HOOFDSTUK 20

 

 

 

Het doel van de pastellen en de schilderijen

 

Onwillekeurig zal men zich afvragen waarom men van Gene Zijde is begonnen om pastellen en schilderijen door mij te laten vervaardigen. Wanneer men een willekeurige pastel beschouwt, dan wordt, men op de eerste plaats getroffen door de schoonheid van de kleuren en wanneer men bekend is met de materie „pastel” dan weet men ook, hoe moeilijk pastel zich laat vermengen en dat men voor het scheppen van een pastel, nauwkeurig de hoeveelheid krijt moet kunnen bepalen.

Het zou ons anders kunnen vergaan als een mijnheer, die op een bijeenkomst te Hilversum, waar pastellen werden vervaardigd, opmerkte dat hij zoiets ook wel maken kon.

Nu moet men weten dat op het pastelpapier een hoeveelheid kleuren wordt aangebracht, die met de vingers wordt uitgewerkt en dus in en door elkander gemengd wordt, alvorens men kan zien welk een tafereel ontstaan is.

Zelf weet ik nooit van te voren welk een schepping er ontstaat, het kan dus mijnentwege een landschap, een bergketen of een bloementafereel worden, ik laat mijn handen maar rustig besturen, in het volste vertrouwen dat niet ik, maar zij werken.

Bedoelde heer zag mij dus een hoeveelheid pastel op het papier wrijven, waarna een landschaptekening ontstond.

Op zijn gezegde dat hij dit óók wel kon, prikte ik een nieuw stuk pastelpapier op het tekenbord en gaf hem vriendelijk te kennen, dat hij gerust zijn gang mocht gaan.

Zelfbewust stapte hij naar voren, heel zijn houding gaf te zien dat „dat varkentje wel even gewassen zou worden” en hij begon dapper met pastel te knoeien, mijn duurste pastels werden opgesmeerd, maar het kon mij niets schelen, hij mocht zijn gang gaan. Een beetje honend verkondigde hij dat er een landschap zou ontstaan béter dan hetgeen door mij was gemaakt, maar de narigheid begon pas goed voor hem, toen hij, zoals hij het mij had zien doen, de pastel wilde gaan mengen.

Hij kwam onder het krijt te zitten, zijn handen en overhemd vertoonden alle kleuren van de regenboog, maar een tekening ontstond nog steeds niet. Hoe langer hoe nerveuzer smeerde hij er op los, maar het werd een kliederboel, die in de zaal een hartelijk gelach deed ontstaan. Op dat ogenblik smeet hij de hele boel neer en verklaarde dat hij het helemaal verkeerd had gedaan.

Ik antwoordde hem: „u deed het misschien verkeerd, maar wanneer u hierdoor geleerd heeft, dat er meer dingen zijn tussen hemel en aarde dan men weet, dan is deze ervaring voor u niet nutteloos geweest.” Als troost heb ik hem de gemaakte tekening cadeau gegeven, d.w.z. die welke door mijn handen was gemaakt.

Meerdere malen werden dergelijke tekenavonden georganiseerd en de tekeningen ontstonden in de meest vreemde situaties.

Zo werden op een keer vier gelijke stukken op het tekenbord bevestigd, op verzoek van Emed.

De vier delen werden om beurten bewerkt en men kon bepaald geen enkel motief uit de delen halen, alleen een schoonheid van kleuren, die allen de indruk gaven dat zij een fragment waren. Toen zij allen gereed waren, verzocht Emed mij om de tekening van de linker onderzijde, te bevestigen in de rechter bovenhoek en de tekening van de rechter bovenkant in de linker benedenhoek. Toen ontstond een prachtig berglandschap, met een meer, waarop een bootje voer.

Niemand had dit van te voren kunnen waarnemen.

Ook zette men wel heel normaal papier op, om de tekening vervolgens op zijn kop uit te voeren.

Bij zulke gelegenheden had men de indruk dat er van de hele boel niets terecht kwam, behalve ik, omdat in mij het volste vertrouwen aanwezig was en ik wist dat, op welke manier zij hun werk ook wilde brengen, zij zouden niet falen.

De tekeningen op zo'n zitting gemaakt werden altijd weggegeven aan een van de aanwezigen en er werd dan bij verteld welke inhoud de tekening eigenlijk had.

Want die tekeningen waren niet zonder bedoeling gemaakt.

Aan de hand van foto's die in mijn bezit zijn, zijn er diverse voor mij bewaard gebleven, want ook weer in dit opzicht, ik mocht nooit voor mijzelf houden wat aan anderen gegeven diende te worden. Ik heb daar altijd vrede mee gehad en slechts op een expositie verkocht ik het werk, om de kosten voor zo'n onderneming te kunnen dragen, want zo'n zaal moest men gedurende een week of veertien dagen constant huren. Wij konden niet iedere dag afbreken.

De schilderijen en tekeningen hielden allen een levensles of een boodschap in zich verborgen, maar deze was voor iedereen zichtbaar zodra Emed de symboliek uiteen ging zetten.

Hij vertelde in zijn eigen prachtige zinsbouw altijd wat een tekening bedoelde te zijn en het eigenaardige deed zich voor, dat heat gemaakte werk, met inhoud, steeds terecht kwam bij iemand die dat in het eigen leven volkomen kon begrijpen, of plaatsen.

Zo maakte Tina van Erp een groene jacobijnenkan, waarin zei, gele op dahlia's gelijkende bloemen, te zien waren.

De kan stond op een kleurrijke doek, waarin welhaast alle facetten van warme oosterse tinten te zien waren.

Eén van de bloemen, een kleinere, alsof deze pas ontloken was, lag afgebroken van de stengel op de doek.

Het echtpaar welke deze pastel ontving, kreeg de volgende mededeling:

„Uw gezin bestaat uit 6 personen, want een klein meisje is van u heengegaan.

Zoals uw beider leven de warmte en kleur van samengaan vertoont, zo zal het eens aan Gene Zijde verder gaan, maar dan zal uw kleine meisje aanwezig zijn om u de weg te leren kennen en het geluk van hereniging deelachtig te maken.”

Hier werd de overgang van het meiske gesymboliseerd in de afgebroken knop. De warme kleuren van de doek, die onder de kan ligt, laten zien dat het familieleven van deze mensen, gedragen werd door grote liefde voor elkander.

De zes bloemen in de kan geven het getal van het op aarde zijnde gezin aan.

Een geheel andere tekening vertoonde een bootje dat door de zee op een verlaten strand was gespoeld.

Eén roeiriem lag gebroken op het strand, de andere was verloren. Het geheel gaf een indruk van verlatenheid.

Emed vertelde:

„Zie, zoals een mensenleven volkomen stranden kan niet meer in staat om verder te gaan op de levenszee, zo kan een mens zich ook afsluiten voor iedere vorm van liefde.

Wanneer de mens volkomen verlaten is, zal hij op zeker moment tot de conclusie komen, dat ook hij niet altijd alleen kan zijn, dat in zijn leven alles wat goed is overspoeld dreigt te geraken door zijn egocentrische inslag en dat er straks wanneer hij berouw krijgt over zijn levenshouding, slechts een moeizaam terugkeren mogelijk zal zijn. Wanneer hij echter de moed kan opbrengen om met zijn ene gebroken roeiriem de weg terug te gaan, de weg naar gemeenschap en onderlinge liefde, dan zal het kalme water hem geen gevaren opleveren en zal hij gesteund door zijn goede wil, ook datgene bereiken waaraan zijn eenzaam wezen het meest behoefte beeft.

Wacht u er voor om de medemens de rug toe te keren, want slechts diepe eenzaamheid zal de beloning daarvoor zijn.”

 

Een geheel ander motief was een kloostercel met een biddende monnik.

Hier vertelde Emed: „hoe schoon is het hart, dat opgaat in gebed tot Hem die wij onze God weten; maar slechts wanneer het hart zuiver is en vrij van alle dwang en sleur, zal het gebed voor welk doel ook uitgesproken, de hoogste sferen bereiken.

liet ware gebed behoeft niet in een kloostercel te worden uitgesproken, want God is overal! Zie naar de natuur en de schoonheid van de schepping, laat nimmer het dogmatisch gewoontegebed omhoog stijgen, maar bidt met geheel uw hart, met geheel uw ziel en het zal verhoord worden.”

 

Voor een moeder die haar dochter van 18 jaren had moeten afstaan werd een tekening van een boek gegeven.

De bladwijzer lag tussen het boek, wat slechts voor een klein gedeelte gelezen was.

Dit symboliseerde het korte leven dat het meisje had mogen beleven.

Een gouden slot was dichtgemaakt, waardoor duidelijk te zien was dat het stofleven afgesloten was.

Over het boek lagen zacht oranje-kleurige bloemen.

Emed vertelde hiervan: „dit leven werd afgesneden, het boek gesloten, maar de schoonheid van deze jonge geest verspreidde zich in het leven van de mens die achter moest blijven opdat haar geestelijke liefde, de achterblijvende een troost zou brengen; troost ook in de gedachte dat haar zuivere ziel op aarde slechts leed en teleurstelling zou hebben ontvangen, daardoor werd zij opgeroepen haar plaats in het Hogere Leven te gaan innemen.”

Bij onderzoek, mijnerzijds, bleek dat het meisje aan beendertuberculose had geleden, dat zij meer ziek dan gezond was geweest en dat zij ondanks haar vreselijke ziekte, niets dan liefde en vrolijkheid om zich heen verspreid had.

Haar familie beschouwde haar ook na haar dood nog altijd als de zon van het gezin.

 

De tekening van een Afrikaanse neger:

Emed vertelt hiervan: „men moet ook deze mensen als broeders

leren zien. Een blanke huid geeft niet het recht te denken dat men ook een blanke ziel bezit.

Deze zwarte mens kan een blankere ziel bezitten dan menigeen die in het blanke werelddeel geboren werd.

Wij kunnen deze mens zelfs geen Blanke God aanleren, altijd zal hij zijn God zien als een neger, zoals een Chinees zijn God als eer Chinees zal scheppen.

Men moet leren begrijpen dat alles en iedereen, welke huidskleur men ook bezit, recht heeft op alles wat God in de wereld aan ons te geven heeft, vooral de vrijheid van woorden en daden. Door het leven van vele blanken en hun superioriteit tegenover de kleurlingen, hetzij zwart, bruin of geel, hebben wij geen recht hen een blanke God op te dringen.

Eens zal ook deze mens volkomen vrij en onafhankelijk zijn.” (Deze tekening werd 20 jaren geleden aan ons gegeven).

 

De tekening van een Japanse kersentuin:

„Leert u vooral zien, vertelde Emed hiervan, hoe deze Geisha nog leeft in het land van traditie, welke zij in ere houdt.

Zo houdt zij ook de God van haar vaderen in ere en geen mens kan de schoonheid van haar gedachten vernietigen. (Het symbool van de bloeiende boomgaard).

Eenmaal zal zij echter de brug moeten betreden die naar een huis voert waar zij de verschrikking van de beschaving zal leren kennen en slechts de herinnering aan de schoonheid van haar land zal blijven.”

Deze tekening werd ons in 1942 gegeven.

De geisha staat midden in een bloeiende kersentuin, vóór haar de brug, die naar een Westers huis voert, als in herinnering ziet zij over haar schouder naar de traditionele schoonheid van het oude Japan.

Men begrijpt dat dit slechts een greep is uit de grote hoeveelheid van schilderijen, pastellen en boetseerwerken die door Intelligenties werden vervaardigd.

Het beschrijven van al deze werken zou een boekdeel vullen. Zo heb ik enige van de gemaakte tekeningen onwillekeurig uitgekozen om een indruk te geven van de verborgen waarheden die zij in zich droegen.

De hierboven omschreven symbolieken kwamen allen voor op de gemaakte pastellen en om een goed geheel te vormen, wil ik de olieverf-schilderijen niet verwaarlozen.

Reeds eerder beschreef ik de Indische Bakoel, ons gegeven direct na de overdracht van het voormalig Ned. Indië.

Een verdere uiteenzetting van het profetische schilderij behoeft dus Met gegeven te worden; het herstel van de betrekkingen is in volle gang.

Een ander groot doek laat een alpenketen zien; op de voorgrond een alpenweide, vol kleurige bloemen.

Een sennehut voltooide het geheel en uit die hut komt een oude man, m.i. het beste te vergelijken met een kluizenaar.

Aan zijn arm hangt een grote mand, waarin hij de alpenkruiden aan het verzamelen is.

Hiervan vertelde Emed: „De mens is het gegeven om in de natuur daar geneesmiddelen te zoeken.

Alles is aanwezig, vanaf de eenvoudige kamillen tot de meest moeilijk te verkrijgen kruidensappen.

De mens is afgedwaald van de natuur; God schonk ons alles!

De mens is echter te gemakzuchtig geworden en buigt zich niet sneer naar de genezingbrengende planten.

Machines in allerlei soorten vervaardigen nu medicijnen en ze worden in mooie doosjes en flesjes verpakt om er maar zo aantrekkelijk mogelijk uit te zien.

Wie let er nu nog op Viola tricolor, op Ogentroost of op Weegbree en Hoefblad?

Toch zal de tijd komen dat de mens terugkeert tot dat wat God geschapen heeft.”

Ik ontving eens uit dank van een patiënt, die genezen werd van zieke ogen, door Ogentroost, een tegel waarop te lezen staat:

 

Mij spreekt de blomme een tale,

Mij is het kruid beleeft,

Mij treft het al te samen

Wat God geschapen heeft.

Guido Gezelle

 

Het behoeft geen betoog dat ik de schoonheid van deze woorden door eigen ervaringen, volkomen onderschrijven kan.

 

Vóór mij ligt de foto van een Kerststal, gemaakt door Meester Jozef, waarover ik reeds eerder schreef.

Alle beeldjes werden gemaakt volgens de in dit boek uiteengezette bewerking.

Het was een geheel ander beeld dan datgene wat wij ons wensen voor te stellen, want het is in een volkomen oosterse stijl gemaakt.

Ook hierin weer de getuigenis dat men een volk dat een andere huidskleur bezit niet de gedachte kan en mag ontnemen dat zijn God er evenals hijzelf uitziet. Er wordt hem immers geleerd: God schiep de mens naar Zijn gelijkenis.

Tot slot wil ik nog iets vertellen over een stuk paraffinewerk dat ontstond in de nacht vóór het openen van een expositie.

Er was op de middentafel die opgesteld stond in de expositiezaal een grote plaats opengelaten.

Het werk hiervoor moest nog komen, vertelde Emed mij en dus liet ik deze plaats natuurlijk vrij.

De avond vóór de expositie, toen alles reeds in de zaal stond uitgestald, was er nog geen spoor te bekennen van het beloofde werk dat nog ontbrak.

Toen wij, moe van het werken in de tentoonstellingszaal thuiskwamen, kreeg ik ook geen enkele aanwijzing.

Hoewel mijn man meermalen vroeg: „Moet je nu nog aan het werk?” had ik geen enkele indruk.

Wat doet men in zo'n geval? We zaten wat te praten over de op handen zijnde gebeurtenis, die een expositie van dit werk toch écht wel is en over koetjes en kalfjes.

Het werd 11 uur, maar geen enkel bericht. 12 uur, geen teken van Emed en mijn man stelde voor naar bed te gaan, maar dat kon ik niet, ik wist dat er werk moest komen en dat dit de volgende dag voor 12 uur gereed moest zijn.

Eerlijk gesproken, lokte het denkbeeld van te gaan slapen mij wel aan, want er was de afgelopen dag enorm veel werk verzet, maar ik verzette mij bewust tegen deze verleiding, Emed had gezegd dat er nog werk zou komen en dan zou het komen, hij had ons nooit voor de gek gehouden.

Op mijn aanraden ging mijn man naar bed en ik bleef achter met een oudere dame, die heel goed met alles op de hoogte was en dus het begrip voor deze „vreemde werktijd” wel op kon leveren. Om 1 uur zei Emed tegen mij: „wij zijn gereed, kunt u werken, wij hebben paraffine nodig.”

Daar had ik altijd een grote hoeveelheid van in huis en de pan met paraffine werd dus op het vuur gezet.

Ik heb reeds beschreven hoe de paraffine in stollende toestand wordt opgebouwd, maar op een experimentenavond stak één van onze vrienden een thermometer, in de vloeistof en hij kwam tot zijn verbazing tot de ontdekking dat ik mijn handen in een kokende substantie stak en mij niet verbrandde.

Ik heb nooit blaren gehad en de vingertoppen waren een beetje roder dan gewoonlijk, maar beslist niet verbrand.

Dit op zichzelf moet reeds te denken geven.

Om nu terug te keren naar de nacht waarover ik schreef. Uit de hete paraffine ontstond een complete Indische plantage. Koelies liepen af en aan met mandjes rijst en kokosnoten, anderen droegen baaltjes op de rug naar gereedliggende prauwen, die op een rivier te dobberen lagen.

Alle schatten uit het verre land werden vervoerd over de wereld, men kon koffie en thee en copra onderscheiden.

Superieur stond de planter op het werk toe te zien.

Emed vertelde mij toen het werk, dat tot 3 uur duurde, klaar was: „Zie, de schatten der aarde zullen eenmaal voor iedere mens bereikbaar zijn, het voedsel voor ieder toereikend, er zal geen honger meer voorkomen in bepaalde gebieden, wanneer iedereen zijn plicht leert kennen en begrijpen.

De superieure mens zal zijn kennis aan de inferieure gaan brengen, de verzadigde zal voedsel zenden aan de hongerende.

De werken van Barmhartigheid zullen stuk voor stuk in vervulling gaan.”

Opgemerkt zij dat voor zover mij bekend slechts door twee personen buiten mijzelf dit werk gemaakt wordt: de Gebr. Gmelich Meylink te Bloemendaal, die door hun paraffinewerk „de Brug” honderden belangstellenden naar de expositie van dit werkstuk trokken. Dit werk was in kleuren uitgevoerd en menigeen zal het zich herinneren.

Hoe dit alles te verklaren?

Misschien dat men de opmerking maakt, dat dit werkstuk dat in de nacht tot mij kwam door de duivel gemaakt werd, misschien wel door een middernachtelijk spook!

Voor mij was het een der wonderlijkste gewaarwordingen in mijn werk en ik wist de eenvoudige oplossing:

Men is immers aan Gene Zijde niet aan tijd gebonden! Wat zegt hen daar nog een door mensen ingestelde verdeling van de tijd in etmalen, uren en minuten?

Wij sluiten onze deuren af, maar zij komen terwijl deuren en vensters gesloten zijn.

Er is beslist geen donkere kamer voor nodig om hen te onderscheiden, de straling van hun wezen doet het licht in de kamer verduisteren en de zon is voor mij nooit een beletsel geweest, hen waar te nemen, ofschoon ik wel tijdens mijn werk hinder ondervind van de zon in mijn gezicht, zodat ik daar altijd met mijn rug naar toe gewend zit, maar dit is eerlijkheidshalve vermeld en niet om dat het van gewicht is. Wanneer ik met mijn rug naar de zon zit, staat een Intelligentie juist in het licht daarvan, maar zij ondergaan daar geen enkele tegenwerking van.

Zouden de schilderijen, pastellen en boetseerwerken zo'n schone inhoud bezitten wanneer deze door donkere machten gemaakt werden? Stuk voor stuk houden zij lessen in welke tot heil van de mens bijdragen en het onderwerp Jezus Christus wordt altijd met de meest mogelijke eerbied en liefde behandeld.

De getuigenis van God's Grootheid, Barmhartigheid en Alles Omvattende Liefde, klinkt altijd opnieuw uit hun toespraken, hun werk en hun vermaningen.

Wanneer dit donkere machten zouden zijn, zouden zij mij, wanneer ik dat niet reeds bezat, het geloof in God en het Offer van Jezus' Kruisdood, volkomen hebben gegeven.

Het is niet te beschrijven met welk een eerbied en liefde zij deze onderwerpen behandelen en trachten de mens die in vragen en beredeneringen verstrikt is geraakt, de weg tot begrip te wijzen. Zij getuigen allen van de Mens Jezus:

„het is de Opperste Liefde-kracht uitgaande van God om te leven en te lijden op aarde om na het volbrengen van Zijn werk de mensen het erfgoed van Zijn werk en beloften na te laten in de eenvoudige woorden:

Wat gij de Vader in Mijn Naam vraagt, zal u gegeven worden.” Donkere, duivelse machten? Men diene heel spoedig tot onderscheid te komen en te ontwaken uit een verstarring die middeleeuws aandoet.