HOOFDSTUK 12
Het land aan Gene zijde
In het vorig hoofdstuk heeft men kunnen lezen, hoe Emed ons vroeg onze zittingen te staken omdat hij aan Gene Zijde zo ontzaglijk veel werk te doen had.
Hij vertelde ons dat men naar de geest totaal verminkt aankwam en men in alle opzichten hulp nodig had, waaraan ook hij zich niet kon en wilde onttrekken.
Na de oorlog namen onze zittingen wederom een aanvang.
Het was steeds weer experimenteren op het gebied van helderziendheid en boetseren omdat Emed beweerde dat dit alles nog niet „af” was en ik had er vrede mee.
Emed vertelde ons hoe men gedurende de wereldbrand, vervuld van haat aan Gene Zijde kwam:
„Met duizenden tegelijk kwamen zij aan Gene Zijde. Totaal verminkt, waanzinnig, dronken van vernielzucht en bloeddorst, anderen weer schreiend in een niet te stelpen wanhoop, velen die om de hulp van moeder smeekten.
Wij brachten hen in een oord waar zij tot rust en genezing konden komen en waar zij de ontzettende hel waaruit zij gekomen waren althans voor het ogenblik konden vergeten.
De broeders uit onze Orde van goede diensten, stonden hen in alles bij, lieten hun oren gewend aan kanonvuur tot rust komen met zachte liefelijke muziek, hun ogen, gewend aan doden en verminkten kregen de schoonste bloemen te aanschouwen.
Ons oord van rust bracht rust in hun arme zielen.
Dikwijls vroegen zij ons of dat God's wil was en ook twijfelden zij of er wel een God zou bestaan, die dit allemaal toe kon laten en toch de naam Liefde droeg.
Wij weten dat God en Zijn erbarmende Liefde rondom aanwezig was en wij probeerden hen duidelijk te maken dat deze hel niet uit God kwam, maar dat dit een ontketening van satanische krachten was geweest, krachten die bezit hadden genomen van de mensen die waanzinnig van machtslust, deze hel hadden aangestookt, en in die zelfde waanzin steeds verder en verder van de mens begiftigd met redelijk verstand, afdwaalde zodat er niets meer over was dan de vernietigingsdrang.
Wanneer zij dan inderdaad tot rust waren gekomen, gingen wij met hen door het wondere land en toonden hen dat niets hen meer kon weerhouden dit land te betreden omdat Geest en Stof nu gescheiden waren.
Wij voerden hen naar het oord waar de kinderen die bij ons leven hun spel speelden of naar hun ontwikkeling hun geesten bekwaamden om straks toegerust te zijn voor de opdrachten die aan hen zouden worden gegeven.
Wij brachten hen in onze „woningen” waar wij rust vinden wanneer onze geest daaraan behoefte heeft en wij bereidden hen voor op de taak die hen eenmaal zou wachten.
Soms hadden wij grote moeite hen duidelijk te maken dat zij niet meer aan de stof gebonden waren, dat zij vrijuit overal konden heengaan, óók naar de aarde, indien zij dat wensten, maar dat daaraan de voorwaarde verbonden was, dat zij vrijwillig zouden terugkeren, opdat zij niet, met de nog steeds oplaaiende haatgevoelens in hen, rampspoed over de toch reeds zo geteisterde wereld zouden kunnen brengen.
Wij brachten hen in hun vroegere omgeving op aarde, opdat zij begrijpen zouden dat zij voortleven en dat de dood niet alleen maar een einde en een vernietiging betekende.
Wij leerden hen hoe wij de mensen op aarde ten goede trachten te beïnvloeden en de verstandelijke vermogens te verscherpen om zo de wil in hen te doen ontwaken, te strijden tegen onrecht en oorlogsgeweld.
Maar op hun vragen hoe het met de „beestmensen” uit die oorlog ging, toonden wij hen ook de duistere gebieden waarin deze geesten een verblijf zochten.
In de aanvang konden wij dat natuurlijk niet aan hen tonen, omdat wij rekening moesten houden met het oplaaien van de nauw bedwongen haat en eerst na enige tijd konden wij hen brengen hij die duistere spelonken waarin zij zich verborgen houden die dit alles gewild hebben en door welke invloed ook, alle menselijke rede uit het oog verloren.
Hier zagen zij de waanzinnige geesten, vervuld van haat en walgelijke lusten, zij hoorden hun verwensingen en werden met angst vervuld, maar wij strekten onze handen uit en beschermden hen. Zij hoorden hoe velen smeekten om water en dat wij hen dat water niet gaven, omdat zij moesten leren hoe zij, die men op aarde het drinken geweigerd had, geleden moesten hebben.
Anderen vroegen om voedsel, maar verkregen dit niet; schuldig als zij waren aan de hongerdood van velen.
Maar er waren ook van die ongelukkigen die de ellende over de medemens gebracht, betreurden en ondanks hun duisternis, vroegen om hulp in naam van de barmhartige God.
Voor hen vormden wij een schaal, waarin wij hen een dronk reikten die hun geest verkwikte en hen een weldaad van God zelf toescheen.
Zo gebeurde het dat de geest die mij geleidde, tot medelijden geroerd werd en ons verzocht, indien het kon, te helpen dit lijden te verzachten.
Maar het was ons niet toegestaan ons licht in die duisternis te verspreiden, slechts wanneer door werkelijk berouw vermurwd zo'n ongelukkige ziel de handen uitstrekt en vraagt om verlossing van zijn zielepijn in Christus' Naam, nemen wij hem mee en brengen hem naar een schemerland, waar hij niet meer in ondoordringbaar duister verkeren kan.
In dit schemerland bezoeken wij hem regelmatig en laten hem steeds opnieuw de zonden tegenover de medemens zien, waaraan hij zich schuldig maakte tot ten leste nog maar één wens zijn Geest beheerst, op welke wijze het ook van hem zal worden geëist, zoveel mogelijk goed te maken.
Zó is ons werk aan Gene Zijde gericht tot het brengen van rust en mededogen aan hen die door de verschrikking die over de wereld waarde, heen gingen.
Denkt u niet dat het gemakkelijk werk is; iedereen doet zijn plicht, kinderen helpen kinderen die omgekomen zijn en het is hun taak de kleinen te doen vergeten dat er een hel was die de naam Aarde droeg.
De liefde hen eigen gemaakt aan Gene Zijde, komt tot uiting in de verzorging en de zorg die zij de nieuw aangekomenen plegen te geven.
Zij brengen hen naar de tuinen vol met bloemen die zij vrijelijk kunnen betreden en geven hen het geestelijk speelgoed in de geestelijke handjes; maar dit alles moet u niet zien alsof u van de aarde in een soort lusthof terecht was gekomen.
Ons geestelijk zijn kent het grote verschil met de tijd toen wij aan de stof verbonden waren.
Ons geestelijk kleed wordt door ons gemaakt van de gedachten, het licht dat wij verspreiden; en een geest met haat vervuld, kan dus onmogelijk een wit kleed dragen, maar is nog gekleed in een donkergrijze omhulling, waaruit wij zijn geestelijke omstandigheden kunnen waarnemen.
Zo kan men een groot verschil zien in de kledij van hen die reeds door loutering tot medelijden zijn bewogen of van hen die nog steeds door hun wraakgevoel warden bezield.
Toch is het opmerkelijk dat de menselijke geest, los van alle stoffelijke bezittingen, vrij spoedig tot medelijden met hun kwelgeesten kan worden bewogen.
De op aarde achtergeblevenen vertonen veel meer de neiging tot haat en vergelding, dan zij die slachtoffer werden.
Zodra wij hen geleerd hebben dat de mogelijkheid bestaat hun kinderen, man, vrouw, vader of moeder bij ons te bezoeken, wanneer zij zich een helder beeld van hen kunnen vormen, dan wijkt de strakheid van hun geest, dan willen zij zich dat geliefde beeld, ook zo helder en zuiver mogelijk, eigen maken en dan komt ook de gemeenschap, het elkander bezoeken, ook heel dikwijls het met elkander verder gaan, zodra men elkaar weergevonden heeft.
Langzaam verdwijnt dan ook het grauwe kleed dat zij dragen.
In een gelukkig gevoel van weerzien, stralen zij, begrijpelijk voor ieder, al een geheel ander geestelijk licht uit.
Gehele families hebben wij op deze wijze weer met elkander verenigd en zij gaan rustig de weg van evolutie, hen voorgeschreven en treuren niet meer om het verlies van de schone aarde, die voor hen een woestenij geworden was.
Zij begeven zich naar het Licht dat ook voor hen zal stralen en waar zij zich koesteren kunnen in de erbarming van alles overheersende en vergevende liefde.
Zij zullen een taak krijgen, misschien wel de taak om in de spelonken van duisternis de troost en bemoediging te brengen dat de mogelijkheid tot verlossing bestaat.
Mogelijk kunnen zij dan reeds de schaal vormen om een geestelijke dronk te reiken aan hen die verscheurd worden door berouw. Zij zullen echter ook opgewassen dienen te zijn tegen scheldwoorden en vervloekingen die hen nog steeds zullen bereiken, zij zullen moeten leren daar zwijgend aan voorbij te gaan en zelfs een gedachte van medelijden leren uitzenden opdat het lichtstraaltje van goedheid en vergevingsgezindheid ook de meest verstokte zielen zal bereiken.
Door erbármen ontvangen zij eerbied, door géven uit medelijden ontvangen zij geestelijke kracht en zij zullen evoluëren door het geven van een sprankje hoop, in die ondoordringbare duisternis, waarin wij die in een Hoger leven thuishoren, niet zonder huivering kunnen afdalen.”
Op onze vraag hoe lang deze ongelukkigen in de duisternis zouden moeten verblijven, zei Emed:
„Wat is tijd in de eeuwigheid, wij weten het niet, misschien moeten wij wel met duizenden jaren rekenen, zolang er geen licht van berouw in hen ontstoken is, zolang zij niet zichzelf confronteren met hun slachtoffers, maar zich verbergen in de ondoordringbare duisternis van hun eigen geest, zolang zal dit niet van hen wijken denk ik.
Zodra zij echter tot erkenning komen tegen God's hoogste gebod te hebben gezondigd en zij een beeld krijgen van de door hen geschapen ellende, dan zullen zij de eerste lichtstraling, zij het ook flauw en zeer kort, om zich heen zien en zal één van hun slachtoffers hen bezoeken en hen geestelijk drenken met medelijden.”
Wanneer wij dan terugdenken aan de avond dat Joost Buick, Amsterdams burgemeester in de tachtigjarige oorlog, ons bezocht, eeuwen gebonden reeds aan zijn duistere geest, dan kunnen wij niet anders dan de opmerking van Emed dat het misschien wel duizenden jaren kan duren, onderschrijven, want wij denken zo dat Joost Buick met alle wandaden die hij misschien bedreven heeft, wel een kleine man zal zijn bij de misdadigers die wij hebben leren kennen in de tweede wereldoorlog.
Zo leren wij ook begrijpen dat ondanks alle duisternis, na misschien eeuwen van inkeer, zelfkennis en berouw, een verlossing komt. Een verlossing die langzaam zijn beslag zal krijgen, maar waar, door loutering van de geest, ieder ten slotte op rekenen en hopen kan. Welk een lijdensweg deze loutering betekenen kan, werd ons duidelijk gemaakt toen Emed vertelde dat ieder slachtoffer om vergeving gevraagd moet worden en wanneer dat slachtoffer niet bereid is de gevraagde vergeving te verstrekken, de loutering opnieuw een aanvang neemt.
Hij zei: „Het komt echter gelukkig niet zo vaak voor als men zou denken, dat vergeving wordt geweigerd.
Men is spoedig reeds vervuld van medelijden om dat vreselijke geestelijk duister en de mateloze martelingen daaraan verbonden. Nu weet u tevens hoe het symbool „hel” ontstaan is, maar foutief is dat men op aarde de mens beangst met een hel waaruit geen verlossing meer mogelijk zou zijn. Wij leven in de eeuwigheid, maar de „hel” is niet oneindig, al geeft de lange duur waarin men kan toeven in zijn geestelijk vuur, wel iets weer van een lijden zonder einde.
Het is redelijk dat de misdaden die men op aarde heeft bedreven ook worden bestraft, maar ook een korte straf in deze poel van ellende is genoeg om de menselijke geest te doen wensen, dat zij nimmer een strafbaar feit gepleegd had.
Op onze vraag of ten slotte allen in het licht zullen kunnen leven, zei Emed:
„Wij leven in het Zomerland. Niets verduistert onze geest, wij leven in liefde en geluk en dienen elkander met nooit aflatende liefde. Wanneer uw kind in de modder zou liggen, zoudt ge dan de deur openen of haar laten liggen?”
Wij antwoordden natuurlijk dat wij ons kind dan liefdevol op zouden nemen.
Emed antwoordde hierop: „Zoudt gij dan denken dat God minder liefde bezit dan de mens, zoudt ge u hierin dan zelf beter achten dan God?
God laat niets verloren gaan, omdat Hij louter liefde is.”
Voor de zoveelste maal moesten wij Emed gelijk geven, want zouden wij aan liefde kunnen opbrengen wat wij in God betwijfelen? Het moge onbegrijpelijk en ongeloofwaardig voorkomen dat men aan Gene Zijde muziek kent en een dronk kan uitreiken, genezing brengt aan gewonden en zielepijnen heelt met een geschenk van bloemen, dit alles wordt begrijpelijk en zeer waarschijnlijk wanneer men bedenkt dat men zich aan Gene Zijde door gedachtenkrachten van het Hoog Intellectuele Wezen alles kan vormen waar men behoefte aan heeft.
Op een door ons gestelde vraag, of het licht aan Gene Zijde op den duur niet vermoeiend werkt voor de geest antwoordt Emed ons: „Wij zijn geheel vrij, om indien wij dat wensen, ons met een aangenaam aandoende en rustgevende schemer te omringen.”
Vraag: Wanneer een door oorlogsgeweld verminkte aan Gene Zijde komt, gelooft hij dan nog verminkt te zijn?
Antw.: Ja, hij gelooft b.v. dat beide benen (die afgeschoten werden) ontbreken; zo komt het natuurlijk ook voor dat men zich volkomen blind waart, of zonder armen of alleen maar romp zonder hoofd.
Vraag: Hoe lost men dat aan Gene Zijde op en hoe geneest men dat?
Antw.: De beste geneesheren staan hen ten dienste; de menselijke geest is zich bewust van zijn kunnen.
Wanneer zij op aarde geneesheer waren, zullen zij dat ook blijven en zij omringen een verminkte geest met alle zorgen die deze behoeft.
Reeds na korte tijd zullen zij duidelijk maken, dat het afgeschoten been of de arm weer op zijn plaats zit en geneest en zij zullen de verminkte laten voelen dat zijn afgeschoten hoofd alleen maar stoffelijk vernietigd kon worden en dat zijn geest geheel intact is.
Vraag: Gelooft zo'n verminkte geest zich in een soort ziekenhuis of hospitaal?
Antw.: Ja zelfs onze artsen vergeten hun witte jassen bij zo'n geval niet. Hoe eenvoudiger wij met onze krachten handelen des te meer en des te vlugger zullen wij succes hebben, want onder de stoffelijke omstandigheden zou de mens alleen maar rust vinden in het weten dat hij in een hospitaal ligt en er dus genezing voor hem zijn kan. Wanneer wij anders zouden handelen, zou dit geestelijke verwarring teweeg brengen en dat zou de geestelijke genezing van de verminking tegenhouden.
Vraag: Wanneer een geest niet aan voortbestaan gelooft, hoe werkt men deze gedachte weg?
Antw.: Wij werken deze gedachten volkomen weg, door hem terug te voeren naar de aarde, hem te laten zien dat zijn stoflichaam geen enkele betekenis meer heeft en dat hij in zijn vroegere omgeving niet kan worden waargenomen of gehoord, maar dat hij óns wél kan waarnemen en horen.
Wij laten dan zien dat muren en vensters en gesloten deuren voor ons geen enkel beletsel vormen, dat wij daar doorheen gaan alsof ze geopend waren of niet bestonden. Al spoedig komt men dan tot de erkenning dat er een voortbestaan is en men het in eigen macht heeft daar gelukkig te zijn.
Vraag: Er is ons geleerd dat men dan verloren is als men overgaat zonder de sacramenten van de Rooms Katholieke Kerk, wanneer dat werkelijk zo zou zijn, hebben andersdenkenden dan enige kans om het Licht van God te zien?
Antw.: Iedereen die aan Gene Zijde komt, heeft gelijke kansen, wanneer zij een normaal leven leidden en geen misdaden op hun schouders hebben geladen.
Christus is niet geofferd voor één bepaalde groep, maar voor allen. Voor de één zal het langer duren dan voor de ander, maar de weg van het Licht, de weg naar Huis, vinden allen. Emed is ook zonder sacramenten van de Kerk heengegaan en ik zeg u: aan Gene Zijde leef ik in het Licht van God's Liefde ook al heb ik de Alkracht Zelve nog niet bereikt.
Vraag: Bestaat reïncarnatie?
Antw.: Reïncarnatie is mogelijk doch niet noodzakelijk.
Wanneer men denkt als een ander wezen terug te komen, dan is dat fout. Een aan de mens gebonden geest kan nooit de plaats van een dier gaan innemen, de dierlijke geest is niet voor rede vatbaar, het redeloze dier zou dus nooit de redelijke geest kunnen herbergen.
Reïncarnatie kan daarom ook maar alleen geschieden wanneer een gelouterde geest, zijn misdaden erkennende, vraagt om als boete opnieuw op aarde te mogen leven, zodat hij iets kan goedmaken van zijn misdaden.
Men diene dan wel te begrijpen dat zo'n pelgrimstocht op aarde in de diepste ellende en armoede zal dienen te worden afgelegd en dat de vreugdeloosheid van dat leven de boete is voor het leven van misdaad en overvloed. Maar dit moet van de Geest zelve uitgaan, er is geen enkele wet die reïncarnatie voorschrijft en wij kunnen ook niemand dwingen Anders dan vrijwillig tot reïncarnatie te komen.
Is de reïncarnatie echter toegestaan en de weg terug dus mogelijk gemaakt, dan zal men alle ellende, ziekte, armoede, vervolging en gebrek moeten aanvaarden en wanneer men zich door zelfmoord b.v. ontdoet van het stoffelijk kleed, zal men weer opnieuw moeten beginnen, daar waar men aan Gene Zijde eindigde.
Dit alles wordt de Geest medegedeeld alvorens hij zijn beslissing in vleze zaak gaat nemen en hij moet voor zichzelf uit maken of hij (een leven op aarde onder de gegeven omstandigheden prefereert boven de boeteweg aan Gene Zijde.
Vraag: Er zijn mensen op aarde welke zich gereïncarneerden denken, is dat juist, kan men zelf iets weten omtrent een z.g. vroeger bestaan?
Antw.: Dit is niet juist. Op gevaar af, enige glazen huisjes in te gooien, moet ik verklaren dat men zich slechts bij tijd en wijle iets bewust kan zijn van een vroeger aards bestaan. Let u echter eens op, de meesten van deze mensen beweren een koning of een koningin te zijn geweest, nooit een bedelaar of een zeer gering geplaatst mens.
Misschien zou men kunnen weten, door bepaalde waarnemingen dat men een priesteres of een priester geweest is, die bloedige offers heeft geëist, zoals de priesters van Vesta de Vestaalse maagden opeisten om hen bij een kleine zeer menselijke overtreding levend te begraven.
Dichter bij huis gebeurde dit ook wel in kloosters waar een non gevallen was en met haar kindje levend werd ingemetseld, al gaf men dan met een beetje barmhartigheid nog wel eens een gifbeker te drinken.
Dat men zich met dergelijke schulden beladen terug wenst naar de aarde is begrijpelijk en in zo'n geval kan heel flauw de herinnering terugkeren opdat men moed vatte tijdens het gruwelijk aardse bestaan, in de wetenschap dat de weg van boete wordt afgelegd. Waarom zou men nu juist de gereïncarneerde Marie-Antoinette zijn of Jeanne d'Arc, omdat men weet dat dat personen waren die on- willekeurig ieders belangstelling wekken?
Maar dat heeft immers niets te doen met reïncarnatie!
Laat u zich niet van de wijs brengen, ook als een of ander lief wit poesje, of zwart hondje keert men niet terug, daar is de menselijke geest God zij dank te hoog voor ondanks alle fouten die haar kunnen verduisteren.