HOOFDSTUK 9
Een Allerzielenherdenking — Emed spreekt over de
Verloren Zoon
Gewoonlijk worden de Allerzielendiensten op 2 november gehouden en ik zeg gewoonlijk omdat er moeilijkheden kunnen ontstaan, waardoor de bijeenkomsten op 1 of 3 november worden georganiseerd.
Het kan voorkomen dat een zaal of kerk niet ter beschikking is op de tweede en dan zal men moeten kiezen.
Ik heb eens in de novembermaand vier Allerzielendiensten achtereen verzorgd, omdat men gebrek had aan sprekers of spreeksters en ik wilde dan zo'n afdeling niet in de steek laten, maar ik verzeker dat ik het niet graag nog eens zou doen.
Op al die avonden moest ik spreken, de helderziende waarnemingen verrichten en de meegebrachte bloemen behandelen en hiermede zijn we dan meteen aangeland op een geheel ander facet van mijn mediumschap.
Ik heb u verteld over psychometrie via foto's en voorwerpen, maar op de Allerzielendiensten worden bloemen meegebracht, bestemd om een vriendelijke gedachte, een boodschap van liefde uit te zenden naar hen die van ons heen gingen.
De bedoeling is dat deze bloemen bij de foto van de Overgegane worden geplaatst, daar gedurende de gehele dag blijven staan en 's avonds medegenomen worden en neergelegd op de daarvoor bestemde tafel.
Mevrouw Akkeringa zei mij: ik heb in grote zalen mogen werken, maar dat zijn maar zaaltjes in vergelijking met de ruimten waarin ik u zie staan. Zij had het bij het rechte eind. Wij hielden in Amsterdam gedurende de laatste Allerzielendiensten die door mij daar werden verzorgd, de bijeenkomst in ,,de Vrije Gemeente”, daar konden 1200 mensen plaats vinden.
De bloemen die daar gebracht werden, konden lang niet op een tafel en langs de trappen van de preekstoel, zelfs op de grond werden ze neergelegd, het was een ontroerend gezicht, al die prachtige kleuren, al die bloemen waar stil kaarsen tussen te branden stonden en het was zo rustig; met heel de menigte die gekomen was om te luisteren, ondervond ik niets dan wijding.
Wanneer Emed dan gesproken had, mocht ik over de meegebrachte bloemen vertellen, voor wie ze bestemd waren, hoe deze Intelligentie leefde, en ook persoonlijke boodschappen brengen, goed en nuttig voor dat mensenleven.
Ik kan nooit anders dan met innige gevoelens van verlangen aan die avonden denken en ik kan niet beschrijven hoe klein en nietig ik mij boven op die grote preekstoel voelde.
Wanneer het orgel begon te spelen en de mensen begonnen de liederen, zoals in de Orde van Dienst aangegeven, te zingen, dan was het alsof ik daar heel alleen stond, omringd door mijn geestelijke vrienden, dan was in mij een niet te beschrijven ontroering en dan hoopte ik dat heel veel mensen troost mochten vinden in deze avond.
Ik heb nooit theologie gestudeerd. U kunt misschien begrijpen hoeveel vertrouwen ik altijd in Emed heb, door, zonder één woord op papier, met niets in mijn handen dan de aan ieder uitgereikte Orde van Dienst, de preekstoel te betreden en aan de Allerzielen- herdenking te beginnen.
Kunt u begrijpen welk een enorme kracht van Emed moet uitgaan, want geen mens verschoof zijn stoel of draaide zich om, geen mens die in slaap sukkelde of begon te kuchen; Emed sprak en het was doodstil. Eén van zijn vele Allerzielenreden is in mijn bezit en ik wil deze hier gaarne laten volgen. Deze werd opgenomen op wire-recorder. Het behandelen van de meegebrachte bloemen, zal zoals regel was op deze bijeenkomsten, na de rede volgen.
Rede van Emed over „De Verloren Zoon”
„Wanneer wij in ons stoffelijk leven tot de ontdekking komen dat wij in onze gevoelens van religie iets missen, dan zijn wij bezig de weg in te slaan, die leidt naar de harmonie met het oneindige.
Wij weten dat er in de voorbije jaren in ons leven iets ontbrak, maar weten dan nog niet hoeveel tijd wij nodig zullen hebben om in ons zeis de harmonie te bereiken, nodig om tot een bewustwording te komen en vele wegen, die zoekende worden ingeslagen kunnen op een dood spoor uitlopen. Dan zullen wij moeten terugkeren om opnieuw te beginnen.
Het zal u dan gaan zoals het mij verging in mijn stoffelijk leven. De weg die ik insloeg was mooi, vol beloften en schoonheid, maar de weg terug was moeilijk vol ziekte en ellende met aan het einde de stoffelijke dood, waardoor het ouderlijk huis op aarde niet meer werd bereikt, maar het Vaderhuis, daar in het Land aan Gene Zijde voor mij werd geopend. De weg was echter lang en moeilijk en dikwijls dwaalde ik af en kwam op een verkeerd spoor.
U zou deze weg van wanhoop moeten kennen om te kunnen beoordelen hoe zwaar het valt te moeten terugkeren als een verloren zoon.
Het is immers zo, dat wij altijd nog wel te lijden hebben van valse schaamte die wij in ons mee dragen en deze weerhoudt ons te erkennen dat wij het leven niet leefden zoals het moest, dat er soms grove fouten gemaakt werden; en deze erkenning kost te meer moeite, wanneer men het hoofd en hart te hoog draagt.
Er zijn veel mensen op aarde die het hoofd en het hart te hoog dragen. Wanneer zij aan Gene Zijde komen zien wij onmiddellijk: dat is een verloren zoon die terug wil keren naar het Vaderhuis, maar nog te trots is dit te erkennen.
De weg terug is ook zo moeilijk, zo vol twijfel of men de weg wel ooit zal vinden, er is zoveel wanhoop omdat de ingeslagen weg weer opnieuw op een dood spoor uitliep en op ieder pad komt men weer iets tegen van datgene wat op aarde totaal verprutst werd. Op iedere weg die men inslaat, treft men fouten aan die gemaakt zijn, iets van de ellende die men heeft veroorzaakt.
Men heeft zijn moeder verdriet gedaan, waardoor zij hete tranen schreide en op aarde was er geen mogelijkheid meer om die tranen te drogen en alles goed te maken.
De gelegenheid ontbrak, omdat moeder misschien wel heenging of omdat men zelf werd opgeroepen tot een ander leven, zodat alle kansen om nog eens met haar te spreken en vergeving te vragen ontnomen werden.
Benauwde het u niet, wat u uw ouders in jeugdige onbezonnenheid heeft kunnen aandoen, meestentijds omdat u dacht dat de wereld u toebehoorde?
Natuurlijk, men is jong, men lette er misschien niet op of er leed en pijn gebracht werd en men in jeugdig bravoure boven op het hart van moeder stond te trappen, men zag de verwijtende blikken van vader niet, men was de zoon die uitging om te reizen, die het zelf allemaal wel aan kon, die geen ouders meer nodig had, waarvoor de gehele wereld open lag; men vroeg niet of de ouders dat wel prettig vonden of verdriet hadden.
Wanneer men aan Gene Zijde komt, staat het beeld van moeder voor ogen en men zou haar willen bereiken, maar telkens opnieuw wijkt het beeld terug en men komt tot de ontdekking dat men een wensgedachte volgde.
Het kon niet reëel zijn omdat het berouw niet diep genoeg was, omdat de consequenties van de daden nog niet waren ingelost. Het gaat niet alleen om de ouders, maar over ieder die men pijn deed of dermate behandelde dat men tegenover hen in de schuld geraakte.
De consequenties van al die daden zal men moeten inlossen.
Men vraagt zich misschien af: is er dan aan Gene Zijde niet alléén liefde? Natuurlijk, er wordt aan Gene Zijde ook uitsluitend omwille van de liefde gehandeld, men meet er met geheel andere maten dan op aarde, maar vrienden, liefde mag ook streng zijn, liefde betekent niet alle fouten goed praten en in materiële zin alles geven wat maar enigszins gewenst wordt. Liefde voor iemand bezitten betekent ook hem op zijn fouten wijzen, eerlijk voor de eigen mening uitkomen, te durven zeggen: ,,daar heb je een fout gemaakt, dat had je anders moeten doen”; wij weten wel dat de mens dan de neiging vertoont zich boos te maken, maar bedenk dan dat u uw plicht deed, dat u getracht heeft een consequentie van een verkeerde daad tegen te houden en van deze mens af te wenden, omdat de gevolgen van een verkeerde daad later altijd zwaarder wegen dan de boosheid van het ogenblik.
Er is een wet van oorzaak en gevolg en geen mens ontkomt daaraan. Aan Gene Zijde heerst weliswaar de liefde op de eerste plaats, maar men moet door de wet van oorzaak en gevolg, zelf tot inkeer komen, men moet leren erkennen de misdaad of de fout die bedreven werd, daarna zal men zien dat men weer een stapje tot het doel genaderd is.
U vraagt zich af, hoe u zich dat land aan Gene Zijde moet voorstellen. Noemt u het voorlopig maar een wereld van gedachten, dat is de meest begrijpelijke verklaring die wij u op dit moment nog kunnen geven, want u leeft nog op aarde en u heeft daardoor nog geen notie over welke enorme krachten de menselijke geest beschikt, indien zij vrijgekomen is van het stoffelijk omhulsel.
U moet vooropstellen dat alle dingen waarnaar uw gedachten uitgaan, vorm krijgen, zodat u ook het goede en kwade dat u op aarde verricht heeft, vorm ziet aannemen.
Het kwade moet u trachten uit te wissen, het goede is een Gids op uw weg en om het kwaad dat werd bedreven uit te wissen, moet u beginnen met het te erkennen en te vragen om hulp en vergeving.
Zo ging het ook met de verloren zoon.
Toen de verloren zoon zijn gehele leven verknoeid had en het gevoel kreeg geen enkele richting meer uit te kunnen, dat hij alles wat maar te verprutsen viel ook volledig had verprutst, toen verlangde hij terug naar zijn vader.
Hij was tot armoede en ellende vervallen, hij was overdekt met zweren en vrienden bezat hij niet meer, want zijn geld was op en toen kon hij zijn vrienden ook wel op één hand aftellen.
Hij had deze ook niet in de goede richting gezocht, hij had vrienden die alleen maar goede sier met hem wilden maken en toen hij de middelen daartoe niet meer bezat, was het met de vriendschap ook afgelopen, toen werd eenzaamheid zijn deel.
Daardoor kreeg de gedachte aan het vaderlijk huis steeds vastere vorm en aarzelend werd de weg naar huis ingeslagen.
Daar aangekomen schaamde hij zich diep en hij verwachtte dat zijn vader hem wel de poort zou wijzen en dat er geen plaats meer voor hem zou zijn, want hij had zwaar gezondigd tegen de daar heersende orde.
Toen hij aanklopte, wist hij niet beter te doen dan neer te knielen en te bekennen dat hij tegen zijn ouders en iedereen had gezondigd, hij vroeg om als knecht te mogen werken, omdat hij het recht had verspeeld nog de plaats in te mogen nemen van een zoon.
Hier kwam de erkenning van het bedreven kwaad, de bekentenis gefaald te hebben, zodat hij zich niet waardig voelde nog „zoon” geheten te worden. Wij kennen allen de geschiedenis; hoe de vader zijn armen opende en sprak: „Kind, gelijk God neem ik u aan.”
In deze woorden klinkt de vergeving, het kind dat terugkeerde, werd niet verstoten, er is sprake van een alles vergevende liefde, de vader die zijn kind in vreugde weer aanneemt en dat ook niet verborg, maar een groot feestmaal liet aanrichten, tot jaloezie en nijd van hen die altijd zo goed hun best hadden gedaan.
Wanneer wij echter onze lessen zouden moeten brengen bij mensen die nooit een fout maakten of een misdaad bedreven, dan zouden wij op aarde beslist niet veel werk hebben te verrichten.
Wij trekken uit om juist hen te bereiken die ver van het vaderlijk huis zijn afgedwaald, die niets meer willen weten van een God, diegene die misschien wel hier aanwezig zijn met verbittering in het hart om datgene wat zij aan de dood hebben moeten afstaan.
Wij zijn hier gekomen om hen te troosten die de wanhoop kennen. Wij weten maar al te goed hoeveel verloren zonen en dochters op de wereld leven, trachtende het goede in de mens te vernietigen, maar wij kennen ook de beschermende liefde van de Vader die eenmaal tot al deze verlorenen zal zeggen: „Kind, Ik neem u wederom als Mijn zoon aan.”
Op dit „Kind” wil ik nog nadruk leggen, want zoals wij hier bijeen zijn, u en ik, willen wij ons gaarne kinderen van God weten en noemen en daar ben ik blij om.
De mogelijkheid is immers niet uitgesloten dat ook u een weg bewandelde vol wanhoop en ellende omdat u uw God verloren had in de genietingen en uitspattingen van het leven; zodat de weg terug ook door u moest worden ingeslagen.
Zoals eenmaal de verloren zoon de weg naar huis moest inslaan overdekt met zweren, diep rampzalig en eenzaam, want hij was zonder God.
Hij was van alles verlaten, behalve van zijn schuldbesef.
Er zijn mensen die in zulk een grote eenzaamheid heengaan, maar gelukkig zijn er ook, die omringd zullen worden door hen die hem liefhebben; soms maar een enkeling, maar deze is misschien wel in staat alle goedheid en liefde te geven die nodig zijn om het stervensuur te verlichten.
Met de verloren zoon ging het Anders; toen hij naar het vaderlijk huis terugkeerde was hij belast en beladen met schulden en moest hij moeizaam, tred voor tred, de lange weg afleggen, schuchter om zich heen ziende, vol schaamte over de wijze waarop hij terugkeerde, want hij was uitgegaan in rijkdom, trots en zelfbewust en keerde terug als een verslagene.
Bedekt met het leed van zijn zonden, maar hij keerde terug! Daarom is het goed te weten dat uiteindelijk iedere verloren zoon zal aankloppen aan het vaderlijk huis, op den duur door de knieën zal gaan en wanneer u daaraan twijfelt, wanneer u misschien zelf zo'n verloren kind bezit en u daardoor vreest dat het nimmer meer terecht zal komen, dat het volgens uw mening geen recht meer heeft op het Licht van God, laat u dan dat oordeel maar gerust over aan Hem die vermag te oordelen, laat het sombere beeld van onherroepelijk verloren te zijn, rustig varen, want God laat in Zijn Oneindige Liefde niets verloren gaan.
God is Liefde en daardoor zal er geen plaats zijn voor andere krachten dan de liefdekracht.
Volmaakte Liefde is ook alleen maar liefde; wanneer er andere krachten tussen zouden komen, zou deze Liefde ophouden volmaakt te zijn.
Gods gehele schepping is volmaakt, wat wij ook om ons heen zien aan boosheid en misdaad, kunnen wij niet op de schepping van God afschuiven; dit wordt veroorzaakt door de in ons levende satanische krachten, gewekt door de machtswellust en de drang naar bezit.
Hier weer de „verloren zoon” die het zelf wel kan doen, die in een waanzin leeft, macht te veroveren, de wereld aan hem dienstig te maken, zich niet afvragende welk een ellende hij veroorzaakt, maar die in zijn machtspositie anderen krenkt en onherstelbaar leed brengt, omdat hij vreest zijn macht gebroken te zien.
Hij is de „ik”, aanwezig in iedere mens en er is voor hem niets anders meer van waarde op de wereld dan het „ik” ; hoe een ander dat ervaart, of hij er rampspoed mee veroorzaakt en miljoenen slachtoffers maakt, hem interesseert dat niet; zolang hij zich kan laten zien met opgeheven hoofd, bewust van zijn macht, zal hij zich daar dan ook niets van aantrekken; hij is zo een die van het leven eist en eist en niet vermoedt dat het leven straks van hem de tol voor alles zal eisen.
Zijn gehele boze genius geeft hem datgene in, waar hij genoegen en lust in schept.
Hij liegt en bedriegt en bewandelt de gemakkelijkste weg, want de weg van waarheid en eerlijkheid is zoveel moeilijker.
Waarom waarheid te spreken wanneer men er met een leugen veel gemakkelijker af komt.
Het is zo moeilijk om te arbeiden wanneer men er met luieren komen kan. Het is moeilijker de ernst van het leven te zien, waar men door plezier te maken aan die ernst ontkomen kan.
Het is veel moeilijker om tot God te gaan wanneer de satan in ons de gemakkelijkste weg laat zien.
Het is zo moeilijk om aan anderen te denken, wanneer men zich zelf steeds op de eerste plaats ziet staan.
Het is immers gemakkelijker te ontvangen dan te geven?
Dit alles leefde ook in de verloren zoon en wanneer hij dan uiteindelijk toch aanklopt aan de poort van het vaderhuis, dan is het voor hem alsof alles in de tegenovergestelde richting komt te liggen. Hem wordt geleerd dat ernst en bezonkenheid beter zijn dan uitspatting, dat geven veel gelukkiger maakt dan ontvangen en dat liefde boven de haat zal staan, hoe die haat ook over de gehele wereld verspreid is. Doordat de Godskracht van liefde in ieder aanwezig is, zal de kracht ontstaan, wanneer de tijd gekomen is, de weg terug in te slaan.
Zegt u niet, dat u de verkeerde weg nooit heeft bewandeld en dat u altijd goed en edelmoedig geweest bent, ik heb nooit leed veroorzaakt of een onwaarheid gesproken, ik had nimmer een onzuivere gedachte, want dan staat u alreeds op een dwaalweg.
Omdat u méns bent zult u ongetwijfeld dwalen, maar uw dwalingen mogen groot zijn, God heeft u lief, en zal ook u niet verloren laten gaan, met welke schuld beladen gij ook tot Hem komt.
De Allerzielenbijeenkomst, waaraan wij zo graag medewerken en onze beste krachten geven, daar ligt die liefde in besloten, van de Grote Geest van Liefde die niet eerder zal rusten, voor allen opgetrokken zijn tot Zijn Licht en dat zijn we immers allen, ook zij, waarvan u misschien denkt dat zij verloren zijn.
Uw aller aanwezigheid op deze bijeenkomst is zo belangrijk omdat deze getuigenis geeft van uw liefde voor hen die reeds van de aarde zijn heengegaan, maar u moet hen niet idealiseren maar ruiterlijk tot erkenning komen dat, indien dat zo gevalt, een verloren zoon heenging en belast met zijn schulden, de moeilijke weg naar het vaderhuis insloeg.
Wij gingen van God uit en wij zwierven over de wereld, lange, lange tijd, totdat onze geest die vervolmaking zal hebben bereikt, zodat wij, terugkerende naar de poort van het Vaderhuis, zullen zeggen: „Vader, ik heb gezondigd, neem mij als Uw knecht, want ik ben niet meer waardig Uw kind te zijn en dan zal daar de Vader zijn en Deze zal Zijn armen voor ons openen en zeggen: „Kind kom binnen in Mijn huis.”
Vrienden, hebt gij op aarde misschien zelf kinderen die afgedwaald zijn en de in uw huis heersende wetten en orde met de voeten vertreden hebben, kinderen die u op het hart trappen, kinderen die u reden geven tot schaamte en schreien, denkt er dan aan dat straks misschien van u geëist zal worden dezelfde liefde op te brengen en te zeggen: kind kom binnen!
Men zondigt op aarde zo dikwerf tegen de wetten van liefde door te zeggen tegen het kind dat aan de deur klopt om binnengelaten te worden:
„Ga maar heen, je komt er hier niet meer in,” en men slaat de deur voor het kind dicht, maar degene die buiten staat, die aanklopte, erkende schuld, die klopte bij vader en moeder aan om binnengelaten te mogen worden. Hoe zou u het vinden wanneer God de deur voor uw neus dichtslaat en zegt: „je komt er niet meer in?”
Wij die ons Christenen willen noemen, moeten trachten de voetstappen van Christus te volgen, wij moeten leren de liefde op te brengen om een verloren kind weer aan te nemen.
Wij moeten leren zeggen: „Je bent teruggekeerd, het kan mij niet schelen met welke schuld je beladen bent en wat je van het leven gemaakt hebt, je zult het straks zelf moeten verantwoorden en de consequentie van alles moeten meedragen, maar ik wil je een kans geven, ik wil je helpen, ik wil je weer vertrouwen schenken en trachten je in het goede spoor te houden. Ik zal trachten een steun te zijn op de lange weg, zodat je straks met deemoed maar in vertrouwen aan kunt kloppen bij het Vaderhuis.”
Wanneer onze kinderen tot ons zeggen: „mag ik binnen komen?” dan willen zij zeggen: „Vader en moeder ik deed het verkeerd, laat mij nog een keer proberen het opnieuw te doen en goed te maken wat ik heb misdaan, toe laat mij binnen komen”; als vader en moeder dan de deur dicht slaan, hoe groot zal de wanhoop en hoe erg zullen de gevolgen zijn, want een kind dat een gesloten deur vindt is wellicht geneigd nog verder af te dwalen. Bij zulk een gebrek aan liefde zegt men: „Ze moeten de gevolgen zelf maar ondervinden,” maar men maakt zich mede schuldig aan de gevolgen van die dichtgeslagen deur.
Mede schuldig aan alle gevolgen, aan alle wanhopige daden die ons kind dan misschien ten uitvoer gaat brengen.
Het zijn niet alleen uw kinderen die u moet leren te steunen in hun ongeluk. Vrienden, familie, maar ook vreemden moeten wij zien als kinderen van God en durf dan de deur dicht te slaan, de kans is groot dat gij daardoor eens zelf een gesloten poort zult vinden. God gaf ons het redelijk verstand, het hart, en de kracht om te helpen, daar waar nood heerst, ongeacht godsdienst of ras, ongeacht of ge een blanke dan wel een gele, bruine of zwarte huidskleur bezit.
Waar nood heerst en waarheen wij ook uitgaan om te helpen, onder de meest wanhopige omstandigheden, het zal steeds blijken dat God altijd groter is dan die nood; wij zullen altijd de kracht ontvangen om te kunnen helpen, die kinderen die te murw geslagen zijn om nog maar iets te kunnen uitrichten en die bij ons, sterkeren, aankloppen om hulp in de geestelijke of lichamelijke nood.
Wee ons wanneer wij dan de deur dicht durven slaan, doof blijven voor de bede om hulp en de mens van ons afstoten, die in diepe ellende en vernedering aan onze deur klopten.
Wij zouden zondigen tegen de hoogste wet die ons gegeven is en ons schuldig maken aan de verkrachting van Jezus' woorden:
Hebt elkander lief
Amen.”
Na deze Allerzielenrede volgde het behandelen der meegebrachte bloemen. Natuurlijk zouden nooit alle bloemen die neergelegd waren door mijn handen kunnen gaan, want u moet zich voorstellen dat er minstens tweehonderd boeketten op mij lagen te wachten en dan schat ik dit waarschijnlijk aan de zeer lage kant.
Emed liet mij dan ook altijd het volgende zeggen:
„Wanneer uw bloemen niet behandeld worden, mag dit niet de gedachte wekken dat uw geliefde Overgeganen niet hier aanwezig zouden zijn. Maar het is ondoenlijk u allen tevreden te stellen; vergeet echter niet dat bij iedere bloem die wij op laten nemen en alle boodschappen daaraan verbonden, het bewijs van ons voortbestaan gegeven wordt, ook al zijn het dan niet uw bloemen, het bewijs voor een andere aanwezige, moet ook dienen om het u te bewijzen.
Bedenkt dat hij of zij die wij straks zullen toespreken om hen het bewijs van voortbestaan te brengen, dit misschien hard nodig hebben, want u kunt de bittere wanhoop en het grote leed in het hart van dezen niet waarnemen, zoals wij dat kunnen zien.”
Het gevolg van deze woorden was dikwijls te zien in de blijdschap bij alle aanwezigen, wanneer één van hen dan de zo lang verbeide boodschap kreeg. Ik laat er hier enkele volgen:
,,Mevrouw, er is hier voor u een Intelligentie aanwezig, hij draagt een donkerblauw uniform. Hij heeft een goed, vriendelijk gezicht, met helder blauwe ogen. Blond haar. Hij staat naast u en kijkt alsof hij zeggen wil: „Is dat nu even een verrassing?”
Hij zegt dat hij een groet wil brengen ook van vader en moeder en uw broer, die hij allen aan Gene Zijde heeft ontmoet. Hij is uw echtgenoot en vertelt dat u goed moet begrijpen, dat hoe moeilijk uw omstandigheden ook steeds walen, zij u zullen blijven steunen en de kracht geven het hoofd boven water te houden.
Hij bedankt voor de bloemen die u mee bracht voor hem, vader en moeder en zendt u zijn liefderijkste gedachten.”
(Ik had een klein potje met bloemen in mijn handen dat aan een dame bleek te behoren toen ik de volgende boodschap kreeg:)
„Mevrouw, ik moet u zeggen uit naam van Hogere Intelligenties, dat het licht van liefde hetwelk u steeds verspreidt, in steeds grotere kracht op uw weg zal worden aangevoerd. U behoedt uw geestelijke overtuiging als een tere plant en tracht hiervan ook aan anderen uit te delen en daardoor heeft u vele vrienden aan Gene Zijde en kunt u aan anderen veel liefde geven en dat licht overal verspreiden.
Het is uw taak hier op aarde, om de veelheid die aan u gegeven is, mede aan anderen te verstrekken.
De boodschap welke u gebracht wordt, geeft uw taak aan op aarde, maar ik moet u tevens een groet brengen van uw moeder. Ook zij is hier aanwezig en vraagt mij u te zeggen dat zij na alle lijden op aarde, zeer gelukkig is.”
Bij de volgende bloemen ontving ik drie waarnemingen: een oudere heer, een zeer oude dame en een jonge man.
Zij gaven mij de volgende boodschap:
„Je wordt vaak teleurgesteld omdat je iets goed doet, in grote spontaneïteit, maar je werd vaak teleurgesteld, omdat je er ook iets voor terug verwachtte; waar je ook geeft, hoe je dat ook doet, je moet de vreugde van het geven leren beleven en niet de vreugde of de voldoening van het terugontvangen.
Wij zijn dikwijls in de omgeving, zien je zitten met de handen voor het gelaat, droevig om een nieuwe teleurstelling. Je gedachten gaan dan naar ons uit, maar de tijd dat wij je mogen komen halen is nog niet aangebroken. Ga moedig verder. Moeder is hier en ook vader staat naast je.
Wie ik ben behoef ik niet te zeggen, want dat weet je, omdat wij op aarde alles samen deden, samen speelden en ons schoolwerk maakten en wij zenden je allen een vriendelijke groet.”
(Bij informatie bleek de jonge man de tweelingbroer te zijn.)
Vervolgens wees ik er op dat de boodschappen door mij ontvangen sterk ingekort moesten worden door gebrek aan tijd.
Ook vroeg ik mede te willen werken, wanneer men een boodschap ontvangen had, de tweede boodschap die eventueel voor dezelfde persoon werd gegeven, af te breken, door te zeggen dat men reeds een beurt had gekregen; het is n.l. een veelvuldig voorkomend verschijnsel, dat men verschillende boodschappen van Gene Zijde accepteert en niet denkt aan het feit dat anderen ook gekomen zijn om iets te mogen vernemen. Ik zelf kon dat natuurlijk nooit of maar heel zelden controleren.
Dit beroep op de loyaliteit van de aanwezigen is nimmer vergeefs geweest.
De volgende waarneming is als volgt: de bloemen hebben bij een foto gestaan. (dit wordt bevestigd)
„Wilt u alstublieft niet zo verdrietig zijn, want dat is niet nodig, deze bloemen worden overstraald door zo'n grote liefde, dat ik moet zeggen dat deze Intelligentie inderdaad gelukkig is aan Gene Zijde. U heeft deze bloemen voor uw man meegebracht en wilt u er vooral aan denken dat hij niet werkelijk weg is, maar slechts tijdelijk uit uw gezichtsveld verdwenen is.
U heeft het samen goed gehad en dit gemis valt niet mee, want u kunt hem nu niet meer zien, maar hij kan u wél zien en is dikwijls in uw omgeving; als u nu tracht een beetje opgewekt te zijn, dan gaat hij weer vol vreugde bij u vandaan en tracht ook hij dapper de weg te vervolgen en aan het huis te bouwen waar u beiden weer eenmaal tezamen zult zijn. Ik moet u zijn onvergankelijke liefde betuigen en een hartelijke groet brengen.”
De daarop volgende boodschap komt als een bekentenis:
„Ondanks de fouten die ik in mijn stofleven tegenover jou heb gemaakt, heb ik toch zo ontzaglijk veel van je gehouden. In mijn herinnering is daardoor nog alleen maar plaats voor de goede uren, de mooie dagen die wij samen hebben beleefd.
Ik heb nu immers al mijn fouten erkend en daarom zijn zij van mij afgenomen; daarom mag ik nu even hier komen om te zeggen dat ik in grote liefde aan je denk en hoop op een gelukkiger toekomst voor ons beiden aan Gene Zijde.”
Hierna kwamen bloemen aan de beurt voor een Intelligentie, die de naam „Gerard” heeft gedragen.
(Ter verduidelijking wil ik hierbij opmerken, dat de bloemen worden opgenomen en dat de naam dan eerst gezegd kan worden. Het is uiteraard verboden een naam of de naam van de Overledene op de bloemen te bevestigen. Door het uitgeven van een nummer aan het begin van de Allerzielendienst, zijn de bloemen slechts voor de betrokkenen kenbaar.
Ook neem ik zelf nooit bloemen in ontvangst, maar deze werkzaamheden worden door enkele dames verricht, zodat men altijd weet, dat ik niet eerder met de meegebrachte bloemen in aanraking kwam.)
Deze ,,Gerard” vertelt dat hij de echtgenoot is van de aanwezige dame. Ik moet haar vragen om goede moed te houden en dan zegt de Intelligentie: „ze moet het écht proberen, niet met het gevoel van „het zal wel moeten”,; zij is veel te veel alleen en heeft een zeer gesloten karakter, zij kan nu eenmaal niet met haar leed te koop lopen.” Hij vraagt haar eens met mij te gaan praten en zegt: „wees niet zo verdrietig, we willen zo graag helpen en er staan zoveel handen klaar om te helpen wanneer je maar uit die gedachten wilt ontwaken dat iedereen hulp heeft als het er op aan komt, maar dat jij het alleen verwerken moet.” Ik moet dan nog een hartelijke groet brengen van een Intelligentie die het in zijn leven even moeilijk had, die zich ook nooit open kon stellen voor anderen. „Het leven is niet enkel rozen voor jou en dat was het voor mij ook niet, maar je staat niet alleen. Ga eens praten.”
Daarna word ik door een Intelligentie de zaal ingeleid en moet bij een echtpaar stilstaan. Dit leiden geschiedt door het gevoel dat men bij de hand genomen wordt, iets waar men onherroepelijk aan moet leren gehoorzamen.
„Ik moet bij u beiden zijn en de Intelligentie zegt, ik ben Bart.” Een jonge man, weggenomen in de kracht van zijn leven. Ik geef een beschrijving van zijn persoon.
Zijn haar had hij opzij gescheiden gedragen en een weinig schuin naar achteren gekamd.
Een hoog voorhoofd, diepe donkerblauwe ogen en een fijn ovaal gezicht. Breed in de schouders en zeer vrolijk, goed gehumeurd. Verder een prachtig gebit. Ik merkte op dat beide mensen dit volkomen moesten herkennen, want dat deze Intelligentie anders niet voor hen gekomen kon zijn. Men moest met mij geen medelijden hebben, maar het werkelijk volgens de beschrijving kunnen bevestigen. Tevens verbood ik hen ook maar iets op te merken, waardoor het voor mij gemakkelijker zou worden. Ik wilde hen immers een overtuigend bewijs van voortleven brengen.
De beide aanwezige leden van zijn familie herkenden hem en bevestigden ook zijn opmerking dat er vier gezinsleden waren achtergebleven, maar dat waren broers en zusters, omdat hij ongehuwd was geweest.
Met deze enkele waarnemingen heb ik getracht een beeld te geven van een Allerzielendienst, zoals zij overal ter wereld op de tweede november worden gehouden. Want overal ter wereld zijn de verschijnselen en de waarnemingen hetzelfde.
Dit alleen reeds geeft te denken, want hoe groot de tegenstand ook zijn mag, men gaat van Gene Zijde uit rustig voort met het geven van boodschappen en waarschuwingen.
Het is niet iets van de laatste tijd, dit is zo oud als de mensheid en het zal blijven zolang er mensen op aarde kunnen leven.
Voor hen die achterbleven moet het een enorme steun zijn te weten dat met de dood geen droevig einde plaats vond en dat het leven niet slechts een illusie is van zestig of zeventig jaren maar een evolutie die nooit ongedaan kan worden gemaakt, noch worden tegengehouden.