ik graag Broeder Martinus aan u voorstellen. Dit is een Intelligentie die ons aan de séance tafel leerde over de uitstralingen van de mens of de Aura. Broeder Martinus vertelde ons in zijn stofleven blind te zijn geweest en daarom zo innig veel van zijn kleurrijk werk te houden. Bewijzen van dit stofleven hebben wij nimmer kunnen verkrijgen tot nu toe, maar de grote Liefde voor de mens, zijn eerlijk en overtuigend werk in de séancekring en in het openbaar, geven ons alle reden geen moment aan hem te twijfelen. Nooit hebben wij een Aura beschrijving horen geven die niet volkomen juist bleek te zijn en wie ook twijfelen wil, wij hebben broeder Martinus aanvaard als een geestelijke vriend.

In een van de volgende hoofdstukken hierover meer.

Een andere geestelijke vriend is Bernardus. U zult niet zo veel over hem lezen in dit werk, maar ik heb wel een hoofdstuk gewijd aan een van zijn redevoeringen om de lezer een beeld te geven van de verscheidenheid van zinsbouw en redenaarskunst die hierin naar voren zullen komen.

Na deze drie Intelligenties te hebben voorgesteld, wil ik overgaan tot het beschrijven van de gebeurtenissen met hen beleefd.

Onze séance kring, die voorzichtig en met zeer veel overleg werd opgebouwd, moest op de eerste plaats getuigen van harmonie.

We moesten leren gelijk gestemd over alles wat ons werd onderwezen te denken en dit was geen gemakkelijk taak.

Natuurlijk werd er niet van ons geëist dat wij allen hetzelfde zouden denken en onze objectiviteit zouden gaan verliezen.

Het was zoals Emed het uitdrukte: een bonte boeket vol verscheidenheid van bloemen, maar die toch harmonisch samen gevoegd konden worden.

Emed verlangde van ons vóór alles rust en ontspannen aanzitten. Onze kring bestond destijds uit zeven personen, met mij als medium inbegrepen en allen hadden hun vaste plaats in deze kring. Was er een van hen om welke reden dan ook verhinderd de séance bij te wonen dan werd haar of zijn stoel eenvoudig terzijde geschoven en de anderen sloten dan weer aaneen.

Wij legden dan onze handen op de tafel en wachtten rustig af wat zou komen, want in tegenstelling met een veel gehoorde opmerking, verklaar ik nadrukkelijk dat wij geen geesten kunnen oproepen.

Men komt uit die wondere wereld aan Gene Zijde ongevraagd, on-geroepen tot ons maar nimmer kunnen wij bepalen wie dat zal zijn. Alleen Emed als leider is aanwezig wanneer wij toestemming ontvangen voor het houden van een séance.

Zonder Emed zouden wij trouwens nooit een bijeenkomst beleggen, zonder te vragen althans om zijn toestemming en dan weten wij ook, dat wij zijn speciale bescherming ontvangen.

Zij, die op zo'n avond bij ons op bezoek komen, brengen allerlei; soms hun eigen ervaringen aan Gene Zijde, soms ook stukken uit hun stofleven, maar ook wel spreken zij over fouten en misdaden op aarde begaan en de consequenties die zij daarvan te dragen hebben. Emed leerde ons om iedereen met liefde te ontvangen, ook al werden daardoor onze begrippen voor fatsoen en maatschappelijke orde geschokt.

Wij moesten nu eenmaal leren dat, indien geen mens verloren gaat en nooit een eeuwige verdoemenis zal volgen op de misdaden op aarde bedreven, ons het recht ontbrak zonder meer te veroordelen of hen van ons af te stoten. We moesten leren in onze gedachten dergelijke ongelukkige geesten te steunen en vriendelijke woorden tot hen te richten.

Wij herinneren ons maar al te goed een séance waar één van onze aanzittenden op de proef gesteld werd.

Op deze avond kwam een ongelukkige vrouwelijke geest bij ons. Om een juist beeld te kunnen geven moet ik vertellen dat Emed reeds verschillende zittingen achter elkander gesproken had van een storing, die teweeg zou worden gebracht door een van onze kringleden.

Hoewel wij elkander ondervroegen en trachtten er achter te komen wie dat wel teweeg kon brengen, ontdekten wij de schuldige niet. Op de bewuste avond kwam Emed ons vertellen dat hij deze storing niet langer wenste en een der aanzittenden vroeg hem dan te zeggen wie het betrof, omdat wij het niet zelf konden oplossen. Alle aanzittenden vroegen om beurten „ben ik het Emed?” tot er nog twee overgebleven waren, een dame en mijn man. Ook zij vroegen „ben ik het” en kregen ten antwoord: één van beiden, maar ik wil u een kans geven uw lessen omtrent de liefde, welke ik aan u gaf, in de praktijk te brengen.

Enige weken verliepen en mochten wij al aan die avond terug denken, langzaam aan vervaagde deze toch wat voor ons.

Toen kwam de bewuste séance waarop wij geconfronteerd werden met de ongelukkige.

Na een vriendelijke, prettige inleiding van Emed, verzocht hij ons te willen helpen met alle goedheid en medelijden die in ons aanwezig konden zijn.

Enige ogenblikken daarna kwam (door mij als medium) een vrouw, die schreide en vergeving vroeg. Na haar kalmerend te hebben toegesproken moesten onze kringleden ervaren dat zij op de grond neerknielde en de dame naast mijn man zittende, toesprak: „Ik heb je zo'n groot onrecht aangedaan, ik heb je verraden en bestolen en kan geen rust vinden en mijn weg niet verder gaan alvorens ik vergeving heb ontvangen. Wil je mij datgene vergeven, wat ik jou aan leed gebracht heb ?”

Alle aanwezigen zaten gespannen, hier konden zij niets doen, de beslissing kon slechts van die ene komen.

Tot grote schrik van allen kreeg men het antwoord als volgt:

„Ga heen, ik ben blij dat je zo ongelukkig bent, ik haat je en al zou je tot in eeuwigheid met deze schuld rondlopen, dan zou ik er alleen blij mee zijn. Je hebt het verdiend en ik zal geen goed woord tot je spreken.”

Direct daarna kwam. Emed, rustig, maar heel streng en onbereikbaar ver van ons af.

„Ik heb u de kans gegeven, ga heen uit deze kring en bezin u erop dat Liefde altijd boven haat gesteld zal worden.

Voor u is hier geen plaats meer, want u verstoorde met uw haatgevoelens de harmonie van deze zittingen.

Wij zullen de séance onderbreken zodat u zich verwijderen kunt.” Zo geschiedde het dat een onzer de proef niet doorstaan had. Later kregen wij gegevens over de ongelukkige, die zo tevergeefs om genade had gevraagd; het betrof een Duitse vrouw, haar naam was Resi. Zij had indertijd een kamer verhuurd aan ons kringlid die ongehuwd was en dus in pension bij haar woonde.

In de oorlogsdagen had ons kringlid iets op illegaal gebied gedaan en was door deze vrouw verraden, waardoor zij ijlings naar elders moest vertrekken. Haar bezittingen had de vrouw gehouden, wetende dat zij uit angst voor de bezetter, geen aanspraak daarop zou durven maken. Wij overgeblevenen in onze kring konden niet goed begrijpen waarom Emed haar onder die omstandigheden toch zo hard behandelde en wij besloten er eerlijk om te vragen.

Emed was bereid hier volledig antwoord op te geven:

„Vrienden, ik weet dat u niet goed begrijpen kunt waarom ik zo wilde en moest handelen, maar steeds keerde die haat in uw kring terug, ik sprak er met u over, ik vertelde u dat de harmonie verstoord werd door die haat, ik gaf een eerlijke kans, ik hoopte zo dat mijn lessen iets teweeg gebracht zouden hebben, mijn teleurstelling is gelijk aan de uwe, want wij moeten weten te vergeven, wanneer ons daarom gevraagd wordt. Mijn gedachten zijn vol deernis met uw vriendin die ik heb moeten verwijderen, maar al is er deernis in mij, liefde moet ook wel streng zijn, liefde is niet: alles verdoezelen, maar liefde moet op fouten kunnen wijzen. De liefde tegenover elkander moet ons eerlijk doen zijn tegenover ieder waar wij mee te maken krijgen en ik hoop van harte dat deze harde les haar tot nadenken zal stemmen, wellicht kan ik haar straks weer in uw kring opnemen.

Leert van mij dat u hier verbonden bent om met een Hogere Wereld in contact te komen en dat er in die wereld een grote Wet werd uitverkoren n.l. de Wet van Liefde. Deze wet werd ons geleerd door onze Meester, Die deze wet in toepassing bracht op Zijn grootste vijanden. Laten wij niet vergeten dat mensen fouten kunnen maken waar zij de omvang dikwijls niet van kunnen overzien, maar dat geeft ons niet het recht om hen, wanneer zij vergeving vragen van ons af te stoten als ware zij melaats naar onze smaak.

Resi zal verder geholpen worden door ons die de wet van Liefde erkennen en eerbiedigen als het hoogste goed aan ons en aan de mens geschonken.”

Emed zou ons nog dikwijls over dit onderwerp: liefde voor elkander, spreken.

Helaas hebben wij later de dame in kwestie nog wel ontmoet, evenzeer van haat vervuld als toen zij nog in onze kring zitting had.

Zij is veel ziek en wij hopen maar dat zij door haar ziekte gelegenheid heeft alles eens rustig te overdenken, ook het feit dat zij met deze haat op de eerste plaats zichzelf vergiftigd.

In die tijd stond ik nog niet in het openbare leven waartoe ik geroepen zou worden en leefde in de zalige gedachte dat we het goed en prettig hadden in onze kring.

De tijd zou echter niet ver af blijken te zijn dat ik mijn taak zou moeten aanvaarden en aan de mensheid onze bevindingen zou moeten brengen.

Eerst ga ik u echter iets vertellen over het verschil tussen een Hogere Intelligentie en een ongelukkige geest.

Het is natuurlijk logisch dat de mens aan Gene Zijde komt, na zijn dood, met alle goede en slechte hoedanigheden welke hij zich eigen maakte. Het is een volkomen misrekening dat zij, die weten van dit bewuste voortbestaan, denken dat zij daardoor alle consequenties zouden kunnen ontlopen.

Het is echter zo, dat wij daarginds aankomen en een overzicht van ons stofleven te zien krijgen.

Nu leven er op aarde koppige en eigenwijze mensen en deze zullen aan Gene Zijde van dezelfde koppigheid en eigenwijsheid getuigen als voorheen. Zij willen hun fouten tegenover anderen niet erkennen, zij willen ook niet het hoofd buigen tegenover hen die zij misschien hard en liefdeloos behandelden, kortom ze zijn ongenaakbaar. Ofschoon er geen hel of verdoemenis bestaat, is er toch een verblijf aan Gene Zijde dat wij gemakshalve maar willen betitelen als een schemer-land. Koud en onvriendelijk, geen lichtstraaltje te zien, geen hartelijke gedachten die steun zouden kunnen geven, alleen een confrontatie met het eigen wezen.

Op den duur zal men wel leren dat dit eigen wezen vereenzelvigt dient te worden met de sfeer rondom, maar er is bepaald wel enige tijd nodig om dat te leren en... tijd is een menselijke instelling, waarmede men aan Gene Zijde geen rekening meer houdt.

Om dit te belichten zal ik een ervaring aan de séance tafel neerschrijven. Die avond toen wij tesamen in afwachting waren van datgene wat komen zou, meldde zich een mannelijke geest, die ons geen ogenblik daaromtrent in twijfel liet. Het was een stem als een donderbus. Het eerste waarom hij vroeg was bier. Dat hadden we natuurlijk niet in onze kring dus reikten we hem een leeg glas. Nadat hij zijn geestelijke „dorst” gelest had, vertelde hij ons dat hij de naam Buick had gedragen. We dachten aan zijn omvangrijke gestalte die wel door bijna allen kon worden waargenomen en dachten hem te kunnen helpen door op te merken dat die buik reeds lang verdwenen was en dat deze nog maar in zijn gedachtenleven een plaats kon innemen.

„Nee,” schreeuwde hij, „ik héét Buick, Joost Buick.”

Natuurlijk begrepen wij dat hij zich bewust was van zijn naam die hij op aarde had gedragen en antwoordde hem dat die naam helemaal niet belangrijk was, omdat hij nu in een andere wereld leefde en een andere naam zou ontvangen wanneer hij die verdiende.

Hij brulde en schreeuwde dat hij zeer belangrijk was, niet alleen de naam, maar als man. „Jullie weten niets van mij, ik zal de schout en zijn rakkers op jullie af sturen, ik laat mij niet beledigen als onbelangrijk.”

Uit die woorden over de „schout en zijn rakkers” konden wij opmaken dat hij reeds geruime tijd niet meer op aarde kon leven en wij wilden zo graag iets meer weten, zodat wij uit een ander vaatje gingen tappen: de leider van onze kring vroeg dus: „zou u ons meer willen vertellen over uw belangrijke positie?”

Dat wilde hij wel maar eerst wilde hij nog wat bier.

Wij „schonken” hem dus een vers glas, waarmee hij de opmerking maakte dat zo'n „pint” een mens goed deed en vertelde vervolgens dat hij burgemeester van Amsterdam was en dat zijn medebestuurders het hem bijzonder lastig maakte, zo dat zijn bloed op kookhitte stond. Hij scheen een zeer onaangenaam man te zijn geweest die alles zelf wilde doen, niemand ooit iets toegaf, een driftig, eigengereide man, die alleen zichzelf belangrijk vond.

Met verachting sprak hij over de andere burgemeester, over het gewone volk dat morde en ontevreden was met de gang van zaken en nergens was een glimp te bespeuren van een enkele genegenheid. Wij begrepen dat een mensengeest zich eeuwen lang kan bezig houden met zichzelf en niet verder kan of wil zien.

Lange tijd nadien lazen we over deze burgemeester van Amsterdam.

Om een duidelijk beeld te geven van alles wat tot nu toe misschien onbegrijpelijk is geweest, moet ik u terugvoeren naar de boven omschreven séance. Mogelijk vraagt u zich af waarom zo iemand te drinken vraagt en waarom wij een leeg glas gaven.

Men dient te begrijpen dat een „geest” niet drinkt, maar wel geteisterd kan worden door dorst, een dikwijls terug kerend verschijnsel, waar vooral alcoholisten door worden geplaagd.

Emed leerde ons dat die geesten zich steeds weer indenken verschrikkelijke dorst te hebben, maar het is een dorst die meer duidt op de hunkering naar bevrijding dan naar drank.

Wanneer men u, aldus Emed, om drinken vraagt, dan geeft u een leeg glas aan het medium waardoor verstikkingsgevaar niet kan voorkomen.

Het medium verkeert in een toestand waarin niets mag worden gegeven van voedsel of dranken of andere genotmiddelen, maar door een ledig voorwerp te geven, bevredigt men op dat ogenblik de ongelukkige geest en wij zullen dan zorgen voor een geestelijke dronk.

Ook werd er geschreven over een leider in de kring. Deze taak werd wel om beurten verricht. In de aanvang werd de leider door Emed aangewezen.

Deze leider of leidster, nam dan op zich onbewuste of ongelukkige geesten toe te spreken en door overredingskracht te bewegen hun hardnekkige houding los te laten. Het ging natuurlijk de ene beter af dan de andere, maar allen leerden daardoor een mens die zware misdaden had begaan en geestelijk daarmee belast was, met liefde en geduld toe te spreken. Niet altijd gelukte dit, er waren van die gevallen bij waar wij bijna geen raad mee wisten, zoals het geval met een stuurman.

De man verbeeldde zich nog steeds op zijn schip te zijn en was bepaald agressief. Hoe mijn man (wiens beurt het was als leider) hem ook toesprak, het mocht niet baten.

Plotseling scheen zijn belangstelling gewekt door de woorden van mijn man: „dat het hem wel interessant toescheen over de zeeën te varen.”

„Ben je dan nooit op zee geweest,” vroeg hij aan mijn man, en op het ontkennend antwoord smaalde hij: „Dus als ik jou een klap op je bek geef, weet je niet of het aan stuurboord of bakboord is?”

Ik geef hier woordelijk zijn eigen uitdrukking weer.

Wat moest men hierop nog antwoorden? Mijn man beheerste zich meesterlijk en zei lachend: „nee, dat zou ik niet weten maar ik geloof toch niet dat je mij dat wilt aandoen.” Nee, dat wilde hij ook niet, zei hij.

Door deze vriendelijkheid kregen de aanzittenden de gelegenheid om hem rustig toe te spreken en hem duidelijk te maken dat hij een tijdelijke gast was in ons huis en dat hij straks rustig weer ons huis zou verlaten in het bewustzijn dat hij niet meer op aarde leefde maar in een andere wereld die voor hem nu veel duidelijker zou worden.

Zo brachten de zittingen ook wel eens onvoorziene moeilijkheden mee maar wij leerden en leerden zoveel dat er heel veel onbegrepen zaken voor ons duidelijk werden.

Hoe dikwijls denken we niet terug aan de vriendelijke Bernardus, hoe hij weigerde om zijn stoffelijke naam aan ons te vertellen. Emed had ons al geleerd dat wij moesten afwachten, ook al waren we nog zo nieuwsgierig, maar Bernardus vertelde dat zijn dochter in onze kring aanzat en wees haar duidelijk aan.

Daar Emed ons geleerd had te onderzoeken en niets zonder meer te aanvaarden vroeg ons kringlid ook naar bewijzen.

Hij gaf haar twee verschillende van deze bewijzen maar zij wilde graag zijn naam weten. „Uw voornaam kent niemand hier, wanneer u mij die kunt zeggen zal ik het geloven.”

Maar Bernardus weigerde even hardnekkig als zij bleef aandringen. Het werd bepaald benauwend voor ons.

Opgemerkt dient te worden dat de beide voorwerpen waarvan hij de aanwezigheid opgaf in het huis van haar moeder, volkomen juist werden bevonden, maar die naam, die naam moest en zou zij hebben. Er verliepen weken en maanden, Bernardus kwam of ging, maar

die naam kwam in ieder geval niet.

Op een zondagmorgen stond ik in de kamer naar buiten te kijken, toen een zachte vriendelijke stem zei: „ik ben het, Bernardus, wilt U tegen mijn dochter zeggen dat mijn naam „Wouter” is geweest.” Dit bleek juist te zijn en in dankbaarheid denk ik terug aan het vertrouwen dat Bernardus mij geven wilde.

Hieruit leerden we weer dat zij aan Gene Zijde niet gedwongen kunnen worden; al te vaak vraagt men hen dingen die wij in het aardse leven reeds lang vergeten zouden zijn. Men stelt geen vragen als: wat was uw lievelingskleur of wat heeft u altijd bijzonder graag gegeten. Het heeft geen enkel nut.

Wanneer wij de vraag zouden stellen aan ieder willekeurig mens „wat heb je verleden week dinsdag gegeten?” dan zou men ons aankijken of we ergens niet goed wijs waren.

Bernardus leerde ons, dat wij moesten weten wat en waarom te vragen en niet te dwingen om iets wat zij niet willen of kunnen zeggen.

Het is juist, zoals ik reeds boven omschreef, dat wij geen geesten kunnen oproepen. Heel dikwijls werd deze vraag in de loop van de jaren tot mij gericht. Het is voor mij niet vreemd wanneer men bij mij komt en vraagt: „kunt u mijn man oproepen, kunt u mijn moeder vragen hier te komen. Ik heb een broer verloren wilt u hem oproepen...”

Ik wilde, dat ik het zou kunnen, maar het kan niet. Ik ben slechts een klein instrument, dat spontaan mag zien, horen of spreken, maar ik kan er geen enkele invloed op uitoefenen behalve misschien door alles wat mij zelf aangaat opzij te zetten en de wil te hebben de bedroefde of wanhopige medemens te mogen helpen.

Men moet ook logisch denken. Stelt u zich voor dat een totaal onbekende zich met een van deze vragen over het oproepen van geesten tot mij richt. Zo onbekend als de bezoeker zelf, zo onbekend zijn zijn familieleden voor mij, wie zou ik moeten oproepen? Een boodschap uitzenden als: „Vader, kom naar beneden? Moeder, uw dochter wil u spreken, kom even hierheen?” Men kan toch begrijpen dat dit geen enkele waarde zou hebben?

Wat wel waarde heeft, is de spontane helderziende waarneming en eerst dan kan deze waarde hebben wanneer er tijdens een gesprek niet over wordt gesproken.

Zo stond ik eens in Utrecht voor een psychometrische séance. In het volgende hoofdstuk zal ik daar uitvoerig over schrijven.