VOORWOORD
Het is volgens mij nodig een woord vooraf te richten aan de belangstellende lezer om misverstanden, die zouden kunnen ontstaan bij het lezen van deze ervaringen, te voorkomen.
Het terrein wat ik jaren geleden aarzelend betrad om mijn objectieve onderzoekingen naar „het leven na de stoffelijke dood” te verrichten, is voor velen een nog absoluut onbekend dus veelal ook onbemind gebied.
Ik wil er op wijzen dat de samenstelling van dit werk niet het resultaat is van enkele séance’s maar een jarenlang vergaren van kennis en een opbouwen van bewijzen tot een tempel van overtuiging. Ik weet maar al te goed dat dit terrein een dankbaar object is voor velen die niets te maken hebben met het onderzoek van een leven na de dood.
Ik ben daarom dankbaar voor de instelling „bijzondere wetten” welke althans enige bescherming biedt aan goedgelovige of in nood verkerende mensen, waardoor tevens de charlatans, gedeeltelijk althans, aan banden worden gelegd.
De ervaringen, die ik verkreeg aan de séance tafel werden door mij stuk voor stuk onderzocht en wanneer er maar ook iets was dat niet op concrete wijze aan mijn verwachtingen voldeed, waar ik de gedachte van fantasie niet van kon losmaken, als waardeloos terzijde geschoven.
Een zo abstract gebied als de wereld aan Gene Zijde van de dood voor ons stervelingen nu eenmaal is, noodzaakte mij, wilde ik tot een werkelijke overtuiging komen, alles eerlijk te onderzoeken zonder aanziens des persoons.
Ik realiseerde mij van te voren reeds dat, indien er een bewust voortbestaan na de dood zou zijn, een overtuiging slechts vaste basis kon verkrijgen door een volkomen eerlijk onderzoek naar de verschijnselen en dat waar deze zich zouden voordoen, strikte eerlijkheid gewenst zou zijn, hoe teleurstellend het resultaat ook mocht uitvallen.
Namen van personen, steden of plaatsen in Nederland en België, waar mijn werk mij heenvoerde, worden somtijds door een beginletter aangegeven, daar de positie van sommige mensen niet toelaat hier voluit te worden genoemd; mede ook door het feit dat ik in mijn werk geen indiscretie wens toe te laten.
Voorts stel ik het op prijs, evenals in mijn boek ”De Doden spreken”, te wijzen op het feit dat de eerbied voor de geloofsovertuiging van iedere medemens een vooraanstaande plaats in mijn leven inneemt, omdat ik weet dat iedere weg tot God leidt; welke weg men krachtens opvoeding of zelf genomen besluiten ook inslaat.
Daardoor alleen reeds mist men volgens mij het recht, anderen aan te vallen om hun geestelijke overtuiging.
Een eerlijk debat echter kan verfrissend werken en groot nut opleveren.
Mijn werk behoort niet te worden gezien als het alleen zaligmakende; in ernstig onderzoek aan de séancetafel heb ik de overtuiging gekregen van een leven na de dood, en ik weet maar al te goed dat ons leven consequenties met zich draagt, welke het al direct onmogelijk maken om na de dood op een gouden troon naast God te mogen plaatsnemen.
Moge ik tot slot getuigen, dat het allerminst in mijn bedoeling ligt iemand te kwetsen door de openhartige woorden, die u in dit werk neergeschreven zult vinden, want dit werk is bedoeld om verkeerde indrukken, wetenschappelijke „verklaringen”, spot of verachting te niet te doen opdat de lezer zal weten dat er een Kracht is waaruit alles vloeit, waaruit de mens rijkelijk putten mag en, zo deze mens door de Liefde gestuwd wordt, de Bron méér geeft, al naar gelang men er meer en meer van uitdeelt.
Uit dezelfde Bron leert men ons zijn medeschepselen op de pelgrimstocht die het Aardse Leven is, te steunen, haat en verachting verre van ons denken te houden en niet direct klaar te staan met een veroordeling.
Ik hoop op deze wijze bij te dragen de angst en de wanhoop in het aangezicht van de dood voor velen te doen verkeren in een kalm aanvaarden van het nieuwe leven.
W. A. H. Mulder-Schalekamp