HOOFDSTUK 21

 

 

 

Wij maken kennis met Majoor Bulterman. Séances

 

Het volgende geschiedde op een avond toen wij de gewone zitting van onze huiselijke kring hielden.

Men moet zich niet voorstellen dat deze kring in de loop van de jaren nooit veranderde, dit blijkt alleen reeds uit het geval van Marcus, onze dierbare Intelligentie, die in de eerste nacht van de Duitse inval opgeroepen werd en die meermalen door andere media bij mij beschreven is.

Regelmatig kwamen en gingen er leden, de ene doordat hij geen contact kreeg met het gewenste familielid, de andere omdat er een overplaatsing plaats vond en zo kan men zelf wel verder aanvullen. Maar toch hielden wij zoveel als in ons vermogen lag de kring op het gewenste aantal.

De avond die nu ter sprake komt, was er een van vragen stellen en afwachten wat er verder zou gaan gebeuren.

Emed kwam al spoedig tot ons en vertelde dat wij een nieuwe geestelijke vriend tegemoet konden zien, maar hij drukte ons op het hart om vooral niet het gewone onderzoek te vergeten.

De aangekondigde Intelligentie kwam en vertelde ons dat hij tijdens zijn leven Heilsoldaat geweest was.

Hij begon te vragen of hij een lied met ons mocht zingen en hij zette met een zware stem in:

 

„De keten zal breken in de hand van de Here...

Hij schenkt ons Zijn Zegen al meer en al meer...”

 

Hij moest het alleen doen, want niemand van ons kende dit lied. Daarna sprak hij een dankgebed uit, waarin hij vooral uiting gaf aan zijn blijdschap over het geestelijk voortbestaan, al beantwoordde dit niet aan zijn verwachtingen; het overtrof zijn stoutste dromen. Daar wij totaal niets wisten van het Leger des Heils, vertelde hij ons van zijn werken op aarde. Bij een ramp om het leven gekomen, zette hij aan Gene Zijde zijn Heilswerk voort door de inspiratieve medewerking aan zijn broeders en zusters.

Het woord „ramp” werd natuurlijk een aanleiding tot ons onderzoek. Mijn man als kringleider van die avond, vroeg of hij enkele vragen mocht stellen en zei: (na de verkregen toestemming)

„U spreekt over een ramp, is dat een auto-ongeluk geweest?” De Intelligentie antwoordde:

„Neen, een spoorwegongeluk.”

Vraag: „Weet u wanneer dat gebeurde?”

Antw.: „Neen, de tijd weet ik niet meer.”

Vraag: „Was het een ongeluk in ons land?”

Antw.: „Ja, het spoorwegongeluk bij Weesp.”

Vraag: „Kunt u het nader omschrijven?”

Antw.: „Het was een vreselijke chaos, een geweld alsof de aarde verging, daarna niets meer.”

Vraag: „Duurde het lang voor u zich bewust werd dat u niet meer op aarde leefde?”

Antw.: „Dat weet ik niet precies, ik hen mij bewust van de hulp die ik kreeg, ik waande mij in een groot, licht hospitaal, waar men mij voor alles, troost en geestelijke rust bracht, waar men de shoc die mijn geest volkomen verwarde trachtte weg te nemen. Eerst nadat mijn geest rustig en zonder enige paniek was, vertelde men mij dat ik niet meer op aarde vertoefde maar aan Gene Zijde. Men verstrekte mij iedere hulp, voorkwam iedere wens, men gaf alleen maar liefde en diende mij met het verlangen dat alleen maar uit liefde voort kan komen en zo kwam ik tot genezing van de verschrikking waardoor ik bezeten was na het ongeluk.”

Vraag: „Vond u het niet vreemd dat andere wezens tot u spraken terwijl u misschien op grond van uw levensbeschouwing gedacht heeft dat u door Jezus Christus zou worden ontvangen?”

Antw.: „Natuurlijk begreep ik er niets van, de gestalten welke mij omgaven, waren allen goed en vriendelijk en spraken op menselijke wijze tot mij. De manier, waarop zij alles bespraken door alles alleen maar te denken omdat zij in de wereld van het denken leven, kon ik niet volgen. Maar hun uiteenzetting, van mijn overgang, kon ik volkomen volgen.”

Vraag: „Reageerde u niet op het gevoel met onbekende wezens te doen te hebben met de gedachte dat u in de hemel of in de hel terecht was gekomen?”

Antw.: „Neen, ik kan mij niet voorstellen dat een dergelijke liefde waar men mij mee behandelde, iets met een hel te maken zou hebben, al vormde ik mij geen illusie dat ik goed genoeg zou zijn geweest om direct in een hemel te worden opgenomen. Mijn reactie op hun aanwezigheid was een begrip, dat ik ergens moest zijn. Tot mijn dood had ik dit anders gezien en geleerd en nu moest ik mij leren aanpassen in een nieuw leven, waarvan ik mij een totaal andere voorstelling had gemaakt.”

Vraag: „Mogen wij een onderzoek instellen bij het Leger des Heils naar uw overgang en rang?”

Antw.: „Daar is mijnerzijds geen bezwaar tegen. Ik wens u veel succes en hoop weer eens bij u te komen. God zegen u allen. Mijn naam is Bulterman. Goedenavond.”

 

Men lette op dat de Intelligentie op het laatste ogenblik zijn stofnaam uitsprak, ons daarmede de mogelijkheid in handen gevende naar zijn persoon te informeren.

Uit die informatie bleek:

„Majoor Bulterman is bij de spoorwegramp te Weesp om het leven gekomen. Hij was een groot en goed mens, legde de vinger op iedere fout die men in het Leger maakte en was er steeds op uit om het Leger te doen groeien.”

Op onze vraag of er nog familie in leven was, werd bevestigend geantwoord, wij hebben echter nooit in contact met familie kunnen treden om over het bezoek van majoor Bulterman aan onze kring te spreken, voor ons echter was het voldoende om te weten dat deze Intelligentie inderdaad bij de ramp van Weesp in de twintiger jaren om het leven kwam. Hij is een graag gehoorde en geziene gast op onze bijeenkomsten en honderden hebben zijn stem horen verkondigen: Broeders en Zusters, wij willen met elkander zingen:

 

De keten zal breken in de hand van de Here...

 

Want ondanks zijn weten, aan Gene Zijde, van bewust voortbestaan, waar iedere „Godsdienst” weg valt in het bewustzijn van de Allesoverheersende Kracht die is en Blijft en eeuwig zijn zal, is Majoor Bulterman een soldaat in het leger van Jezus en als zodanig zal hij blijven zingen, in woorden die hem het best liggen en door niemand tegengehouden, bespot of gehoond, want aan Gene Zijde begrijpt men ieder gebed, heeft men eerbied voor ieder geloof en ziet men in iedere uiting daarvan een weg, die naar de top, naar het AL leidt.

Alleen dit reeds geeft ons reden tot schaamte, want hoeveel malen spot of lacht men niet met de straatzang van het Leger des Heils, om de Psalmen van de Protestanten en over de kledij van de Rooms-Katholieke priester.

De mens schijnt een neiging te hebben te lachen om dingen waarvan hij niets weet.

Majoor Bulterman zingt aan Gene Zijde zoals hij dat graag doet en men begrijpt dit en heeft er eerbied voor.

Dat dit tot lering en meerdere wijsheid moge strekken.

 

Na het verslag van deze bijeenkomst wil ik wel graag uitleggen hoe een séance tot stand komt.

Ik vraag u echter in de eerste plaats ieder vooroordeel opzij te schuiven, want waar ik u nu heen ga voeren, ligt op het absolute terrein van het Spiritualisme.

Hoe kan het ook anders? Ik weet maar al te goed dat het betreden van dit terrein door kerkelijke overheden verboden is en men mag gerust van mij aannemen dat dit bijna alle kerkelijke overheden zijn. Hoewel er verschillende dominees kwamen luisteren naar de Allerzielendiensten en mij instemming betuigden, ben ik genoegzaam doordrongen van het feit dat onder de leiders van de meeste geloofsgemeenschappen vijandschap heerst ten opzichte van het Spiritualisme.

Wij die echter onderzoeken wilden, onze geest wilden verruimen en wijsheid wilden vergaren, hebben zonder enig bezwaar plaats genomen aan de séancetafel.

In de Bijbel staat geschreven: onderzoekt alle dingen en behoudt het goede. Wanneer dit onderzoek voor ons niet het juiste kon betekenen, waren wij bereid het verre van ons te werpen en misschien wel een geheel ander terrein te gaan verkennen.

Om tot een zitting te komen, moet men beginnen met onderzoek en men wage het nimmer zonder enige kennis aan de séancetafel plaats te nemen, want in de aanvang vooral weet men niet wat er gaat gebeuren, men kan het ook niet zien, waardoor men dus niet bepalen kan met welke krachten men te doen heeft.

Ik herinner mij in dit verband een bezoek dat ik kreeg op een Oudejaarsavond. Het was zo'n dringende bede om hulp, dat ik niet vermocht te weigeren, ook al zal ieder begrijpen dat deze avond voor mij een privé-avond was. De man die binnen werd gelaten kon zijn hand niet meer beheersen. Hij was zo maar in zijn eentje aan de tafel gaan zitten, zich openstellende voor datgene wat hij er zich van voorstelde.

Ik ben meer dan een uur met hem bezig geweest om de arm en hand te bevrijden van de ongelukkige kracht die zich van hem had meester gemaakt. Ik vertel dit expres, omdat er altijd mensen zullen zijn die dit terrein uit louter sensatiezucht willen betreden en omdat zij toch nergens in geloven.

Wanneer men op die wijze aan de séancetafel gaat zitten moet men zich niet verwonderen wanneer de resultaten van nul en gener waarde blijken, want er is ook nog een wet die leert, dat gelijken, gelijken trekken. Indien men niet bedachtzaam en met de meeste eerbied voor dit onderzoek te werk gaat, zal men altijd teleurstelling ondervinden.

Het sprookje dat „Spiritualisme tot krankzinnigheid leidt” is in de meeste gevallen gebaseerd op de verhalen van de onkundige leek die zonder enige voorkennis van de materie zich aan de séancetafel zette. Men kan wel séanceren tot onderzoek, maar men moet zorgdragen voor een volkomen betrouwbaar medium, want men moet niet gaan experimenteren alvorens men van Gene Zijde bepaald heeft, dat men b.v. zelf medium is en dat komt veel minder voor dan men wil voorstellen.

Wij hebben onze eerste séanceavond ervaren als een gebeurtenis die practisch onze gehele levensbeschouwing op een ander plan bracht.

Op diezelfde avond werd mij mededeling gedaan van mijn paranormale begaafdheid en de schrik sloeg in mijn benen, want daar voelde ik niets voor.

Emed kwam eerst door verschillende andere media tot mij spreken, ik zou het beslist niet gewaagd hebben mij ooit ter beschikking te stellen, indien ik niet langzaam aan ingeleid was geworden. Na al die jaren kijk ik met dankbaarheid terug, naar die eerste séance die wij belegd hebben.

Ik kan mij best herinneren hoe vriendelijk Emed's zachte beschaafde stem klonk, toen ik voor het eerst met hem in contact kwam en nooit vergeet ik zijn woorden: „u zult een gelukkig mens worden”. Kan ik anders zijn dan een gelukkig mens, na zovelen te hebben mogen helpen, zoveel vrouwen en mannen weer op het goede spoor te hebben geplaatst?

Laat ik dan een bescheiden positie hierin hebben gehad, ik mocht er toch aan medewerken en de vreugde van de samenwerking met Emed is iets wat men zich onmogelijk kan voorstellen.

De eerste séance welke door ons werd bijgewoond was voor mij even vreemd als voor ieder die zich dit onderzoek wil veroorloven. Dat men de handen op de tafel moet leggen, maakt het bepaald niet gemakkelijker.

Practisch niemand die hiermede voor het eerst in aanraking komt, begrijpt dat dit krachten geeft, die wij voor een goede séance nodig hebben.

Zo er ergens smalend over gesproken wordt, dan is het wel over een dergelijke Spiritistische zitting, maar weet men ons dan een ander middel te verschaffen tot het onderzoek?

De wetenschapsmensen die hier studie van maakten, zijn toch ook aan de séancetafel gaan zitten, of ze nu een pij droegen of een burgerpakje.

Het moet mij van het hart, dat men alleen maar de meest ongustige omstandigheden beschrijft en in alle talen zwijgt, zodra men geen antwoord weet.

Men waarschuwt voor de séance, de Spiritualistische séance wel te verstaan, maar men vertelt er niet bij, in welke richting wij dan moeten onderzoeken om tot resultaten te komen.

Welke séance, ánders dan de Spiritistische, kan men ons aanbevelen? Om de séance-tafel heen scharen zich de Intelligenties die het eigenlijke werk verrichten en van hen is iedere aanzittende afhankelijk. Een goed medium kan niets anders dan afwachten en een goed medium zal alleen maar wachten tot hij of zij iets ziet en kan bepaald niets forceren, want daardoor alleen komt het bedrog. De séancetafel kan in beweging komen, maar dat is beslist niet tijdens iedere séance het geval. De tafel kan ook onwrikbaar op haar plaats blijven, of op de meest onmogelijke standen geplaatst worden, zoals wij hebben ervaren toen een zware Engelse eetkamertafel waar ongeveer 14 personen gemakkelijk aan konden plaats nemen, op de korte kant de hoogte in werd getild. Beide tafelbladen waren uitgeschoven. Het gewicht van de tafel noodzaakte ons altijd haar te verschuiven omdat zij bijna niet te tillen was, bestaande uit massief eikenhout met zware balpoten.

De tafel werd ongeveer 180 cm opgelicht en zacht, zonder een enkele beschadiging weer naar beneden gebracht.

Ik zelf zat aan de korte kant van de tafel en om mij heen zaten twaalf andere personen, die stuk voor stuk zouden kunnen verklaren dat hier geen sprake kon zijn van druk mijner handen omdat de tafel aan mijn kant de hoogte inging en omdat het onmogelijk was een dergelijke tafel rechtstandig omhoog te krijgen alleen door er met de handen op te drukken.

Emed zei dat het geen andere zin had dan om te bewijzen dat zij over grote krachten de beschikking hebben en in geen enkel opzicht onderworpen zijn aan de wet van de zwaartekracht.

Alleen dat had het oplichten van een tafel ten doel, maar Emed wilde dit nimmer verrichten wanneer sensatiezucht een woordje meesprak.

Op openbare séances verrichtte de tafel het werk van „aanwijzing”. Het kwam voor dat ik naar een van de aanwezigen gebracht moest worden en de tafel dan de richting aangaf.

Men moet zich kunnen voorstellen hoeveel personen aan een medium zitten te „trekken” gedurende een bijeenkomst omdat de een voor de ander iets vernemen wil en Emed schoof dan de tafel naar de persoon waarvoor een boodschap gebracht werd, door de Intelligentie welke de wens te kennen had gegeven met de aanwezige te willen spreken, maar zodra dit gebeurd was, schoof de tafel weer naar de oorspronkelijke plaats. Gebeurde dit niet, dan verzocht ik de Intelligentie om de tafel wederom te willen plaatsen waar deze stond en het viel ons op hoe nauwkeurig dit verzoek werd uitgevoerd. Men had er de duimstok bij kunnen halen.

 

Wat die openbare séances aangaat, deze waren ingesteld om ieder te laten onderzoeken, dat de verschijnselen bestaan en dat men na ernstig en nauwkeurig onderzoek tot waardevolle conclusies kan komen. Men kan niet tegenspreken dat een concreet bewijs van een leven na de dood, bepalend kan zijn voor de levensbeschouwing van een mens; wij kunnen gerust verklaren, dat de ernstig zoekende mens, na een reeks avonden te hebben gevolgd, waarop Emed sprak, dit Al of niet ondersteunende met experimenten, het bewijs van dit leven na de stoffelijke dood leverende, dikwijls verklaarden dat zij béter van ons heengingen dan zij gekomen waren.

Er zijn mensen die door ons werk teruggekeerd zijn naar de kerk, waar zij als kind in groot gebracht en mee vertrouwd geraakt waren.

Wij hebben dat nimmer tegen trachten te houden, uitgaande van het standpunt, dat uiteindelijk alle wegen naar God leiden. Daarom begrijp ik de vijandschap van de kerken in het algemeen niet; wij doen geen kwaad en trachten de menselijke geest niet te vergiftigen of over te leveren aan de duivel.

Welke enorme krachten en machten denkt men ons eigenlijk toe? Wij trachten de mens, en met dit wij bedoel ik Emed en mijzelf als middel juist te wijzen op de grote waarde van het geloof in God en de kracht die uitgaat van het aanvaarden van de Liefde die Jezus' Kruisdood ons leert.

Emed weet zeer goed te onderscheiden of de mensen die aan een séance deelnemen, dit doen met het oogmerk van ernstig onderzoek of uit sensatiezucht.

Het volgende strekke tot voorbeeld:

Wij hadden een Psychometrische bijeenkomst en er waren enige heren achter in de zaal, die mij als medium hinderden door hun onbehoorlijk gedrag.

Men begrijpt dat er van die mensen zijn die trachten e.e.a. belachelijk te maken, dat vindt men overal. Men kan dit meemaken in iedere kerk. Als kind schrok ik altijd hevig, wanneer een stel kwajongens de kerk binnen kwam en de priester op het altaar najouwden; hetzelfde vindt plaats in de congreszaal van het Leger des Heils; het is dus normaal dat ook onze bijeenkomsten die n.b. ook openbaar waren, daar niet verschoond van bleven.

Gewoonlijk liet ik het rustig gaan, omdat ik wist dat het werk dat verricht werd, hen kon gaan boeien, waardoor de spotlust op de achtergrond geraakte.

Deze avond was dat niet het geval en Emed dreef mij door zijn kracht van het podium af en bracht mij tot hen.

Ik vroeg: „wilt u misschien even met mij mee gaan, ik heb u iets persoonlijks te zeggen.”

Zij stonden alle drie onmiddellijk op en ik verliet de zaal met hen; buiten zei ik: „heren, hier is het geld terug dat u voor uw plaats betaald heeft, gaat u er liever voor naar de bioscoop, u bent nl. nog niet rijp voor deze avonden.”

Hiermede was mijn taak volbracht en liet ik drie verblufte mannen in de hall achter.

Zachtjes sloot ik de deuren voor hun neus en ging verder aan het werk. Geen van drieën had ook maar enig commentaar geleverd. De aanwezigen in de zaal begrepen wat er gebeurd was en menig ernstig onderzoeker begreep opeens heel goed hoe Jezus eenmaal de geldwisselaars uit de tempel had kunnen verwijderen.

Emed verafschuwt de lust tot sensatie, maar neemt nooit iemand een vraag kwalijk die duidt op een volkomen onbegrip of onkunde op het terrein.

Integendeel, er werden speciale avonden belegd waar men vrij alle vragen mocht stellen die men wilde.

Dit werden de meest interessante bijeenkomsten, want uiteraard wist ik niet met welke vragen men zou komen.

De aanwezigen mochten een briefje inleveren waarop zij in het kort hun vraag stelden en Emed beantwoordde deze vragen met een zekerheid die aan het ongelofelijke grensde.

Het is begrijpelijk dat de vragen een onbegrensd gebied omvatte en ik zal trachten in een speciaal hoofdstuk van dit boek, zo'n vragen- en antwoordenspel weer te geven.

Ik moet dit doen aan de hand van vragen die door ons werden opgeschreven omdat zij belangrijk genoeg waren om ze nader te bespreken.

Het behoeft' geen betoog dat er vragen bij waren die uitblonken door verstandig overleg, maar als tegenstelling waren er natuurlijk ook briefjes bij die uitblonken van onbenulligheid, waardoor men

onwillekeurig de gedachte kreeg, of de schrijver(ster) van dit soort vragen eigenlijk wel ooit begrepen had waar het eigenlijk om ging. Wanneer men dergelijke ervaringen heeft op het gebied van totale onkunde en onbegrip van de wijze waarop men het onderzoek na de dood moet verrichten, dan begrijpt men volkomen dat de onbekwame of onontwikkelde mens zich dreigt te associëren met krachten die hij niet kent, wanneer hij zonder hulp aan de séancetafel gaat plaats nemen.

Komen er dan narigheden van omdat hij deze krachten onmogelijk kan beheersen, dan krijgt de Spiritistische séance natuurlijk de schuld en schildert men deze af als hoogst gevaarlijk.

Het is dus beslist niet onnuttig dat Emed altijd waarschuwde om toch vooral éérst te lezen en te leren, alvorens aan een séance, Anders dan onder goede leiding staande, deel te gaan nemen.

Deze waarschuwingen werden altijd gegeven, schijnbaar zonder enige noodzaak, maar Emed vertelde mij dikwijls, dat hij weer de nodige sensatielustigen had waargenomen, die het zelf ook wel dachten te kunnen doen.

Men moet niet denken dat iedere séance tot stand gekomen onder leiding van Emed een soort bijeenkomst werd waar men naar hartelust met familieleden kon spreken, want dikwijls werd op een séance een onderwerp behandeld, betrekking hebbende op hun leven aan Gene Zijde en kreeg men de gelegenheid om in debat te gaan.

De geestelijke opvoeding die Emed ter hand nam, maakte altijd weer opnieuw dat er vragen in de mensen omhoog kwamen en het getuigde dikwijls van zeer diep nadenken wanneer zij Emed de vragen voorlegden waar zij niet uit konden komen.

Ik durf gerust beweren dat de naam „Emed” een bekende en zeer goede klank heeft in Nederland en ver daarbuiten.

Emed werd de vraagbaak voor allen die zich met vraagstukken bezig hielden, Emed is dat heden ten dage nog en het is vaak ontroerend met hoeveel begrip en liefde hij tegenover de kommervolle in nood verkerende mens staat; het is alsof men het lichtende van zijn gestalte ondergaat, men krijgt verkoeling door de zachte aangename luchtstroming die van hem uitgaat.

Over die luchtstroming is ook het laatste woord nog niet gesproken. De honderden mensen die met mij samen aan de séancetafel hebben gezeten kunnen stuk voor stuk getuigenis afleggen dat zij deze koele, verkwikkende stroming hebben gevoeld.

Wetenschappelijk heeft men er geen enkele verklaring voor, men beantwoordt het zeer negatief of men zwijgt het dood, maar ik wil het niet doodzwijgen.

Men leze uit de Bijbel Handelingen, hoofdstuk 2 : 2:

 

En eensklaps kwam er uit den hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en vulde het gehele huis waar zij gezeten waren;

 

Deze windstroming is de kracht die uitgaat van de geest, men leze in de Bijbel over de nederdaling van de Heilige Geest over de discipelen van Jezus. De geest van Emed geeft dezelfde verschijnselen weer, want ook Emed behoort tot de hogere, bewuste wereld die wij kennen en begrijpen als het Land aan Gene Zijde. Legio zijn de door mij ontvangen brieven, naar aanleiding van onze séance’s of naar aanleiding van mijn boek „De Doden spreken” die getuigen van dankbaarheid tegenover Emed en ik ben blij hiermee, blij ook omdat ik begrijpen kan hoe gelukkig Emed hiermee moet zijn, daar uit deze brieven blijkt, hoe zijn werk vruchten afwerpt.

Hier volgt zo'n schrijven; ik zocht er beslist niet naar, deze brief lag in de Bijbel die ik n.a.v. dit hoofdstuk even nodig had. Ik schrijf deze dankbetuiging echter met vreugde over omdat hierin tot uiting komt, welk een zegen Emed verspreidt.

 

26 maart 1962

Lieve mevrouw Mulder.

 

Naar aanleiding van het lezen van uw boek (De doden spreken) is het mij een behoefte u mede te delen hoezeer ik door de inhoud ervan ben ontroerd, in het bijzonder door de lessen van uw controle Emed.

Ik ben zelf een beginnend Spiritiste en heb iedere dag strijd om mijn eigen persoontje. Maar al strijdende hoop ik ook eens volledig te kunnen dienen.

Lieve mevrouw Mulder; moge God u nog veel kracht en liefde geven in uw edele werk, u bent een gezegend mensenkind.

Wilt u indien dit mogelijk is, uw trouwe Emed vertellen dat er nu weer een mens is getroffen door zijn liefdevolle arbeid? En dat die mens zal proberen haar best te doen zijn lessen in praktijk te brengen! Met vriendelijke groeten,

Mw. S.-J.

 

Wanneer de schrijfster van deze brief dit boek in handen krijgt, kan ik haar verklaren, dat haar boodschap werd overgebracht. Ik zal haar natuurlijk op haar vriendelijk schrijven wel antwoord gegeven hebben, maar ik weet daarvan niets meer, dat is ook niet mogelijk aangezien honderden van dergelijke brieven door mij ontvangen worden.

 

Ik moge dan gelukkig zijn met dergelijke boodschappen voor Emed en deze getrouw overbrengen, Emed zegt altijd na zo'n mededeling: „Allahoe akbar — Ana mabsoet” (God is groot — Ik ben gelukkig.) De welhaast kinderlijke nederigheid van Emed tegenover de Schepper getuigt van het feit dat ook Emed zich enkel instrument weet en op zijn beurt mij als zijn instrument hoogacht en liefheeft. Na geen enkele séance, hoe geslaagd ook, zou Emed eer voor zich opeisen, altijd besloot hij de avond met dezelfde deemoedige woorden: „Vader die mij vanavond wederom een goed instrument liet zijn, wij danken U voor alles wat Gij hebt willen geven.”

Emed is een leider voor velen geworden en ieder die hem heeft horen spreken, valt de eenvoud, de liefde en de beschaving op, waarmede hij de meeste mensen vertroost, moed geeft en opheft uit hun soms walgelijk bestaan.

Dikwijls was hij ook de tolk voor hen aan Gene Zijde, tot ons gebracht om in contact te komen met een geliefd wezen dat op aarde achtergebleven was en treurde om de heengegane echtgenoot, vader of moeder.

Wanneer een dergelijke Intelligentie van ontroering nauwelijks te spreken vermocht, was het Emed die piëteitvol en liefderijk de boodschap overbracht en met vriendelijke stem verklaarde: „Ik ben in dienst van uw echtgenoot, die nu zélf nog niet kan spreken, zodat ik dit voor hem mag doen” en dan volgde nauwgezet datgene wat er te zeggen viel.

Let u eens op de woorden: „ik ben in dienst” en „ik mag dit doen” alsof het een eer voor hem was en hij blij mocht zijn daarvoor aangewezen te worden.

Menig zieleherder zou hiervan nog iets kunnen leren, nooit werd Emed ongeduldig, wel eens verontwaardigd, maar dat werd Jezus zelf ook nog wel eens, men leze hierover Zijn toorn tegenover de onrechtvaardigen, de Farizeeën en de geldwisselaars in de tempel maar eens op na.

Die heilige toorn was volkomen begrijpelijk en kan geen reden zijn om Emed naar het rijk van de satan te willen verwijzen.

De woorden „Komt allen tot Mij die belast en beladen zijt, Ik zal u rust geven” worden door Emed nauwgezet nageleefd. Nooit heeft hij een mens in wanhoop om welk bedreven kwaad ook, van zich afgestoten, maar geduldig geluisterd, tot de gehele gewetenslast voor hem was uitgesproken.

Ook ik werd door Emed onder deze omstandigheden omgevormd. Ik was van nature nooit erg geduldig, ik was driftig en gauw geneigd iets neer te gooien waaraan ik begonnen was wanneer het niet vlot verliep, maar door zijn geduld, door de wijze waarop hij de meest ondenkbare fouten door mensen gemaakt, behandelde, gaf hij mij natuurlijk een geheel andere levensbeschouwing.

Emed eiste ook van mij geheimhouding over datgene wat men met hem kwam bespreken en zelfs op openbare avonden werd een zeer grote discretie in acht genomen.

Nooit heeft hij mij verlof gegeven om te spreken over datgene wat in de spreekkamer voorviel en geen enkele lezer of lezeres zal zijn of haar geval in dit werk beschreven zien, zonder dat deze discretie in acht werd genomen. „Mijn biechtstoel” noem ik dan ook voor de grap mijn spreekkamer.

Emed heeft mijn ogen wijd, heel wijd, geopend voor de problemen waarmede een mens kan worstelen, voor de misdaden die zij onder welke omstandigheid ook kunnen plegen, voor de benauwing waarmede een mensenkind te maken kan krijgen in zijn levens- én doodsangst.

De rijke schat aan liefde die in Emed aanwezig is, is voor een deel op mij geënt, opdat ik vol erbarmen zijn kan en zonder vooroordeel tegenover de mens die zijn nood bij mij uitschreit.

Door de wijsheid die Emed mij gaf, uit de Bron waaruit hij vrijelijk mag putten, durf ik ook rustig in debat te treden met hen die dit alles bestempelen als werk van de duivel, of door een wetenschappelijk onderzoek trachten een ongeziene wereld binnen te dringen en te beredeneren waar niets te beredeneren valt. Telkens weer opnieuw word ik in mijn werk geconfronteerd met de angst welke de mens beheersen kan en steeds weer opnieuw gaan zij van mij heen, gesterkt door de rustige woorden van Emed, getroffen door zijn begrip, blij met zijn liefde.

Door ons werd een séance gehouden die zulk een mooi bewijs van het voortbestaan met zich droeg dat ik deze hier wil beschrijven; want dit is van zeer recente datum en de medeaanzittenden zouden bij deze beschrijving direct de waarheid ervan willen getuigen.

Het was november 1964, toen wij in Goes een bijeenkomst mochten houden in een particuliere kring.

Nadat Emed een geloofsvraagstuk had behandeld, waarmede de heer des huizes te kampen had, vertelde hij ons, dat een Intelligentie een boodschap wilde geven.

De Intelligentie maakte van mij gebruik als medium en mijn man, die de leiding had van deze avond stelde hem vragen.

Vraag: „U bent hier volgens controle Emed gekomen om een boodschap te brengen, is deze voor een van ons?”

Antw.: „Neen, ik verzoek u echter om mijn bericht te willen doorgeven.”

Vraag: „Kunt u ons dan uw naam zeggen en vertellen aan wie wij deze boodschap brengen moeten?”

Antw.: „Mijn naam is Herman v. d. Velde en de boodschap is voor mijn dochter bestemd.”

(Alvorens verder te gaan moet ik beschrijven dat mijn man toen volslagen op een verkeerd spoor kwam te staan. Wij kennen nl. een zekere Herman von Felde en door de overeenkomst in de genoemde naam dacht mijn man direct aan deze Herman von Felde) .

Vraag: „Ben u dan overgegaan; u was toch niet gehuwd, hoe kunt u dan nu over uw dochter spreken?”

Antw.: „Ik ben reeds lang aan Gene Zijde, mijn dochter heet „Lies” en u kent haar wel.”

Vraag: „Waar moeten wij uw dochter vinden, wij hebben geen enkele dameskennis die deze naam draagt, vergist u zich niet?” Antw.: „Neen, ik vergis mij niet en wilt u mijn dochter Lies alstublieft zeggen dat de hartmassage die zij krijgt te zwaar voor haar is, dat moet veel rustiger gebeuren, laat zij zich vooral hierover in verbinding stellen met de specialist, zij was deze afgelopen nacht zo benauwd, dat zij voor een geopend raam is gaan zitten. Ik dank u vriendelijk. God zegene u.”

Na het vertrek van deze Intelligentie, sloot Emed de avond en wij hadden tijd ons te gaan verdiepen in deze ogenschijnlijk onoplosbare puzzel.

Men deed mij eerst een getrouw verslag over de séance, want opgemerkt zij dat ik in een diepe trancetoestand had verkeerd, zodat ik niets van het gebeuren afwist.

De naam Herman v. d. Velde zei mij eigenlijk niets, maar het verzoek om zijn dochter een boodschap te geven, bracht mij op een spoor; ik ken hier in Bussum nl. een dame die de naam V. d. Velde draagt en die voor haar hart onder behandeling was. Er bleef in dat geval natuurlijk alleen de naam van de Intelligentie over die wij op dat ogenblik niet aan de weet konden komen en de voornaam van die dame zelf, die wij niet kenden. Thuis komende was het allereerste wat mijn man deed, de telefoon opnemen en de bewuste mevrouw V. d. Velde opbellen.

Vraag: „Mevrouw, u spreekt hier met de echtgenoot van mevrouw Mulder. Is uw vader overleden en droeg hij de naam Herman?”

Antw.: „Inderdaad mijnheer Mulder, mijn vader droeg de naam Herman, heeft u een bericht van hem ontvangen?”

Na deze inleiding vertelde mijn man het verloop van de séance en zij bevestigde dat zij de naam Lies draagt.

Het beste van alles echter was, dat zij inderdaad op de door de Intelligentie genoemde avond, voor een open raam had gezeten omdat zij bijna geen lucht kon krijgen van benauwdheid. De volgende dag, om twee uur was zij naar de specialist gegaan en deze had de raad gegeven, om met de massage enige tijd op te houden. De gehele séance bewees dus dat de vader van mevrouw V. d. Velde in haar onmiddellijke nabijheid vertoefd had en dat Emed hem de gelegenheid had gegeven om zijn dochter te vertellen dat hij onder bepaalde omstandigheden bij haar was geweest.

Dat mijn man met beide namen in de war raakte, maakte het voor ons niet gemakkelijker, want in de verste verte dacht mijn man niet aan mevrouw V. d. Velde, tijdens deze séance. Waarom zou hij ook, zij is een geestverwante van ons, die graag en veel werk verricht in de vereniging op dit gebied waar zij aan verbonden is, maar verder hebben wij geen enkele binding met haar.

Zodoende konden wij ook niet weten dat „Lies” haar roepnaam is. Wanneer men dergelijke resultaten onder de neus gedrukt krijgt, wordt men welhaast gedwongen om na te denken over de realiteit waarmee een Intelligentie ons in aanraking brengt.

Op een openbare séance maakten wij het volgende mede:

Een helderziende waarneming liet mij een zeeofficier beschrijven. Hij was tijdens de tweede wereldoorlog omgekomen bij het torpederen van het schip waarop hij voer.

Hij was gekomen voor zijn vrouw die echter niet aanwezig was. „Maar haar zuster is hier, zij draagt de naam Alie.”

Onder al de aanwezigen was één vrouw in de zaal die deze naam droeg.

„Zegt u haar alstublieft dat „Jan” hier is, haar zwager.”

(Het behoeft geen betoog dat alles direct overgebracht werd).

De juffrouw in de zaal bevestigde de naam van haar (Alie) en de naam van haar zwager. (Jan) .

Ook erkende zij het feit dat hij volgens de ontvangen berichten op zee omgekomen was door oorlogshandelingen.

Nu vroeg de Intelligentie mij woordelijk te willen herhalen wat hij zou zeggen: „Aaltje, pas goed op Stientje, zij kan het nooit alleen aan, al wil ze dat niet toegeven; je weet toch wat je mij beloofde vóór mijn laatste vertrek? Zorg goed voor haar, ik zal het eenmaal kunnen vergelden.”

Hier volgt het relaas van „Alie”:

„Mijn zwager heeft mij voor zijn vertrek gevraagd om, indien er iets met hem zou gebeuren, bij Stientje (zijn vrouw) te willen blijven, omdat hij ervan overtuigd was dat zij het leven in alle moeilijkheden nooit zou kunnen begrijpen en ik heb hem dat beloofd. Mijn zwager Jan was de enige die mij plagend „Aaltje” kon noemen, geen van de anderen spreekt mij ooit op die wijze aan.” Deze Intelligentie is nog dikwijls bij ons op de zittingen gekomen en zijn vrouw, Stientje, was dezelfde die op zo tragische wijze, zoals ik reeds heb beschreven in een van de vorige hoofdstukken, om het leven kwam.

Alie, die bij haar sterven aanwezig was, vertelde mij: „o, mevrouw Mulder, ze kwam ineens bij bewustzijn, zei mij goedendag en keek toen voor zich, zo blij, zo verrast, dat ik een lief ding zou willen geven wanneer ik wist wat zij gezien heeft. Ik kon het niet meer vragen, want op datzelfde moment was zij heengegaan.

Ik heb wel de indruk dat zij gehaald werd, denkt u dat het haar man was?”

Daarop kon ik haar natuurlijk geen antwoord geven maar dat zij op haar sterfbed iets had waargenomen waar zij verblijd mee was geweest, stond wel vast, het is immers een bekend verschijnsel dat men op het sterfbed méér kan zien dan tijdens het gehele stoffelijke leven.

Hoe dikwijls hebben wij daarvan de getuigenissen vernomen. Er zijn mensen die hun ouders waarnemen in het uur van hun dood, een ander hoort weer iets, zoals een (onbekende) man vertelde: „Ik lag op sterven mijnheer, (tegen mijn man) en ik hoorde muziek, zo mooi, als ik het nooit meer heb vernomen, maar ik kan het ook niet meer vergeten, ik ben weer beter geworden, maar ondanks het feit dat ik veel concerten en muziekuitvoeringen ben gaan bezoeken, heb ik dergelijke klanken nimmer meer gehoord.” Wat hiervan te zeggen? Hebben wij enige kennis omtrent die laatste stoffelijke ogenblikken? Hebben oude legenden dan toch een grond van waarheid indien zij verhalen van het feit dat een mens op zijn sterfbed liggende, zijn moeder of vader zag om hem te halen...

Voor ons is voldoende dat Emed hierover sprekende zei: „de stof (lichaam) is een grof beletsel voor de Geest. Wanneer wij ons stoffelijke lichaam willen zien als een geestelijke woning, die tijdelijk door de in ons aanwezige geest gebruikt wordt, dan is het logisch dat bij het afleggen van de stof, (de dood) de geest bevrijd wordt en dat de geestelijke bewustwordingen reeds plaats vinden voor het verbreken van het levenskoord.

De geestelijke ogen zijn tijdens het sterfuur reeds van de stoffelijke belemmering ontdaan en zien helder en ver de toekomst van een nieuw leven voor zich.

Hoewel de mens zich dat niet meer ten volle bewust is, reageert het stoflichaam dikwijls nog op de waarneming van de reeds bevrijde ogen.

Ook zij die sterven met de schuldenlast van talloze fouten en misdaden zien op hun sterfbed en daar kan men de vaak beschreven doodsangsten wel onder rangschikken.

Doodsangst echter niet alleen om datgene waarvan men de consequenties draagt, doodsangst ook om het onbekende, de stap in de duisternis, de sprong in het ongewetene.”

Wanneer ik alle séances zou moeten beschrijven die het bewijs van een bewust voortbestaan opleverden, zou ik minstens nog een dik boek moeten gaan schrijven, maar één maal of honderd maal beschreven, de bewijzen van het voortleven zijn toch niet te ontkennen.