HOOFDSTUK 19
Verschijnselen tijdens een Kerstverhaal
Wij zouden een Kerstfeest vieren, waarin tot uiting zou moeten komen dat wij één wilden zijn in onze gedachten en dat wij ongeacht de rang of stand, allen waarmede wij te maken kregen als medepelgrims moeten beschouwen op de levensweg.
Dat deze opgave, die door Emed nauwkeurig werd uitgestippeld, niet zó gemakkelijk was, bleek al gauw, toen wij te horen kregen dat men mensen van minder maatschappelijke positie niet naast zich aan de tafel wenste, maar daar werd door Emed reeds dagen van tevoren een hartig woordje over gesproken!
Gewezen op hun gebrek aan liefde, stemde men met beschaamde kaken toe, ongelijk te hebben gehad en zo kwam een kerstviering tot stand, die wij misschien wel nimmer meer zullen beleven. Omdat wij er ook iets goeds van wilden maken, werd een aardige kerstboom opgesteld, eenvoudig in vorm en versiering, maar vol van schitterend licht.
Op iedere tafel stond een kerststukje van bloemen en een kaars, zodat ieder zich opgenomen kon achten in de unieke kerstsfeer. Nadat de kaarsen waren ontstoken, werden alle deuren gesloten en nam de dienst een aanvang.
Die dienst bestond in het voorlezen van het Evangelie van Lucas het tweede hoofdstuk: En het geschiedde in die dagen...
Reeds bij deze woorden, die door mij werden uitgesproken, viel een aandachtige stilte.
Het voorlezen van dit hoofdstuk van de Bijbel, was voor mij een verheugende taak, want niets greep mij meer aan dan de Geboorte te mogen verkondigen aan hen die om mij heen zaten.
In de jaren van ons onderzoek was ik reeds te bekend met de innerlijke drang van geleid te worden, dat ik heel goed kon weten, welk een innerlijke stem de herders in de velden van Bethlehem naar het Kind konden hebben gebracht.
Nadat het Evangelie door Emed nog in ruimere zin besproken was, volgde een kerstverhaal.
Dit kerstverhaal werd geheel door Emed verteld, onder de omstandigheden die ik reeds besproken heb, nl. niet door een trancetoestand, maar alleen door goed te luisteren naar wat hij te zeggen had en het duidelijk te herhalen.
De kaarsen stonden stil te branden toen Emed aanving:
„Vanavond wil ik u vertellen over drie kerstbomen en ik hoop dat de grote les, welke u hieruit kunt leren, tot diep in uw harten doordringt en dat gij allen er, in uw leven, een reden tot navolging in wilt zien.
Er was eens een zeer rijk man, die gedurende het feest van Kerstavond een aantal vrienden uitgenodigd had om met hem het maal te gebruiken. Zijn kerstboom, die hij midden in de hall van zijn grote huis had laten plaatsen, stond getooid met de prachtigste versierselen die hij maar had kunnen verkrijgen.
Zelf voelde hij zich het middelpunt van al die mooie dingen en met royaal gebaar nodigde hij zijn vrienden uit tot het feestmaal. Er werd gegeten en gedronken en men danste tot diep in de nacht. Nadat de feestvierders vertrokken waren, liet de gastheer de lichtjes van de kerstboom doven en terwijl lichtje na lichtje verdween, kreeg hij een gevoel van onbehagen.
Hij kreeg een gevoel of er iets aan het feest ontbroken had, maar hoe hij ook nadacht, hij kon maar niet vinden waarin het tekort moest schuilen en ontevreden met zichzelf, ging hij slapen.
De andere dag was het gevoel van ontevredenheid en het onbehagelijke dat er iets had ontbroken, niet geweken en hij dacht bij zichzelf dat het mogelijk aan de versiering van de kerstboom had gelegen. Hij nam zich voor om het volgend kerstfeest de boom mooier te maken, want dat was het zeker; de boom was niet mooi genoeg geweest.
Tevreden over dat besluit verrichtte hij zijn gewone werkzaamheden en toen het volgend kerstfeest kwam, richtte hij een boom op vol schitterende zilveren voorwerpen, zodat de prachtige groene kleur van de boom geheel verdwenen was.
De genodigde gasten waren opgetogen over datgene wat zij zagen en uitten hun lof in allerlei complimenten en speeches, zodat de rijke gastheer wel heel tevreden kon zijn; maar dat was hij niet, telkens wanneer hij naar de schitterende pracht opkeek, was het alsof zijn hart in ijs gedompeld werd en vroeger dan zijn gewoonte was, verzocht hij de gasten te vertrekken, omdat het feest was afgelopen. Uren liep hij nog rond, mopperend op zichzelf dat hij zo'n koude pracht als al dat zilver aan de boom had laten hangen en weer dacht hij dat de boom niet mooi genoeg was geweest voor zo'n prachtig feest als hij van Kerstmis wilde maken.
Na enige dagen had hij echter zijn evenwicht weer hervonden in de gedachte dat hij het geld bezat om een nog veel mooiere boom te laten optuigen.
De derde boom werd versierd met louter gouden voorwerpen en de genodigden konden niet over hun verrukking en verbazing heel komen; de gastheer echter stond met boze ogen terzijde en juist toen het eet- en drinkgelag zou beginnen riep hij uit: „alles verveelt mij, ga allemaal weg, er is geen feest!”
Toen de gasten verschrikt verdwenen waren, liet hij alle lichtjes uitblazen en vervolgens liep hij naar buiten.
Hij zwierf zomaar wat in zijn eentje rond, boos en ontevreden in de wetenschap dat hij datgene wat er in zijn huis ontbrak gedurende het kerstfeest niet had gevonden.
Hij slenterde zo maar wat voort en kwam in een wijk waar armelijke huisjes stonden.
Hij realiseerde zich dat vele van zijn arbeiders hier moesten wonen en nieuwsgierig naar wat zij zouden doen op een heilige avond als deze, keek hij door een klein venster, dat een grote barst vertoonde. Er zat een jonge vrouw, met een kindje op haar schoot onder een heel klein denneboompje, welhaast het kleinste dat hij ooit gezien had.
Aan de takjes hingen gekleurd papieren balletjes en dunne reepjes van het zelfde papier deden als slingers dienst.
Het kind keek echter met glanzende oogjes naar de gekleurde pracht en de moeder zong zachtjes van het Kindeke dat geboren werd. Toen de man binnenkwam, die de rijke heer die buiten te luisteren stond, herkende als één van zijn werkvolk, nam deze de oude Bijbel op en vertelde de moeder en het kind over de geboorte van Jezus, Er ging zo'n vrede uit van het tafereeltje dat de man buiten te zien kreeg, dat hij ineens wist wat er aan zijn drie prachtige glanzende kerstbomen ontbroken had.
Hij kon ineens goed begrijpen dat de kern ontbroken had, hij had het feest gegeven om te kunnen eten en drinken en om bewonderd te worden en geprezen maar hij was nooit op de gedachte gekomen het Kerstfeest aan te vangen bij het kernpunt waar alles om draaide, de geboorte.
Hij ging ineens begrijpen hoe arm zijn leven was en hoe hij ingesteld was op zijn eigen eer en overdaad en beschaamd sloop hij naar huis.
Het jaar dat kwam, werd een jaar van informeren naar de welstand van iedere ondergeschikte en hij kwam tot de ontstellende uitkomst dat velen onder hen gebrek leden.
Maar hij wist al heel gauw wat de ene en wat de andere ontbrak en hij noteerde alles heel nauwkeurig.
Toen werd het weer Kerstfeest.
In de hall van zijn grote huis stond een kerstboom waarvan de top bijna de zoldering bereikte en op die top straalde een ster van zilverdraad. De groene boom stond te stralen in een zee van kaarslicht en kleine pakjes in vrolijk gekleurd papier hingen te slingeren in haar takken. Aan de voet van de boom stonden pakken en kisten gevuld met alles waar een mens maar behoefte aan kan hebben; en binnen stroomden zij, al zijn arbeiders, onwennig een peetje met de pet in de hand, de vrouwen verlegen opziende naar alles waartoe zij waren uitgenodigd, maar de kinderen dansten en juichten rond de prachtige boom vol flakkerend licht.
De gastheer liet allen in een wijde kring plaatsnemen en verzocht om stilte. Met ontroerde stem begon hij:
„En het geschiedde in die dagen...”
Na het voorlezen van het aloude Evangelie, liet hij lekkernijen rond gaan en gaf eenvoudige warme dranken.
Daarna verdeelde hij alle pakken en pakjes onder de mensen en nadat zij met elkander nog hadden gezongen het altijd mooie Stille Nacht, Heilige Nacht, zond hij hen huiswaarts.
Toen nu alle lichten aan de kerstboom gedoofd waren bleef één lichtje branden; het Licht in hemzelf, nooit was hij zo gelukkig geweest als tijdens dit kerstfeest.”
Toen Emed zijn verhaal beëindigd had, werden ook aan de mensen rond mij koffie en kerstbrood verstrekt en wij bleven met elkander tot het tijd werd huiswaarts te keren.
En de verschijnselen zult u mij vragen?
Wel er werden van dit kerstfeest foto's gemaakt door een amateurfotograaf die alles zo mooi vond dat hij mij een herinnering aan de avond wilde geven en enige foto's maakte van de kerstboom en de tafels en van mij. Maar de afdrukken vertoonden een merkwaardig verschijnsel, want de kaarsen die stil te branden stonden vormden zonder uitzondering een langgerekte vlam op de foto's, er kon geen sprake zijn van tocht, alle deuren en ramen waren gesloten. Er stonden lustig kaarsvlammetjes te flakkeren waar helemaal geen kaarsen waren neergezet of konden staan, ze waren op de muren en op de schouders en hoofden van de aanwezigen te zien en ik sta op de foto in een wit waas alsof ik door een dunne sluier omgeven ben.
Iemand maakte de opmerking dat ik eruit zag alsof ik in extase was. Een beroeps- en een kunstfotograaf werden door mij verzocht dit verschijnsel te verklaren, maar zij moesten beide erkennen zoiets
nooit eerder te hebben gezien en beslist geen oplossing te weten voor al die kaarslichtjes die zonder kaars te branden stond.
Onnodig te vertellen dat alle betreffende foto's in mijn bezit zijn en dat ik zelf alleen de verklaring heb: ongeziene handen droegen, het licht uit naar de plaatsen waar geen licht stond.
Emed zei later: „u moet dit zien als een symbool, draag het licht uit naar die plaatsen waar het donker is en vertel van God's Liefde en Barmhartigheid.”
Het verhaal van de Drie Kerstbomen moge dan ook, hoop ik, bijdragen tot het weten dat Jezus in eenvoud werd geboren en dat alle goud en zilver nutteloos is wanneer men de eenvoudige Liefde niet kent.
Via deze geschiedenis komen wij aan de meest bestreden uiting van het bewust voortbestaan, de geestenfotoprafie.
Ook op dit terrein werden proeven door ons genomen en één van de eerste resultaten was, dat boven mijn hoofd tijdens een zitting een mannenkop ter grootte van een kwartje te zien was.
Om allerlei misverstanden te voorkomen, hadden wij een zwarte doek strak achter onze kring gespannen.
Mijn man zou de foto opnemen volgens aanwijzingen van Emed; Wij wilden deze proeven graag nemen, omdat wij foto's gezien hadden waarop een Intelligentie was waar te nemen.
Deze foto's waren eigendom van de heer Mr. Ph. de Laat de Kanter en zij toonden naast het beeld van zijn vrouw Betsy, de geestenfoto van zijn vader, terwijl de foto van hemzelf de geestenfoto van de moeder van zijn vrouw liet zien.
Beide foto's waren genomen met een platentoestel en gemaakt door de heer W. Haven.
Op beide foto's was aan de achterkant een verklaring geschreven, van de heer de Laat de Kanter, dat de platen onder zijn toezicht in het toestel waren gelegd en ontwikkeld waren, waar hij zelf bij was.
Hoewel dit terrein sterk bestreden wordt, kunnen wij gevoegelijk aannemen dat de heer de Laat de Kanter zich bepaald niet met een dode mus liet verblijden en zo men geen geloof kan hechten aan de werkelijkheid van het verschijnsel, kan ik als tweede overtuigend bewijs vertellen dat ik een foto zag, die door een R.K. fotograaf was opgenomen tijdens de receptie van een pastoor, die een jubileum als priester vierde. Op de groepsfoto, welke genomen werd tijdens het feest, zat lachend en zeer rustig een Intelligentie, gekleed in het priestergewaad, de toog, tussen alle aanwezigen in, alsof hij blij was dit te mogen „beleven”.
De fotograaf wist niets van paranormale verschijnselen af.
Ik meen dat de foto in bezit is van de Nederl. Ver. van Spiritualisten, maar zéker weet ik dat niet. Het was de heer Peschar, die mij deze liet zien en ik geloof dat ook hij beslist te nuchter was om zich te laten bedriegen.
Genoemde heer heeft jarenlang zitting gehad in het hoofdbestuur van de hierboven gemelde vereniging, waaraan ook een commissie tot onderzoek naar mediumschap is verbonden, in zoverre dit dan door de mens beoordeeld kan worden.
Wij hebben in ons bezit een foto uit een krant, waarop enige toeristen in een berglandschap staan.
Er is daarop ook te zien een ruïne van een oud klooster en tussen de toeristen zit, op de treden die naar de ruïne leiden; de Abt van het klooster, die natuurlijk reeds lang geleden is overgegaan, maar aan de kledij die hij op de foto draagt werd hij herkend als de Abt van de kloosterorde die op deze plaats gevestigd was geweest. Dit is een spontaan genomen foto, evenals de foto van de pastoor op de receptie.
De foto's welke in het bijzijn van de heer de Laat de Kanter werden opgenomen, zijn op bepaalde aanwijzingen tot stand gekomen, evenals de foto waarop Emed voor ons verscheen.
Jammer genoeg lieten wij het negatief naar een beroepsfotograaf brengen die ons vertelde dat hij de onbegrijpelijke „wolk” boven mijn hoofd op de foto voorkomende, zo goed als hij kon had weggewerkt. We waren natuurlijk heel erg teleurgesteld, want wij hadden gevraagd het negatief te versterken omdat het, volgens onze smaak, niet absoluut overtuigend kon werken.
Spontaan gemaakte foto's welke als een inductor moesten dienen op een psychometrische bijeenkomst, lieten mij meerdere malen het beeld van een Intelligentie waarnemen en ik onderzocht dit, door de Intelligentie te beschrijven tot verbazing van de eigenaar(es) die evenzovele keren zei: „De beschrijving die u geeft is het beeld van maar die staat toch niet op de foto?”
Soms liet ik hen dan bij mij komen om te wijzen op het, tot die avond toe, verborgen gebleven beeld.
Ik heb mij ook op dat punt nooit laten misleiden door de op de foto voorkomende takken of bloemen of delen van een kledingstuk, ik moest het zeer overtuigend kunnen zien anders sprak ik er niet eens over.
Fotografische proeven moesten wij staken in verband met de tweede wereldoorlog en Emed heeft ons nadien geen opdrachten gegeven waardoor wij niets kunnen doen dan rustig afwachten.
Dat de mogelijkheid aanwezig is om door middel van de gevoelige film of plaat foto's van zich te laten nemen, is voor ons echter een bewezen feit.
Emed zou ons vast een waarschuwing hebben gegeven indien in dat opzicht geen enkele kans voor hem aanwezig zou zijn.
Prof. Tenhaeff heeft in zijn werken zeker de aandacht bepaald op de geestenfotografie en hoe zijn oordeel ook moge luiden, ik ben ervan overtuigd dat de mogelijkheid aanwezig is om tot fotografisch resultaat te komen. Deze uitvinding kan immers aan het licht brengen wat voordien verborgen bleef.
Interessant is het in verband met deze laatste zin het boekje te lezen van Dr. Hynek „Het ware Gelaat van Christus ontdekt”. Het handelt over de Lijkwade van Turijn.
Hieruit blijkt dat na 19 eeuwen het Ware Gelaat van Jezus Christus door middel van fotografie tevoorschijn kwam, en dat de moderne techniek een beeld van dit Heilig Aanschijn te zien gaf, dat nooit kon worden benaderd door welke beeldhouwer of schilder ook. Zij die twijfelen aan het leven van Jezus op aarde, of Hij werkelijk aan het kruis is gestorven zou ik willen aanraden dit boekje te lezen, maar niet alleen hen die die niet willen of kunnen geloven. Het boekje werd geschreven door een arts die iedere bloedvlek in de lijkwade scherp onderzocht alvorens zijn bevindingen op te schrijven en het is méér geworden dan een geschiedenis; het is een overtuigende vorm van het leven van Jezus op aarde en het houdt tevens een boodschap in.
Het is de boodschap van alles omvattende Liefde, de bereidheid tot een bijna onmogelijk, onmenselijk Lijden dat eindigde in de smaadvolle verachtelijke Kruisdood, maar het houdt tegelijkertijd in de boodschap van Leven, opdat wij in staat zouden worden gesteld de dood te leren zien als een overgangsvorm.
Wij moeten dus rekening houden met de moderne techniek zoals fotografie, infrarode of ultra violette stralen, die ons op het spoor kunnen brengen van de waarheid van de meest ongeziene en ongeweten dingen.
Dat er media geweest zijn die op dit terrein bedrog hebben gepleegd is diep te betreuren, maar de keerzijde hiervan is dat men toch dieper inging op deze mogelijkheden, nog voorzichtiger werd in het onderzoek en dat men niet alles naar het rijk van de fabels kan verwijzen.
Men kan niet blind zijn voor het feit dat een zo abstract terrein als
het onderzoek van een leven na de dood betreft, bezaaid is met gewetenloze gelukzoekers die zich verrijken met de wanhoop en de ellende van de medemens uit te buiten.
Ook op dit terrein werden door ons proeven genomen.
Er was een „medium” waarvan de schuttinghoge reclames getuigden van zijn buitengewone gaven op het occulte gebied.
Wij als insiders hoorden echter zulke ongeloofwaardige dingen omtrent zijn werk, dat mijn man besloot hem eens op te zoeken. Een in dit werk totaal objectieve persoon zou hem vergezellen. De kosten die het „medium” voor zijn werk vroeg, waren exhorbitant hoog, wat dat betreft was mijn man dus voorbereid.
De beide heren besloten een foto van mij mee te nemen, waardoor ik natuurlijk gedwongen werd thuis te blijven; ik ben er trouwens de persoon niet naar om mij rustig te houden, wanneer de aan ons verstrekte mededelingen niet op waarheid zouden berusten.
Zo gingen dan de heren op weg om een bezoek af te leggen bij het, zichzelf zozeer aanprijzende, medium.
Mijn man gaf hem de foto waarop mijn beeld prijkte.
Wat hier volgt is woordelijk weergegeven.
„Dit is uw meisje mijnheer.” (Ik was reeds twintig jaren gehuwd). „Zij heeft twee kinderen.” (Wij hebben 1 dochter).
„Zij is geestelijk niet normaal.” (Dat mag de lezer beoordelen). Tegen de heer die mijn man vergezelde:
„Wat heeft u met dat meisje te maken?” (Deze had totaal niets met mij te maken).
„U moet oppassen, want dat meisje is zeer gevaarlijk.”
„Ik moet hier een uitgebreid consult van maken, dat kost het dubbele, vindt u dat geen bezwaar?”
Hoewel hij helemaal nog niets concreets naar voren had weten te brengen zei mijn man dat hij dat helemaal geen bezwaar vond. Daarna vroeg hij de trouwring van mijn man, hij had de gladde ring ontdekt en na een herhaaldelijk ronddraaien van dit voorwerp over mijn foto, ging hij notities maken.
Op de vraag van mijn man waartoe dit diende, antwoordde hij dat hij die notities aan zijn geestelijke leider moest voorleggen. Daarna kwam nog een vergrootglas op de proppen, waarmede hij mijn foto nauwkeurig ging bestuderen, om vervolgens met deze loupe in mijn man zijn handpalmen te gaan kijken. Mijn man vroeg sarcastisch of hij zijn kousen en schoenen misschien ook nog uit moest trekken, maar op die woorden kwam geen enkele reactie.
Hij verliet nu de heren om in „contact” te gaan met zijn leider en kwam na enkele ogenblikken terug met de mededeling dat ik zeer gevaarlijk was en dat mijn man deze verhouding direct moest verbreken.
Daarmede was voor de helderziende het consult afgelopen, maar voor mijn man was dit lang nog niet het geval.
Hij begon te vragen hoeveel of hij schuldig was voor het consult en de man zei met een stalen gezicht: „ƒ 75.—,” aangezien het een uitgebreid consult betrof.
Mijn man maakte de opmerking dat hij zijn schoenen en kousen ook nog wel uit wilde doen, zodat het consult dan nog uitgebreider werd, maar op dit grapje werd natuurlijk geen antwoord gegeven. Mijn man zei daarna het volgende:
„De foto die u „behandeld” heeft, is het portret van mijn vrouw. Dat is mevrouw Mulder-Schalekamp. Het is dus niet mijn meisje, want ik ben reeds lang gehuwd.”
Het medium werd woedend en viel uit: „Dat wijf...”
Mijn man legde rustig ƒ 2.50 op de tafel en zei:
„Deze rijksdaalder mag u hebben, maar eerst zult u excuus maken over de wijze waarop u mijn vrouw betiteld. Wanneer u dat niet doet, ontvangt u niets en dan zal ik mij in verbinding stellen met de politie.”
De man maakte zijn excuus en nam de ƒ 2.50.
Dit verhaal moge er toe dienen om te wijzen op de brutaliteit waarmede een exorbitant bedrag kan worden gevraagd voor een waardeloos consult.
Misschien is het wel aardig er aan toe te voegen dat ik enkele dagen later door het „medium” werd opgebeld om te vragen, of ik iets voelde voor samenwerken.
Misschien heeft hij zich er over verwonderd dat ik er helemaal niets voor voelde.
Men kan begrijpen dat een dergelijke ervaring ons wel degelijk voorzichtig maakte en wanneer wij te maken kregen met, paranormale verschijnselen, waarvoor wij geen verantwoording konden nemen, omdat wij de zittingen niet hadden bijgewoond, wij op onze hoede waren en rekening hielden met de mogelijkheid dat er wel iets anders achter zou kunnen steken.
De foto's die ik wel gezien heb, maar waar ik niet bij geweest ben, kunnen bestreden worden. Ik kan dat niet weerleggen, zo is het ook met psychometrie of andere uitingen van paranormaal karakter. Men kan mij wel gaan vertellen dat men bedrogen werd, maar ik kan er niet veel tegen doen; behalve waarschuwen dat men moet beginnen om niet overal op in te gaan.
Komt men om welke reden ook bij een medium, dan moet men niet aanvangen om de hele lijdensgeschiedenis te gaan vertellen, maar om zijn mond stijf dicht te houden.
Laat het medium rustig werken. Als iemand niets presteert op dit terrein dan zal hij niet veel verder komen. Is het een bona fide medium, dan behoeft u niets te vertellen, zij zullen vanzelf wel komen tot de waarnemingen, waardoor u geholpen zult worden. Men heeft de neiging om binnen te komen in de spreekkamer en te beginnen met de woorden: „Ik kom voor...”; vervolgens een reeks moeilijkheden die meteen maar even worden verteld. Is het niet logischer, wanneer men toch een medium wil raadplegen, wanneer men vertrouwt op de helderziendheid, om het dan maar helemaal aan het medium over te laten?
Indien bona fide, dan bevestigt het medium de helderziendheid wel en bewijst het medium de gaven die aan haar of hem zijn toevertrouwd.
Men zal vragen of ik de mensen die mij bezoeken dan niet aan het woord laat komen.
Zeer zeker, maar zij moeten goed vinden dat ik eerst ga vertellen en mijn waarnemingen en indrukken beschrijf, daarna mogen zij hun mening zeggen en hun leed uithuilen wat mij betreft.
Dat ik hen niet toesta te vertellen waarom zij mij bezoeken, is mijn goed recht en de bevestiging van mijn mediumschap.
Dat zij tevens troost en steun zoeken en hun levensmoeilijkheden met mij bespreken opdat ik hen misschien een weg zal kunnen wijzen, is secundair. Zij komen om mij te raadplegen omdat ik helderziende ben en dan geef ik niemand het recht om later te kunnen zeggen: „Ik heb eerst alles verteld en daarna kreeg ik raad.”
Ik heb de zaak dus eenvoudig omgedraaid, want ik vertel eerst en daarna benaderen we alles vanuit een objectief standpunt.
Tot voorbeeld dien het volgende:
Een dame bezocht mij in verband met haar (in leven zijnde) zoon. Toen ik zijn foto behandelde, legde ik deze even neer met de volgende opmerking:
„Mevrouw, er is hier een Intelligentie aanwezig; hij had een kaal hoofd en is met u bevriend geweest of een huisgenoot, misschien beide. Hij laat u groeten en zegt de naam Ymer of Imer.
Tevens vertelt hij dat hij een belofte aan u heeft gegeven.”
Ik wijs nu op twee feiten: ten eerste dat ik met de foto van haar zoon bezig was, dus dat zij daar waarschijnlijk haar gedachten op concentreerde; ten tweede dat ik de naam van de Intelligentie zag en niet goed wist hoe deze werd uitgesproken.
Telepathie moet nu uitgesloten worden geacht, want zij kwam helemaal niet voor de kaalhoofdige Intelligentie.
Ik vervolgde: „Deze Intelligentie is met zijn vrouw verenigd, die eerder dan hij overgegaan is” en ik beschreef deze dame.
Beide Intelligenties stonden in mijn spreekkamer, mensen die ik nimmer had ontmoet.
Nu volgt haar verhaal, zodat u kunt gaan vergelijken.
De kaalhoofdige Intelligentie was na het overlijden van zijn echtgenote in hetzelfde pension komen wonen, waar de dame, die bij mij op bezoek was, destijds woonde.
De beschrijving van hem beantwoordde volkomen aan zijn stoffelijke gestalte en van zijn vrouw aan een foto, die genoemde dame van hen te zien had gekregen. Zijn naam was Eimers, althans zo moest het worden uitgesproken.
De belofte die hij had gegeven luidde als volgt:
..Menselijkerwijze gesproken zal ik eerder heengaan dan althans u. Is er, zoals u mij zegt een bewust voortbestaan en bestaan er mogelijkheden om met de mens op aarde in contact te komen, dan zal ik het aan u komen vertellen.”
Hij geloofde tijdens zijn leven helemaal niet aan dat voortbestaan en de dame die bij mij was vertelde mij, dat zij met hem over, de paranormale verschijnselen had gesproken, waarop hij haar het bovenomschreven antwoord had gegeven.
Hij had dus zijn belofte ingelost en mij viel de grote vreugde ten deel hier als instrument te mogen dienen.
Ik heb hiermede duidelijk willen maken, dat men werkelijk zwijgen kan wanneer men voor welk geval ook, een medium wil raadplegen. Door te gaan vertellen werkt men bedrog in de hand en men beseft helaas niet, dat men zelf medegewerkt heeft aan dat bedrog.
Ook de angst van een medium kan bedrog in de hand werken. Stel u voor dat een medium voor een wetenschappelijk onderzoek wordt uitgenodigd en hij voelt een zekere angst voor wat men hem zal gaan vragen of wat men gaat doen, dan kan dit simpele feit alleen reeds oorzaak zijn van bedrog.
Ik stel mij voor dat het net zo iets is als de tandarts, men weet niet wat er gaat gebeuren en van te voren raakt men reeds in een paniekerige stemming.
Het zal allemaal wel meevallen, maar het medium is ergens verwrongen en zal in angst niet te voldoen aan de test, misschien tot dingen overgaan, die hem of haar reeds het stempel „onbetrouwbaar” doen verkrijgen.
Ik geloof wel dat het een „eer” is door de wetenschappelijke onderzoeker te worden uitgenodigd, maar men moet er geestelijk toch wel tegenop kunnen en weten dat veel moeilijke vragen en opgaven zullen worden voorgelegd en deze zullen worden uitgeplozen en beredeneerd, waardoor er misschien weinig méér overblijft dan een illusie.
Door Emed heb ik mij op het standpunt gesteld dat mijn gaven voor zichzelf dienen te spreken en dat het predicaat „wetenschappelijk getest” geen enkele zin heeft, anders dan een reclameplaatje. Wij zijn dit hoofdstuk met een kerstverhaal begonnen, maar schijnen hier ver van afgedwaald, al zal men kunnen begrijpen dat de Beestenfotografie en het bedrog, zoals het zich kan voordoen, gebaseerd werden op het verschijnsel met de kaarsen op het door ons gehouden kerstfeest.